“Zoo is dan eindelijk de dag gekomen, Suze,” zeide Florence, “dat wij
weder naar huis gaan, waar wij rust en stilte zullen hebben.”
Suze haalde met bijzondere beteekenis haar adem in, gaf verder haar
gevoel met een scherp kuchje lucht en antwoordde: “Stilte genoeg,
jufvrouw Flore. Stilte genoeg, dat is zeker.”—“Toen ik nog een kind
was,” zeide Florence, na eene poos gemijmerd te hebben, “hebt gij toen
ooit dien heer gezien, die nu driemaal de moeite heeft gedaan om hier
naar toe te komen om mij te spreken?—Was het niet driemaal,
Suze?”—“Driemaal, jufvrouw,” antwoordde Suze. “Eens toen gij uit
wandelen waart met die Sket...”
Florence zag haar strak maar vriendelijk aan en Suze bedacht zich.
“Met Sir Barnet en zijne Lady, wil ik zeggen, jufvrouw, en den jongen
heer. En later nog tweemaal ’s avonds.”—“Toen ik een kind was, en er
wel menschen bij ons plachten te komen, hebt ge toen ooit dien heer aan
huis gezien, Suze?” zeide Florence.—“Wel, jufvrouw,” antwoordde de
kamenier, na zich bedacht te hebben, “dat zou ik waarlijk niet kunnen
zeggen. Toen uwe arme mama stierf, jufvrouw Flore, was ik nog heel
nieuw in de familie, en mijn territoor,” hier wierp zij het hoofd in
den nek, daar zij meende dat Dombey hare verdiensten altijd opzettelijk
had miskend, “was de verdieping vlak onder den zolder.”—“O ja,” zeide
Florence, nog peinzend, “het was niet waarschijnlijk dat ge zoudt weten
wie er in huis kwam; daar dacht ik niet om.”—“Neen, jufvrouw, maar wij
praatten toch wel over de familie en de menschen die er kwamen,” zeide
Suze, “en ik hoorde véél, al was de baker, die er vóór jufvrouw
Richards was, somtijds hatelijk genoeg, als ik er bij was, om op kleine
potjes te schimpen; maar dat was,” merkte Suze verschoonend aan,
“alleen aan den drank te wijten, waarom de arme vrouw ook verhuizen
moest.”
Florence, die op hare kamer voor het venster zat naar buiten te kijken,
scheen nauwelijks te hooren wat Suze zeide, zoo was zij in gedachten
verzonken.
“In allen gevalle, jufvrouw,” zeide Suze, “kan ik mij wel herinneren
dat die mijnheer Carker toen haast, zoo niet geheel, even groot was bij
uw papa, als hij nu is. Men placht toen in huis te zeggen, dat hij in
de City aan het hoofd van al uw papa’s zaken was, en dat uw papa meer
om hem gaf dan iemand anders, wat hij, als gij het mij niet kwalijk
neemt, jufvrouw Flore, gemakkelijk doen kon, want hij gaf nooit iets om
iemand anders. Dat weet ik wel, klein potje als ik toen was of niet.”
De krenkende herinnering aan de oude baker deed Suze dit met
bijzonderen nadruk zeggen.
“En dat mijnheer Carker niet gezakt is, jufvrouw,” vervolgde zij, “maar
even groot bij uw papa gebleven, weet ik uit hetgeen die Perch zegt als
hij aan huis komt; en al is hij de flauwste kerel van de wereld,
jufvrouw Flore, dien iemand waarlijk geen oogenblik kan uitstaan, weet
hij toch tamelijk wel wat er in de City omgaat, en hij zegt dat uw papa
nooit iets doet zonder mijnheer Carker en alles aan mijnheer Carker
overlaat, en zich naar mijnheer Carker richt en mijnheer Carker altijd
bij zich heeft, en ik geloof dat hij gelooft (die flauwe Perch) dat na
uw papa de keizer van Indië nog maar een ongeboren kind is bij mijnheer
Carker.”
Geen woord hiervan ging voor Florence te loor, die nu niet langer
verstrooid naar buiten keek, maar de spreekster aanzag, en met aandacht
luisterde.
“Ja, Suze,” zeide zij, toen die jonge juffer ophield, “hij is in papa’s
vertrouwen en is zijn vriend, daarvan houd ik mij zeker.”
Florence had eenige dagen lang veel daaraan gedacht. Carker had bij de
twee bezoeken, welke hij op zijn eerste bezoek had laten volgen, eene
vertrouwelijkheid tusschen hem en haar voorondersteld—een recht van
zijn kant om raadselachtig en geheimzinnig te zijn, door haar te zeggen
dat men nog niets van het schip gehoord had—zeker vriendelijk en
welwillend gezag en vermogen over haar—waarover zij zich verwonderd en
ongerust gemaakt had. Zij was niet in staat om hem terug te wijzen of
zich te bevrijden uit het net, waarin hij haar langzamerhand
verstrikte; want dit zou eene geslepenheid en wereldkennis vereischt
hebben, die met de zijne konden kampen; en Florence bezat niets
daarvan. Hij had haar, wel is waar, niets meer gezegd dan dat er geene
tijding van het schip was en dat zij het ergste vreesden; maar hoe hij
te weten kwam dat zij belang in dat schip stelde, en welk recht hij had
om haar zijne kennis zoo donker en bijna verraderlijk aan te kondigen,
was iets dat haar zeer ontrustte.
Dit gedrag van Carker, en hare gewoonte om daaraan dikwijls met
verwondering en ongerustheid te denken, begonnen hem zekere onaangename
heerschappij, die naar tooverij geleek, over hare gedachten te geven.
Als zij zich zijne trekken en stem duidelijker poogde te herinneren,
hetgeen zij somtijds deed om hem tot een alledaagsch persoon te maken,
die niet meer macht over haar kon uitoefenen dan een ander, kon zij
toch dien onbestemden indruk niet uitwisschen. En toch had hij haar
nooit donker of met iets dat naar ongenoegen of vijandschap zweemde
aangezien, maar altijd een helder glimlachend gezicht getoond.
Dan wederom bedacht Florence—altijd getrouw aan haar voornemen om eens
haar vaders liefde te winnen, en standvastig in haar geloof dat zij
zelve onopzettelijk schuld had aan de koelheid hunner betrekking—dat
deze heer haar vaders vertrouwde vriend was, en vroeg zich dan met een
angstig hart, of die neiging om hem te wantrouwen en te vreezen ook een
deel kon zijn van dat ongeluk van haar, dat haar de liefde van haar
vader had doen verbeuren en haar zoo eenzaam doen worden. Somtijds
vreesde zij dat het zoo was; somtijds geloofde zij het; dan wilde zij
weder pogen dat verkeerde gevoel te overwinnen, overreedde zij zich dat
zij door de oplettendheid van haar vaders vriend vereerd en
aangemoedigd werd, en hoopte zij dat door hem geduldig te volgen en te
vertrouwen hare bloedende voeten den steenigen weg zouden vinden die op
het hart van haar vader uitliep.
Aldus werd, zonder iemand om haar te raden—want zij kon met niemand
raad nemen zonder dat zij over hem scheen te klagen—de zachtaardige
Florence op eene woelige zee van hoop en twijfel geslingerd, en Carker
zwom, gelijk een schubbig ondier, beneden in de diepte, en hield zijne
blinkende oogen op haar gevestigd.
Florence vond in dit alles eene nieuwe reden om maar te wenschen weder
thuis te zijn. Haar eenzaam leven daar strookte beter met haar
schroomvallig hopen en twijfelen; en zij vreesde somtijds dat zij door
hare afwezigheid eene kans zou kunnen verzuimen om hare liefde voor
haar vader te doen blijken. De hemel weet, zij had zich in dit laatste
opzicht wel mogen geruststellen, arm kind; maar hare versmade liefde
liet haar nooit rust, zelfs niet in haar slaap, en goochelde haar in
hare droomen eene reeks van tooneelen voor, die altijd daarmede
eindigden dat zij haar vader om den hals viel.
Aan Walter dacht zij dikwijls. O, hoe dikwijls, als de nacht somber was
en de wind om het huis gierde! Maar de hoop was nog krachtig in haar
hart. Het is voor een jeugdig en vurig gemoed, zelfs met zulk eene
ervaring als de hare, zoo moeielijk zich te verbeelden dat jeugd en
vuur als eene zwakke vlam worden uitgedoofd en de heldere levensdag
reeds des morgens in den nacht overgaat, dat zij nog hoopte. Zij
schreide dikwijls over Walter’s ongeluk en lijden, maar zelden over
zijn vermeenden dood, en dan nooit lang.
Zij had aan den ouden instrumentmaker geschreven, maar geen antwoord op
haar briefje ontvangen, waarop ook eigenlijk geen antwoord noodig was.
Zoo stond het met Florence op den ochtend toen zij weder naar huis ging
om met blijdschap haar vroeger stil en eenzaam leven te hervatten.
Doctor Blimber en zijne gade, door jongen heer Barnet (zeer tegen zijn
zin) vergezeld, waren reeds naar Brighton teruggekeerd, waar die jonge
heer en zijne medepelgrims naar den Parnas toen zonder twijfel aan het
gedurig hervatten hunner studiën waren. De vacantietijd was voorbij; de
meesten der jeugdige gasten op de villa waren vertrokken, en ook
Florence’s langdurig bezoek liep ten einde.
Er was echter nog een gast, die, hoewel hij niet in huis logeerde, de
familie getrouw was komen bezoeken en nog getrouw bleef. Dit was Toots,
die, nadat hij eenige weken geleden de kennis had vernieuwd, welke hij
het geluk had met Skettles Junior aan te knoopen, op den avond toen hij
de Blimbersche slavernij had verbroken, geregeld om den anderen dag was
aangekomen en een geheel pak kaartjes aan de voordeur had gelaten.
Insgelijks had Toots, met het gelukkige denkbeeld om de familie te
beletten hem te vergeten (hoewel er reden is om te denken dat de
Kemphaan hem eigenlijk op dien inval bracht) zich een zesriems kotter
aangeschaft, door vrienden van den Kemphaan bemand en door dien
doorluchtigen persoon zelven gestuurd, die daarbij een schitterend
rooden rok aanhad en het bestendige blauwe oog, waaraan hij onderhevig
was, onder een groen schermpje verborg. Eer hij zich deze equipage
aanschafte, had Toots den Kemphaan uitgehoord over een denkbeeldig
geval, namelijk, voorondersteld dat de Kemphaan verliefd was op eene
jonge dame die Mary heette, en het voornemen had opgevat om eene eigene
boot aan te leggen, hoe hij dan die boot zou noemen. De Kemphaan
antwoordde, met verscheidene krachtige betuigingen, dat hij ze of Polly
of de Kemphaans Lust zou doopen. Dit denkbeeld nog wat verbeterende,
besloot Toots, na veel nadenken en met inspanning van al zijne
vindingskracht, om zijne boot Toots’ Vreugde te noemen, als een fijn
compliment voor Florence, dat niemand, die met de partijen bekend was,
kon nalaten toe te juichen.
Op een scharlaken kussen in zijne ranke boot uitgestrekt, met zijne
schoenen in de lucht, was Toots, zijn voornemen volvoerende, dag aan
dag en week op week voorbij den tuin van Sir Barnet de rivier op en
neer komen varen, en had hij zijne roeiers, om te beter uit de vensters
der villa gezien te worden, met zulke scherpe hoeken laten oversteken
en zulke vreemde manoeuvres maken, dat hij den geheelen nabijgelegen
waterkant met verbazing vervulde. Maar wanneer hij iemand in Sir
Barnet’s tuin op den oever zag, veinsde Toots altijd daar juist door
een samenloop der zonderlingste toevalligheden voorbij te komen.
“Hoe gaat het, Toots!” zeide Sir Barnet dan, van het grasperk met de
hand wuivende, terwijl de geslepen Kemphaan dicht langs den kant
stuurde.—“Hoe vaart gij, Sir Barnet!” antwoordde Toots dan. “Welk eene
verrassing dat ik u hier zie!”
In zijne slimheid zeide Toots dit altijd, alsof hij, in plaats van bij
Sir Barnet’s huis, bij een verlaten gebouw op den oever van den Nijl of
de Ganges was.
“Nooit zoo opgekeken!” riep Toots dan. “Is jufvrouw Dombey daar?”
Daarop verscheen Florence misschien.
“Zoo! Diogenes is heel wel, jufvrouw Dombey,” riep Toots dan. “Ik heb
er van morgen nog naar gaan vragen.”—“Wel bedankt!” antwoordde dan de
welluidende stem van Florence.—“Wilt ge niet aan land komen, Toots?”
zeide Sir Barnet dan. “Kom, gij hebt immers geen haast. Leg eens bij
ons aan.”—“O, wel bedankt, het is van geen beduiden!” antwoordde Toots
dan. “Ik dacht maar dat jufvrouw Dombey het graag zou willen weten.
Anders niet. Goeden morgen!” en de arme Toots, die van verlangen stierf
om de uitnoodiging aan te nemen, maar den moed niet daartoe had, gaf
met een benauwd hart den Kemphaan een teeken, en de Vreugde vloog als
eene pijl over het water heen.
Op den ochtend van Florence’s vertrek, lag de Vreugde, buitengewoon
prachtig opgesierd, aan de trap van den tuin. Toen zij, na het gesprek
met Suze, naar beneden kwam om afscheid te nemen, vond zij Toots in het
salon op haar wachten.
“Zoo! Hoe vaart ge, jufvrouw Dombey?” zeide de verliefde Toots, altijd
schrikkelijk onthutst als hij den wensch van zijn hart had verkregen,
en met haar sprak.
“Wel bedankt; ik ben heel wel: gij ook, hoop ik; en Diogenes was
gisteren ook nog heel wel.”—“Ge zijt wel vriendelijk,” zeide
Florence.—“O dat is van geen beduiden,” antwoordde Toots. “Ik dacht dat
gij er met dat mooie weer misschien niet tegen zoudt hebben, jufvrouw
Dombey, om te water naar huis te gaan. Er is plaats genoeg in de boot
voor uwe kamenier.”—“Ik ben u wel verplicht,” antwoordde Florence
aarzelend, “maar—ik wilde liever niet.”—“O, het is van geen beduiden,”
zeide Toots daarop. “Goeden morgen.”—“Wilt ge niet wachten om Lady
Skettles te zien?” vroeg Florence vriendelijk.—“O neen, wel bedankt,”
antwoordde Toots. “Dat is volstrekt van geen beduiden.”
Zoo schichtig en onthutst was Toots bij zulke gelegenheden. Maar daar
Lady Skettles juist op het oogenblik binnentrad, kreeg Toots eensklaps
eene hartstochtelijke begeerte om haar te vragen hoe zij voer, en kon
maar niet ophouden haar nogmaals en nogmaals de hand te geven, tot Sir
Barnet verscheen, aan wien hij zich toen terstond met de kracht der
wanhoop vastklemde.
“Wij verliezen vandaag het licht van ons huis,” zeide Sir Barnet, zich
naar Florence keerende, “dat verzeker ik u, Toots.”—“O, dat is van geen
bed—ik meen, ja, dat is wel waar,” stotterde de bedremmelde Toots.
“Goeden morgen.”
In spijt van dit nadrukkelijk vaarwel, bleef Toots, in plaats van heen
te gaan, versuft staan kijken. Om hem uit den nood te helpen, nam
Florence met vele dankbetuigingen afscheid van Lady Skettles en gaf Sir
Barnet haar arm.
“Mag ik wel u verzoeken, lieve jufvrouw Dombey,” zeide haar gastheer,
terwijl hij haar naar het rijtuig bracht, “om uw goeden papa mijne
beste complimenten te doen?”
Het was smartelijk voor Florence deze boodschap aan te nemen, want het
was haar alsof zij Sir Barnet bedroog, wanneer zij hem liet gelooven
dat eene vriendelijkheid, aan haar bewezen, zoo goed als aan haar vader
bewezen was. Daar zij echter geene opheldering kon geven, boog zij maar
en bedankte hem; en wederom dacht zij, dat haar eentonig huis, waar zij
veilig was voor zulke verlegenheden en zulke herinneringen aan haar
verdriet, hare beste schuilplaats was.
Diegenen harer bekenden, die nog op de villa vertoefden, kwamen uit het
huis en den tuin aanloopen, om haar goedendag te zeggen. Allen waren
aan haar gehecht en namen hartelijk afscheid. Zelfs de dienstboden
speet het dat zij heenging, en de meiden stonden om het rijtuig te
nijgen en te knikken. Toen Florence naar deze vriendelijke gezichten
rondkeek en daaronder die van Sir Barnet en zijne Lady en dat van Toots
zag, die in de verte stond te grinniken en te staren, dacht zij aan den
avond toen Paul en zij van Doctor Blimber vertrokken; en toen het
rijtuig heenreed, rolden er tranen over hare wangen.
Droevige tranen, maar ook troostrijke tranen, want al de teedere
herinneringen, die met het oude eentonige huis in verband stonden en
het haar dierbaar maakten, rezen te gelijk voor haar op. Hoelang kwam
het haar voor sedert zij door die stille kamers had gezworven, sedert
zij het laatst, stil en angstig, naar die was geslopen welke haar vader
bewoond had! sedert zij bij elk bedrijf van haar dagelijksch leven den
ernstigen maar toch streelenden invloed der beminde dooden had gevoeld!
Dit nieuwe afscheid herinnerde haar bovendien aan dat van den armen
Walter! aan zijne woorden en blikken op dien avond; aan de schoone
mengeling van teederheid voor hen die hij achterliet met moed en
zelfvertrouwen, welke zij bij hem had opgemerkt. Zijne korte
geschiedenis stond ook met het oude huis in verband, en gaf het eene
nieuwe aanspraak op haar hart.
Zelfs Suze Nipper begon zachter over de woning, waar zij zoovele jaren
thuis waren geweest, te denken, toen zij weder daarheen op weg waren.
Zoo somber als het huis was, en zoo streng als zij over die somberheid
dacht, vergaf zij het toch veel. “Ik zal blij zijn als ik het weerzie;
dat wil ik ook niet ontkennen, jufvrouw,” zeide zij. “Het heeft niet
veel om op te roemen, maar ik zou het toch ook niet afgebrand of
afgebroken willen hebben!”
“Gij zult blij zijn als gij de oude kamers weder doorgaat, niet waar,
Suze?” zeide Florence met een glimlach.—“Wel, jufvrouw,” antwoordde
Suze, al meer en meer voor het huis verzachtende, hoe nader zij het
kwamen, “ik wil niet ontkennen of ik zal; schoon ik morgen denkelijk al
weer een hekel er aan zal hebben.”
Florence gevoelde dat daar voor haar meer vrede was te vinden dan
ergens anders. Het was beter en gemakkelijker haar geheim daar
opgesloten te houden, tusschen de hooge donkere muren, dan het door het
daglicht mede te dragen en voor een drom gelukkige oogen te verbergen.
Het was beter daar alleen de studie van haar liefderijk hart voort te
zetten, zonder opnieuw ontmoedigd te worden door de liefhebbende harten
om haar heen. Het was gemakkelijker geheel onopgemerkt, maar toch met
standvastigheid en geduld, te blijven hopen, bidden en liefhebben, in
het stille heiligdom van zulke herinneringen, hoewel het om haar heen
verviel en verging, dan tusschen nieuwe tooneelen, hoe vroolijk zij ook
mochten zijn. Zij heette haar ouden tooverdroom van het leven weder
welkom, en verlangde er naar dat de oude donkere deur zich maar weder
achter haar sloot.
Vol van zulke gedachten, reed Florence de lange, sombere straat in. Zij
zat niet aan den kant van de koets naar haar huis toe, en toen zij het
naderde, keek zij uit het portier, of zij de kinderen aan den overkant
ook zag.
Daarop had zij hare aandacht gevestigd, toen een uitroep van Suze haar
snel deed omzien.
“Wel lieve hemel!” riep Suze, “waar is ons huis?”—“Ons huis!” zeide
Florence.
Suze trok haar hoofd binnen het portier, stak het er weder uit, trok
het er weder binnen toen de koets stilhield, en staarde hare meesteres
vol verbazing aan.
Om het geheele huis, van de kelderverdieping tot aan het dak, stond een
doolhof van steigerwerk. Hoopen steen en stapels hout verstopten de
helft der breede zijstraat. Ladders waren tegen de muren opgezet,
werklieden klommen op en neer; andere waren op de steigers aan het
werk; groote rollen behangselpapier werden voor de deur van een wagen
afgegeven; een houtwagen versperde insgelijks den weg; geene meubelen
waren door de openstaande vensters en de gebrokene ruiten in de kamers
te zien; niets dan de werklieden en de benoodigdheden en gereedschappen
van verschillende beroepen zag men van de keuken tot aan de vliering.
Van binnen en van buiten metselaars, timmerlieden, schilders, hamer,
zaag, kalkbak, troffel en kwast, allen te gelijk aan den gang.
Florence stapte uit de koets, half twijfelende of zij wel aan het
rechte huis was, tot zij Towlinson herkende, met een door de zon
gebruind gezicht, die aan de deur stond om haar te ontvangen.
“Er is toch niets gebeurd?” zeide Florence.—“O neen, jufvrouw.”—“Maar
er worden groote veranderingen gemaakt.”—“Ja, jufvrouw, groote
veranderingen,” zeide Towlinson.
Florence ging hem voorbij alsof zij in een droom was, en haastte zich
naar boven. Een schel licht vervulde de lange, donkere receptie-kamers,
en overal waren trappen en stellages en mannen met papieren mutsen.
Haar moeders portret was met de andere meubelen verdwenen, en op de
plek waar men zien kon dat het gehangen had, was met krijt gekrabbeld:
“Deze kamer in paneelen. Groen met goud.” De trap was een doolhof van
palen en planken, evenals buiten het huis, en een geheele Olympus van
loodgieters en glazenmakers zweefde in verschillende houdingen boven
den lantarenkoepel. Hare eigene kamer was van binnen nog niet
aangeroerd; maar van buiten waren er balken en planken tegen gezet, die
het daglicht verdonkerden. Zij ging snel naar de andere slaapkamer waar
het ledekantje stond, en een donkere reus van een man, met een pijpje
in den mond en een zakdoek om het hoofd gebonden, keek door het venster
naar binnen.
Het was hier dat Suze Nipper, die Florence had loopen zoeken, haar vond
en zeide, of zij beneden bij haar papa wilde komen, die haar wenschte
te spreken.
“Thuis!—en wenscht mij te spreken!” riep Florence bevend uit.
Suze, die zelve nog veel meer van hare streek was dan Florence,
herhaalde hare boodschap; en Florence, bleek en ontroerd, haastte zich,
zonder een oogenblik bedenkens, weder naar beneden. Onderweg dacht zij,
zou zij hem een kus durven geven? Het verlangen van haar hart deed haar
stout worden, en zij dacht dat zij wel zou durven.
Haar vader had dat hart kunnen hooren kloppen, toen zij voor hem kwam.
Nog een oogenblik, en het zou tegen zijne borst hebben geklopt.
Maar hij was niet alleen. Er waren daar nog twee dames, en Florence
bleef staan. Zij worstelde zoo zeer tegen hare ontroering, dat zij, als
haar redelooze vriend Diogenes niet was binnengestoven en haar, als
welkom thuis, met zijne liefkoozingen had overstelpt—waarop een van de
dames een gilletje gaf, dat hare aandacht eenigszins afleidde—op den
grond zou zijn flauw gevallen.
“Florence,” zeide haar vader, zijne hand uitstekende, zoo stijf dat hij
haar daarmede van zich afhield, “hoe vaart ge?”
Florence vatte die hand, bracht ze schroomvallig aan hare lippen en
liet ze weder terugtrekken. Toen die hand de deur sloot, raakte zij
deze met evenveel liefkoozing aan, als zij haar had gedaan.
“Wat is dat voor een hond?” zeide Dombey misnoegd.—“Het is een hond,
papa—van Brighton.”—“Zoo!” zeide Dombey, en er vloog eene wolk over
zijn gezicht, want hij verstond haar.—“Hij is heel goedaardig,” zeide
Florence, zich met hare natuurlijke bevalligheid en lieftalligheid naar
de twee dames keerende. “Hij is maar blij dat hij mij ziet. Ik bid u,
vergeef het hem.”
Zij zag met den blik, dien zij wisselden, dat de dame, die gegild had
en op een stoel zat, oud was; en dat de andere dame, die bij haar papa
stond, zeer schoon was en een elegant voorkomen had.
“Mevrouw Skewton,” zeide haar vader, zich naar de eerste dame keerende
en zijne hand uitstekende, “dat is mijne dochter Florence.”—“Charmant,
moet ik zeggen,” merkte de dame aan, haar lorgnet voor het oog
houdende. “Zoo natuurlijk. Mijne allerliefste Florence, geef mij een
kus, als het u belieft.”
Nadat Florence dit gedaan had, keerde zij zich naar de andere dame, bij
welke haar papa stond te wachten.
“Edith,” zeide Dombey, “dit is mijne dochter Florence. Florence, deze
dame zal binnen kort uwe mama zijn.”
Florence schrikte, en zag naar het schoone gelaat op met eene mengeling
van aandoeningen, waaronder de tranen, door dien naam uitgelokt, voor
een oogenblik met verrassing, belangstelling, bewondering en zekere
onbeschrijfelijke vrees kampten. Toen riep zij uit:
“O papa, moogt gij gelukkig zijn! Moogt gij heel, heel gelukkig zijn,
al uw leven lang!” En toen viel zij die dame schreiend aan de borst.
Er volgde eene korte poos van stilte. De schoone dame, die eerst scheen
te aarzelen of zij naar Florence toe zou komen of niet, hield haar aan
hare borst en sloeg haar arm vast om haar heen, als om haar gerust te
stellen en te troosten. Geen woord kwam over hare lippen. Zij boog haar
hoofd naar Florence over, en kuste haar op de wang, maar sprak geen
woord.
“Zullen wij nu verder de kamers doorgaan,” zeide Dombey, “om te zien
hoe de werklieden het maken? Mag ik zoo vrij zijn, mevrouw?”
Hij bood, dit zeggende, mevrouw Skewton zijn arm, die door haar lorgnet
naar Florence had gekeken, alsof zij zich verbeeldde wat er door het
mededeelen van wat meer hartelijkheid en natuurlijkheid—uit haar eigen
rijken voorraad zonder twijfel—van haar zou kunnen gemaakt worden.
Florence lag nog snikkend aan de borst dier dame, toen men Dombey in de
oranjerie hoorde zeggen:
“Laten wij het aan Edith vragen. Heden, waar is zij?”—“Edith, lief
kind,” riep mevrouw Skewton, “waar zijt ge toch? Zeker ergens naar
mijnheer Dombey aan het zoeken, dat weet ik wel. Wij zijn hier, lieve.”
De schoone dame liet Florence los, drukte haar nog een kus op de wang
en ging haastig naar de twee anderen. Florence bleef op dezelfde plank
staan—bedroefd en verheugd, vergenoegd en schreiende—zij wist niet hoe
of hoelang, tot op eens hare nieuwe mama terugkwam en haar weder in
hare armen sloot.
“Florence,” zeide de dame haastig, en zag haar met grooten ernst in de
oogen. “Gij zult dus niet beginnen met mij te haten?”—“Met u te haten,
mama!” riep Florence uit, haar arm om haar hals slingerende en haar
blik beantwoordende.—“St! Begin met goed van mij te denken,” zeide de
schoone dame. “Begin met te gelooven dat ik al het mogelijke zal doen
om u gelukkig te maken, en dat ik u gaarne wil liefhebben, Florence.
Goedendag. Wij zullen elkander weerzien, spoedig. Goedendag. Blijf nu
niet langer hier.”
Nogmaals drukte zij haar aan hare borst—zij had haastig maar met eene
vaste stem gesproken—en Florence zag haar zich in de naaste kamer bij
de anderen voegen.
En nu begon Florence te hopen dat zij van hare nieuwe, schoone mama zou
leeren, hoe de liefde van haar vader te winnen; en in haar slaap dien
nacht zag hare eigene mama met een zaligen glimlach op die hoop neder,
en gaf haar zegen daarover. Droomende Florence!