DONKERDER SCHADUWEN.

Carker de chef stond met den leeuwerik op en ging in den

zomerochtendstond uit wandelen. Zijn gepeins—en hij peinsde al

voortkuierende met saamgetrokken wenkbrauwen—scheen niet zoo hoog als

de leeuwerik te zweven, of die richting te nemen; het bleef integendeel

dicht bij de aarde en wroette daar tusschen stof en wormen. Maar er was

geen onzichtbaar zingende vogel in de lucht, verder buiten bereik van

ieder menschelijk oog dan Carker’s gedachten. Hij had zijn gezicht zoo

volmaakt onder bedwang, dat weinigen van zijne uitdrukking meer

bepaalds konden zeggen dan dat het lachte of peinsde. Het peinsde nu

met inspanning. Naarmate de leeuwerik hooger steeg verzonk hij in

dieper gedachten. Naarmate de leeuwerik zijn gezang helderder

uitgalmde, werd zijn stilzwijgen strakker en ernstiger. Eindelijk, toen

de leeuwerik, met verdubbeld geschal, naar beneden kwam duiken en dicht

bij hem in het groene koren neerviel, dat in het ochtendkoeltje als

eene rivier golfde, ontwaakte hij uit zijn gemijmer en keek eensklaps

met een glimlach rond, zoo beleefd en vriendelijk alsof hij een aantal

opmerkers met zich te verzoenen had. Ook vergat hij zich, aldus gewekt,

niet weder, maar streek zijn gezicht glad, als bedacht hij zich dat het

anders rimpels zou kunnen krijgen en geheimen verklappen, en kuierde,

als tot oefening, al glimlachend voort.

Misschien was het dewijl hij wist hoeveel van een eersten indruk

afhangt, dat Carker dien ochtend bijzonder net en zorgvuldig gekleed

was. Schoon altijd eenigszins stijf in zijne kleeding, in navolging van

den grooten man wien hij diende, ging hij echter niet zoover als

Dombey’s stijfheid; misschien te gelijk omdat hij wel wist dat deze

belachelijk was, als omdat hij daardoor wederom een middel vond om

zijne bewustheid van het verschil en den afstand tusschen hen aan te

duiden. Sommige menschen noemden hem in dit opzicht een paskwil op zijn

bevrozen patroon, maar de wereld is zeer genegen om iets verkeerd uit

te leggen, en Carker was niet voor die slechte neiging

verantwoordelijk.

Zoo net en proper, blozend en welgedaan, met een voorzichtigen stap,

die het gras nog zachter scheen te maken, kuierde Carker de chef door

de weiden, en gleed hij tusschen het groene geboomte door, tot het tijd

werd om te gaan ontbijten. Toen omkeerende om een naderen weg terug te

nemen, zeide hij hardop: “Nu om de tweede mevrouw Dombey te gaan zien!”

Hij was om de stad heengedwaald en naderde deze weder langs eene

wandelplaats, door zwaar geboomte beschaduwd, en waar hier en daar

banken stonden voor hen die verkozen te rusten. Daar deze plaats nooit

druk bezocht werd, en op dat stille morgenuur er zeer eenzaam en

verlaten uitzag, meende Carker geheel alleen te zijn, en kreeg het dus

in zijn hoofd—daar hij nog twintig minuten tijd had voor een weg, dien

hij gemakkelijk in tien kon afleggen—om geen pad te volgen, maar

slingerend tusschen de dikke stammen der boomen heen te gaan, voor den

eenen heen en achter den anderen om, als het ware een net van

voetstappen over het bedauwde gras vlechtende.

Hij bevond dat hij zich vergist had met te denken, dat er niemand in

dit boschje was, want toen hij zachtjes om den stam van een grooten

boom heenstapte, met een bast zoo ruw en knobbelig als de huid van een

rhinoceros, zag hij onverwacht eene gedaante op eene bank dichtbij

zitten, welke hij een oogenblik later in zijn net zou hebben

ingevlochten.

Het was eene dame, zeer elegant en kostbaar gekleed, welker donkere,

trotsche oogen op den grond gevestigd waren, en in wier binnenste een

of andere hartstocht scheen te woelen. Want terwijl zij daar zoo zat,

had zij een hoek harer onderlip tusschen hare tanden getrokken, zwoegde

hare borst en trilden hare neusgaten, beefde haar hoofd, rolden er

tranen van verontwaardiging over hare wangen, en was haar voet op het

mos gedrukt alsof zij het tot niet had willen stampen. En toch zag hij

bijna met denzelfden blik, waarmede hij dit opmerkte, dezelfde dame

opstaan met eene houding van lustelooze verveling, en zich omkeeren met

een gezicht waarop niets anders dan koude schoonheid en hooghartige

minachting te zien waren.

Eene gerimpelde, leelijke oude vrouw, gekleed niet zoozeer als eene

heidin, dan als behoorde zij tot dat gemengde ras van vagebonden, die

bedelend, stelend, ketellappend en biezen vlechtend het land afloopen,

had insgelijks deze dame gadegeslagen; want toen zij opstond, krabbelde

deze tweede gedaante—zulk een zonderling contrast met de eerste—van den

grond op (scheen bijna daaruit op te rijzen) en trad haar in den weg.

“Laat ik u eens uw fortuin voorzeggen, mooie dame,” zeide het oude

wijf, met hare kaken mommelende alsof het doodshoofd onder hare gele

huid ongeduldig was om er uit te komen.—“Dat kan ik zelve wel doen,”

was het antwoord.—“Ja, ja, mooie dame, maar niet recht. Gij hebt het

niet recht gedaan toen gij daar zat. Ik heb u wel gezien. Geef mij een

stuk zilver, mooie dame, en ik zal u waarzeggen. Er is rijkdom, mooie

dame, in uw gezicht.”—“Dat weet ik wel,” antwoordde de dame, haar met

een donkeren glimlach en een trotschen tred voorbijgaande. “Dat wist ik

te voren al.”—“Wat, wilt ge mij niets geven?” riep het oude wijf. “Gij

wilt mij niets geven om u te zeggen wat ik weet, mooie dame? Hoeveel

wilt ge mij dan geven om het niet te zeggen? Geef mij wat, of ik zal

het u naschreeuwen!” kraste het oude wijf kwaadaardig.

Carker, achter den boom, dien de dame juist wilde voorbijgaan om op het

pad te komen, kwam vooruit, zoodat hij haar moest ontmoeten, nam in het

voorbijgaan zijn hoed af, en beval het oude wijf om zich stil te

houden. De dame dankte voor zijne tusschenkomst door even haar hoofd te

buigen en ging haars weegs.

“Geef gij mij dan wat, of ik zal het haar naschreeuwen,” gilde het oude

wijf, tegen zijn uitgestrekten arm inloopende. “Of kom,” vervolgde zij,

en liet eensklaps hare stem dalen, zag hem ernstig aan en scheen in een

oogenblik het voorwerp harer gramschap te vergeten, “geef mij wat, of

ik zal het u naschreeuwen.”—“Mij naschreeuwen, moedertje!” antwoordde

Carker, de hand in den zak stekende.—“Ja,” zeide het wijf, hem nog

strak aanziende en hare verschrompelde hand uitstekende. “Ik weet

veel.”—“Wat weet gij dan?” zeide Carker, haar een schelling

toewerpende. “Weet gij wie die mooie dame is?”

Al mommelend en met een boosaardigen schelen blik raapte het oude wijf

den schelling op, en ging toen achteruit als eene krab, of liever als

een geheele hoop krabben, want hare handen, met de kromme zich

beurtelings sluitende en openende vingers, hadden er twee kunnen

voorstellen, en haar verwrongen gezicht nog een aantal meer. Zij liet

zich op den knoestigen wortel van een boom neerzakken, haalde een kort,

zwart pijpje uit den bol van haar hoed, stak het met een vuurslag aan

en ging stil zitten rooken, altijd nog den vrager aanziende.

Carker lachte en draaide zich luchtig om.

“Goed!” zeide het oude wijf. “Een kind dood, en een kind in leven; eene

vrouw dood, en eene vrouw op zicht. Ga maar naar haar toe!”

Carker kon niet nalaten om te kijken en te blijven staan. Het wijf had

haar pijpje niet uit den mond genomen, en mompelde terwijl zij rookte,

alsof zij met een onzichtbaren gedienstigen in gesprek was, terwijl zij

met haar vinger in de richting wees die hij ging.

“Wat hebt gij daar gezegd, oude heks?” zeide hij.

Het wijf bleef mommelen, snateren en rooken, en nog met haar vinger

wijzen, maar gaf geen antwoord. Een lang niet vleienden afscheidsgroet

mompelende ging Carker heen, maar toen hij in de verte nog eens omkeek,

zag hij het wijf nog met haar vinger wijzen, en meende hij haar nog te

hooren schreeuwen: “Ga maar naar haar toe!”

In het logement vond hij een keurig ontbijt gereed, waarbij Dombey en

de majoor op de dames zaten te wachten. Zoo iets hangt zeker

grootendeels van iemands gestel af, maar in dit geval was de eetlust

sterker dan de liefde; want Dombey was zeer koel en bedaard en de

majoor zeer ongeduldig. Eindelijk werd de deur door den inboorling

geopend, en na eene poos wachtens, daardoor veroorzaakt, dat zij zoo

kwijnend langzaam den gang doorkwam, verscheen eene zeer blozende, maar

niet zeer jeugdige dame.

“Mijn beste mijnheer Dombey,” zeide de dame, “ik vrees dat wij laat

komen; maar Edith is al uit geweest om naar een fraai gelegen plekje

voor eene schets te zoeken, en heeft mij naar haar laten wachten.

Valschaard van een majoor,” hem haar pink gevende; “hoe gaat het

u?”—“Mevrouw Skewton,” zeide Dombey, “laat ik mijn vriend Carker het

genoegen mogen geven om hem u te presenteeren.” Onwillekeurig legde hij

een nadruk op het woord “vriend,” als wilde hij zeggen “ik weet wel dat

ik hem veel eer bewijs met die onderscheiding.”—“Gij hebt mij wel van

mijnheer Carker hooren spreken.”—“O, ik ben waarlijk gecharmeerd,”

zeide mevrouw Skewton zeer vriendelijk.

Carker was natuurlijk ook gecharmeerd—zou, ter wille van Dombey, nog

meer gecharmeerd zijn geweest, als mevrouw Skewton (gelijk hij eerst

dacht) de Edith geweest was, op welke hij den vorigen avond had

gedronken.

“Maar waar om ’s hemels wil blijft Edith toch!” riep mevrouw Skewton

uit. “Nog aan de deur om Withers te beduiden waarbij die teekeningen

moet brengen om op te zetten! Lieve mijnheer Dombey, wilt gij wel zoo

goed zijn—”

Dombey was haar reeds gaan zoeken. Een oogenblik later kwam hij terug,

met de schoone elegant gekleede dame aan den arm, welke Carker onder

het geboomte had ontmoet.

“Carker—” begon Dombey. Maar hunne wederzijdsche herkenning was zoo

duidelijk, dat hij verwonderd bleef steken.—“Ik ben mijnheer

verplicht,” zeide Edith, met eene statige buiging, “dat hij mij daar

straks van den overlast van eene bedelaarster heeft bevrijd.”

Terwijl haar oog even op hem rustte en toen naar den grond werd

geslagen, zag hij in dien helderen, uitvorschenden blik een vermoeden,

dat hij niet pas op het oogenblik zijner tusschenkomst was aangekomen,

maar haar reeds vroeger had waargenomen. Terwijl hij dit zag, zag zij

in zijn oog dat haar wantrouwen niet ongegrond was.

“Waarlijk,” zeide mevrouw Skewton, die deze gelegenheid had waargenomen

om Carker door haar lorgnet te inspecteeren, en zich overtuigd had

(gelijk zij den majoor hoorbaar toefluisterde) dat hij een allerliefst,

hartelijk man was. “Waarlijk, dat is zulk eene charmante toevalligheid

als ik ooit gehoord heb. Lieve Edith, er is zulk eene zichtbare

bestemming van het noodlot in, dat iemand waarlijk haast de armen

kruiselings over haar fichu zou leggen en zeggen, evenals die

gruwelijke Turken, er is geen, ge weet wel, dan, ge weet wel, en die

met zijn raren naam is zijn profeet.”

Edith verwaardigde zich niet om iets over deze buitengewone aanhaling

uit den Koran te zeggen, maar Dombey achtte het noodig eenige beleefde

aanmerkingen te bieden.

“Het doet mij groot genoegen,” zeide hij met stijve galanterie, “dat

een heer, die in zulke nauwe betrekking met mij staat als Carker, de

eer en het geluk mocht hebben om mevrouw Granger den geringsten dienst

te bewijzen.” Daarbij boog hij voor haar. “Maar het spijt mij

eenigszins en het geeft mij waarlijk aanleiding om op Carker wangunstig

te zijn,” onwillekeurig legde hij een nadruk op deze woorden, als

bewust dat zij zeer bevreemdend moesten schijnen, “dat ik niet zelf die

eer en dat geluk mocht hebben.” Hij boog zich wederom, Edith bleef

roerloos behalve dat hare lip eenigszins krulde.—“Waarachtig,

mijnheer,” riep de majoor uit, op het gezicht van den knecht, die kwam

zeggen dat het ontbijt gereed was, eensklaps zijne spraak herkrijgende,

“het komt mij zeer wonderlijk voor dat niemand de eer en het geluk kan

hebben om zulke bedelaarsters door den kop te schieten, zonder dat hem

dat kwalijk zou genomen worden. Maar hier is een arm voor mevrouw

Granger, als zij J. B. de eer wil geven om dien te nemen, en de

grootste dienst, dien Joe u nu kan bewijzen, mevrouw, is u naar de

tafel te brengen.”

Daarmede gaf de majoor Edith zijn arm; Dombey ging met mevrouw Skewton

vooruit; Carker kwam achteraan en zag het gezelschap glimlachend na.

“Ik ben waarlijk opgetogen, mijnheer Carker,” zeide de mama, onder het

ontbijt, nadat zij hem nog eens goedkeurend door haar lorgnet had

bekeken, “dat uw bezoek juist zoo gelukkig treft, dat gij vandaag met

ons kunt medegaan. Het zal een charmant toertje zijn.”—“Ieder toertje

zou in zulk een gezelschap charmant wezen,” antwoordde Carker; “maar ik

geloof dat dit op zich zelf zeer interessant is.”—“O,” zeide mevrouw

Skewton, met een flauw gilletje van verrukking, “het kasteel is

betooverend—vol herinneringen uit de middeleeuwen en dat alles—dat zoo

aandoenlijk is. Houdt gij ook niet veel van de middeleeuwen, mijnheer

Carker?”—“Bijzonder,” antwoordde Carker.—“Zulk een verrukkelijke tijd!”

riep Cleopatra uit. “Zoo hartelijk en natuurlijk! Zoo schilderachtig!

Zoo ver boven al het alledaagsche! Och, dat men ons in dezen akeligen

tijd wat meer van de poëzie des levens wilde laten houden.”

Mevrouw Skewton lette, terwijl zij dit zeide, scherp op Dombey, die

naar Edith zag, welke, zonder hare oogen op te slaan, zat te luisteren.

“Wij zijn verschrikkelijk aan de prozaïsche werkelijkheid gebonden,

niet waar, mijnheer Carker?” zeide mevrouw Skewton.

Weinig menschen hadden minder over een gebonden zijn aan de

werkelijkheid te klagen dan Cleopatra, die zooveel valsche

eigenschappen en sieraden had, dat men bijna niets werkelijks meer aan

haar zag. Carker beklaagde haar evenwel en bekende dat zij het in dat

opzicht zeer hard hadden.

“Schilderijen op het kasteel—goddelijk!” zeide Cleopatra. “Ik hoop dat

gij ook veel van schilderijen houdt?”—“Ik verzeker u, mevrouw Skewton,”

zeide Dombey, om zijn dienaar eene plechtige aanmoediging te geven,

“dat Carker zeer veel smaak voor schilderijen heeft; een natuurlijk

talent om ze te beoordeelen. Hij is zelf een zeer knap teekenaar. Hij

zal opgetogen zijn, houd ik mij verzekerd, over mevrouw Granger’s smaak

en bekwaamheid.”—“Verduiveld, mijnheer,” riep majoor Bagstock uit, “ik

ben van gedachten dat gij een mirakel van knapheid zijt, en alles

kunt.”—“O, majoor,” zeide Carker met glimlachende nederigheid, “ge zijt

veel te goed. Ik kan maar zeer weinig. Maar mijnheer Dombey is zoo mild

in het prijzen van alle beuzelachtige talenten, die iemand als ik zich

bijna noodzakelijk moet eigen maken, en waarboven hij, in zijne

positie, ver verheven is, dat...” Hij haalde zijne schouders op, als om

te verzoeken van meerderen lof verschoond te blijven, en sprak niet

verder.

Al dien tijd sloeg Edith hare oogen niet op, dan om somtijds even naar

hare moeder te zien, wanneer deze hare geestdrift lucht gaf. Maar toen

Carker zweeg, zag zij Dombey voor een oogenblik aan. Voor een oogenblik

slechts, maar met eene uitdrukking van verwondering en minachting,

welke voor een opmerker, die glimlachend de tafel rondkeek, niet

verloren ging.

Dombey zag haar hare oogen weder neerslaan en poogde hare aandacht

opnieuw te trekken.

“Ge zijt ongelukkig al dikwijls naar Warwick geweest?” zeide

hij.—“Verscheidene malen.”—“Het toertje zal dus vervelend voor u zijn,

vrees ik?”—“O neen, geheel niet.”—“Ja, daarin gelijkt ge naar uw neef

Feenix, lieve Edith,” liet mevrouw Skewton hierop volgen. “Hij is zeker

wel vijftigmaal naar het kasteel van Warwick geweest, en toch, als hij

morgen te Leamington kwam—dat ik wel wenschte—zou hij het overmorgen

zijne een en vijftigste visite brengen.”—“Wij hebben allen zooveel

enthusiasme, niet waar, mama?” zeide Edith met een kouden glimlach.—“Al

te veel voor de rust van onze ziel misschien, melieve,” antwoordde hare

moeder, “maar wij willen niet klagen. Onze eigene aandoeningen zijn

onze belooning. Misschien verslijt, gelijk uw neef Feenix zegt, de

degen de—hoe is het ook weer?”—“De scheede, misschien,” zeide Edith.—“O

ja—wat al te gauw, maar dat is omdat hij zoo gloeiend scherp en

blinkend is, weet ge wel, liefje.”

Mevrouw Skewton slaakte een zuchtje, dat de houten kling moest gelden

waarvan hare teergevoelige borst de scheede was, liet à la Cleopatra

haar hoofd op zijde hangen, en zag haar geliefd kind met peinzende

genegenheid aan.

Edith had, toen Dombey haar aansprak, haar gezicht naar hem toegekeerd,

en was in die houding gebleven, terwijl zij tot hare moeder en hare

moeder tot haar sprak, alsof zij hem hare oplettendheid aanbood, als

hij nog iets te zeggen had. De manier, waarop zij deze eenvoudige

beleefdheid bewees, had bijna iets uitdagends, iets alsof zij die

gedwongen en tegen haar zin bewees, en dit ging wederom niet verloren

voor den opmerker, die glimlachend de tafel rondkeek. Het deed hem aan

haar denken gelijk hij haar het eerst had gezien, toen zij geloofde dat

zij tusschen het geboomte alleen was.

Daar Dombey niets anders te zeggen had, en het ontbijt nu was

afgeloopen—de majoor was opgepropt als een boa constrictor—deed hij het

voorstel om te vertrekken. Er stond eene barouche te wachten. De twee

dames, de majoor en Dombey namen daarin plaats; de inboorling en de

bleeke page klommen op den bok, Towlinson bleef achter, en Carker reed

te paard mede.

Carker bleef op den geheelen rit een eind achter het rijtuig, en

beloerde het alsof hij werkelijk eene kat, en de vier, die er inzaten,

muizen waren. Hetzij hij naar den eenen kant van den weg of naar den

anderen keek—over het uitgebreide landschap met zacht golvende

heuvelen, windmolens, korenvelden, weiden, wilde bloemen,

boerenwoningen, hooibergen en kerktorens—of omhoog in de zonnige lucht,

waar de vlindertjes om zijn hoofd fladderden en de vogelen hunne

liederen uitgalmden—of naar beneden, waar de schaduwen der takken zich

samenvlochten en een geschakeerd tapijt over den grond weefden—of

vooruit, waar het overhangende geboomte gewelven en bogen vormde en

slechts eene zachte schemering door het loofdak drong—altijd hield hij

één oog schuins op het stijf opgerichte hoofd van Dombey gericht, dat

naar hem was toegekeerd, en op de veder, die zoo sierlijk, maar zoo

smadelijk tusschen hen inhing, en toonde dat de trotsche oogleden niet

werden opgeslagen. Slechts eenmaal liet zijn loerende blik die

voorwerpen los, en dat was toen een sprong over eene lage heg en een

galop door een veld het hem mogelijk maakten om het rijtuig voor te

komen, en aan het eind van den tocht gereed te staan om de dames er uit

te helpen. Toen, en toen alleen, ontmoette hij, in hare eerste

verrassing, haar blik, maar toen hij haar, bij het afstappen, met zijne

zachte witte hand aanraakte, scheen zij hem weder geheel niet te zien.

Mevrouw Skewton was er op gesteld om Carker bij zich te houden en hem

de schoonheden van het kasteel te laten zien. Zij wilde zijn arm hebben

en dien van den majoor ook. Het zou dat onverbeterlijke schepsel, dat

op het punt van poëzie een ongeloovig barbaar was, goeddoen in zulk

gezelschap te wezen. Deze schikking liet Dombey toevallig vrijheid om

Edith te geleiden, hetgeen hij dan ook deed, met statige deftigheid

vooruit door de vertrekken stappende.

“Die lieve oude tijd, mijnheer Carker,” zeide Cleopatra, “met zijne

heerlijke kasteelen, en die aardige oude gevangenissen, en die

verrukkelijke pijnkelders, en die romaneske wraakoefeningen, en die

schilderachtige gevechten en belegeringen, en alles dat het leven zoo

bekoorlijk maakt! Hoe vreeselijk zijn wij toch verbasterd!”—“Ja, wij

zijn jammerlijk achteruitgegaan,” zeide Carker.

Het eigenaardige van hun gesprek bestond daarin, dat mevrouw Skewton in

spijt van hare verrukking, en Carker in spijt van zijne beleefdheid,

beide scherp op Dombey en Edith acht gaven. Met al hun talent voor

conversatie spraken zij dus tamelijk verstrooid en verward.

“Wij hebben geen geloof meer,” zeide mevrouw Skewton, haar uitgedroogd

oor naar voren keerende, want Dombey zeide juist iets tot Edith; “wij

hebben geen geloof meer aan die goede oude baronnen, die zulke

alleraardigste lieden waren—of aan die brave oude priesters, die zoo

krijgshaftig waren—of zelfs in de dagen van die weergalooze koningin

Elizabeth, daar aan den muur, die zulk een echt gouden tijd waren.

Lieve vrouw! Zij nog hartelijk! En die charmante vader van haar! Ik

hoop dat gij ook veel van Hendrik den achtste houdt?”—“Ik bewonder hem

buitengemeen,” zeide Carker.—“Zoo rondborstig, niet waar?” riep mevrouw

Skewton uit. “En zoo welgedaan! Zoo echt engelsch! En zulk een

schilderachtig portret geeft hij, met zijne kleine, geknepene oogjes en

zijne menschlievende kin!”—“O mevrouw,” zeide Carker, en bleef

stilstaan, “als gij van schilderijen spreekt, daar hebt gij eene

compositie! Welke galerij in de wereld kan er een pendant van toonen?”

Terwijl de glimlachende geleider van mevrouw Skewton zoo sprak, wees

hij door eene deur naar het midden van eene andere kamer waar Dombey en

Edith stonden.

Zij waren met elkander alleen, maar wisselden woord noch blik. Zoo bij

elkander, arm in arm, scheen het dat zij verder van elkander gescheiden

waren dan alsof zeeën tusschen hen stroomden. Er was zelfs een verschil

in de trotschheid van die twee, dat hen nog verder van elkander

verwijderde, dan wanneer de een het hoogmoedigste en de andere het

nederigste schepsel op aarde was geweest. Hij, vol van zijne eigene

waarde, onbuigzaam, stijf en stroef. Zij, schoon en bevallig, in

buitengewone mate, maar onverschillig voor zich zelve en hem en alles

in het rond, en met haar fieren trots hare eigene bekoorlijkheden

smadende, alsof deze eene livrei waren, waarvan zij een afkeer had. Zoo

slecht pasten zij bij elkander, zoo geweldig waren zij aan elkander

geboeid met eene keten, die het ongelukkigste toeval had gesmeed, dat

men zich had kunnen verbeelden dat de schilderijen aan de wanden van

die onnatuurlijke vereeniging schrikten, en daarop met eigenaardige

blijken van ongenoegen acht gaven. Ridders en krijgslieden zagen met

dreigende verontwaardiging op hen neer. Een geestelijke veroordeelde,

met opgehevene hand, de heiligschennis dat zulk een paar voor Gods

altaar zou treden. Stille waters in landschappen, in welker diepte de

zonneschijn spiegelde, vroegen of, als er geene betere uitkomst was, er

geen verdrinken overschoot. Dieven, door de natuur tot vijanden

gemaakt, verscheurden elkander, als een waarschuwend voorbeeld voor

hen. Minnegoodjes en engeltjes namen verschrikt de vlucht, en de

geschilderde geschiedenis van het martelaarschap kon geene zulke

foltering vertoonen.

Evenwel was mevrouw Skewton zoo opgetogen over het gezicht, waarop

Carker hare aandacht vestigde, dat zij zich niet onthouden kon half

luid te zeggen, hoe vol ziel en gevoel het was! Edith hoorde haar, zag

om en kreeg van verontwaardiging een blos tot over het voorhoofd.

“Mijne lieve Edith weet wel dat ik haar stond te bewonderen,” zeide

Cleopatra, haar bijna schroomvallig met hare parasol op den rug

tikkende. “Niet waar, liefje?”

Wederom zag Carker den zielestrijd, waarvan hij tusschen het geboomte

zoo onverwacht getuige was geweest. Wederom zag hij die trotsche

onverschilligheid en lusteloosheid terugkomen en hare gemoedsbeweging

als achter eene wolk verbergen.

Zij sloeg hare oogen niet naar hem op, maar met eene kleine, gebiedende

beweging daarvan scheen zij hare moeder te bevelen, om bij haar te

komen. Mevrouw Skewton achtte het raadzaam dien wenk te verstaan, en

met hare twee cavaliers snel nader komende, bleef zij van dien tijd af

bij hare dochter.

Carker, die nu niets meer had om zijne aandacht af te trekken, begon

over de schilderijen te spreken, en wees de beste aan Dombey. Hij sprak

met zijne gewone ongedwongene erkentenis van Dombey’s grootheid, en

bewees hem hulde door zijn tooneelkijker voor hem op de rechte maat uit

te schuiven, iets in den catalogus voor hem op te zoeken, zijn stok

vast te houden, en dergelijke. Deze diensten waren echter, om de

waarheid te zeggen, niet zoozeer van Carker afkomstig als van Dombey

zelven, die wel genegen was om zijn oppergezag te doen blijken, door op

eene voor hem ongedwongene manier te zeggen: “Hier, Carker, wilt ge zoo

goed zijn om mij eens te helpen?” hetgeen de glimlachende dienaar dan

altijd met genoegen deed.

Zij bezichtigden zoo de schilderijen, de muren, het kraaiennest, en zoo

voort; en daar zij nu één gezelschap uitmaakten, en de majoor, die,

zoolang zijne spijsvertering duurde, slaperig was, zich in de schaduw

hield, werd Carker zeer spraakzaam en onderhoudend. Eerst richtte hij

grootendeels het woord tot mevrouw Skewton, maar daar deze

fijngevoelige dame, na het eerste kwartieruurs, zoo verrukt over de

kunstwerken was, dat zij niets anders kon doen dan geeuwen (zij waren

zulke volmaakte inspiratiën, merkte zij aan als eene reden voor dit

blijk van verrukking) wijdde hij verder zijne opmerkzaamheid aan

Dombey. Deze zeide weinig meer dan: “Wel waar, Carker,” of “inderdaad,

Carker,” maar moedigde hem toch stilzwijgend aan om voort te gaan, en

was bij zich zelven zeer tevreden over zijn gedrag, daar hij het zeer

goed vond dat er iemand praatte en meende dat zijne geestigheden, die

als het ware eene bijzaak van het kantoor waren, mevrouw Granger

misschien zouden amuseeren. Carker, die wel wist wat hij deed, nam

nooit de vrijheid om die dame rechtstreeks aan te spreken: maar zij

scheen toch te luisteren, hoewel zij hem nooit aanzag, en een paar

malen, toen zijne eigenaardige nederigheid bijzonder uitkwam, vloog die

schemering van een glimlach over haar gelaat, niet als een licht, maar

als eene donkere, zwarte schaduw.

Toen Warwick Castle zoo tamelijk, en de majoor geheel uitgeput was—om

niet van mevrouw Skewton te spreken, wier eigenaardige blijken van

genot zeer veelvuldig waren geworden, ging men weder naar het rijtuig,

en reed men naar eenige der meest bewonderde gezichtspunten in den

omtrek. Dombey merkte bij een daarvan met complimenteuze statigheid

aan, dat eene schets, hoe vluchtig ook, van de schoone hand van mevrouw

Granger, eene aangename herinnering van een aangenamen dag voor hem zou

zijn; hoewel hij voorzeker geene opzettelijke herinnering noodig zou

hebben (hier maakte hij weder een van zijne buigingen) van iets dat hij

altijd op hoogen prijs zou stellen. Withers, die Edith’s schetsboek

onder den arm had, werd dadelijk door mevrouw Skewton geroepen om het

aan te geven; en het rijtuig hield stil, opdat Edith de teekening zou

kunnen maken, welke Dombey onder zijne schatten zou bewaren.

“Maar ik vrees dat ik u te veel moeite verg,” zeide Dombey.—“O neen.

Waarvan wenscht gij eene schets genomen te hebben?” antwoordde zij,

zich naar hem toekeerende met dezelfde gedwongene oplettendheid als te

voren.

Met nog eene buiging, welke de stijfsel in zijne das deed kraken,

verzocht Dombey dit aan de kunstenares te mogen overlaten.

“Ik heb liever dat gij zelf kiest,” zeide Edith.—“Als wij dan zeiden

hier vandaan,” hervatte Dombey. “Dit schijnt een goed punt te zijn,

of—Carker, wat denkt gij?”

Toevallig lag er op den voorgrond, niet ver van daar, een boschje, niet

ongelijk aan dat waarin Carker des morgens zijn net van voetstappen had

gevlochten, en met eene bank onder één boom, in plaatsing en uitzicht

zeer gelijkende naar die, waar zijne wandeling was gestuit.

“Zou ik mevrouw Granger in bedenking mogen geven,” zeide Carker, “dat

daar een interessant—bijna een merkwaardig—oogpunt is.”

Zij volgde de richting zijner karwats met hare oogen en sloeg ze toen

snel naar zijn gezicht op. Dit was de tweede blik dien zij met elkander

wisselden, en hij zou volkomen gelijk aan den eersten zijn geweest, als

de uitdrukking niet nog duidelijker geweest was.

“Zou dat u bevallen?” zeide Edith tot Dombey.—“Het zal mij bekoren,”

was zijn antwoord.

Het rijtuig reed dus naar de plek die Dombey zou bekoren; en zonder van

hare plaats op te staan, opende Edith, met hare gewone trotsche

onverschilligheid, haar schetsboek, en begon te teekenen.

“Mijne potlooden zijn allen zonder punt,” zeide zij, ophoudende en ze

naziende.—“O mag ik dan,” zeide Dombey. “Of Carker zal dat beter doen,

hij verstaat die dingen. Carker, wees zoo goed om die potlooden eens

voor mevrouw Granger na te zien.”

Carker kwam met zijn paard dicht bij het portier aan mevrouw Granger’s

kant, liet de teugels op den hals van het dier vallen, nam haar met een

glimlach en eene buiging de potlooden uit de hand, en puntte ze, zoo in

den zadel zittende, op zijn gemak aan. Dit gedaan hebbende, verzocht

hij haar ze te mogen vasthouden en haar aan te geven naarmate zij ze

noodig had. En zoo bleef Carker, onder vele loftuitingen op mevrouw

Granger’s buitengemeen talent, inzonderheid voor boomen, vlak bij haar

en keek naar de teekening terwijl zij die maakte; Dombey stond

ondertusschen stijf rechtop in het rijtuig, als een hoogst fatsoenlijk

spook, insgelijks toe te kijken, terwijl Cleopatra en de majoor

dartelden gelijk twee stokoude duifjes hadden kunnen doen.

“Zijt ge daarmede tevreden, of zal ik het nog wat meer afmaken?”

Dombey verzocht er niets meer aan te doen; het was de volmaaktheid

zelve.

“Het is buitengemeen,” zeide Carker, bij dien lof al zijn tandvleesch

toonende. “Ik had niet gedacht iets zoo schoons—en zoo ongewoons—te

zullen zien.”

Dit had op de teekenares niet minder dan op de teekening toepasselijk

kunnen zijn; maar Carker’s gezicht was de openhartigheid zelve. En dit

bleef het terwijl de teekening voor Dombey geborgen en het schetsboek

weder ingepakt werd. Toen gaf hij de potlooden terug (die met eene

geringe buiging tot dank voor zijne hulp, maar zonder hem aan te zien,

werden aangenomen) hernam de teugels, liet het rijtuig voorbij en reed

weder daarachter.

Misschien dacht hij, terwijl hij reed, dat zelfs deze luchtige schets

geteekend en aan den eigenaar overgegeven was, alsof zij bedongen en

gekocht was. Misschien dacht hij, dat, hoewel zij zoo bereidvaardig in

zijn verzoek had bewilligd, haar strak gezicht, over de teekening

gebogen, of opgeheven naar de verwijderde voorwerpen die zij afbeeldde,

het gezicht eener trotsche vrouw was, gedwongen om zich met iets laags

en gemeens in te laten. Misschien dacht hij aan zulke dingen; maar

zekerlijk glimlachte hij, en terwijl hij nog scheen rond te zien en de

ruime lucht en de beweging te genieten, hield hij in de schuinte het

rijtuig altijd scherp in het oog.

Eene wandeling tusschen de spookachtige ruïnen van Kenilworth, en nog

eenige ritjes naar nog eenige gezichtspunten, waarvan Edith, gelijk

mevrouw Skewton Dombey herinnerde, de meeste reeds had geteekend,

gelijk hij gezien had toen hij hare teekeningen doorkeek, brachten den

dag verder om. Men reed terug en bracht mevrouw Skewton en Edith naar

hare woning. Carker werd door Cleopatra vriendelijk geïnviteerd om des

avonds daar met Dombey en den majoor terug te komen, en wat muziek van

Edith te hooren, en de drie heeren begaven zich naar hun logement om te

dineeren.

Het diner was het pendant van dat van gisteren, behalve dat de majoor

vier en twintig uren meer triomfeerend en minder geheimzinnig was.

Wederom werd er op Edith gedronken. Wederom was Dombey aangenaam

verlegen, en Carker vol belangstelling en lof.

Er was geen ander bezoek bij mevrouw Skewton. Edith’s teekeningen waren

door de kamer verstrooid, wat rijkelijker dan gewoonlijk misschien; en

Withers, de bleeke page, gaf wat sterker thee rond. Maar zelfs de

muziek werd, als het ware, door Edith aan de orde van Dombey

uitbetaald, met dezelfde stroeve promptheid. Aldus bij voorbeeld:

“Edith, liefje,” zeide mevrouw Skewton, een half uur na de thee.

“Mijnheer Dombey sterft van verlangen om u te hooren, weet

ik.”—“Mijnheer Dombey heeft nog leven genoeg om dat zelf te zeggen,

mama, twijfel ik niet.”—“Het zal mij ontzaglijk verplichten,” zeide

Dombey.—“Wat verlangt gij?”—“Piano?” zeide Dombey aarzelend.—“Wat u

belieft. Gij hebt maar te kiezen.”

Zij begon dus met de piano. Eveneens was het met de harp; eveneens met

de keus der stukken die zij zong en speelde. Zulk eene ijskoude en

gedwongene, en toch vaardige en opzettelijk in het oogloopende

bewilliging in de wenschen die hij haar oplegde, was opmerkelijk genoeg

om onder al de afwisselingen van het piket-spel Carker’s aandacht te

trekken. Ook ontging het hem niet dat Dombey blijkbaar trotsch was op

zijne macht en die met zeker welbehagen toonde.

Evenwel speelde Carker zoo goed—eenige partijen met den majoor en

eenige met Cleopatra, welker waakzaamheid van oog ten aanzien van

Dombey en Edith geen lynks had kunnen overtreffen—dat hij nog hooger in

de gunst dier dame steeg, en dat, toen hij bij het afscheidnemen zijn

leedwezen betuigde dat hij den volgenden morgen naar Londen moest

terugkeeren, Cleopatra, met eene overeenstemming van gevoel die men

niet dagelijks aantreft, vertrouwde dat zij elkander lang niet voor de

laatste maal zouden ontmoet hebben.

“Dat hoop ik ook,” zeide Carker, met een veelbeteekenenden blik naar

het paar op eenigen afstand, “en denk ik ook,” en volgde den majoor

naar de deur.

Dombey, die statig afscheid van Edith had genomen, boog zich eenigszins

over Cleopatra’s sofa en zeide zacht:

“Ik heb mevrouw Granger verlof gevraagd om haar morgenochtend nog eens

te komen bezoeken—met een oogmerk—en zij heeft twaalf uur bepaald. Mag

ik hopen om u naderhand thuis te vinden, mevrouw?”

Cleopatra was zoodanig onthutst door het hooren van dit, natuurlijk

onbegrijpelijke, gezegde, dat zij niets anders kon doen, dan hare oogen

sluiten, haar hoofd schudden en Dombey hare hand geven, welke Dombey,

niet recht wetende wat er mede te doen, liet vallen.

“Kom toch voort, Dombey!” riep de majoor, de deur binnenkijkende.

“Verduiveld, mijnheer, oude Joe heeft grooten lust om eene verandering

in den naam van het Royal Hotel voor te slaan, en dat het de Drie

Vroolijke Vrijers zou moeten heeten, ter eere van ons zelven en

Carker.” Daarbij klopte de majoor Dombey op den rug, lonkte over zijn

schouder naar de dames, op het punt om eene beroerte te krijgen, naar

het scheen, en ging met hem heen.

Mevrouw Skewton bleef op hare sofa liggen rusten, en Edith bleef, een

eind van haar af, stil bij hare harp zitten. De moeder speelde met haar

waaier en keek tersluiks meer dan eens naar de dochter; maar de

dochter, in somber gepeins verdiept, liet zich niet storen.

Zoo bleven zij een eindeloos uur bij elkander, zonder een woord te

spreken, tot mevrouw Skewton’s kamenier verscheen, om haar

langzamerhand voor den nacht gereed te maken. Des avonds had die

kamenier een geraamte moeten zijn met eene schicht en een zandlooper,

want hare hand was als de hand van den dood. Het geblankette ding

schrompelde onder die hand weg; de geheele gedaante zakte ineen, de

haren vielen af, de donkere gebogene wenkbrauwen veranderden in

ongeregelde plekjes grijs, de bleeke lippen krompen in, de huid werd

slap en lijkkleurig, en in Cleopatra’s plaats bleef niets anders over

dan een geel, afgeleefd oud bestje, gelijk een slordig gebonden pakje

vuil goed in eene smerige flanellen japon gemoffeld.

Zelfs de stem, die Edith aansprak toen zij weder alleen waren, was

veranderd.

“Waarom zegt ge mij niet,” zeide die stem scherp, “dat hij morgen met

afspraak hier komt?”—“Omdat ge dat wel weet—moeder,” antwoordde Edith.

Welk een spottenden nadruk legde zij op dat woord!

“Gij weet wel dat hij mij gekocht heeft,” hervatte zij, “of dat hij dat

morgen doen zal. Hij heeft zijn koopje overlegd; hij heeft het zijn

vriend laten zien; hij is er zelfs eenigszins grootsch op; hij denkt

dat het hem wel zal bevallen en goedkoop genoeg te krijgen zal zijn; en

morgen zal hij koopen. God, dat ik daarvoor geleefd heb, en dat ik het

gevoel!”

Vereenig in een schoon gelaat de bewuste zelfvernedering en de

gloeiende verontwaardiging van honderd vrouwen, vol hartstocht en

trots, en daar verborgen zij zich met twee blanke bevende armen.

“Wat meent gij toch?” antwoordde de vergramde moeder. “Hebt gij niet

van een kind af...”—“Een kind?” zeide Edith, haar aanziende. “Wanneer

ben ik een kind geweest? Welke kindsheid hebt gij mij ooit gelaten? Ik

was eene vrouw—baatzuchtig, listig, afgericht om de mannen strikken te

spannen—eer ik mij zelve of u nog kende; eer ik zelfs het gemeene,

ellendige doel begreep van elke nieuwe kunst die ik leerde. Gij hebt

eene volwassene vrouw geboren. Zie haar aan. Zij is van avond in al

haar glans.”

En zoo sprekende gaf zij een slag op hare schoone borst, alsof zij zich

zelve wilde neervellen.

“Zie mij aan,” zeide zij, “die nooit geweten heb wat het is een eerlijk

hart te hebben of liefde te gevoelen. Zie mij aan, geleerd om te kuipen

en te intrigeeren als andere kinderen nog spelen, en in mijne jeugd—oud

in geslepenheid—getrouwd met iemand voor wien ik niets anders gevoelde

dan onverschilligheid. Zie mij aan, weduwe gebleven, toen hij stierf

eer hij zijn erfgoed kreeg—een oordeel over u, en wel verdiend—en zeg

mij wat sedert mijn leven, tien jaren lang, is geweest.”—“Wij hebben

ons best gedaan om u weder goed te etablisseeren,” antwoordde hare

moeder. “Dat is uw leven geweest. En nu is het zoover gelukt.”—“Er is

geene slavin op de slavenmarkt, geen paard op de paardenmarkt, zoo ten

toon gesteld en aangeboden en opgeveild en onderzocht en

bekeken—moeder—als ik die tien schandelijke jaren geweest ben,” zeide

Edith, met een gloeiend voorhoofd en denzelfden bitteren nadruk op dat

eene woord. “Is het zoo niet? Ben ik niet tot een spot gemaakt voor

allerlei mannen? Hebben gekken en lichtmissen, kwade jongens en oude

suffers mij niet nageloopen, en mij een voor een afgekeurd en laten

loopen, omdat gij met al uwe slimheid toch al te lomp waart, en al te

oprecht, met al uwe valsche streken; tot wij bijna overal met spot en

schande bekend zijn? Welke vrijpostigheid van bekijken en aanraken,”

zeide zij met vlammende oogen, “heb ik niet moeten velen, bijna op de

helft van al de plaatsen waar men in Engeland bijeenkomt? Ben ik niet

hier en daar uitgestald en opgeveild, tot ik alle achting voor mij

zelve heb verloren en van mij zelve walg? Is dat mijne late kindsheid

geweest? Vroeger heb ik er geen gehad. Zeg mij niet dat ik er een gehad

heb, van avond vooral niet!”—“Gij hadt ten minste al twintigmaal goed

getrouwd kunnen zijn, Edith,” zeide hare moeder, “als ge maar

aanmoediging genoeg hadt gegeven.”—“Neen! Wie mij neemt, uitschot dat

ik ben en wel verdien te zijn,” antwoordde zij, haar hoofd opheffende

en bevende van schaamte en trotsche verontwaardiging, “zal mij nemen,

gelijk deze man doet, zonder dat ik eenige kunsten aanwend om hem te

lokken. Hij ziet mij op de veiling en hij vindt goed mij te koopen.

Laat hij! Toen hij kwam om mij te zien—misschien om te bieden—wilde hij

de lijst van mijne talenten hebben. Ik gaf ze hem. Als hij wil dat ik

er een van vertoon, om zijne lieden te laten zien dat hij een goeden

koop doet, vraag ik hem wat hij verlangt vertoond te hebben, en vertoon

het dan. Meer wil ik niet doen. Hij koopt uit eigene beweging en schat

zelf de waarde van zijn koop en van zijn geld; en ik hoop dat hij nooit

te leur gesteld zal zijn. Ik heb den koop niet geroemd en opgedrongen;

dat hebt gij ook niet, zoover ik in staat ben geweest om het u te

beletten.”—“Gij spreekt al zeer vreemd van avond, Edith, en dat tegen

uwe eigene moeder.”—“Zoo komt het mij ook voor; mij nog vreemder dan

u,” zeide Edith. “Maar mijne opvoeding is al lang geleden voltooid. Ik

ben nu te oud en ben langzamerhand te laag gedaald, om een nieuwen weg

in te slaan, en u op den uwen te stuiten. De kiem van alles wat het

hart eener vrouw reinigt en het oprecht en goed maakt, is nooit in het

mijne opgewekt, en als ik mij zelve veracht, heb ik niets meer om mij

staande te houden.” Zij had eene aandoenlijke treurigheid in hare stem

gehad, maar deze verdween weder, toen zij met opgekrulde bovenlip

vervolgde: “Daar wij dus grootsch en arm zijn, ben ik er mede tevreden

dat wij op die manier rijk worden. Al wat ik te zeggen heb is, dat ik

het eenige voornemen getrouw ben gebleven, dat ik, met u bij mij,

moeder, heb kunnen vormen, en dien man niet heb gelokt.”—“Dien man!”

zeide hare moeder. “Gij spreekt haast alsof gij een haat tegen hem

hadt.”—“En gij dacht dat ik hem liefhad, niet waar?” was haar antwoord.

“Zal ik u zeggen,” hervatte zij, hare moeder strak aanziende, “wie ons

reeds door en door kent en doorziet, en voor wien ik nog minder gevoel

van eigenwaarde en zelfvertrouwen heb dan voor mij zelve, zoo vernederd

als ik mij gevoel door de kennis die hij van mij heeft?”—“Dat is een

uitval, moet ik denken,” antwoordde hare moeder koeltjes, “op dien

armen, ongelukkigen, hoe heet hij ook weer—mijnheer Carker. Uw gebrek

aan gevoel van eigenwaarde en zelfvertrouwen tegenover dien persoon

(dien ik een zeer innemend man vind, moet ik zeggen) zal u

waarschijnlijk niet veel meer hinderen als gij eens geëtablisseerd

zijt. Waarom ziet ge mij zoo strak aan? Zijt ge niet wel?”

Edith’s gezicht betrok eensklaps, alsof zij door eene slang was

gestoken, en terwijl zij hare handen voor hare oogen hield, liep er

eene huivering door al hare leden. Dit was echter spoedig voorbij, en

met haar gewonen tred ging zij de kamer uit.

De kamenier, die een geraamte had moeten zijn, verscheen toen weder en

gaf den eenen arm aan hare meesteres, die met hare valsche

bekoorlijkheden ook al hare krachten scheen verloren, en met haar

flanellen nachtgewaad eene verlamming scheen aangetrokken te hebben,

zamelde de asch van Cleopatra bij elkander, nam deze in den anderen arm

mede, en bracht beide weg, gereed voor eene kunstmatige opwekking des

anderen daags.

Dombey en Zoon · 第 53 / 125 题