Sir Barnet en Lady Skettles, zeer goede menschen, woonden op een aardig
buitentje bij Fulham, aan den oever van den Teems, dat allerliefst
gelegen was om een wedstrijd van roeivaartuigen aan te zien, maar
anders eenige kleine onaangenaamheden had, waaronder men rekenen kon
dat de rivier somtijds in het salon verscheen, en dan gelijktijdig het
grasperk en het heesterplantsoen verdwenen.
Sir Barnet Skettles duidde het gewicht van zijn persoon voornamelijk
aan door eene antieke gouden snuifdoos, en een grooten zijden zakdoek,
welken hij gewoon was met bijzondere statigheid uit zijn zak te halen,
alsof het eene banier was, en met beide handen te gelijk te gebruiken.
Sir Barnet’s levensdoel was den kring zijner bekenden bestendig uit te
breiden. Evenals bij een steen, die in het water valt—zonder zulk een
deftig man door zulk eene vergelijking te willen verkleinen—lag het in
den aard der zaken, dat Sir Barnet een zich altijd vergrootenden kring
om zich heen moest verbreiden, tot er geene plaats meer over was. Of,
gelijk een klank in de lucht, waarvan de trilling, volgens de gedachten
van een schrander natuurkundige, zich voor eeuwig door de eindelooze
ruimte kan voortzetten, kon niets anders dan eene volslagene
onmogelijkheid Sir Barnet Skettles stuiten in zijne ontdekkingsreis
door het heelal der samenleving.
Sir Barnet was er trotsch op om andere menschen met andere menschen
bekend te maken. Dit was reeds op zich zelf een vermaak voor hem, en
het bevorderde ook zijn geliefkoosd doel. Bij voorbeeld, als Sir Barnet
het geluk had om een onervaren jongmensch, of een landedelman machtig
te worden en naar zijn buitentje te lokken, zeide hij gewoonlijk des
morgens na zijne komst: “Wel, mijnheer, is er nu ook iemand met wien
gij gaarne zoudt willen kennis maken? Wie is er dien gij gaarne eens
zoudt willen zien? Interesseert gij u voor menschen, die schrijven, of
schilderen, of op het tooneel zijn, of iets van dien aard?” Mogelijk
antwoordde de patiënt van ja, en noemde iemand, dien Sir Barnet even
weinig kende als Pompejus den Groote. Sir Barnet antwoordde evenwel,
dat niets op de wereld gemakkelijker was, daar hij hem heel wel kende,
ging terstond den genoemden een bezoek brengen, liet zijn kaartje,
schreef een briefje:—“Waarde heer—last die uwe uitstekende positie
medebrengt—bij mij gelogeerde vriend natuurlijk verlangend—Lady
Skettles en ik zelf evenzeer—vertrouwende, dat het genie zich boven
kleine bedenkelijkheden verheft, zult gij ons wel de uitnemende eer
willen bewijzen om ons het genoegen te geven, enz., enz.,”—en sloeg
aldus twee vliegen met één klap, mors dood.
Met de snuifdoos en de banier in volle kracht, stelde Sir Barnet
Florence, op den eersten morgen van haar verblijf, zijne gewone vraag
voor. Toen Florence hem bedankte en zeide dat er niemand was, wien zij
bijzonder wenschte te zien, was het natuurlijk dat zij met harteleed
aan den armen Walter dacht. Toen Sir Barnet, zijn vriendelijk voorstel
aandringende, zeide: “Lieve jufvrouw Dombey, zijt gij wel zeker dat gij
u niemand herinnert, dien uw goede papa—wien ik u verzoek de beleefdste
complimenten van Lady Skettles en mij zelven te doen, als gij
schrijft—zou wenschen dat gij mede bekend werdt?” was het misschien
even natuurlijk dat haar hoofdje een weinig zakte en hare stem beefde,
toen zij met eene zachte ontkenning antwoordde.
Skettles junior, met eene veel stijvere das dan voorheen, en lang zoo
wild niet meer, was voor de vacantie thuis, en scheen zich zeer
verongelijkt te achten door de bezorgdheid zijner uitnemende moeder,
dat hij zich voor Florence beleefd en oplettend zou toonen. Een ander
en grooter onrecht dat de ziel van den jongen Barnet kwelde, was het
gezelschap van doctor Blimber en zijne gade, die onder het ouderlijke
dak te logeeren waren gevraagd, en van welke de jonge heer dikwijls
zeide te wenschen, dat zij liever in het peperland zaten.
“Is er ook iemand, dien gij u bedenken kunt, doctor Blimber?” zeide Sir
Barnet, zich naar dien heer keerende.—“Ge zijt wel vriendelijk, Sir
Barnet,” antwoordde de doctor. “Ik weet waarlijk niet, dat er iemand in
het bijzonder is. Ik ken gaarne mijne medemenschen in het algemeen, Sir
Barnet. Wat zegt Terentius? Iedereen, die vader en zoon is, is
interessant voor mij.”—“Heeft mevrouw Blimber ook verlangen om een of
ander merkwaardig persoon te zien?” vroeg Sir Barnet beleefd.
Mevrouw Blimber antwoordde met een vriendelijk lachje, en hare
hemelsblauwe muts schuddende, dat, indien Sir Barnet haar met Cicero
bekend had kunnen maken, zij hem wel lastig had willen vallen; maar
daar zulk eene introductie ondoenlijk was, en zij reeds zijne
vriendschap en die van zijne beminnelijke echtgenoot bezat, en met den
doctor haar man hun gemeenschappelijk vertrouwen ten aanzien van hun
dierbaren zoon genoot—hier zag men den jongen Barnet zijn neus
ophalen—zij niets meer verlangde.
Sir Barnet moest zich dus wel vooreerst met het daar verzamelde
gezelschap vergenoegen. Florence verheugde zich daarover; want zij had
onder dit gezelschap iets te zoeken, dat haar te gewichtig was en te
nauw aan het hart lag, om voor iets anders achter te staan.
Er waren eenige kinderen in huis gelogeerd—kinderen die met vader en
moeder even gemeenzaam en vroolijk waren, als die met de blozende
gezichtjes aan den overkant van haar huis—kinderen die hunne liefde
geen bedwang oplegden, maar vrij vertoonden. Florence zocht hun geheim
te leeren; zocht te ontdekken wat het was dat zij miste; welke
eenvoudige kunst die kinderen kenden en zij niet kende; hoe zij van hen
kon leeren haar vader te toonen dat zij hem liefhad, en zijne liefde
terug te winnen.
Menigen dag sloeg Florence die kinderen nadenkend gade. Op menigen
helderen morgen verliet zij haar bed zoodra de zon opging, en wandelde,
eer zich in huis iemand begon te roeren, langs den overkant heen en
weder, om naar de vensters hunner kamers op te zien, en aan hen te
denken, die daar sliepen, zoo bemind en zoo liefderijk verzorgd.
Florence gevoelde zich dan eenzamer, dan toen zij in het groote huis
geheel alleen was, en dacht somtijds dat zij beter daar was dan hier,
en dat zij vergenoegder was wanneer zij zich schuilhield, dan wanneer
zij met anderen van hare jaren verkeerde en bevond hoezeer zij van hen
allen verschilde. Maar met den vasten wil om dat geheim te bestudeeren,
schoon ieder blad, dat zij in het moeielijke boek omsloeg, haar nieuw
harteleed gaf, bleef Florence daar en poogde met geduldige hoop de
kennis te verwerven, waarnaar zij smachtte.
O, hoe zou zij die verwerven! Hoe ontdekken waar men moest beginnen! Er
waren daar dochters, die des morgens opstonden en des avonds het hoofd
neerlegden, reeds in het volle bezit van het vaderlijke hart. Zij
behoefden geen tegenzin te overwinnen, geene koelheid te vreezen, geen
donker gezicht te doen ophelderen. Als het later in den ochtend werd,
en de vensters een voor een geopend werden, en de dauw op het gras en
de bloemen begon te drogen, en jeugdige voetjes over het grasperk
huppelden, dacht Florence, in het rond, naar de vroolijke gezichtjes
ziende, wat zij toch van die kinderen zou kunnen leeren. Het was te
laat om van hen te leeren. Ieder kon onbevreesd haar vader naderen,
hare lipjes opsteken om zijn kus te beantwoorden, en haar arm om zijn
hals slaan, die zich boog om haar te liefkoozen. Zij kon niet beginnen
met zoo stout te zijn. O, kon het wezen, dat er minder hoop was
naarmate zij meer leerde?
Zij herinnerde zich, dat zelfs de oude vrouw, die haar gestolen had
toen zij een klein kind was—wier beeld en wier huis, en al wat zij
gezegd en gedaan had, in haar geheugen waren geprent, met de scherpheid
en vastheid van een vreeselijken indruk in den vroegsten tijd van het
leven—met teederheid van hare dochter had gesproken, en hoe
schrikkelijk zij hare smart over hare hopelooze scheiding van haar kind
had uitgeschreeuwd. Maar hare eigene moeder, dacht zij dan weder, als
zij zich dit herinnerde, had haar ook liefgehad. En als hare gedachten
dan snel naar de gapende kloof tusschen haar en haar vader
terugkeerden, beefde Florence somtijds en rolden haar de tranen over de
wangen, als zij zich verbeeldde hoe hare moeder in leven had kunnen
blijven, en misschien ook een afkeer van haar krijgen, omdat het haar
ontbrak aan dat onbekende talent, dat haar vaders hart had moeten
winnen, maar van hare wieg af nooit gedaan had. Zij wist, dat deze
inbeelding de nagedachtenis harer moeder onrecht deed en geheel
ongegrond was; en toch was zij zoo verlangend om hem te rechtvaardigen,
en al de schuld bij zich zelve te vinden, dat zij niet kon nalaten zich
somtijds daaraan over te geven.
Onder de andere gasten kwam, kort na Florence, een bevallig meisje,
twee of drie jaren jonger dan zij, dat ouderloos was, en door hare
tante werd vergezeld, eene dame met grijs haar, die veel met Florence
sprak, haar zeer gaarne (maar dit deden allen) des avonds hoorde
zingen, en dan altijd met moederlijke belangstelling bij haar bleef
zitten. Zij waren pas twee dagen daar in huis geweest, toen Florence op
een warmen ochtend in een priëeltje in den tuin zat, door de takken
heen peinzend naar een groepje op het grasperk ziende, en bezig met een
bloemenkrans te vlechten voor een der kleintjes, dat het speelpopje en
de lieveling der anderen was. Zoo gezeten, hoorde zij die dame en haar
nichtje, welke dichtbij in een beschaduwd laantje op en neer wandelden,
over haar zelve spreken.
“Is Florence eene wees evenals ik?” zeide het kind.—“Neen, liefje. Zij
heeft geen moeder meer, maar haar vader leeft nog.”—“Is zij nu nog in
den rouw over hare arme mama?” vroeg het kind snel.—“Neen, over haar
eenigen broeder.”—“Heeft zij geen anderen broeder?”—“Neen.”—“En geene
zuster?”—“Neen.”—“Dat spijt mij, dat spijt mij erg,” zeide het meisje.
Daar zij kort daarop bleven stilstaan om naar eenige bootjes te kijken
en ondertusschen zwegen, ging Florence, die, toen zij haar naam hoorde,
met hare bloemen was opgestaan, om de twee te gemoet te gaan en zich te
vertoonen, weder zitten en vervolgde haar werk, daar zij nu niets meer
dacht te zullen hooren; maar een oogenblik later werd het gesprek
hervat.
“Florence is een gunsteling van iedereen hier, en verdient dat ook
waarlijk wel te zijn,” zeide het kind ernstig. “Waar is haar papa?”
Na een oogenblik van stilte, antwoordde de tante, dat zij het niet
wist. De klank harer stem boeide Florence, die wederom was opgestaan,
en hield haar op de plek vastgeworteld, terwijl zij haar werk met beide
handen tegen hare borst drukte, opdat het niet op den grond zou vallen.
“Hij is toch in Engeland, hoop ik, tante?” zeide het kind.—“Dat geloof
ik wel. Ja, ik weet het, dat hij in het land is.”—“Is hij nooit hier
geweest?”—“Dat geloof ik niet. Neen.”—“Komt hij dan niet hier om haar
te zien?”—“Ik geloof van neen.”—“Is hij dan lam, of blind, of ziek,
tante?” vroeg het kind.
De bloemen, die Florence tegen hare borst hield, begonnen te vallen,
toen zij dit met zooveel verwondering hoorde vragen. Zij hield ze
vaster, en liet haar gezichtje er op neerzinken.
“Kaatje,” zeide de dame, na nog een oogenblik van stilzwijgen, “ik zal
u de geheele waarheid van Florence vertellen, zooals ik ze gehoord heb,
en geloof dat zij is. Vertel het niemand anders, liefje, omdat het hier
misschien weinig bekend zal zijn, en het haar verdriet zou veroorzaken
als gij dat deedt.”—“Dat zal ik nooit,” riep het kind uit.—“Dat weet ik
ook wel,” antwoordde de dame; “ik kan u zoo goed vertrouwen als mij
zelve. Ik vrees dan, Kaatje, dat Florence’s vader weinig om haar geeft,
haar zeer zelden ziet, nooit in haar leven vriendelijk voor haar is
geweest, en haar nu zelfs vermijdt en schuwt. Zij zou hem hartelijk
liefhebben, als hij haar dat wilde toelaten; maar dat wil hij
niet—schoon zij er geene schuld aan heeft; en alle zachte harten,
moeten haar liefhebben en beklagen.”
Nog meer van de bloemen, die Florence vasthield, vielen verstrooid over
den grond; die zij nog overhield, waren nat, maar niet van den dauw; en
haar gezichtje zonk geheel op hare beladene handen.
“Arme Florence! Lieve, goede Florence!” riep het kind uit.—“Weet ge wel
waarom ik u dit verteld heb, Kaatje?” zeide de dame.—“Omdat ik heel
vriendelijk voor haar zou zijn, en mijn best doen om haar te believen.
Is dat de reden, tante?”—“Gedeeltelijk,” zeide de dame, “maar niet
geheel. Hoewel wij haar zoo opgeruimd zien, met een vriendelijk lachje
voor iedereen, gereed om ons te believen, en aan alle vermaken en
spelletjes deel te nemen, kan zij zich toch bezwaarlijk heel gelukkig
gevoelen; denkt ge dat ook niet, Kaatje?”—“Ik vrees van neen,” zeide
het meisje.—“En gij kunt wel begrijpen,” vervolgde de dame, “waarom het
gezicht van kinderen, die ouders hebben die veel van hen houden, en
trotsch op hen zijn—gelijk er juist veel hier zijn—haar in het geheim
moet bedroeven?”—“Ja, lieve tante,” zeide het kind. “Dat begrijp ik
heel wel. Arme Florence!”
Nog meer bloemen werden over den grond gestrooid, en die zij nog
vasthield beefden, alsof er een winterwind door ritselde.
“Mijn Kaatje,” zeide de dame, wier stem zeer ernstig was, maar kalm en
liefelijk, en op Florence, van het eerste oogenblik dat zij die stem
hoorde af, denzelfden indruk gemaakt had, “van al de jongelieden hier
zijt gij hare natuurlijke vriendin, die haar geen leed kan doen; gij
geeft haar de onschuldige reden niet, die gelukkiger kinderen haar
geven.”—“Er zijn geen gelukkiger, tante!” riep het meisje, dat haar
scheen te omhelzen.—“Die andere kinderen haar geven, lieve Kaatje, om
zich haar ongeluk te herinneren. Daarom moet gij, als gij haar
vriendinnetje wilt zijn, te meer uw best doen om dat te worden en
denken dat het verlies, dat u getroffen heeft—den hemel zij dank,
voordat gij de zwaarte daarvan kondt kennen—u bij de arme Florence een
voorrecht geeft.”—“Maar ik gevoel geen gemis van ouderliefde, tante, en
dat heb ik nooit gedaan,” zeide het meisje, “zoolang ik bij u
ben.”—“Hoe dat wezen mag, liefje,” antwoordde de dame, “uw ongeluk is
lichter dan dat van Florence; want geene wees op de wijde wereld kan
zoo verlaten zijn als het kind dat uit de liefde van een levend vader
is verbannen.”
De bloemen werden als stof over den grond gestrooid; de ledige handen
bedekten het gezichtje; en de verweesde Florence, op den grond
ineengedoken, schreide lang en bitter.
Maar trouw van hart en moedig in haar goed voornemen, hield Florence
zich daaraan vast gelijk hare stervende moeder zich aan haar had
vastgehouden op den dag die Paul het leven gaf. Hij wist niet hoe lief
zij hem had. Hoelang het ook duurde eer die tijd kwam, en hoe langzaam
de tusschentijd mocht verloopen, zij moest eens haar vaders hart tot
die kennis pogen te brengen. Ondertusschen moest zij zorgen om door
geen onbedacht woord, of blik, of uitbarsting van gevoel, door eene
toevallige omstandigheid veroorzaakt, tegen hem te klagen, of
aanleiding te geven tot dit gefluister in zijn nadeel.
Zelfs in haar omgang met het weesje, dat haar sterk aantrok en waaraan
zij zooveel reden had om zich te herinneren, was Florence aan hem
gedachtig. Als zij haar (dacht Florence) al te duidelijk boven de
anderen uitkoos, zou zij—in één gemoed zeker, en misschien in meer—het
geloof bevestigen, dat hij wreed en onnatuurlijk was. Haar eigen genot
woog niet daartegen op. Wat zij beluisterd had was eene reden, niet om
haar eigen leed te willen verzachten, maar om hem te sparen; en dit
deed Florence en waakte over haar eigen hart.
Dit deed zij altijd. Als er uit een boek werd voorgelezen, en er iets
kwam dat op een hardvochtig vader doelde, smartte het haar dat dit op
hem kon worden toegepast, niet dat het haar aan haar verdriet
herinnerde. Zoo was het ook bij eene prent die vertoond, of een
spelletje dat onder de kinderen gespeeld werd. De aanleidingen tot zulk
eene teedere bezorgdheid voor hem waren zoo talrijk, dat zij dikwijls
twijfelde of het niet beter zou zijn naar het oude huis terug te keeren
en daar eenzaam, maar ongestoord, te leven. Hoe weinigen, die de
lieftallige Florence in haar lentetijd zagen, als het bescheiden
koninginnetje dier kinderlijke feesten, verbeeldden zich welk een last
van heilige zorg haar hart bezwaarde! Hoe weinigen, die, in den kouden
atmospheer van haar vader bevrozen, vermoedden welk een hoop van vurige
kolen er op zijn hoofd gestapeld werd!
Florence bleef gestadig op haar doel bedacht, en daar het haar niet
gelukte het geheim, dat zij zocht onder het jeugdige gezelschap in huis
te vinden, ging zij dikwijls in den vroegen morgen alleen onder de
kinderen der armen rondwandelen. Maar ook deze vond zij allen veel te
ver gevorderd om van hen te kunnen leeren. Zij hadden hunne plaats in
het ouderlijke huis reeds lang geleden gevonden, en stonden niet
buiten, gelijk zij, met een slagboom voor de deur.
Er was een man, dien zij meestal zeer vroeg aan het werk zag, dikwijls
met een meisje van omtrent hare eigene jaren bij zich. Hij scheen zeer
arm te zijn en geen vast beroep te hebben, maar zwierf nu bij laag
water langs den oever der rivier, om in den modder te zoeken naar alles
wat van eenige waarde was, werkte dan weder op een weinig belovend
plekje gronds bij zijn hutje, lapte somtijds eene ellendige boot die
hem toebehoorde, of deed een karreweitje van dien aard voor een
buurman. Waaraan de man ook werkte, het meisje was nooit met iets
bezig, maar bleef, als zij bij hem was, ledig en lusteloos zitten
druilen.
Florence had dikwijls verlangd om dien man aan te spreken, maar nog
nooit den moed gehad om dit te doen, dewijl hij zelf geene aanleiding
daartoe gaf. Maar op een ochtend toen zij onverwacht op hem aankwam,
van een voetpad tusschen eenige knotwilgen, dat op eene afhellende plek
gronds uitliep, die tusschen zijne woning en het water lag, en waar hij
gebogen stond over een vuur, dat hij had aangemaakt om de oude boot te
kalfaten, die met den bodem omhoog daarbij lag, keek hij op, toen hij
haar voetstap hoorde, en zeide haar goedenmorgen.
“Goedenmorgen,” zeide Florence, nader komende. “Ge zijt al vroeg aan
het werk.”—“Ik zou graag dikwijls nog vroeger aan het werk zijn,
jufvrouw, als ik maar werk had.”—“Is dat dan zoo moeielijk te krijgen?”
vroeg Florence.—“Dat ondervind ik,” antwoordde de man.
Florence keek om naar de plek waar het meisje zat ineengedoken, met de
ellebogen op de knieën en de kin tusschen de handen, en zeide:
“Is dat uwe dochter?”
Hij hief snel het hoofd op, en met een verhelderd gezicht naar het
meisje omziende, knikte hij tegen haar en zeide: “Ja.”
Florence groette haar vriendelijk; het meisje mompelde iets tot
antwoord, norsch en stroef.
“Heeft zij ook gebrek aan werk?” zeide Florence.
De oude man schudde zijn hoofd. “Neen, jufvrouw,” zeide hij. “Ik werk
voor allebei.”—“Zijt ge dan maar met u beiden?” vroeg Florence.—“Maar
met ons beiden,” antwoordde de man. “Hare moeder is al tien jaren dood.
Martha!” Hij hief weder het hoofd op en floot naar haar. “Spreekt ge
niet eens tegen die lieve jonge dame?”
Het meisje maakte eene beweging van ongeduld met hare ronde schouders
en draaide haar gezicht naar een anderen kant. Leelijk, mismaakt,
wrevelig, stompzinnig, haveloos, morsig—maar bemind! O, ja! Florence
had haar vaders blik naar haar gezien, en zij wist wel naar wiens blik
deze niet geleek.
“Ik vrees dat zij van morgen weer erger is, mijne arme meid!” zeide de
man, zijn werk stakende en zijn onbehaaglijk kind aanziende met een
medelijden, dat wel ruw, maar daarom des te teerder was.
“Is zij dan ziek?” zeide Florence.
De man slaakte een zwaren zucht. “Ik geloof niet dat mijne Martha vijf
korte dagen gezondheid gehad heeft,” antwoordde hij, nog naar haar
ziende, “in even zooveel lange jaren.”—“Ja, en in nog langer tijd,
John,” zeide een buurman, die hem aan de boot kwam helpen.—“Langer,
zegt gij?” riep de ander uit, zijn versleten hoed achteroverduwende en
met de hand over zijn voorhoofd strijkende. “Wel te denken. Het komt
mij ook lang, heel lang voor.”—“En hoe langer het duurde,” vervolgde de
buurman, “zooveel te meer hebt gij haar verwend en vertroeteld, John,
tot zij een last voor zich zelve en ieder ander is geworden.”—“Voor mij
niet,” zeide de vader, weder aan het werk gaande. “Voor mij niet.”
Florence kon gevoelen—wie beter?—met hoeveel waarheid hij dit zeide.
Zij kwam dicht naar hem toe, en had gaarne zijne ruwe hand willen
vatten en hem danken voor zijne goedheid voor het ellendige voorwerp,
dat hij met zoo geheel andere oogen beschouwde dan ieder ander. “Wie
zou mijn arm kind verwennen en vertroetelen—om het zoo te noemen—als ik
het niet deed?” zeide de vader.—“Ja, ja,” zeide de buurman. “Met
redelijkheid, John. Maar gij—gij besteelt u zelven om haar te geven.
Gij bindt u zelven om haar met handen en voeten vast. Gij maakt uw
leven ellendig om haar. En wat geeft zij er om! Ik geloof niet eens dat
zij er van weet.”
De vader hief weder het hoofd op en floot naar haar. Martha maakte
wederom dezelfde beweging van ongeduld met hare schouders, en hij was
vergenoegd en blijde.
“Alleen om dat, jufvrouw,” zeide de buurman, met een glimlach, waarin
meer geheime sympathie lag dan zijne woorden te kennen gaven, “alleen
om dat te krijgen, laat hij haar nooit uit zijne oogen.”—“Omdat de dag
komen zal, en al lang aan het komen is,” zeide de ander, laag over zijn
werk bukkende, “dat ik om half zooveel van dat ongelukkige kind van mij
te krijgen—om maar het trillen van een vinger, of het zwieren van een
haar van haar te krijgen—de dooden zou moeten kunnen opwekken.”
Florence legde zacht eenig geld dicht bij zijne hand op de oude boot,
en ging heen.
En nu begon Florence te denken of, indien zij ziek werd, indien zij ook
verwelkte gelijk haar lieve broeder, hij dan zou begrijpen dat zij hem
had liefgehad, of zij hem dan dierbaar zou worden; of hij dan aan haar
bed zou komen, als zij zwak en flauw van gezicht was, en haar in zijne
armen sluiten en al het verledene uitwisschen? Zou hij het haar dan
vergeven, in dien veranderden toestand, dat zij niet in staat was
geweest om haar kinderlijk hart voor hem open te leggen; zou het haar
dan gemakkelijk worden hem te verhalen met welke aandoeningen zij dien
nacht zijne kamer was uitgegaan, wat zij had willen zeggen, als zij er
maar moed toe had gehad, en hoe zij naderhand gepoogd had te leeren wat
zij in hare kindsheid nooit had geweten?
Ja, dacht zij, als zij stervende was, zou hij week worden. Zij dacht,
als zij daar lag, kalm en niet onwillig om te verscheiden, op het bed
waarom de herinneringen van zijn dierbaren zoon nog zweefden, zou het
zijn hart treffen en zou hij zeggen: “Lieve Florence, leef voor mij, en
wij zullen elkander liefhebben gelijk wij hadden kunnen doen, en zoo
gelukkig zijn als wij deze vele jaren hadden kunnen zijn!” Zij dacht,
als zij zulke woorden van hem hoorde, en hare armen om hem heen
geslagen had, zou zij met een glimlach kunnen antwoorden: “Het is te
laat voor alles behalve dit en ik zou nooit gelukkiger kunnen zijn,
lieve vader!” en hem zoo verlaten met eene zegenbede op de lippen.
De gouden golfjes op den muur, die zij zich herinnerde, kwamen
Florence, in het licht van zulke herinneringen, voor als een stroom die
naar het gewest vloeide, waar de dierbaren, die haar vooruit waren
gegaan, haar hand in hand stonden te wachten; en dikwijls wanneer zij
naar de donkere rivier zag, die aan hare voeten kabbelde, dacht zij met
plechtige verwondering, maar niet met schrik, aan de rivier, welke haar
broeder zoo dikwijls had gezegd dat hem wegvoerde.
De vader en zijne zieke dochter stonden Florence nog versch voor den
geest; dat voorval was zelfs nog geene week oud, toen Sir Barnet en
zijne vrouw, die op een namiddag gingen wandelen, haar voorstelden om
mede te gaan. Daar Florence gewillig toestemde, gelastte Lady Skettles,
als iets dat van zelf sprak, den jongen Barnet om haar te geleiden;
want niets was voor Lady Skettles zulk een genot, dan haar oudsten zoon
met Florence aan den arm te zien.
Barnet, om de waarheid te zeggen, scheen geheel anders over de zaak te
denken, en liet zich bij zulke gelegenheden dikwijls hoorbaar, schoon
onbepaald, over een troep meiden uit. Daar het echter niet gemakkelijk
was haar zacht humeur te bederven, verzoende Florence doorgaans den
jongen heer na eenige weinige minuten met zijn lot, en wandelden zij
dan vriendschappelijk met elkander voort, terwijl Lady Skettles en Sir
Barnet, uiterst vergenoegd en tevreden, achteraankwamen.
Zoo ging het ook op den bedoelden namiddag, en het was Florence bijna
gelukt Skettles Junior zijne grieven voor het oogenblik te doen
vergeten, toen er een heer te paard voorbijreed, die hem ernstig
aanzag, de teugels aanhield, omkeerde, en met den hoed in de hand kwam
terugrijden.
Deze heer had inzonderheid naar Florence gezien, en toen het kleine
gezelschap bleef stilstaan, boog hij voor haar, eer hij Sir Barnet en
zijne dame groette. Florence herinnerde zich niet hem ooit gezien te
hebben, maar toen hij haar nabij kwam, trad zij met onwillekeurigen
schrik achteruit.
“Mijn paard is heel mak, durf ik u verzekeren,” zeide hij.
Dit was het niet, maar iets in dien heer zelven—zij had niet kunnen
zeggen wat—dat Florence deed terugschrikken, alsof haar iets gestoken
had.
“Ik heb de eer jufvrouw Dombey aan te spreken, geloof ik?” zeide hij,
met een glimlach die innemend moest wezen. Toen Florence daarop
antwoordde door haar hoofd te buigen, vervolgde hij: “Mijn naam is
Carker. Ik kan niet wel hopen dat jufvrouw Dombey zich iets van mij zal
herinneren, behalve mijn naam. Carker.”
Florence, die, schoon het een warme dag was, eene zonderlinge neiging
gevoelde om te huiveren, presenteerde hem aan haar gastheer en
gastvrouw, door welke hij zeer vriendelijk ontvangen werd.
“Ik verzoek duizendmaal verschooning,” zeide Carker. “Maar ik ga morgen
naar mijnheer Dombey te Leamington, en als jufvrouw Dombey mij eene of
andere commissie wil opdragen, behoef ik dan te zeggen hoe zeer vereerd
ik zal zijn?”
Sir Barnet, dadelijk radende dat Florence een brief aan haar vader zou
willen schrijven, stelde voor om terug te keeren, en verzocht Carker om
mede naar huis te komen en zoo in zijn rijcostuum te blijven dineeren.
Carker had het ongeluk van reeds zijn woord voor een diner te hebben
gegeven, maar als jufvrouw Dombey verlangde te schrijven, zou niets hem
meer streelen dan met hen terug te rijden en als haar trouwe slaaf te
wachten zoolang het haar beliefde. Toen hij dit met zijn breedsten
glimlach gezegd had, en dicht naar Florence bukte om zijn paard op den
hals te kloppen, ontmoette zij zijn blik en zag hem—veeleer dan dat zij
hoorde—zeggen: “Er is geene tijding van het schip!”
Verschrikt, verlegen, voor hem huiverende, en zelfs niet zeker dat hij
deze woorden gezegd had, (want hij scheen ze haar op eene buitengewone
manier in zijn glimlach te laten lezen, in plaats van ze te spreken),
zeide Florence flauw dat zij hem wel verplicht was, maar niet zou
schrijven: zij had niets te zeggen.
“Niets te zenden, jufvrouw Dombey?” zeide de man van tanden.—“Niets,”
zeide Florence, “dan mijne—mijne hartelijke liefde—als het u belieft.”
Ontsteld als Florence was, sloeg zij hare oogen met een smeekenden blik
vol uitdrukking naar hem op, die hem bad—indien hij wist, gelijk hij
duidelijk deed, dat eene boodschap, maar deze vooral, iets ongewoons
tusschen haar en haar vader was—om haar te sparen. Carker antwoordde
met een glimlach en eene diepe buiging, en nadat hij met de
vriendelijkste complimenten van Sir Barnet en Lady Skettles was belast,
nam hij afscheid en reed heen, op dit waardige paar een zeer gunstigen
indruk nalatende. Toen hij heenreed, werd Florence door zulk eene
huivering bevangen, dat Sir Barnet, op het volksbijgeloof doelende,
meende dat er iemand over haar graf ging. Carker, die juist een hoek
omsloeg, keek om, hoog, en verdween, alsof hij recht naar het kerkhof
reed, om dit te doen.