“Uw onderdanigste, mijnheer,” zeide de majoor. “Voor den drommel,
mijnheer, een vriend van mijn vriend Dombey is een vriend van mij, en
ik ben blij dat ik u zie.”—“Ik ben, Carker,” zeide Dombey, als tot
opheldering, “majoor Bagstock oneindig verplicht voor zijn gezelschap
en onderhoud. Majoor Bagstock heeft mij veel dienst bewezen, Carker.”
Carker de chef, met den hoed in de hand, juist te Leamington aangekomen
en aan den majoor gepresenteerd, liet den majoor zijne geheele dubbele
rij tanden zien en vertrouwde wel zoo vrij te mogen zijn om hem met al
zijn hart te danken dat hij in mijnheer Dombey’s uitzicht en
gemoedsstemming zulk eene groote verbetering had tot stand gebracht.
“Waarachtig, mijnheer,” zeide de majoor tot antwoord, “er behoeft mij
voor niets bedankt te worden, want het is een geven en nemen geweest.
Een groot man gelijk onze vriend Dombey, mijnheer,” zeide de majoor,
zijne stem latende dalen, maar niet zoozeer dat hij voor dien heer
onhoorbaar werd, “kan niet nalaten zijne vrienden te verbeteren en te
verheffen. Hij versterkt en verheft iemand in zijne zedelijke natuur,
mijnheer, dat doet Dombey.”
Carker ving de uitdrukking gretig op. In zijne zedelijke natuur.
Precies juist de woorden die hij had willen in bedenking geven.
“Maar als mijn vriend Dombey, mijnheer,” vervolgde de majoor, “u van
majoor Bagstock spreekt, moet ik zoo vrij zijn om hem en u te recht te
zetten. Hij meent dan eenvoudig Joe, mijnheer—Joey B.—Josh
Bagstock—Jozef—de ruwe, taaie oude J., mijnheer. Tot uw dienst.”
Carker’s buitengemeene vriendelijkheid en welwillendheid voor den
majoor, en Carker’s bewondering van zijne ruwheid, taaiheid en
plompheid, blonken uit elken tand in Carker’s mond.
“En nu, mijnheer,” zeide de majoor, “hebben gij en Dombey een
drommelschen boel zaken om over te praten.”—“Volstrekt niet, majoor,”
zeide Dombey.—“Dombey,” hervatte de majoor op den toon eener uitdaging.
“Dat weet ik beter. Een man als gij—de steunpilaar van den handel—moet
niet gehinderd worden. Uwe oogenblikken zijn kostbaar. Bij het diner
zullen wij elkander weerzien. Ondertusschen zal oude Jo zich uit den
weg houden. Wij dineeren om zeven uur precies, mijnheer Carker.”
Zoo ging de majoor heen, met een erg opgezwollen gezicht; maar terstond
zijn hoofd weder binnen de deur stekende, zeide hij: “Neem mij niet
kwalijk, Dombey, hebt gij ook eene boodschap voor ze?”
Eenigszins verlegen, en niet zonder een blik naar den beleefden
bewaarder van zijn handelsvertrouwen, droeg Dombey den majoor zijn
compliment op.
“Waarachtig, mijnheer,” zeide de majoor, “het moet iets warmers wezen,
of oude Jo zal verre van welkom zijn.”—“Mijne groetenis dan, als gij
wilt, majoor,” antwoordde Dombey.—“Voor den drommel, mijnheer,” zeide
de majoor, schertsend zijne schouders en zijne bolle wangen schuddende;
“maak het nog wat warmer.”—“Wat u dan maar belieft, majoor,” zeide
Dombey.—“Uw vriend is slim, mijnheer, verduiveld slim,” zeide de
majoor, om de deur heen naar Carker kijkende. “Maar Bagstock ook.” Hij
grinnikte nog wat, maar hield eensklaps daarmede op, gaf zich zelven
een slag op de borst en zeide plechtig: “Dombey, ik benijd uw gevoel.
God zegen u!” En daarmede ging hij heen.—“Gij moet dien heer van zeer
veel nut hebben gevonden,” zeide Carker, hem met zijne tanden
volgende.—“Bijzonder,” zeide Dombey.—“Hij schijnt hier vrienden te
hebben,” hervatte Carker. “Ik bemerk, uit hetgeen hij zegt, dat gij
hier in de samenleving komt. Ik moet zeggen,” daarbij glimlachte hij
afschuwelijk, “ik ben zeer blijde dat gij dat doet.”
Dombey erkende deze belangstelling van zijn ondergezaghebber door zijn
horlogeketting te draaien en eenigszins zijn hoofd te bewegen.
“Gij zijt voor de samenleving geboren,” zeide Carker. “Van alle
menschen die ik ken zijt gij door karakter en positie best voor de
samenleving geschikt. Ik moet zeggen, het heeft mij dikwijls verbaasd
dat gij u zoolang daarvan afgezonderd hebt gehouden.”—“Ik had mijne
redenen daarvoor, Carker. Ik was alleen en onverschillig voor
gezelligheid. Maar gij hebt zelf buitengemeene talenten voor de
samenleving, en daarom moest het u meer verwonderen.”—“O—ik!” zeide de
ander, met bereidvaardige zelfverachting. “Met iemand als ik is het
geheel iets anders. Ik kom in geene vergelijking met u.”
Dombey bracht de hand aan zijne das, schikte zijne kin daarin en stond
zijn trouwen vriend en dienaar eene poos stilzwijgend aan te zien. “Ik
zal het genoegen hebben, Carker,” zeide hij eindelijk, en scheen
daarbij iets door te zwelgen dat wat te groot voor zijne keel was, “om
u aan mijne—aan de vrienden van den majoor te presenteeren. Heel
aardige menschen.”—“Dames daaronder, zou ik denken?” zeide de
gladtongige dienaar.—“Het zijn allen—dat is te zeggen, het zijn allebei
dames,” antwoordde Dombey.—“Maar twee?” glimlachte Carker.—“Er zijn er
maar twee. Ik heb mijne visites tot hare woning bepaald en hier geene
andere bekenden gemaakt.”—“Zusters misschien?” zeide Carker.—“Moeder en
dochter,” antwoordde Dombey.
Toen Dombey zijne oogen neersloeg en zijne das weder schikte,
veranderde de glimlachende tronie van Carker, zonder eenigen
tusschenstaat van overgang, in een donker en dreigend gezicht, dat hem
met een hoonenden grijns uitvorschend aankeek. Toen Dombey zijne oogen
weder opsloeg, nam het gezicht ook weder even snel de oude uitdrukking
aan en liet hem al het tandvleesch zien dat het had.
“Gij zijt wel goed,” zeide Carker. “Het zal mij zeer verheugen als ik
met haar mag kennis maken. Van dochters gesproken, ik heb mejufvrouw
Dombey gezien.”
Eensklaps steeg Dombey het bloed naar het gezicht.
“Ik ben zoo vrij geweest,” zeide Carker, “om haar te gaan vragen of zij
mij ook eene kleine commissie had mede te geven. Maar ik ben niet zoo
gelukkig om overbrenger van iets te zijn behalve hare—hare hartelijke
liefde.”
Een wolvengezicht was het toen, zelfs met de heete tong in den
opengesperden muil zichtbaar, toen zijne oogen die van Dombey
ontmoetten.
“Welke berichten van zaken zijn er?” vroeg Dombey, na eene poos van
stilte, waaronder Carker eenige papieren had voor den dag
gehaald.—“Heel weinig,” antwoordde Carker. “Over het geheel hebben wij
sedert eenigen tijd niet ons gewoon fortuin gehad, maar dat is van
weinig gewicht voor u. Bij Lloyd’s houdt men de Zoon en Erfgenaam voor
verloren. Welnu, het schip was geassureerd van de kiel tot den top van
den mast.”—“Carker,” zeide Dombey, zich dicht bij hem op een stoel
zettende, “ik kan niet zeggen dat dat jonge mensch, Gay, ooit een
gunstigen indruk op mij gemaakt heeft...”—“Op mij ook niet,” viel
Carker er op in.—“Maar ik wenschte toch wel,” vervolgde Dombey, zonder
op die stoornis te letten, “dat hij nooit aan boord van dat schip was
gekomen. Ik wenschte dat hij niet uitgezonden was.”—“Het is jammer dat
ge dat niet bijtijds hebt gezegd, niet waar?” antwoordde Carker
koeltjes. “Evenwel, ik geloof dat alles ten beste is. Heb ik u al
gezegd dat er tusschen mejufvrouw Dombey en mij iets geweest is dat
naar eene kleine vertrouwelijkheid geleek?”—“Neen,” zeide Dombey
barsch.—“Ik twijfel er niet aan,” hervatte Carker, na eene poos van
stilte, die bijzonderen indruk moest maken, “dat waar Gay ook is, hij
veel beter is waar hij is, dan hier thuis. Als ik in uwe plaats was of
wezen kon, zou ik daarvan overtuigd zijn. Ik zelf ben er volkomen van
overtuigd. Mejufvrouw Dombey is goed van vertrouwen en jong—misschien
haast niet hooghartig genoeg, voor uwe dochter—als zij een gebrek
heeft. Schoon dat niet veel is. Wilt gij deze balansen met mij nazien?”
Dombey leunde in zijn stoel achterover, in plaats van zich over de
papieren te buigen die voor hem gelegd werden, en zag Carker strak in
het gezicht. Carker hield zich, met eenigszins opgetrokken oogleden,
alsof hij naar de cijfers keek en wachtte tot het zijn principaal zou
gelegen komen het werk te beginnen. Hij toonde dat hij zich maar zoo
hield, uit groote kieschheid en om Dombey’s gevoel te sparen, en
terwijl de ander hem aanzag begreep deze dit wel en gevoelde hij dat,
zonder die kieschheid, zijn vertrouwde veel meer zou gezegd hebben,
hetwelk hij (Dombey) te trotsch was om te vragen. Dit was dikwijls
Carker’s manier bij het behandelen van zaken. Langzamerhand werd
Dombey’s blik minder strak en vestigde hij zijne aandacht op de
papieren voor hem; maar terwijl hij bezig was met die na te zien, hield
hij dikwijls op en zag Carker wederom aan. Wanneer hij zoo deed praalde
Carker gelijk te voren met zijne kieschheid, en prentte hij deze zijnen
grooten patroon hoe langer hoe meer in.
Terwijl zij zoo bezig waren en onder Carker’s behendig aanstoken
toornige gedachten ten opzichte van de arme Florence in Dombey’s hart
de plaats begonnen te beslaan van den kouden afkeer die daarin vroeger
had geheerscht, wandelde majoor Bagstock, zeer bewonderd door de oude
dames te Leamington, en door den inboorling met de gewone lichte bagage
gevolgd, den schaduwkant van den weg langs, om mevrouw Skewton eene
ochtendvisite te gaan brengen. Daar het middag was toen de majoor het
paleis van Cleopatra bereikte, had hij het geluk om zijne koningin op
hare gewone sofa bij een kop koffie te vinden kwijnen, in eene kamer
zoo verdonkerd, om hare weelderige rust door geen zonnestraal te
storen, dat Withers, die op hare bevelen stond te wachten, meer naar
het spook van een page dan naar een levenden jongen geleek.
“Welk onuitstaanbaar schepsel is dat, dat daar binnenkomt!” zeide
mevrouw Skewton. “Dat kan ik niet uithouden. Ga heen, wie er ook
is!”—“Gij hebt toch het hart niet om J. B. te verbannen, mevrouw,”
zeide de majoor, en bleef met den rotting op schouder halverwege
stilstaan.—“O, zijt gij het?” zeide Cleopatra. “Nu ik mij wel bedenk
moogt gij binnenkomen.”
De majoor trad dus binnen, en naar de sofa komende, drukte hij hare
bekoorlijke hand aan zijne lippen.
“Ga zitten,” zeide Cleopatra, kwijnend met haar waaier wuivende, “maar
ver van mij af. Kom niet dicht bij mij, want ik ben schrikkelijk
gevoelig en zenuwachtig van morgen, en gij ruikt naar de zon. Gij zijt
geblakerd.”—“Waarachtig mevrouw,” zeide de majoor, “er is een tijd
geweest dat Jozef Bagstock werkelijk door de zon gebraden en geblakerd
werd; dat hij door de broeikashitte in West-Indië zoodanig werd
geforceerd, mevrouw, dat hij onder den naam van de Bloem bekend was.
Men hoorde nooit van Bagstock in die dagen, mevrouw, men hoorde van de
Bloem—de Bloem van ons regiment. De Bloem mag min of meer verwelkt
zijn, mevrouw,” zeide de majoor, zich op een stoel zettende, veel
dichter bij dan zijne wreede godin hem had aangewezen, “maar hij is nog
eene taaie plant, en altijd groen, dat wil zeggen altijd trouw.”
Hier kneep de majoor, door de donkere kamer gedekt, zijn oog dicht,
liet zijn hoofd rollen als een harlekijn, en bracht zich misschien,
door overmaat van zelfvoldaanheid, veel dichter bij eene beroerte dan
hij nog ooit geweest was.
“Waar is mevrouw Granger?” vroeg Cleopatra haar page.
Withers geloofde dat zij op hare kamer was.
“Heel goed,” zeide mevrouw Skewton. “Ga maar heen en doe de deur dicht.
Ik heb belet.”
Toen Withers verdween, draaide mevrouw Skewton kwijnend haar hoofd naar
den majoor om, zonder zich anders te bewegen, en vroeg hem hoe zijn
vriend voer.
“Dombey, mevrouw,” antwoordde de majoor, met een comisch gegorgel in
zijne keel, “is zoo wel als iemand in zijn toestand kan wezen. Zijn
toestand is wanhopig, mevrouw. Dombey is geraakt. Door en door
geschoten.”
Cleopatra wierp den majoor een scherpen blik toe, die bijzonder afstak
bij den geaffecteerd temenden toon waarmede zij daarop zeide:
“Majoor Bagstock, al weet ik maar weinig van de wereld—en ik heb
waarlijk geen spijt van mijne onkunde, want het is toch maar eene
valsche wereld, vrees ik, vol akelige gemaaktheid, waar de natuur
zelden ontzien wordt en men de muziek van het hart maar zelden
hoort—kan ik u toch niet verkeerd verstaan. Gij doelt op Edith—mijn
buitengemeen dierbaar kind,” zeide mevrouw Skewton, met haar voorvinger
langs hare wenkbrauwen strijkende, “en uwe woorden doen de teederste
snaren trillen.”—“Plompheid, mevrouw,” antwoordde de majoor, “is altijd
eene eigenaardigheid van den stam van Bagstock geweest. Gij hebt
gelijk. Joe moet toegeven.”—“En gij doelt ook,” hervatte Cleopatra, “op
eene van de schoonste en edelste en heiligste aandoeningen waarvoor
onze droevig verbasterde natuur vatbaar is, als ik wel heb.”
De majoor legde zijne hand op zijne lippen en liet Cleopatra een kusje
toezweven, als om te beduiden welke aandoening hij bedoelde.
“Ik gevoel dat ik zwak ben; ik gevoel wel dat het mij ontbreekt aan die
geestkracht, welke eene mama behoort te ondersteunen,” zeide mevrouw
Skewton, met den geborduurden rand van haar zakdoek langs hare lippen
vegende, “maar ik kan toch aan iets, dat voor mijne lieve Edith zoo
buitengemeen gewichtig is, haast niet denken, zonder een gevoel alsof
ik flauw zal vallen. Evenwel, gij booze man, daar gij er zoo stout van
hebt gesproken en het mij toch al zooveel smart heeft veroorzaakt,”
hierbij wees zij met haar waaier naar hare linkerzijde, “wil ik niet
voor mijn plicht terugdeinzen.”
De majoor liet zijn hoofd rollen en kneep zijn oog dicht, tot hij eene
kuch kreeg, die hem noodzaakte om een paar malen de kamer op en neer te
gaan, eer zijne schoone vriendin kon vervolgen.
“Mijnheer Dombey,” zeide mevrouw Skewton eindelijk, “was, nu al vele
weken geleden, zoo beleefd om ons de eer van eene visite te bewijzen,
in uw gezelschap, mijn beste majoor. Ik moet bekennen—laat ik maar
openhartig zijn—dat het mijn gebrek is mijn gevoel te veel te laten
spreken, mijn hart als het ware buitenop te dragen. Ik ken mijn gebrek
wel. Mijn ergsten vijand kan ik niet beter kennen. Maar ik heb er geen
berouw van; ik wil mij liever niet door de gevoellooze wereld laten
bevriezen, en dat verwijt gewillig dragen.”
Mevrouw Skewton verschikte haar halsdoekje, kneep eens in hare dorre
keel, om het vel zachter te doen worden, en vervolgde met groote
zelfvoldoening.
“Het deed mij oneindig veel genoegen (en mijne lieve Edith zeker ook)
mijnheer Dombey hier te zien. Als een vriend van u, mijn beste majoor,
waren wij natuurlijk reeds gunstig voor hem ingenomen, en ik verbeeldde
mij iets hartelijks bij mijnheer Dombey op te merken, dat buitengemeen
verkwikkelijk was.”—“Tegenwoordig heeft Dombey verduiveld weinig
hartelijks, mevrouw,” zeide de majoor.—“Booswicht,” riep mevrouw
Skewton uit, hem kwijnend aanziende, “houd u toch stil. Mijnheer
Dombey,” vervolgde Cleopatra, de rozenkleur op hare kaken effenende,
“herhaalde dus zijne visite; en misschien vond hij iets uitlokkends in
de eenvoudigheid van onzen smaak—want het natuurlijke heeft altijd iets
bekoorlijks; hij bezocht ten minste elken avond onzen kleinen kring.
Weinig dacht ik aan de geduchte verantwoording die ik op mij laadde,
toen ik mijnheer Dombey aanmoedigde—om—”—“Om zich hier in te
kwartieren, mevrouw,” zeide de majoor.—“Grove man!” zeide mevrouw
Skewton, “gij raadt wat ik meen, maar drukt het hatelijk uit.”
Hier liet mevrouw Skewton haar elleboog op een tafeltje naast haar
rusten, en hare hand in eene sierlijke houding, naar zij dacht, naar
beneden hangen en met haar waaier bengelen. Onder het spreken bleef zij
met zeker traag welgevallen naar die hand kijken.
“De zielesmart die ik verduurd heb,” zeide zij met een fijn geknepen
mondje, “toen de waarheid langzamerhand voor mij duidelijk werd, is
veel te schrikkelijk geweest om er over uit te weiden. Geheel mijn
aanzijn is met mijne lieve Edith samengestrengeld; en haar van dag tot
dag te zien veranderen—mijn aardig troetelkindje, dat sedert den dood
van dien allerbesten Granger haar hart zoo zorgvuldig heeft bewaard—is
het aandoenlijkste ding van de wereld.”
Mevrouw Skewton’s wereld scheen niet veel aandoenlijks te bevatten, als
men afging op den indruk, dien dit aandoenlijkste ding op haar maakte.
Maar dit in het voorbijgaan.
“Edith,” kwezelde mevrouw Skewton, “die de parel van mijn leven is,
gelijkt mij sprekend, zegt men. Ik geloof ook wel dat wij op elkaar
gelijken.”—“Er is één man in de wereld, die nooit zal toegeven dat
iemand naar u gelijkt, mevrouw,” zeide de majoor, “en die man heet oude
Joe Bagstock.”
Cleopatra deed alsof zij den vleier met haar waaier de hersenen wilde
inslaan, maar bedacht zich, glimlachte en vervolgde.
“Als mijn bekoorlijk meisje eenige voorrechten van mij heeft geërfd,
heeft zij ook mijne zwakheden geërfd,” hervatte Cleopatra. “Zij heeft
veel kracht van karakter—het mijne zegt men dat ontzaglijk krachtig is
geweest, schoon ik het niet geloof—maar als zij eens geroerd wordt is
zij ten uiterste gevoelig en teerhartig. Wat moet ik gevoelen als ik
haar zie verkwijnen! Het zal mij den dood doen.”
De majoor stak zijne onderkin vooruit en kneep zijne blauwe lippen
dicht, om het innigste medelijden te kennen te geven.
“Het vertrouwen,” zeide mevrouw Skewton, “dat tusschen ons bestaan
heeft—de vrije uitstorting van gevoel en ziel—is roerend om aan te
denken. Wij zijn meer als zusters geweest dan als mama en kind.”—“J.
B.’s eigen gevoelen,” zeide de majoor, “dat hij meer dan vijftig
duizendmaal bezworen heeft.”—“Val mij toch niet in de rede, gij ruwe
man,” zeide Cleopatra. “Wat moet ik dan gevoelen, als ik vind dat er
een onderwerp is dat tusschen ons vermeden wordt! Dat er—hoe heet het
ook weer—eene kloof tusschen ons is geopend! Dat mijne argelooze Edith
voor mij veranderd is! Natuurlijk zijn mijne aandoeningen van den
grievendsten aard.”
De majoor stond van zijn stoel op en kwam dichter bij het tafeltje
zitten.
“Van dag tot dag zie ik dit, mijn beste majoor,” vervolgde mevrouw
Skewton. “Van dag tot dag gevoel ik dit. Van uur tot uur verwijt ik mij
zelve die overmaat van vertrouwelijkheid, die tot zulke droevige
gevolgen heeft gevoerd; en bijna van minuut tot minuut hoop ik dat
mijnheer Dombey zich zal verklaren en een eind maken aan de marteling
die ik onderga, en die mijne krachten ondermijnt. Maar er gebeurt
niets, mijn beste majoor; ik ben slavin der wroeging—pas op dat kopje,
ge kunt zoo lomp zijn—mijne lieve Edith is een veranderd wezen; en ik
zie waarlijk niet wat er te doen is, of met wien ik kan raadnemen.”
Majoor Bagstock, misschien aangemoedigd door den vertrouwelijken toon,
dien mevrouw Skewton langzamerhand had aangenomen, stak haar over het
tafeltje heen zijne hand toe en zeide:
“Neem raad met Joe, mevrouw.”—“Wel, gij ondeugende plaaggeest,” zeide
Cleopatra, hare eene hand aan den majoor gevende en hem met haar
waaier, dien zij in de andere had, op de knokkels tikkende. “Waarom
spreekt gij dan niet iets dat wat afdoet?”
De majoor lachte, kuste de hand die zij hem gegeven had, en lachte nog
eens zeer smakelijk.
“Heeft mijnheer Dombey zooveel hartelijks als ik hem heb
toegeschreven?” zeide Cleopatra op een teeder kwijnenden toon. “Denkt
gij dat hij het ernstig meent, mijn beste majoor? Zoudt gij raden dat
hij werd aangesproken, of dat men hem maar liet begaan? Zeg mij eens
als een goed man, wat gij zoudt raden.”—“Zullen wij hem met Edith
Granger trouwen, mevrouw?” zeide de majoor met een schor
gegrinnik.—“Geheimzinnig schepsel!” zeide Cleopatra, en liet haar
waaier op des majoors neus neerkomen. “Hoe kunnen wij hem trouwen?”—“Ik
zeg, zullen wij hem met Edith Granger trouwen, mevrouw?” grinnikte de
majoor weder.
Mevrouw Skewton gaf geen antwoord met woorden, maar zag den majoor
glimlachend aan, met zooveel schalkheid en levendigheid, dat de dappere
officier dit voor eene uitdaging hield en een kus op hare buitengewoon
roode lippen zou gedrukt hebben, als zij er niet met jeugdige
behendigheid haar waaier had voorgehouden. Dit kon zedigheid wezen, of
ook vrees voor een gevaar dat het rood bedreigde.
“Dombey, mevrouw, is eene goede vangst,” zeide de majoor.—“O gij
inhalige vrek!” riep Cleopatra met een gilletje. “Gij doet mij
ijzen.”—“En Dombey, mevrouw,” zeide de majoor, nog nader komende,
“meent het ernstig. Jozef zegt dat. Bagstock weet dat. J. B. houdt hem
er bij. Laat Dombey maar alleen begaan, mevrouw. Dombey is ingepakt.
Doe wat gij gedaan hebt; doe niets meer; en verlaat u op J. B. dat het
goed zal afloopen.”—“Denkt gij waarlijk zoo, mijn beste majoor?” zeide
Cleopatra, die hem, in spijt van hare geveinsde onverschilligheid, zeer
scherp in het oog had gehouden.—“Ik ben er zeker van, mevrouw,”
antwoordde de majoor. “Cleopatra de weergalooze en haar Antonius
Bagstock zullen nog dikwijls met opgetogenheid hiervan spreken, als zij
de weelde van Edith Dombey’s huishouden mede genieten. Dombey’s
rechterhand-man, mevrouw,” zeide de majoor, zich in zijn gegrinnik
stuitende en eensklaps ernstig wordende, “is hier gekomen.”—“Van
morgen?” zeide Cleopatra.—“Van morgen, mevrouw,” antwoordde de majoor.
“En Dombey’s verlangen naar zijne komst, mevrouw, is daaraan toe te
schrijven—geloof dat op Joe’s woord; want Joe is verduiveld slim”—de
majoor tikte tegen zijn neus en kneep een van zijne oogen dicht,
hetgeen zijne aangeborene schoonheid niet verhoogde—“dat hij wenscht
dat die mijnheer Carker zal begrijpen wat er aan de hand is, zonder dat
Dombey het hem zegt en hem raadpleegt. Want Dombey, mevrouw, is zoo
trotsch als Lucifer.”—“Eene bekoorlijke eigenschap,” lispelde mevrouw
Skewton, “die iemand aan mijne lieve Edith doet denken.”—“Wel,
mevrouw,” zeide de majoor, “ik heb al eenige wenken gegeven, en die
Carker begrijpt ze wel; en ik zal er nog meer geven, eer de dag om is.
Dombey heeft tegen morgen van een toertje naar Warwick Castle en
Kenilworth gesproken, na eerst met ons ontbeten te hebben. Ik zou de
invitatie overbrengen. Wilt ge ons die eer bewijzen, mevrouw?” zeide de
majoor, zwellende van kortademigheid en slimheid, terwijl hij een
briefje uithaalde, waarin Paul Dombey mevrouw Skewton en hare
beminnelijke dochter tot dit toertje inviteerde, met een naschrift
waarin hij zijne bijzondere complimenten aan mevrouw Granger
verzocht.—“St!” zeide Cleopatra eensklaps. “Edith.”
Men zou niet zoozeer kunnen zeggen dat de liefderijke moeder met dezen
uitroep hare kwijnende, flauwe affectatie hernam; want zij had die niet
afgelegd, en het was ook niet waarschijnlijk dat zij dit ooit zou of
kon doen, behalve in het graf. Maar haastig allen zweem van ernst of
erkentenis van een opzet, hetzij goed of kwaad, verwijderende, die haar
gezicht, stem of houding voor een oogenblik had verraden, lag zij weder
zoo flauw en lusteloos als altijd op de sofa, toen Edith de kamer
binnenkwam.
Edith, zoo schoon en statig, maar zoo koud en terugstootend—die even
toonde dat zij de aanwezigheid van majoor Bagstock opmerkte, toen een
scherpen blik naar hare moeder wierp, zich achter het gordijn van een
venster neerzette en daar naar buiten bleef kijken.
“Lieve Edith,” zeide mevrouw Skewton, “waar in de wereld zijt ge toch
geweest? Ik heb erg gebrek aan u gehad.”—“Gij hadt gezegd dat gij belet
hadt, en daarom bleef ik weg,” antwoordde zij, zonder haar hoofd om te
keeren.—“Dat was wreed voor den ouden Joe, mevrouw,” zeide de majoor
met zijne gewone galanterie.—“Het was wreed, dat weet ik,” zeide zij,
nog naar buiten kijkende, en met zulk eene kalme minachting, dat de
majoor geheel uit het veld geslagen was en geen antwoord meer kon
bedenken.—“Majoor Bagstock, lieve Edith,” teemde hare moeder, “die
gewoonlijk het onbruikbaarste en onaangenaamste schepsel op de wereld
is, gelijk gij weet—”—“Het is waarlijk de moeite niet waard, mama,”
zeide Edith, nu omkijkende, “die manier van spreken in acht te nemen.
Wij zijn geheel alleen, en wij kennen elkander.”
De stille verachting die uit haar schoon gelaat sprak—eene stille
verachting, die blijkbaar haar zelve, niet minder dan hen, ten doel
had—was zoo doordringend, dat het lachje harer moeder, hoewel anders
onverschrokken genoeg, er voor bezweek.
“Maar meisje lief,” begon zij weder.—“Nog geene vrouw?” zeide Edith met
een glimlach.—“Hoe wonderlijk zijt ge vandaag, kindlief. Laat ik u
mogen zeggen, liefje, dat majoor Bagstock een allerliefst briefje van
mijnheer Dombey heeft gebracht, eene invitatie om morgen bij hem te
komen ontbijten en dan naar Warwick en Kenilworth te rijden. “Wilt gij
gaan, Edith?”—“Of ik gaan wil!” zeide zij met eene hoogroode kleur en
snel ademhalende, terwijl zij omkeek en hare moeder aanzag.—“Ik wist
wel dat ge zoudt, liefje,” zeide de moeder losweg. “Het vragen is,
gelijk ge zegt, maar eene formaliteit. Hier is mijnheer Dombey’s
briefje, Edith.”—“Bedankt. Ik heb geen verlangen om het te lezen,” was
haar antwoord.—“Dan zal ik het misschien best maar zelve beantwoorden,”
zeide mevrouw Skewton, “hoewel ik gedacht had u te vragen om mijn
secretaris te zijn.”
Daar Edith geene beweging maakte en geen antwoord gaf, verzocht mevrouw
Skewton den majoor om het tafeltje bij haar te schuiven, het
lessenaartje dat het bevatte open te slaan, en haar aan pen en papier
te helpen, welke galante diensten de majoor met veel onderdanigheid en
ijver verrichtte.
“Uwe groetenis, lieve Edith?” zeide mevrouw Skewton, met de pen in de
hand wachtende om een naschrift te zetten.—“Wat ge wilt, mama,”
antwoordde zij, zonder haar hoofd om te keeren, en met stroeve
onverschilligheid.
Mevrouw Skewton schreef dus wat zij wilde, zonder nadere aanduiding te
verlangen, gaf haar briefje aan den majoor, die het als eene
kostbaarheid ontving en deed alsof hij het dicht bij zijn hart wilde
bergen, maar het eindelijk in zijn broekzak moest steken, daar zijn
vestzakje niet zeer veilig was. Daarop nam de majoor een hoffelijk en
ridderlijk afscheid van beide dames, hetwelk de oudste op hare gewone
manier beantwoordde, terwijl de jongste, met haar gezicht naar het
venster zittende, zóó eventjes haar hoofd boog, dat het grooter
compliment voor den majoor zou zijn geweest als zij geheel niets gedaan
had, zoodat hij had kunnen denken dat men hem niet gehoord had.
“Wat verandering bij haar betreft, mijnheer,” peinsde de majoor op den
terugweg—waarop hij, daar het een zonnige middag was, den inboorling
met de lichte bagage vooruit liet marcheeren, en in de schaduw van dien
gebannen prins wandelde—“wat verandering betreft, mijnheer, en kwijnen
en zoo al meer, dat wil er bij Jozef Bagstock niet in. Dat gaat niet
op, mijnheer. Maar dat er somtijds verdeeldheid tusschen haar is—of
eene kloof, gelijk de moeder zegt—verd...d mijnheer, dat schijnt waar
genoeg te zijn. En het is wonderlijk genoeg ook! Wel mijnheer!” hijgde
de majoor, “Edith Granger en Dombey zijn goed gepaard; laten zij het
uitvechten! Bagstock houdt het met de winnende partij!”
Daar de majoor, in het vuur zijner gedachten, deze laatste woorden
overluid uitsprak, bleef de ongelukkige inboorling stilstaan en keek
om, in de meening dat hij persoonlijk werd aangesproken. Verbolgen over
dit blijk van insubordinatie, stiet de majoor (hoewel hij juist
opgetogen was over zijne eigene geestigheid) den inboorling zijn
rotting tusschen de ribben, en bleef hem zoo, den geheelen weg naar het
logement, bij kleine tusschenpoozen porren.
Niet minder ongemakkelijk was de majoor terwijl hij zich voor het diner
verkleedde, onder welke bezigheid de bruine knecht eene hagelbui van
zeer gemengden aard naar het hoofd kreeg,—voorwerpen tusschen de
grootte van eene laars en een haarborstel, en alles insluitende wat
zijn meester in zijn bereik kreeg; want de majoor was er grootsch op
dat hij den inboorling zoo compleet had gedrild, en strafte alzoo de
geringste afwijking van de strengste discipline. Als men hier bij voegt
dat de inboorling hem ook tot afleiding van irritatie diende, wanneer
hij door zijn pootje of andere onaangenaamheden werd geplaagd, zou het
schijnen dat de bruine man zijn loon—dat niet groot was—wel verdiende.
Toen de majoor eindelijk alles wat hem voor de hand kwam had vergooid,
en den inboorling zooveel nieuwe scheldnamen had gegeven, dat deze zich
zeker over den rijkdom der Engelsche taal had moeten verwonderen, liet
hij eindelijk toe dat zijne das werd omgedaan; en zich door zijne
vorige lichaamsbeweging bijzonder opgewekt gevoelende, ging hij naar
beneden om Dombey en zijn rechterhand-man te vervroolijken.
Dombey was nog niet in de kamer, maar zijn rechterhand-man was er, en
al zijne tanden waren, volgens gewoonte, voor den majoor gereed.
“Wel, mijnheer,” zeide de majoor, “hoe hebt gij uw tijd doorgebracht,
sedert ik het genoegen had van u te zien? Hebt gij al gewandeld?”—“Een
kuiertje gedaan van niet langer dan een halfuur,” antwoordde Carker.
“Wij hebben het druk gehad.”—“Met zaken, he?” zeide de majoor.—“Met
allerlei kleinigheden die noodzakelijk moesten afgedaan worden,”
antwoordde Carker. “Maar weet gij wel—dit is iets zeer ongewoons van
mij, die in eene school van wantrouwen ben opgevoed, en doorgaans niet
zeer mededeelzaam ben,” zeide hij, afbrekende en een innemend
rondborstigen toon aannemende—“maar met u gevoel ik mij terstond
vertrouwelijk, majoor Bagstock.”—“Veel eer voor mij, mijnheer,” zeide
de majoor; “maar gij moogt het ook wel zijn.”—“Weet gij dan wel,”
hervatte Carker, “ik vind mijn vriend—onzen vriend, moest ik hem liever
noemen—”—“Meent gij Dombey, mijnheer!” riep de majoor uit. “Gij ziet
mij hier wel staan, mijnheer Carker! Joe Bagstock?”
Hij was dik genoeg om hem te zien en Carker zeide ook dat hij dat
genoegen had.
“Dan ziet gij een man, mijnheer, die door vuur en water zou loopen om
Dombey te dienen,” liet de majoor daarop volgen.
Carker glimlachte en zeide dat hij zich daarvan verzekerd hield. “Weet
gij wel, majoor,” hervatte hij, “om weer te beginnen waar ik gebleven
ben, dat ik onzen vriend vandaag niet zoo oplettend voor de zaken vind
als gewoonlijk?”—“Niet?” zeide de verheugde majoor.—“Ik vond hem
eenigszins verstrooid; zijne aandacht zwierf dikwijls af,” zeide
Carker.—“Waarachtig,” riep de majoor uit, “dan is er eene dame in het
spel.”—“Dat begin ik waarlijk ook te gelooven,” antwoordde Carker. “Ik
dacht dat gij maar woudt schertsen toen gij op zoo iets scheent te
doelen, want gij militairen...”
De majoor liet zijne paardenkuch hooren en schudde zijn hoofd en
schouders, als wilde hij zeggen: “Ja, wij zijn vroolijke snaken, dat is
niet tegen te spreken.” Daarop greep hij Carker bij een knoopsgat, en
fluisterde hem met uitpuilende oogen in het oor, dat zij eene
buitengemeen bekoorlijke dame was, mijnheer. Dat zij eene jonge weduwe
was, mijnheer. Dat zij van goede familie was, mijnheer. Dat Dombey tot
over de ooren op haar verliefd was, mijnheer, en dat het aan beide
kanten een goed huwelijk zou zijn; want zij had schoonheid, afkomst en
talenten, en Dombey had fortuin; en wat kon een paar meer hebben? Daar
hij Dombey hoorde aankomen, viel de majoor zich zelven in de rede, met
te zeggen, dat Carker haar morgenochtend zou zien en dan zelf kunnen
oordeelen; en daarna bleef de majoor, afgemat door de inspanning om dit
alles met een heesch gefluister te zeggen, met waterende oogen zitten
gorgelen tot het diner gereed was.
Gelijk sommige andere edele dieren was de majoor bij den tijd van het
voederen het fraaist en interessantst om te zien. Bij deze gelegenheid
schitterde hij aan het eene eind van de tafel, met den zachteren glans
van Dombey aan het andere tot pendant; terwijl Carker, aan eene zijde,
zijne stralen beurtelings met die van een van beide lichten vereenigde,
of ze ook door beide liet overschijnen.
In het begin van den maaltijd was de majoor gewoonlijk ernstig; want de
inboorling haalde, volgens een algemeen geheim bevel, alle sausen en
specerijen voor hem bij elkander, en gaf hem veel te doen om alles op
zijn bord ondereen te mengen. Bovendien had de inboorling afzonderlijke
kruiderijen op het buffet, waarmede de majoor zich dagelijks de keel
verschroeide, om niet te spreken van wonderlijk gefatsoeneerde
flesschen, waaruit hij onbekende vloeistoffen in des majoors glas liet
spuiten. Doch bij deze gelegenheid vond de majoor te midden van deze
omstandigheden tijd om gezellig te zijn; en zijne gezelligheid bestond
in eene reeks van slimheden, waarmede hij Dombey’s gemoedstoestand aan
Carker verried.
“Dombey,” zeide de majoor, “gij eet niet. Wat scheelt er
aan?”—“Verplicht,” was het antwoord. “Ik ben zeer wel. Maar ik heb
vandaag niet veel eetlust.”—“Wel, Dombey, waar is die dan gebleven?”
zeide de majoor. “Waar is zij naar toe? Gij hebt ze niet bij onze
vriendinnen gelaten, dat kan ik bezweren; want ik weet dat zij vandaag
bij het twaalf-uurtje ook geen eetlust hadden. Ten minste van eene van
de twee kan ik dat zeggen; ik wil niet zeggen van wie.”
De majoor wenkte Carker, en werd zoo schrikkelijk slim, dat de
inboorling hem zonder bevel af te wachten op den rug moest kloppen, of
hij zou waarschijnlijk onder de tafel verdwenen zijn.
Later onder den maaltijd, namelijk toen de inboorling aan des majoors
elleboog stond, gereed om de eerste flesch champagne te laten schuimen,
werd de majoor nog geestiger.
“Schenk boordevol, gij schavuit,” zeide de majoor, zijn glas
ophoudende. “En mijnheer Carker ook boordevol. En mijnheer Dombey ook.
Kom aan, heeren,” zeide de majoor, zijn nieuwen vriend wenkende,
terwijl Dombey, met een gezicht alsof hij wel begreep wat er volgen
zou, op zijn bord keek, “wij zullen dit glas wijn aan eene godin
wijden, die Joe er trotsch op maakt dat hij haar mag kennen en op een
eerbiedigen afstand nederig bewonderen. Edith,” zeide de majoor, “is
haar naam; engelachtige Edith!”—“De engelachtige Edith!” riep de
glimlachende Carker.—“Edith, zeer gaarne,” zeide Dombey.
Het binnenkomen der knechts met nieuwe schotels deed den majoor nog
geestiger worden, maar in een ernstiger trant. “Want hoewel, onder ons,
Joe Bagstock op dat punt scherts en ernst ondereenmengt, mijnheer,”
zeide de majoor, met een vinger op de lippen en half ter zijde tot
Carker, “acht hij dien naam te heilig om het eigendom van die knapen,
of van knapen in het algemeen gemaakt te worden. Geen woord, mijnheer,
terwijl zij hier zijn.”
Dit was eerbiedig en wellevend van den majoor, en Dombey gevoelde
duidelijk dat het zoo was. Hoewel op zijne koude manier eenigszins
verlegen met de zetten des majoors, had Dombey niets tegen zulke
scherts, dit was duidelijk, maar beviel ze hem veeleer. Misschien was
de majoor vrij dicht bij de waarheid geweest, toen hij dien morgen
giste dat de groote man te trotsch was om zijn minister over zoo iets
formeel te raadplegen of in zijn vertrouwen te nemen, en toch wenschte
dat hij alles weten zou. Dit zij gelijk het wil, hij keek dikwijls naar
Carker, terwijl de majoor zijne lichte artillerie liet manoeuvreeren,
en scheen op te letten welken indruk dit op hem maakte.
Maar de majoor, iemand beet hebbende die, wat luisteren en glimlachen
betrof, zijn gelijke op de wereld niet had—“kortom een drommels aardige
en leepe kerel,” gelijk hij dikwijls naderhand verklaarde—wilde hem
niet zoo gemakkelijk, met eenige snakerijen ten koste van Dombey,
loslaten. Eer de tafel werd afgenomen vertoonde hij ook zijne
uitgebreide talenten als verteller van militaire anekdoten en militaire
grappenmaker, hetgeen hij met zulk eene kwistige mildheid deed, dat
Carker buiten adem raakte (of veinsde te raken) van het lachen; terwijl
Dombey over zijne gestevene das toekeek, als was hij een deftige
berenleider, die weltevreden was dat zijn beer zoo goed danste.
Toen de majoor te schor was geworden om zich langer verstaanbaar te
maken, ging men aan de koffie; en daarna vroeg de majoor aan Carker,
blijkbaar met weinig hoop op een bevestigend antwoord, of hij piket
speelde.
“Ja, zoo’n beetje,” zeide Carker.—“En ook triktrak, misschien?” merkte
de majoor aarzelend aan.—“Ja, triktrak ook zoo’n beetje,” antwoordde de
man van tanden.—“Carker speelt alle spellen, geloof ik,” zeide Dombey,
zich zelven op de sofa leggende alsof hij een man van hout zonder
gewrichten of geledingen was, “en alles evengoed.”
Inderdaad speelde hij de twee genoemde spelen zoo uitmuntend, dat de
majoor er van verbaasd was en hem in het wilde vroeg of hij ook schaak
speelde.
“Ja, ik schaak ook zoo’n beetje,” antwoordde Carker. “Ik heb wel eens
een spel gespeeld en gewonnen zonder het bord te zien—maar dat is maar
een kunstje.”—“Waarachtig, mijnheer,” zeide de majoor starende, “ge
zijt een compleet contrast van Dombey, die geen een spel speelt.”—“O,
hij!” antwoordde Carker. “Hij heeft nooit aanleiding gehad om zich
zulke kunstjes eigen te maken. Menschen als ik komen ze somtijds te
pas; gelijk nu, bij voorbeeld, majoor Bagstock, om een spelletje met u
te kunnen meedoen.”
Het mocht alleen de valsche mond zijn, zoo breed uitgerekt; maar er
scheen onder de nederigheid en gedienstigheid van deze gezegden iets
hoonends te schuilen, en voor een oogenblik had men kunnen denken, dat
de witte tanden de hand, die zij bezeverden, wilde bijten. Maar de
majoor dacht niet daaraan; en Dombey lag, zoolang het spelen duurde—dat
den geheelen avond was—met half gesloten oogen te peinzen.
Toen het tijd was om te scheiden, was Carker, hoewel hij bestendig had
gewonnen, zoo hoog in de schatting des majoors gestegen, dat deze, toen
Carker tot aan zijne kamer met hem medeging, als eene bijzondere
oplettendheid, den inboorling (die altijd voor zijn meesters deur op
eene matras op den grond sliep) met hem medezond om hem in staatsie den
gang langs naar zijne kamer te lichten.
De spiegel in Carker’s kamer had eene fout en gaf dus misschien valsche
beelden. Maar dien avond vertoonde hij het beeld van een man, die in
zijne verbeelding een aantal menschen voor zijne voeten op den grond
zag liggen slapen—gelijk de arme inboorling voor zijn meesters deur—en
tusschen hen doorging, boosaardig genoeg naar beneden ziende, maar
zonder (voor alsnog) op een der omhooggekeerde gezichten te trappen.