Kapitein Cuttle, hoewel geen luilak, werd op den ochtend nadat hij Sam
Gills door het winkelvenster had zien zitten schrijven, niet zoo vroeg
wakker, of de klok sloeg zes, toen hij zich op zijn elleboog oprichtte
en in zijn kamertje rondkeek. Des kapiteins oogen moeten een zwaren
dienst hebben gehad, wanneer hij ze gewoonlijk bij zijn ontwaken zoo
wijd opendeed als dien morgen, en kregen eene slechte belooning voor
hunne waakzaamheid, als hij ze doorgaans maar half zoo hard wreef. De
aanleiding was ook van geen gewonen aard, want zeker had nog nooit Rob
de Slijper in de deur van des kapiteins slaapkamer gestaan, gelijk hij
daar nu stond te hijgen en den kapitein zoo nuchter aankeek, alsof hij
zelf zoo pas uit zijn bed kwam.
“Holla ho!” bulkte de kapitein. “Wat is er te doen?”
Maar eer de knaap een woord kon uitstotteren, sprong kapitein Cuttle in
eens uit zijn bed en hield hem zijne hand voor den mond.
“Sta vast, jongen,” zeide de kapitein. “Spreek nog geen woord tegen
mij.”
De kapitein keek zijn bezoeker, na dit gebod te hebben gegeven, zeer
ontsteld aan, en duwde hem bij de schouders naar de andere kamer; toen
verdween hij voor eene korte poos en kwam terug in het blauwe pak
gekleed. Zijne hand omhoog houdende, ten teeken dat het verbod nog niet
was opgeheven, ging kapitein Cuttle naar de kas en schonk zich een
borrel, en den bode insgelijks een. Daarna plaatste de kapitein zich in
een hoek tegen den muur, als om de mogelijkheid te voorkomen dat hij,
door het bericht, dat hem gegeven zou worden, achterover gesmeten werd,
en nadat hij zijn borrel had uitgedronken, met zijne oogen op den bode
gevestigd, en een gezicht zoo bleek als zijn gezicht maar wezen kon,
verzocht hij hem om maar “los te gooien.”—“Meent gij het u te
vertellen, kapitein?” vroeg Rob, op wien deze voorbereidselen een
diepen indruk hadden gemaakt.—“Ja!” zeide de kapitein.—“Wel, mijnheer,”
zeide Rob, “ik heb niet veel te vertellen. Maar kijk hier!”
Rob haalde een bos sleutels uit. Dicht in zijn hoek blijvende, staarde
de kapitein ze aan en den bode insgelijks.
“En kijk hier!” vervolgde Rob.
Hij haalde een verzegeld pakje uit, hetwelk de kapitein aanstaarde
evenals hij de sleutels had gedaan.
“Toen ik van morgen wakker werd, kapitein,” zeide Rob, “dat zoowat
kwartier over vijven was, vond ik die dingen op mijn kussen. De
winkeldeur was open en mijnheer Gills weg.”—“Weg!” brulde de
kapitein.—“Geblazen, mijnheer,” antwoordde Rob.
De stem des kapiteins klonk zoo geducht, en hij kwam met zulk eene
vaart uit den hoek, dat Rob naar een anderen hoek terugweek, de
sleutels en het pakje voor zich uit houdende, om niet omvergeloopen te
worden.
“Voor kapitein Cuttle, mijnheer,” schreeuwde Rob, “staat er op de
sleutels en op het pakje ook. Op mijn woord van eer, kapitein Cuttle,
ik weet er niets meer van. Ik mag sterven als ik dat doe. Dat is een
ding voor een jongen, die pas eene plaats heeft gekregen,” riep de
ongelukkige Slijper, die zijn mouwopslag in zijn gezicht scheen te
willen boren; “zijn meester is met zijne plaats voort en hij krijgt er
de schuld van.”
Deze klachten doelden op kapitein Cuttle’s starenden blik, die vol
onbepaalde verdenkingen, aanklachten en dreigementen was. Hem het
aangeboden pakje uit de hand nemende, deed de kapitein het open, en las
het volgende:
““Mijn beste Ned Cuttle. Hier ingesloten is mijn laatste wil”—de
kapitein keerde het met een twijfelachtigen blik om en om—“en
testament.”
“Waar is het testament?” zeide de kapitein, dadelijk den ongelukkigen
Slijper beschuldigende. “Wat hebt ge daarmee gedaan, jongetje?”—“Ik heb
het nooit gezien,” jankte Rob. “Verdenk toch geen onschuldigen jongen,
kapitein. Ik heb het testament niet aangeraakt.”
Kapitein Cuttle schudde het hoofd om aan te duiden dat er toch iemand
voor verantwoordelijk moest wezen, en vervolgde ernstig:
““Dat gij niet dan over een jaar zult openen, of wanneer gij stellig
bericht hebt van mijn dierbaren Walter, die u ook dierbaar is, Ned,
daarvan ben ik zeker.” De kapitein hield op en schudde aangedaan zijn
hoofd; daarop, als ware het om in deze moeielijke omstandigheden zijne
waarde te handhaven, zag hij Rob met buitengemeene barschheid aan. “Als
gij nooit van mij hooren, of mij meer zien mocht, Ned, houd dan uw
ouden vriend in gedachte, gelijk hij u in gedachte zal houden; en
bewaar, ten minste tot de voormelde tijd is verloopen, voor Walter eene
plaats in het oude huis, waar hij weder thuis kan komen. Er zijn geene
schulden; de leening van het kantoor van Dombey is afbetaald, en ik
zend u hierbij al mijne sleutels. Houd dit stil, en doe geene navraag
naar mij; dit is nutteloos. Niets meer dus, waarde Ned, van uw trouwen
vriend, Samuel Gills.” De kapitein haalde diep adem en las de onderaan
geschrevene woorden. “Rob, de jongen, is door het kantoor van Dombey
gerecommandeerd, gelijk ik u gezegd heb. Als al het andere onder den
hamer mocht komen, pas dan, Ned, op den houten adelborst.””
Om de nakomelingschap een denkbeeld te geven van de manier waarop de
kapitein, na dezen brief om en om gekeerd en wel twintigmaal herlezen
te hebben, zich op zijn stoel zette, en in zijn eigen gemoed een
krijgsraad over de zaak hield, zou het vereenigd genie van alle groote
mannen noodig zijn, die, hunne eigene ongunstige dagen verachtende, het
voornemen koesterden om de nakomelingschap te bereiken, en daar nooit
gekomen zijn. In het eerst was de kapitein veel te bedroefd en ontsteld
om aan iets anders dan aan den brief zelven te denken; en zelfs toen
zijne gedachten zich met de bijomstandigheden begonnen bezig te houden,
hadden zij evengoed bij haar vroeger onderwerp kunnen blijven, zoo
weinig licht kreeg hij daardoor. In dezen gemoedstoestand vond kapitein
Cuttle, die den Slijper en niemand anders voor zijne balie had, er eene
groote verlichting in te beslissen dat hij over het algemeen een
voorwerp van verdenking was, hetgeen hij met zijn gezicht zoo duidelijk
te kennen gaf, dat Rob er tegen inbracht:
“Och, neen, kapitein! Doe dat niet. Ik weet niet hoe gij dat doen kunt.
Wat heb ik gedaan om zoo aangekeken te worden?”—“Jongetje,” zeide
kapitein Cuttle, “schreeuw maar niet eer gij geslagen wordt. En wat gij
doet, verpraat u zelven niet.”—“Maar ik heb niets gedaan,” zeide
Rob.—“Houd u dan ook maar stil,” antwoordde de kapitein met nadruk.
Met een diep gevoel van de verantwoording, die hem was opgelegd, en de
noodzakelijkheid om deze geheimzinnige zaak geheel en al te
doorgronden, besloot kapitein Cuttle op de plaats zelve onderzoek te
gaan doen en den Slijper bij zich te houden. Dezen jongeling vooreerst
als in arrest beschouwende, twijfelde de kapitein of het niet raadzaam
zou zijn hem handboeien aan te doen, zijne voeten aan elkander te
binden, of hem een blok aan het been te sluiten; maar dewijl hij niet
zeker was van de wettigheid van zulke formaliteiten, besloot hij
slechts hem den geheelen weg langs bij den schouder te houden, en hem,
als hij tegenstribbelde, een slag te geven dat hij omrolde.
Rob bood echter geen tegenstand, en kwam dus aan het huis des
instrumentmakers, zonder onder strenger bedwang geplaatst te zijn. Daar
de luiken nog niet waren afgenomen, was des kapiteins eerste zorg, den
winkel te laten openzetten; en toen het daglicht was ingelaten, begon
hij met hulp daarvan zijne verdere nasporingen.
Vooreerst plaatste de kapitein zich in den winkel op een stoel, als
president van de rechtbank, die in zijn binnenste zitting hield, en
gelastte Rob om weder onder de toonbank in bed te gaan liggen, en
nauwkeurig te wijzen, waar hij de sleutels en het pakje had ontdekt
toen hij wakker werd, hoe hij de deur gevonden had toen hij daaraan
kwam, hoe hij naar Brig Place was heen geloopen—welke nabootsing
voorzichtigheidshalve niet verder dan den drempel mocht gaan—en zoo
vervolgens. Toen dit alles verscheidene malen gedaan was, schudde de
kapitein zijn hoofd en scheen te denken, dat de zaak zich slecht liet
aanzien.
Vervolgens hield de kapitein, met een duister denkbeeld van ergens een
lijk te zullen vinden, eene strenge nasporing door het geheele huis;
tastte met eene kaars in den kelder om, stak zijn haak achter deuren,
bracht zijn hoofd in geweldige botsing met balken, en bedekte zich met
spinnewebben. Naar de slaapkamer des ouden mans opklimmende, bevonden
zij dat deze den vorigen nacht niet in bed was geweest, maar slechts op
het dek was gaan liggen, gelijk uit den nog overgebleven indruk bleek.
“En ik denk, kapitein,” zeide Rob, in de kamer rondziende, “dat, toen
mijnheer Gills in de laatste dagen zoo dikwijls in- en uitging, hij
stuk voor stuk zijn klein goed weghaalde, opdat er niet op gelet zou
worden.”—“Zoo!” zeide de kapitein geheimzinnig. “Waarom,
jongen?”—“Wel,” zeide Rob, in het rond kijkende, “ik zie zijn
scheergereedschap niet—en zijne kleerborstels—en zijne hemden—en zijne
schoenen ook niet.”
Naarmate deze voorwerpen werden opgenoemd, lette kapitein Cuttle
bijzonder op verschillende lichaamsdeelen van den Slijper, om te zien
of hij die dingen ook binnen kort gebruikt, of misschien nog in zijn
bezit had. Doch Rob behoefde zich nog niet te scheren, had zich zeker
niet geborsteld, en de kleeren, die hij aanhad, waren ontwijfelbaar
dezelfde die hij sedert lang had gedragen.
“En wat zoudt gij zeggen,” zeide de kapitein, “zonder u te
verpraten—van den tijd dat hij is heengegaan?”—“Wel, kapitein,”
antwoordde Rob, “ik denk, dat hij dat moet gedaan hebben al kort nadat
ik begon te snorken.”—“Hoe laat was dat?” zeide de kapitein, die op het
punt van tijd zeer nauwlettend wilde zijn.—“Hoe kan ik dat zeggen,
kapitein!” antwoordde Rob. “Ik weet alleen maar dat ik in het begin een
zwaren slaap heb en tegen den ochtend een lichten; en als mijnheer
Gills tegen het aanbreken van den dag den winkel was doorgekomen, al
was het maar op zijne teenen, zou ik hem tamelijk zeker ten minste aan
de deur hebben gehoord.”
Na rijpe overweging van deze getuigenis, begon kapitein Cuttle te
denken dat de instrumentmaker vrijwillig was verdwenen; in welk logisch
besluit hij werd versterkt door den aan hem zelven gerichten brief, die
ontwijfelbaar van de hand des ouden mans was, en insgelijks scheen te
bewijzen dat hij ongedwongen was heengegaan. Vervolgens moest de
kapitein overleggen, waarheen en waarom; en daar hij geene mogelijkheid
zag om de eerste vraag op te lossen, bepaalde hij zijne gepeinzen tot
de tweede.
Zich de zonderlinge houding des ouden mans herinnerende, en het
afscheid dat hij van hem genomen had, toen onverklaarbaar hartelijk,
maar nu zeer wel te begrijpen, kwam bij den kapitein de geduchte vrees
op, dat hij, door het gemis van Walter en door zijn angst over het lot
van dien goeden jongen overweldigd, tot een zelfmoord was gekomen. Niet
meer berekend voor hetgeen het dagelijksche leven van hem
eischte—gelijk hij zelf dikwijls had gezegd—en zonder twijfel diep
geschokt door de onrust die hij zoolang had verduurd, was zoo iets maar
al te waarschijnlijk.
Wat anders dan zulk een staat van krankzinnigheid kon hem, nu hij vrij
van schulden was, en niet meer voor zijne vrijheid of zijne goederen
behoefde te vreezen, bewogen hebben om heimelijk en alleen de vlucht te
nemen? Dat hij eenige kleederen had medegenomen, als hij dit werkelijk
had gedaan—en daarvan was men niet eens zeker—kon hij wel gedaan hebben
(zoo redeneerde de kapitein) om nasporingen te voorkomen, om de
aandacht van zijn waarschijnlijk lot af te trekken, en juist dat
gemoed, dat nu over deze mogelijkheden nadacht, gerust te stellen. Dit
waren in duidelijke woorden en kort samengetrokken, de inhoud en de
slotsom van des kapiteins overwegingen, waarmede hij zich een langen
tijd bezig hield, en die, gelijk sommige meer openbare beraadslagingen,
zeer wijdloopig en ongeregeld waren.
Ten uiterste ter neergeslagen, achtte de kapitein het billijk om Rob
van zijn arrest te ontheffen en vrij te laten, maar toch nog onder een
soort van toezicht te houden; en nadat hij van Brogley den uitdrager
een knecht had gehuurd, om gedurende hunne afwezigheid op den winkel te
passen, ging de kapitein, Rob medenemende, uit op de akelige taak om
het sterfelijk overschot van Samuel Gills op te zoeken.
Geen politiebureau, of knekelhuis, of werkhuis in de hoofdstad ontkwam
het bezoek van den harden blinkenden hoed. Op de werven, tusschen de
schepen, langs den waterkant, de rivier op, de rivier af, hier en daar
en overal blonk die hoed in het dichtste menschengewoel, gelijk de helm
van den held in een heldendicht. Eene geheele week lang las de kapitein
in alle nieuwsbladen en aanplakbiljetten van alle gevondenen en
vermisten, en ging hij op alle uren van den dag op tochten uit om
Samuel Gills te herkennen, in ongelukkige kleine scheepsjongens die
over boord waren gevallen, en lange vreemdelingen met zwarte baarden,
die vergift hadden ingenomen—“om zeker te zijn,” zeide kapitein Cuttle,
“dat hij het niet was.” Dit is zeker dat hij het nooit was, en de
kapitein geene andere voldoening had.
Eindelijk liet kapitein Cuttle die pogingen als hopeloos varen, en ging
zitten overwegen wat nu verder te doen. Nadat hij den brief van zijn
vriend nog eenige malen had doorgelezen, begreep hij dat “een thuis
voor Walter te bewaren,” de voornaamste plicht was, die hem was
opgelegd. Hij besloot dus om zelf in het huis van Samuel Gills te gaan
wonen, den instrumentenwinkel te aanvaarden, en te zien wat er van
kwam.
Maar daar deze stap met het verlaten zijner kamers bij jufvrouw
MacStinger moest gepaard gaan, en hij wel wist dat deze vastberadene
vrouw daarvan nooit zou willen hooren, nam de kapitein het wanhopig
besluit om weg te loopen.
“Kijk nu eens hier, jongetje,” zeide de kapitein tot Rob, nadat dit
fraaie plan tot rijpheid was gekomen, “morgen zal ik hier niet op de
ree te zien zijn voor den avond, niet voor te middernacht misschien.
Maar blijf op de wacht tot ge mij hoort aankloppen, en zoodra ik dat
doe, doe dan vaardig de deur open.”—“Heel goed, kapitein,” zeide
Rob.—“Gij zult hier op de monsterrol blijven,” vervolgde de kapitein
goedertieren, “en misschien wel bevordering krijgen als wij goed met
elkander te recht komen. Maar op het oogenblik dat gij mij morgenavond
hoort aankloppen, hoe laat het ook wezen mag, spring dan op en doe als
eene wip de deur open.”—“Dat zal ik zeker, kapitein,” zeide Rob.—“Omdat
er, weet ge,” zeide de kapitein, om hem zijn last beter in te prenten,
“zooveel ik weet, wel jacht op mij kan gemaakt worden; en ik zou gepakt
kunnen worden terwijl ik stond te wachten, als ge niet vlug met de deur
waart.”
Rob verzekerde den kapitein andermaal dat hij vlug met de deur zou
zijn; en de kapitein ging, na deze voorzichtige schikking gemaakt te
hebben, voor de laatste maal naar jufvrouw MacStinger’s huis.
De bewustheid die kapitein Cuttle mededroeg dat dit de laatste maal
was, en dat er zulk een geducht voornemen onder zijn vest verscholen
lag, boezemde hem zulk een angst voor jufvrouw MacStinger in, dat de
voetstappen dier dame beneden den geheelen dag lang genoeg waren om hem
eene rilling op het lijf te jagen. Het gebeurde juist, dat jufvrouw
MacStinger in een allerliefst humeur was—zoo zachtzinnig als een
huislammetje; en kapitein Cuttle’s geweten gaf hem geweldige knepen,
toen zij boven kwam om te vragen of zij hem niets voor zijn middagmaal
kon klaarmaken.
“Een lekker nierpoddinkje, bij voorbeeld, kapitein Cuttle,” zeide zij,
“of een schapehart. De moeite voor mij moet gij maar niet
rekenen.”—“Neen, wel bedankt, jufvrouw,” antwoordde de kapitein.—“Dan
een gebraden hoentje,” zeide zij, “met wat kalfsvleesch gevuld en
eiersaus. Kom aan, kapitein Cuttle, trakteer u zelven eens.”—“Neen, wel
bedankt, jufvrouw,” antwoordde de kapitein zeer nederig.—“Ik ben zeker
dat gij van uw streek zijt en wat versterkends noodig hebt,” hervatte
jufvrouw MacStinger. “Waarom niet voor een enkelen keer eene flesch
sherry?”—“Wel, jufvrouw,” antwoordde de kapitein, “als gij zoo goed
wilt zijn om een glaasje mee te drinken, dunkt mij zal ik dat eens
probeeren. En zoudt ge mij dan pleizier willen doen, jufvrouw,” zeide
de kapitein, door zijn geweten aan stukken gescheurd, “om een
vierendeel jaars huur vooruit van mij aan te nemen?”—“En waarom dat,
kapitein Cuttle?” zeide jufvrouw MacStinger—met eene scherpheid, naar
hij dacht.
De kapitein schrikte geweldig. “Als ge dat doen woudt, jufvrouw,” zeide
hij met onderdanigheid, “zoudt ge mij zeer verplichten. Ik kan mijn
geld niet goed bewaren. Het geeft zich zelf uit. Ik zou het heel
vriendelijk van u vinden als gij het woudt aannemen.”—“Wel, kapitein
Cuttle,” antwoordde de niets kwaads vermoedende jufvrouw MacStinger, in
hare handen wrijvende, “gij kunt doen zooals het u belieft. Met mijn
huishouden zou ik dat niet graag weigeren, evenmin als vragen.”—“En
zoudt ge, jufvrouw,” zeide de kapitein, het blikken busje, waarin hij
zijn geld bewaarde, van de bovenste kasplank krijgende, “zoudt ge zoo
goed willen zijn om de kleine familie hoofd voor hoofd anderhalven
schelling van mij te geven. Als het schikte dat de kinderen zoo meteen
in een troepje bovenkwamen zou ik ze graag willen zien.”
De onschuldige MacStinger’tjes, die in een zwerm naar boven kwamen,
waren zoovele dolken in de borst des kapiteins; hun onnoozel
vertrouwen, dat hij zoo weinig verdiende, verscheurde hem het hart. Het
oog van Alexander, die altijd zijn gunsteling was geweest, was hem
ondragelijk; en de stem van Juliana, het evenbeeld harer moeder, maakte
hem tot een lafaard.
Kapitein Cuttle bewaarde echter tamelijk wel den schijn, en liet zich
een paar uren lang vrij hard door de kleine MacStinger’s sollen; die
ook in hunne kinderlijke speelschheid den harden blinkenden hoed
eenigszins beschadigden, door er met hun beiden, als in een nestje, in
te gaan zitten en met de hielen van binnen tegen den bol te trommelen.
Eindelijk zond de kapitein hen treurig heen, na van deze cherubijntjes
afscheid te hebben genomen met de knagende wroeging van een misdadiger
die ter dood ging.
In de stilte van den nacht pakte de kapitein zijne zwaarste bezittingen
in eene kist, welke hij sloot, met voornemen om ze daar te laten staan,
waarschijnlijk voor altijd, maar met de wanhopige kans om eens iemand
te vinden, stoutmoedig en roekeloos genoeg om ze te gaan halen. Van
zijne lichtere eigendommen maakte de kapitein een pakje, zijn zilver
stak hij bij zich, en zoo was hij voor de vlucht gereed. Te
middernacht, toen Brig Place in sluimer was gedompeld, en jufvrouw
MacStinger, met hare kindertjes om haar heen, in zoete vergetelheid lag
verzonken, sloop de booze kapitein, in het donker, op de teenen naar
beneden, opende de deur, trok die zacht achter zich dicht, en ging aan
den haal.
Vervolgd door het beeld van jufvrouw MacStinger, uit haar bed
gesprongen om hem, zoo gekleed of ongekleed als zij was, na te zetten
en terug te halen, en door de bewustheid van het gruwelijke zijner
misdaad, liet kapitein Cuttle tusschen Brig Place en de deur des
instrumentmakers geen gras onder zijne voeten groeien. De deur werd
geopend zoodra hij aanklopte—want Rob stond op de wacht—en toen zij
weder gesloten en gegrendeld was, gevoelde kapitein Cuttle zich
betrekkelijk veilig.
“He!” zeide de kapitein rondkijkende, “dat is loopen!”—“Toch niets
gebeurd, kapitein?” zeide de starende Rob.—“Neen, neen!” antwoordde de
kapitein, na met eene verschietende kleur naar een voorbijgaanden
voetstap op straat geluisterd te hebben. “Maar onthoud wel, jongen, als
er ooit eene dame, behalve die twee die gij laatst gezien hebt, naar
kapitein Cuttle komt vragen, zeg dan dat men hier niemand van dien naam
kent of ooit van hem gehoord heeft. Onthoud dat, zult ge?”—“Ik zal er
op passen, kapitein,” antwoordde Rob.—“Ge kondt wel zeggen—als ge
woudt,” hernam de kapitein aarzelend, “dat gij in de courant hadt
gelezen, dat er een kapitein van dien naam naar Australië was gegaan,
met eene geheele bemanning aan boord, die gezworen had om nooit terug
te komen.”
Rob knikte maar eens ten teeken dat hij dezen wenk begreep; en nadat
kapitein Cuttle beloofd had hem tot een man te zullen maken als hij
zijne orders in acht nam, zond hij hem geeuwende naar zijn bed onder de
toonbank, en ging zelf naar boven naar het kamertje van Samuel Gills.
Wat de kapitein des anderen daags uitstond als er een vrouwenhoed
voorbijkwam, of hoe dikwijls hij den winkel instoof om eene
denkbeeldige jufvrouw MacStinger te ontvluchten en op de vliering
veiligheid zocht, is niet te beschrijven. Om zich niet langer met dat
gedurige wegloopen te vermoeien, hing de kapitein een gordijntje voor
de glazendeur tusschen den winkel en het achterkamertje, zocht op de
deur een sleutel aan den bos die hem gezonden was, en boorde een
kijkgaatje in den muur. Het nut dezer verschansing is duidelijk. Zoodra
zich een vrouwenhoed vertoonde, wipte de kapitein zijne vesting binnen,
sloot zich op en bleef den vijand heimelijk waarnemen. Bleek het alarm
valsch te zijn, dan wipte hij er weder uit. En zoo talrijk waren de
vrouwenhoeden op straat, en zoo onfeilbaar was het alarm dat zij
medebrachten, dat de kapitein den geheelen dag bijna zonder ophouden
in- en uitwipte.
Onder dien vermoeienden garnizoensdienst vond kapitein Cuttle echter
nog tijd om den winkelvoorraad na te zien, waaromtrent hij in het
algemeen het denkbeeld koesterde dat alles niet te veel kon gewreven
worden—hetgeen Rob veel werk gaf. Ook kwam hij op den inval om eenige
voorwerpen, die er nog al uitlokkend uitzagen, op de gis af met
prijsbriefjes te voorzien, van tien schellingen tot vijftig pond, en ze
zoo voor het venster ten toon te zetten tot groote verbazing van het
publiek.
Na deze verbeteringen tot stand te hebben gebracht, begon kapitein
Cuttle, door zooveel instrumenten omringd, te gevoelen, dat hij een man
van wetenschap was: en keek des avonds, als hij in het achterkamertje
zijne pijp zat te rooken, door het lantarenvenster naar de sterren op,
alsof hij een soort van eigendom in hen had gekregen. Als handelaar in
de City begon hij ook belang te stellen in den Lord Mayor, de Sheriffs
en de gilden, en achtte hij zich verplicht om dagelijks de
prijsnoteering der fondsen te lezen, hoewel hij uit de stuurmanskunst
niet kon opmaken wat die cijfers beteekenden, en de breuken zeer wel
had kunnen missen. Zoodra hij den houten adelborst in bezit had
genomen, wilde hij Florence gaan opzoeken, om haar die vreemde tijding
van oom Sam mede te deelen, maar zij was van huis. Zoo gewende zich de
kapitein langzamerhand aan zijne veranderde levenswijs, en zijne
rekening van tijd tot tijd verliezende, gelijk meer gebeurt als iemand
eene groote verandering overkomt, dacht hij mijmerend aan Walter en
Samuel, ja zelfs aan jufvrouw MacStinger, als dingen lang geleden.