FLORENCE EENZAAM EN DE ADELBORST GEHEIMZINNIG.

Florence leefde alleen in het groote, akelige huis, en de eene dag

volgde den anderen, en nog leefde zij alleen; en de koude muren zagen

starend op haar neer, alsof zij Medusa-achtig gezind waren om hare

jeugd en schoonheid te doen versteenen.

Geen tooverkasteel in een tooversprookje, in het hart van een dicht

bosch verscholen, was voor de verbeelding ooit eenzamer en verlatener,

dan haar vaderlijk huis in zijn stugge werkelijkheid was—des avonds,

als er licht door de naburige vensters scheen, een zwarte vlek op die

karige helderheid, over dag eene naargeestige uitzondering in eene lang

niet vroolijke straat.

Er stonden geene twee draken op schildwacht aan de poort dezer woning,

gelijk men in een tooversprookje doorgaans de onrechtvaardig gekerkerde

onschuld vindt bewaken; maar behalve een verwrongen gezicht, dat uit de

lijst boven de deur uitkeek, was daarboven nog een monsterachtig

arabesk-werk van roestig ijzer, naar de versteening van een loofpriëel

gelijkende, dat in scherpe punten en schroefsgewijze krullen uitliep,

en aan elke zijde een grooten domper [3] droeg, die onheilspellend

schenen te zeggen: “Wie hier binnentreedt, laat het licht achter!” Er

waren geene tooverletters op den drempel gebeiteld, maar het huis zag

er nu zoo verwaarloosd uit, dat de jongens het hek en de stoep met

krijt bekrabbelden—vooral om den hoek waar de zijmuur was—en spoken op

de staldeur teekenden; en daar Towlinson hen somtijds wegjoeg, maakten

zij tot wraak portretten van hem, met ooren die zijdelings uit zijn

hoed uitgroeiden. Binnen de schaduw van dat dak hield alle gerucht op.

De troep horenblazers, die eens in de week des morgens de straat

doorkwam, blies voor die vensters nooit een enkelen toon; al zulke

lieden, tot zelfs de half simpele orgeldraaier, schuwden het als eene

plaats waar niets te hopen was.

De tooverban, die er op rustte, was verderfelijker dan die, welke eens

op een tijd een huis in een tooverslaap dompelde, maar het als het

weder ontwaakte onbeschadigd liet. De stille, verterende werking der

onbewoondheid openbaarde zich overal. De zwaar neerhangende gordijnen

verloren hare oude plooien en vormen en begonnen naar opgehangen

lijkkleeden te gelijken. Hecatomben van meubelen, opgestapeld en

overdekt, slonken weg, evenals in gevangenis vergetene menschen, en

ondergingen eene ongevoelige verandering. Spiegels besloegen als door

den adem van jaren. De kleuren van tapijten verschoten en werden zoo

verward en flauw als de geheugenissen dier jaren. Planken, schrikkende

van een ongewonen voetstap, kraakten en trilden. Sleutels roestten in

de sloten van deuren. De vochtigheid sloeg de muren uit, en naarmate de

vlekken naar buiten kwamen, schenen de schilderijen naar binnen te

kruipen en zich te verbergen. In de kasten begon zich schimmel te

vestigen, en boomachtige paddestoelen groeiden in de hoeken van

kelders. Het stof hoopte zich overal op, niemand wist hoe; spinnen en

motten zag men elken dag opnieuw. Nu en dan vond men eene verdwaalde

zwarte tor onbeweeglijk op de trap of op eene bovenkamer, als

verwonderd hoe zij daar gekomen was. Ratten begonnen des nachts te

piepen en te schermutselen in de donkere galerijen, die zij achter de

paneelen uitgroeven.

De akelige pracht der staatsievertrekken, onduidelijk gezien in het

schemerlicht dat door de geslotene luiken drong, zou wel genoeg met een

tooverkasteel hebben gestrookt. Zoo, bij voorbeeld, de dof aangeslagene

pooten van vergulde leeuwen, die tersluiks onder een overtrek te

voorschijn kwamen; de marmeren gelaatstrekken van borstbeelden, die

spookachtig door een sluier heenschemerden; de pendules, die nooit den

tijd verkondigden, of, als zij bij toeval werden opgewonden, dit

verkeerd deden en onaardsche uren sloegen, die niet op de wijzerplaat

staan; het toevallig gerinkel in de glazen lichtkronen, meer schrik

aanjagend dan eene alarmklok; de verzachte klanken en de trage lucht,

die zich tusschen deze voorwerpen en eene menigte anderen, allen even

spookachtig, heendrongen. Bovendien was er de groote trap, waarop de

heer des huizes zoo zelden zijn voet zette, en waarlangs zijn kind

omhoog naar den hemel was gegaan. Er waren nog andere trappen en

gangen, waar weken achtereen niemand kwam; er waren twee gesloten

kamers, met herinneringen aan doode leden der familie, waarvan

fluisterend werd gesproken; en voor het geheele huis was Florence, de

eenige bevallige gedaante, die door deze somberheid en eenzaamheid

rondging, en ieder levenloos voorwerp iets menschelijks gaf, dat

belangstelling en verwondering opwekte.

Florence leefde alleen in het verlaten huis, en de eene dag volgde den

anderen en nog leefde zij alleen, en de koude muren zagen starende op

haar neer, alsof zij Medusa-achtig gezind waren om hare jeugd en

schoonheid te doen versteenen.

Het gras begon op het dak en in de spleten der keldergaten te groeien.

Schubachtige, kruimelige plantjes sproten om de vensterbanken uit.

Stukjes kalk raakten binnen in de schoorsteenen los en kwamen ratelend

naar beneden. De twee boomen met berookte stammen verstierven omhoog,

en de verdorde takken overheerschten de bladeren. Door het geheele

gebouw was het wit in geel, het geel bijna in wit veranderd; en van den

tijd af toen de ongelukkige dame stierf, was het langzamerhand eene

donkere gaping in de straat geworden.

Maar Florence bloeide daar, gelijk de schoone koningsdochter in het

sprookje. Hare boeken, hare muziek en hare dagelijksche meesters en

meesteressen, waren haar eenig wezenlijk gezelschap, Suze Nipper en

Diogenes uitgezonderd. De eerste begon, door het bijwonen der lessen

van hare jonge meesteres zelve een wonder van geleerdheid te worden,

terwijl de laatste, mogelijk door denzelfden invloed verzacht, zijn kop

op de vensterbank legde en een geheelen zomermorgen lang vreedzaam

tegen de straat knipoogde; somtijds zijn kop opstak om met grooten

ernst naar een luidruchtig blaffenden hond voor eene kar te kijken, en

somtijds, eensklaps en zonder eenige aanleiding om zijn ouden vijand in

de buurt denkende, naar de deur stoof, een verdoovend geweld maakte, en

dan met een eigenaardig zelfbehagen kwam terugwandelen en zijn kop

weder op de vensterbank legde, met het gezicht van een hond die den

staat een dienst had bewezen.

Zoo leefde Florence in hare woestijn van een huis, binnen den kring

harer schuldelooze bezigheden en gedachten, en niets deed haar leed of

hinder. Zij kon nu naar haar vaders kamer gaan en aan hem denken, en

met haar liefderijk hart hem nederig naderen, zonder vrees van

teruggestooten te worden. Zij kon hem kleine blijken van hare

gehechtheid en dienstvaardigheid geven, door alles met eigene handen

voor hem in orde te brengen, ruikertjes voor zijne tafel te maken, ze

een voor een te verwisselen, als zij verwelkten zonder dat hij

terugkwam, dagelijks het een of ander voor hem gereed te maken, en bij

zijne gewone plaats een schroomvallig teeken van hare tegenwoordigheid

te laten. Vandaag was het een geschilderd kastje voor zijn horloge;

morgen werd zij bang om dat daar te laten, en zette zij eene andere

kleinigheid van haar maaksel in de plaats, die niet zoo licht zijn oog

zou trekken. In den nacht wakker wordende, beefde zij misschien bij de

gedachte dat hij thuis zou komen en er zich boos over maken, en sloop

dan haastig, met een kloppend hart, naar beneden om haar werk weder weg

te nemen. Een andermaal legde zij slechts haar hoofdje op zijn

lessenaar, en liet daar een kus en een traan.

Nog wist niemand daarvan. Als de dienstboden het niet ontdekten,

wanneer zij er niet was—en allen waren bang voor Dombey’s kamer—was het

een even diep geheim in het hart, als wat vroeger was gebeurd. In den

schemeravond, des morgens vroeg, en somtijds als men beneden aan het

eten was, sloop Florence naar die kamers; en hoewel ieder hoekje te

helderder en vroolijker was door hare zorg, glipte zij zoo stil als een

zonnestraal uit en in, behalve dat zij haar licht achterliet.

Schimachtig gezelschap vergezelde Florence op en neer door het galmende

huis, en zat bij haar in de ontmeubelde kamers. Alsof haar leven een

tooverdroom was, sproten er gedachten uit hare eenzaamheid, die de

werkelijkheid geheel veranderden. Zij verbeeldde zich zoo dikwijls wat

haar leven zou geweest zijn als haar vader haar had kunnen liefhebben

en zij een begunstigd kind was geweest, dat zij somtijds voor een

oogenblik bijna geloofde dat het zoo was, en zij, door die peinzende

verbeelding medegevoerd, zich scheen te herinneren, hoe zij werkelijk

beiden haar broeder in zijn graf hadden zien dalen; hoe zij nog

dikwijls over hem gesproken hadden, en haar goede vader, haar teeder

aanziende, haar over hunne gemeenschappelijke hoop en vertrouwen op God

had onderhouden. Op een anderen tijd verbeeldde zij zich dat hare

moeder nog leefde. En o, welk een geluk, haar om den hals te vallen en

zich met al de vertrouwelijke liefde harer ziel aan hare borst te

klemmen! En o, hoe akelig weder het eenzame huis, als de avond viel en

er niemand was!

Doch er was ééne gedachte—die zich nog nauwelijks duidelijk kon maken

en toch vurig en krachtig in haar binnenste was—welke Florence

ondersteunde als zij haar jeugdig hart, zoo zwaar beproefd, met moed en

goede voornemens poogde te vervullen. In haar gemoed, gelijk in dat van

iedereen die met de groote ramp onzer sterfelijkheid heeft te kampen,

was eene plechtige verwondering en hoop binnengeslopen, die haar uit de

schemerachtige wereld voorbij het tegenwoordige leven iets, gelijk

flauwe muziek, van eene herkenning tusschen haar broeder en hare moeder

toefluisterde, van eene bewustheid van haar, die beiden nog bewaarden,

van liefde en medelijden voor haar, van eene kennis hoe zij haar weg op

aarde zou voortzetten. Het was een balsemende troost voor Florence,

deze gedachten te koesteren tot zij eens—het was kort nadat zij haar

vader, laat in den nacht, in zijne eigene kamer had gezien—op het

denkbeeld kwam, dat zij, als zij schreide omdat zijn hart van haar

vervreemd bleef, misschien de geesten der dooden tegen hem zou

opwekken. Hoe zwak en kinderachtig het ook wezen mocht, zoo iets te

denken en daarbij te beven, haar liefderijk hart kon toch niet anders;

en van dat uur af deed Florence haar best om de wreede wond in hare

borst aan zich zelve te ontveinzen, en niet dan met hoop te denken aan

hem, wiens hand haar die had toegebracht.

Haar vader wist niet—daaraan hield zij zich vast, van dien tijd af—hoe

lief zij hem had. Zij was nog heel jong, en had geene moeder, en had

nooit geleerd, hetzij door hare schuld of door haar ongeluk, hoe zij

moest toonen dat zij hem liefhad. Zij wilde geduld hebben, zij wilde

beproeven door den tijd die kunst te leeren, en hem zijn eenig kind

beter doen kennen.

Dit werd het doel van haar leven. De morgenzon bescheen het vervallene

huis, en vond dat besluit frisch en krachtig in de borst der eenzame

meesteres. Onder al hare werkzaamheden van den dag bezielde het haar,

want Florence hoopte dat, hoe meer zij wist en hoe meer talenten zij

zich verwierf, hij des te vergenoegder zou zijn als hij haar leerde

kennen. Somtijds verwonderde zij zich, met een angstig hart en een

opwellenden traan, of zij wel in iets genoeg gevorderd was om hem te

verrassen als zij eens bij elkander kwamen. Somtijds poogde zij te

bedenken, of er niet een vak van kennis was, dat zijne belangstelling

lichter dan een ander zou opwekken. Altijd, bij hare boeken, aan hare

muziek, aan haar werk, op hare ochtendwandeling, en onder haar

nachtgebed, had zij dat één groot doel in het oog. Vreemde studie voor

een kind, den weg naar het hart van een hardvochtigen vader te leeren.

Er waren vele wandelaren op de straat, als de zomeravond in den nacht

overging, die van den overkant naar het sombere huis keken, en de

jeugdige gedaante voor het venster,—zulk een contrast daarbij—naar de

sterren zagen opzien, en slechter zouden geslapen hebben indien zij

hadden geweten waarover zij zoo peinsde. De naam van het huis, als een

spookhuis, zou bij eenige eenvoudige lieden, die door het naargeestige

voorkomen daarvan getroffen waren, en het zoo genoemd hadden, niet

beter zijn geworden, als zij de geschiedenis van dat gebouw op den

gevel hadden kunnen lezen. Maar Florence vervolgde haar heilig doel,

zonder dat iemand er iets van vermoedde of haar hielp: zij was er

alleen op bedacht hoe zij haar vader zou doen begrijpen dat zij hem

liefhad, en bracht zelfs met hare geheimste gedachten geene aanklacht

tegen hem in.

Zoo leefde Florence alleen in het verlaten huis, en de eene dag volgde

op den anderen, en de koude muren zagen starend op haar neer, alsof zij

Medusa-achtig gezind waren om hare jeugd en schoonheid te doen

versteenen.

Suze Nipper stond op zekeren morgen bij hare meesteres, terwijl deze

een briefje cacheteerde dat zij geschreven had, en toonde door haar

uitzicht dat zij den inhoud wist en goedkeurde.

“Beter laat dan nooit, lieve jufvrouw Flore,” zeide Suze, “en ik zeg

dat het altijd een verzetje zal zijn eens uit logeeren te gaan, al is

het maar bij die oude Skettles’sen.”—“Sir Barnet en Lady Skettles,”

antwoordde Florence, met eene zachte berisping, daar de jonge juffer

met zooveel gemeenzaamheid van de bedoelde familie sprak, “zijn wel

goed dat zij hunne invitatie zoo vriendelijk herhalen.”

Suze, die misschien zoo partijzuchtig was als ooit iemand op de wereld,

en in alle dingen, groot en klein, dadelijk eene partij koos, waarvoor

zij tegen de geheele wereld wilde vechten, kneep hare lippen dicht en

schudde haar hoofd, als een protest tegen de belangeloosheid der

Skettles’sen, en om aan te duiden dat het gezelschap van Florence hen

rijkelijk voor hunne vriendelijkheid zou beloonen.

“Zij weten wel wat zij doen,” prevelde Suze; “laat dat maar voor de

Skettles’sen over.”—“Ik ben er niet zeer op gesteld om naar Fulham te

gaan, moet ik bekennen, Suze,” zeide Florence nadenkend. “Maar het zal

toch goed zijn dat ik ga. Het zal beter zijn, denk ik.”—“Veel beter,”

zeide Suze met nadruk.—“En dus,” vervolgde Florence, “al had ik liever

willen gaan als er niemand was, in plaats van onder die vacantie, nu

het schijnt dat er eenige jongelieden logeeren, heb ik met dankbaarheid

ja gezegd.”—“En ik zeg, dat ik blij toe ben,” antwoordde Suze. “A-ah!”

Deze laatste uitroep, waarmede Suze in dien tijd dikwijls een gezegde

besloot, werd beneden gehouden voor iets dat in het algemeen op

mijnheer Dombey doelde, en jufvrouw Nipper’s verlangen aanduidde om hem

eens te zeggen wat zij wel van hem dacht; maar zij gaf er nooit eene

verklaring van, en dus had dit “A-ah!” bij de grootst mogelijke

scherpheid, nog het bekoorlijke der geheimzinnigheid.

“Hoelang duurt het toch eer wij tijding van Walter krijgen, Suze!”

merkte Florence na een oogenblik zwijgens aan.—“Ja wel lang, jufvrouw

Flore!” antwoordde hare kamenier. “En toen Perch daar straks om brieven

kwam vragen, zeide hij—maar wat beduidt het wat hij zegt!” riep Suze

rood wordend uit. “Hij weet er veel van!”

Florence sloeg snel hare oogen op, en een gloed overspreidde haar

gezichtje.

“Als ik niet meer mannelijks had,” zeide Suze, blijkbaar tegen een

verborgen angst worstelende en hare jonge meesteres strak aanziende,

terwijl zij zich op den onschuldigen Perch poogde boos te maken, “dan

die flauwe kerel, zou ik nooit weer grootsch op mijn haar zijn, maar

het achter mijne ooren opsteken, en eene grove muts dragen, zonder een

strookje kant, tot de dood mij van mijne onbeduidendheid verloste. Ik

mag geene Amazone wezen, jufvrouw Flore, en ik zou mij ook niet te

schande willen maken door mij zelve zoo te misvormen, maar ik ben toch

geen opgeefster, hoop ik.”—“Opgeven? Wat?” riep Florence met ontzetting

uit.—“Wel, niets, jufvrouw,” antwoordde Suze. “Lieve hemel, niets! Het

is maar die natte papillot van een man, die Perch, dien iemand haast

met een vinger zou kunnen omgooien.”—“Geeft hij het schip op, Suze?”

vroeg Florence, zeer bleek.—“Neen, jufvrouw,” antwoordde Suze; “ik zou

wel eens willen zien dat hij dat in mijn gezicht durfde doen. Maar hij

loopt malen over een pot gember dien mijnheer Walter voor jufvrouw

Perch zou sturen, en schudt zijn miserabel hoofd, en zegt dat hij maar

hoopt dat hij zal komen; want, zegt hij, al kan het nu niet meer

bijtijds zijn voor de bedoelde gelegenheid, dan kan het toch voor de

volgende wezen, en dat maakt,” zeide Suze, met diepe minachting, “dat

ik mijn geduld met dien kerel verlies, want al kan ik veel dragen, ik

ben toch geen kameel, en ook,” voegde zij er na een oogenblik bedenkens

bij, “als ik mij zelve wel ken, geen dromedaris.”—“Wat zegt hij anders,

Suze?” vroeg Florence met ernst. “Wilt ge mij dat niet

vertellen?”—“Alsof ik u niet alles zou willen vertellen, jufvrouw

Flore!” zeide Suze. “Wel, jufvrouw, hij zegt dat men algemeen over het

schip begint te praten, en dat er nog nooit een schip half zoolang op

de reis is uit geweest zonder dat men er van hoorde, en dat de vrouw

van den kapitein gisteren aan het kantoor is geweest, en er een beetje

ongerust over scheen te zijn; maar dat kon iedereen wel zeggen; dat

wisten wij te voren al.”—“Ik moet Walter’s oom gaan bezoeken,” zeide

Florence haastig, “eer ik van huis ga. ik wil van morgen nog naar hem

toe. Laten wij dadelijk maar gaan, Suze.”

Daar Suze niets tegen dit voornemen had, maar het integendeel hartelijk

goedkeurde, waren zij spoedig gereed, en weldra op straat en op weg

naar den houten adelborst.

De gemoedstoestand, waarin de arme Walter naar kapitein Cuttle was

gegaan, op dien dag toen Brogley de uitdrager beslag op den boedel kwam

leggen, en zelfs de kerktorens met eene executie schenen te dreigen,

had veel gelijkenis naar dien waarin Florence zich nu naar oom Sam

begaf; met dit verschil, dat Florence bovendien nog het verdriet had

van te denken, dat zij misschien de onschuldige oorzaak was geweest om

Walter in gevaar en allen wien hij dierbaar was, haar zelve daarbij

ingesloten, in een doodelijken angst te brengen. Voor het overige

schenen gevaar en onzekerheid overal geschreven te zijn. De weerhanen

op huizen en torens schenen geheimzinnig op stormen te doelen en als

spookvingers naar gevaarlijke zeeën te wijzen, waar, misschien, wrakken

ronddreven, en hulpelooze schipbreukelingen dobberden, in een slaap,

even diep als het onpeilbare water. Toen Florence in de City kwam en

heeren voorbijging, die met elkander praatten, vreesde zij hen over het

schip te hooren spreken en de tijding te zullen opvangen, dat het

vergaan was. Prenten van schepen tegen de rollende golven kampende

vervulden haar met schrik. De wolken en de rook, hoewel langzaam

voortdrijvende, dreven veel te snel voor haar angst, en deden haar

vreezen dat het op dat oogenblik op zee een storm woei.

Misschien was Suze Nipper onder den invloed van dergelijke

gewaarwordingen, misschien ook niet; maar daar zij het in eene

eenigszins drukke straat altijd met de jongens te kwaad had—tusschen

welke klasse der menschheid en haar eene natuurlijke vijandschap

bestond, die bij elke gelegenheid uitbarstte—scheen zij onderweg niet

veel tijd te hebben om zich met nadenken bezig te houden.

Toen zij eindelijk aan den overkant der straat op de hoogte van den

houten adelborst waren gekomen, en naar eene gelegenheid wachtten om

over te stappen, waren zij in het eerst verwonderd voor de deur des

instrumentmakers een jongen te zien, wiens appelrond gezicht naar de

lucht was gekeerd, en die juist, toen zij naar hem keken, twee vingers

van elke hand in den mond stopte, en op deze kunstige manier met

verbazende schelheid floot naar eenige duiven hoog in de lucht.

“Jufvrouw Richards’ oudste, jufvrouw!” zeide Suze, “en de plaag van

haar leven!”

Daar Polly Florence van de verbeterde vooruitzichten van haar zoon en

erfgenaam was komen vertellen, was Florence op deze ontmoeting

voorbereid; en bij het eerste gunstige oogenblik stapten zij dus de

straat over, zonder zich langer met de beschouwing van jufvrouw

Richards’ oudste en plaaggeest op te houden. Deze liefhebber van vogels

en visschen bleef met alle macht aan het fluiten, en schreeuwde

tusschenbeide, als dol van verrukking: “Ho! hoep! Wegvliegers!

Wegvliegers!” een geroep, dat het kwade geweten der duiven zoodanig

scheen te treffen, dat zij, in plaats van recht naar eene of andere

stad in het noorden van Engeland te vliegen, gelijk zij eerst

voornemens schenen, onzeker in het rond begonnen te zwieren; waarop

jufvrouw Richards’ eerstgeborene nog harder begon te fluiten en te

schreeuwen, met eene stem die boven het straatrumoer uitklonk.

Uit deze verrukking werd hij op eens naar de aarde teruggeroepen door

een stomp van Suze, die hem den winkel deed binnenstuiven.

“Is dat de manier om uw berouw te toonen, nu uwe moeder maanden lang om

u heeft zitten huilen?” zeide Suze, ten vervolge op den stomp. “Waar is

mijnheer Gills?”

Rob, die zijne opwellende wederspannigheid tegen Suze smoorde, toen hij

Florence zag volgen, duwde, ter eere der laatste, zijne knokkels tegen

zijn haar, en zeide tot de eerste dat mijnheer Gills uit was.

“Haal hem dan naar huis,” zeide Suze met gezag, “en zeg dat mijne jonge

jufvrouw hier is.”—“Ik weet niet waar hij naar toe is,” zeide Rob.—“Is

dat berouw?” riep Suze met bijtende scherpheid uit.—“Wel, hoe kan ik

hem gaan halen, als ik niet weet waar ik naar toe moet?” jankte de

gekwelde Rob. “Hoe kunt ge zoo onredelijk zijn?”—“Heeft mijnheer Gills

ook gezegd wanneer hij weder thuis zou komen?” vroeg Florence.—“Ja,

jufvrouw,” antwoordde Rob, nogmaals zijne knokkels tegen zijn haar

duwende. “Hij zeide dat hij kort na den middag weerom zou zijn; nu over

een paar uren, jufvrouw.”—“Is hij angstig over zijn neef,” vroeg

Suze.—“Ja, jufvrouw,” zeide Rob, zich bij voorkeur tot Florence

richtende en Suze voorbijziende, “dat zou ik wel zeggen—heel erg zelfs.

Hij blijft geen kwartier binnenshuis, jufvrouw. Hij kan geen vijf

minuten op dezelfde plek blijven zitten. Hij zwiert rond als—net als

een duif, die niet hokvast meer is,” zeide Rob, bukkende om door het

venster naar de duiven te zien, en zich bedwingende, met de vingers

halverwege naar zijn mond, op het punt om nog eens te gaan

fluiten.—“Kent gij ook een vriend van mijnheer Gills, die kapitein

Cuttle heet?” zeide Florence, na een oogenblik bedenkens.—“Die met zijn

haak, jufvrouw?” antwoordde Rob, met eene ophelderende beweging van

zijne linkerhand. “Ja, jufvrouw. Hij is hier eergisteren nog

geweest.”—“Is hij later niet meer hier geweest?” vroeg Suze.—“Neen,

jufvrouw,” antwoordde Rob, wederom tot Florence het woord

richtende.—“Misschien is Walter’s oom daarheen, Suze,” merkte Florence

aan.—“Naar kapitein Cuttle, jufvrouw?” viel Rob er op in. “Neen, daar

is hij niet; want hij heeft de boodschap gelaten dat ik, als kapitein

Cuttle aankwam, zeggen moest, hoe verwonderd hij was dat hij hem

gisteren niet gezien had, en hem moest laten wachten tot hij

terugkwam.”—“Weet ge waar kapitein Cuttle woont?” vroeg Florence.

Rob antwoordde bevestigend, sloeg een in perkament gebonden boekje, dat

in den winkel lag, op, en las het adres voor.

Florence keerde zich weder naar hare kamenier en nam fluisterend raad

met haar, terwijl Rob, aan den last van zijn patroon gedachtig, keek en

luisterde. Florence stelde voor dat zij bij kapitein Cuttle aan huis

zouden gaan, om van hem te hooren wat hij er van dacht, dat er in

zoolang geene tijding van de Zoon en Erfgenaam kwam, en hem zoo

mogelijk mede te brengen om oom Sam te troosten. Suze maakte in het

eerst eenig bezwaar, uit hoofde van den afstand; maar toen hare

meesteres van eene huurkoets sprak, trok zij deze bedenking in en gaf

hare toestemming. Het beraad duurde eenige minuten, eer zij tot dit

besluit kwamen, en in dien tijd wijdde de starende Rob beurtelings

zijne aandacht aan beide spreeksters, en keerde beide beurtelings zijn

oor toe, alsof hij was aangesteld om het geschil te beslissen.

Eindelijk werd Rob om eene koets gezonden, terwijl de dames in den

winkel bleven wachten; en toen hij er mede aankwam, stapten zij in,

voor oom Sam de boodschap latende dat zij op den terugweg zeker nog

eens zouden aankomen. Nadat Rob de koets had nagekeken, tot zij even

onzichtbaar was als de duiven nu waren geworden, zette hij zich met

alle vlijt aan den lessenaar, en om niets van het gebeurde te vergeten,

maakte hij daarvan aanteekeningen op verscheidene brokjes papier,

waarbij hij niet weinig inkt gebruikte. Er was geen gevaar dat deze

documenten, als zij toevallig te zoek raakten, iets zouden verraden;

want lang voor dat een woord droog was, werd het voor Rob zelven zulk

een geheimzinnig raadsel, alsof hij geen het minste deel aan het

schrijven had gehad.

Terwijl hij nog aan dezen arbeid zat, hield de huurkoets—na het

ontmoeten van ongehoorde bezwaren, door draaibruggen, grondelooze

wegen, onoverkomelijke vaarten, wagens met vaten, plantages van roode

klimboomen en kleine waschhuisjes, en andere in dat gewest veelvuldige

hindernissen veroorzaakt—aan den hoek van Brig Place stil. Hier

afstappende, gingen Florence en Suze de straat langs en zochten naar de

woning van kapitein Cuttle.

Het ongeluk wilde dat het juist een van jufvrouw MacStinger’s groote

schoonmaakdagen was. Bij zulk eene gelegenheid, werd deze jufvrouw des

morgens kwartier vóór drieën door den politieman opgeklopt, en bezweek

zij zelden voor twaalf uur in den nacht onder haar arbeid. Het

hoofdoogmerk dezer instelling scheen te zijn, dat jufvrouw MacStinger

met het krieken van den dag al het huisraad in het tuintje bracht, den

geheelen dag op klompen door het huis liep, en na den donker het

huisraad weder binnenbracht. Onder deze ceremoniën hadden de jeugdige

MacStinger’s nergens rust of veiligheid, werden overal vandaan gejaagd,

en waren dientengevolge buitengewoon onrustig en lastig.

Op het oogenblik toen Florence en Suze aan de deur van jufvrouw

MacStinger kwamen, was die brave maar geduchte vrouw juist bezig met

Alexander MacStinger, oud twee jaar en drie maanden, door den gang te

zeulen, om hem in eene zittende houding op de straatsteenen te zetten;

want Alexander was blauw in zijn gezicht, dewijl hij na eene kastijding

zijn adem wat lang had ingehouden, en in zulke gevallen waren de koele

straatsteenen een beproefd middel om hem weder te doen bekomen.

Het gevoel van jufvrouw MacStinger, als vrouw en moeder, werd diep

gekwetst door het medelijden met Alexander dat zij in Florence’s

gezichtje opmerkte; en de edelste driften onzer natuur volgende, in

plaats van kleingeestig hare nieuwsgierigheid te voldoen, schudde zij

Alexander dus nog wat, en deed alsof zij de vreemdelingen niet

bemerkte.

“Neem mij niet kwalijk, jufvrouw,” zeide Florence, toen het kind zijn

adem terug had en dien gebruikte. “Is dit kapitein Cuttle’s

huis?”—“Neen,” antwoordde jufvrouw MacStinger.—“Niet nommer negen?”

zeide Florence aarzelend.—“Wie heeft gezegd, dat het nommer negen niet

was?” was het antwoord.

Dadelijk viel Suze er op in, en verzocht jufvrouw MacStinger te mogen

vragen, wat zij daarmede meende en of zij wel wist met wie zij sprak.

De jufvrouw nam haar eens op van het hoofd tot de voeten: “Wat moet gij

met kapitein Cuttle, zou ik wel eens willen weten?” zeide zij.—“Zoudt

ge?” antwoordde Suze. “Dan spijt het me dat gij het niet hooren

zult.”—“Stil toch, Suze,” zeide Florence. “Misschien kunt gij wel zoo

goed zijn om ons te zeggen waar kapitein Cuttle woont, jufvrouw, daar

hij hier niet woont.”—“Wie zegt dat hij hier niet woont?” hervatte de

onverzoenlijke jufvrouw MacStinger. “Ik zeide dat het kapitein Cuttle’s

huis niet was—en het is ook zijn huis niet—en ik hoop dat het nooit

zijn huis zal worden—want kapitein Cuttle weet niet hoe men een huis

moet schoonhouden—en hij verdient geen huis te hebben—het is mijn

huis—en als ik de bovenkamers aan kapitein Cuttle verhuur, doe ik iets

daar ik geen dank voor heb, en strooi ik paarlen voor de zwijnen!”

Jufvrouw MacStinger verhief hare stem, om de bovenvensters te bereiken,

en schoot ieder gezegde afzonderlijk uit, als uit een geweer met een

oneindig getal van loopen. Na het laatste schot, hoorde men de stem des

kapiteins, flauw protesteerend, boven op zijne kamer zeggen: “Sta vast,

beneden!”—“Als gij naar kapitein Cuttle vraagt, daar is hij,” zeide

jufvrouw MacStinger, gramstorig met hare hand wuivende. Toen Florence

daarop zonder verder spreken binnentrad en Suze volgde, hervatte de

jufvrouw hare wandeling op klompen, vervolgde Alexander, (nog op de

steenen gezeten) die opgehouden had met huilen om naar het gesprek te

luisteren, zijn gejammer, zich onder dit misbaar, dat geheel

werktuigelijk was, vermakende met in de verte naar de huurkoets te

kijken.

De kapitein zat op zijne kamer, met de handen in de zakken en de beenen

onder zijn stoel opgetrokken, op een eilandje in een oceaan van

zeepsop. De glazen waren gewasschen, de wanden waren afgeboend, de

kachel was schoongemaakt, en alles, de kachel uitgezonderd, glom van

het zeepsop, waarvan de reuk ook de lucht vervulde. Te midden van dit

akelige tooneel keek de kapitein, op zijn eiland gebannen, treurig

rond, en scheen op eene vriendelijke bark te wachten om hem te komen

afhalen.

Maar toen de kapitein, zijne benauwde oogen naar de deur richtende,

Florence en hare kamenier zag, konden geene woorden zijne verbazing

beschrijven. Daar jufvrouw MacStinger’s welsprekendheid alle andere

geluiden had verdoofd, had hij geen merkwaardiger bezoek verwacht dan

van den bierjongen of den melkboer; en toen Florence verscheen en de

kust van zijn eiland naderde, en hem hare hand toestak, stond de

kapitein met zooveel ontzetting op, alsof hij voor een oogenblik dacht

dat zij een jeugdig lid van de familie van den Vliegenden Hollander

was.

Terstond echter zijne tegenwoordigheid van geest hernemende, was des

kapiteins eerste zorg haar op het droge te plaatsen, hetgeen hij

gelukkig, met eene enkele beweging van zijn arm, volbracht. Zich toen

op den waterplas wagende, nam de kapitein Suze om haar middel en droeg

haar insgelijks naar het eiland. Daarna bracht hij met grooten eerbied

Florence’s hand aan zijne lippen, en zag haar op eenigen afstand (want

het eiland was groot genoeg voor drie) met zielvolle blikken uit het

zeepsop aan, gelijk een nieuw soort van Triton.

“Gij zijt zeker wel verwonderd ons hier te zien,” zeide Florence met

een glimlach.

De onuitsprekelijk gevleide kapitein kuste tot antwoord zijn haak en

bromde: “Sta vast! Sta vast!” alsof deze woorden een uitgezocht

compliment waren.

“Maar ik kon geene rust hebben,” vervolgde Florence, “zonder te komen

vragen wat gij van dien lieven Walter denkt—die nu mijn broeder is—en

of er iets te vreezen is, en of gij zijn armen oom niet alle dag wilt

gaan troosten, tot wij tijding van hem hebben.”

Bij deze woorden bracht kapitein Cuttle, als ware het onwillekeurig,

zijne hand naar zijn hoofd, waarop de blinkende hoed niet stond, en

keek verslagen.

“Zijt gij bang voor Walter’s behoud?” zeide Florence, van wier

gezichtje de kapitein (zoo verrukt was hij) zijne oogen niet kon

afwenden; terwijl zij hem, op hare beurt, ernstig aanzag, om overtuigd

te zijn van de oprechtheid van zijn antwoord.—“Neen, hartediefje,”

antwoordde kapitein Cuttle, “ik ben niet bang. Walter is een jongen die

veel slecht weer zal doorstaan. Walter is een jongen, die dat schip

zooveel geluk zal aanbrengen als een jongen maar doen kan. Walter,”

zeide de kapitein, met glinsterende oogen en zijn haak opheffende om

eene fraaie aanhaling aan te kondigen, “is wat gij noemen moogt, een

uitwendig zichtbaar teeken van eene innerlijke geestelijke werking, en

als gij dat vindt, zet er een streepje bij.”

Florence, die dit niet recht begreep, schoon de kapitein het blijkbaar

voor zeer krachtig en duidelijk hield, zag hem vriendelijk aan, alsof

zij nog iets meer hoopte te hooren.

“Ik ben niet bang, mijn hartediefje,” hervatte de kapitein. “Er is

ongemeen slecht weer in die breedten geweest, dat is niet tegen te

spreken, en zij zijn misschien naar den anderen kant van de wereld

afgedreven. Maar het schip is een goed schip, en de jongen is een goede

jongen; en het is niet gemakkelijk, de Heer zij gedankt,” daarbij boog

hij even, “gezond eikenhout te breken, hetzij van een schip of van een

hart. Hier hebben wij allebei, en dus ben ik nog niet bang.”—“Nog

niet?” herhaalde Florence.—“Geheel niet,” antwoordde de kapitein, zijne

ijzeren hand kussende. “En eer ik begin bang te worden, mijn

hartediefje, zal Walter al van het eiland of uit eene of andere haven

naar huis hebben geschreven. En wat den ouden Sam Gills betreft,” hier

werd de kapitein ernstig, “wien ik zal bijstaan en niet verlaten tot de

dood ons scheidt, en als de stormen waaien, waaien—zie den katechismus

maar na,” voegde de kapitein er tusschen, “en daar zult gij die woorden

vinden—als het Sam Gills zou troosten om het gevoelen te hooren van een

varensman, die nergens voor staat, en die in zijn leertijd het eene

ongeluk op het andere heeft gehad, en die Bunsby heet, dan zal die man

hem in zijn eigen achterkamertje dingen zeggen, waarvan hij versuft zal

staan. Ja!” zeide de kapitein snoevend, “zoo goed alsof hij met zijn

hoofd tegen eene deur was geloopen.”—“Laten wij met dezen heer naar hem

toegaan, en hooren wat hij zegt,” riep Florence uit. “Wilt gij nu met

ons meegaan? Wij hebben eene koets hier.”

Wederom bracht de kapitein de hand naar het hoofd, waarop de harde

blinkende hoed niet stond, en keek verslagen. Maar op dit oogenblik had

er een zeer opmerkelijk verschijnsel plaats. De deur ging, zonder dat

men eenig gerucht had gehoord, open, en de harde blinkende hoed kwam

als een vogel de kamer invliegen en viel met een zwaren bons voor des

kapiteins voeten neer. Toen sloot zich de deur weder even geweldig als

zij zich geopend had, zonder dat er iets volgde dat dit wonder kon

verklaren.

Kapitein Cuttle raapte zijn hoed op, keerde hem met een blik van

genoeglijke belangstelling om en om, en begon hem met zijne mouw op te

wrijven. Zoo doende, keek de kapitein zijne bezoeksters aan en zeide

met eene zachte stem:

“Ik zou gisteren en van morgen wel naar Sam Gills zijn gegaan, maar—zij

had hem gekaapt en weggestopt.—Dat is het lange en het korte van de

zaak.”—“Wie heeft dat gedaan, om alle goedheid?” vroeg Suze.—“De

huisvrouw, liefje,” antwoordde de kapitein, met een grof gefluister en

een wenk om voorzichtig te zijn. “Wij hadden woorden over het zwabberen

van die planken, en zij—kortom,” zeide de kapitein, zich met eene zware

uitademing verluchtende, “zij gaf mij arrest.”—“O, ik wou dat zij eens

met mij te doen had,” zeide Suze, rood wordende door het vuur van dien

wensch. “Ik zou haar wel wat doen bedaren!”—“Zoudt ge dat denken,

liefje?” hervatte de kapitein, twijfelachtig zijn hoofd schuddende,

maar den moed der schoone aspirante met blijkbare bewondering

beschouwende. “Ik weet het niet. Het is een moeielijk vaarwater. Zij is

lastig om mee om te gaan, liefje. Men kan nooit weten welken koers zij

zal houden. Het eene oogenblik houdt zij af, en het andere komt zij

vlak op u aan. En als zij op haar dreef is,” zeide de kapitein, terwijl

het zweet hem op het voorhoofd uitbrak—Niets anders dan een gefluit was

nadrukkelijk genoeg om den zin te besluiten, en de kapitein floot dus,

maar bevende. Daarna schudde hij wederom zijn hoofd en opnieuw Suze’s

dapperheid bewonderende, herhaalde hij beschroomd: “Zoudt ge dat

denken, liefje?”

Suze antwoordde slechts met een spottenden glimlach, maar zoo

uitdagend, dat men niet weten kan hoelang de kapitein verrukt van

verwondering zou zijn gebleven, als Florence niet met angstig ongeduld

had voorgesteld om terstond naar den wijzen Bunsby te gaan. Aldus aan

zijn plicht herinnerd, zette de kapitein den blinkenden hoed vast op

het hoofd, nam een nieuwen knoestigen stok, welke voor den aan Walter

gegevenen in de plaats was gekomen, bood Florence zijn arm, en hield

zich gereed om door den vijand heen te slaan.

Het bleek echter dat jufvrouw MacStinger, gelijk de kapitein het

uitdrukte, reeds een anderen koers had genomen, want toen zij beneden

kwamen, vonden zij die voorbeeldige vrouw op de stoep bezig met matten

uitkloppen, terwijl Alexander, flauw zichtbaar door een nevel van stof,

nog op de straatsteenen zat; en zoozeer was jufvrouw MacStinger in deze

huiselijke bezigheid verdiept, dat zij, toen het gezelschap

voorbijkwam, des te harder klopte en geene de minste bewustheid van

iemands nabijheid toonde. De kapitein was zoo in zijn schik dat hij zoo

gemakkelijk vrij kwam—hoewel het mattenstof de werking van snuif op hem

had en hem deed niezen tot de tranen over zijn gezicht rolden—dat hij

zijn geluk nauwelijks kon gelooven, maar tusschen de deur en de

huurkoets meermalen over zijn schouder omkeek, blijkbaar bevreesd dat

jufvrouw MacStinger nog jacht op hem zou maken.

Zij bereikten echter den hoek van Brig Place, zonder dat die geduchte

kanonneerboot hen lastig viel; en de kapitein, op den bok

geklommen—want zijne galanterie wilde hem niet veroorloven om bij de

dames te gaan zitten, hoewel men hem daarom verzocht—loodste den

koetsier op zijn koers naar kapitein Bunsby’s schip, dat de

Voorzichtige Clara heette en dicht bij Ratcliffe lag.

Aan de werf gekomen, waarvoor het schip van dien zeevoogd tusschen

nagenoeg vijfhonderd kameraden lag ingeklemd, welker verwarde tuigage

naar reusachtige, half weggeveegde spinnewebben geleek, vertoonde

kapitein Cuttle zich voor het portier en noodigde Florence en Suze uit

om met hem aan boord te gaan; aanmerkende dat Bunsby uiterst galant

voor dames was, en niets zoozeer zou strekken om zijn geweldig brein in

een staat van harmonie te brengen dan dat zij zich aan hem lieten

presenteeren.

Florence was terstond gewillig, en haar handje in zijne geduchte vuist

nemende, leidde de kapitein haar met eene mengeling van vaderlijke,

beschermende teederheid, trotschheid en deftigheid, die alleraardigst

was om aan te zien, over verscheidene zwarte dekken, tot zij aan de

Clara kwamen, welke voorzichtige bodem buiten de rij lag, met de

loopplank weggenomen en zes voet rivierwater tusschen haar en haar

naasten buurman. Het scheen, volgens kapitein Cuttle’s verklaring, dat

de groote Bunsby, evenals hij zelf, door zijne huiswaardin zeer hard

werd behandeld, en als hij die behandeling niet langer kon uithouden,

als laatste toevlucht, aldus eene kloof tusschen hen plaatste.

“Clara, a-hoy!” riep de kapitein, met de hand naast den mond.—“A-hoy!”

riep een jongen terug, die van beneden kwam opschieten.—“Bunsby aan

boord?” riep de kapitein, met eene stem alsof de jongen eene halve mijl

in plaats van twee voetstappen ver was.—“Ja, ja!” riep de jongen op

denzelfden toon.

Daarop schoof de jongen kapitein Cuttle eene plank toe, welke deze

zorgvuldig vastlegde, eer hij Florence er over hielp. Toen kwam hij

voor Suze terug, en zoo stonden zij op het dek der Voorzichtige Clara,

in welks staande touwen verschillende fladderende kleedingstukken

hingen te drogen, in gezelschap met eenige tongen en makreelen.

Terstond daarop verscheen uit het luik van de kajuit een zeer groot

menschelijk hoofd met een mahoniehouten gezicht, één vaststaand en één

draaiend oog. Dit hoofd was versierd met ruige haren, naar uitgeplozen

touw gelijkende, die geene heerschende richting naar eenige windstreek

hadden, maar zich naar alle punten van het kompas uitspreidden. Dit

hoofd werd gevolgd door een hemdsboord en halsdoek, en door eene ruige

zeemansjas, en door eene ruige zeemansbroek, met zulk een breeden en

hoogen band, dat zij ook in plaats van vest diende, zijnde op en nabij

het borstbeen van den drager versierd met eenige houten knoopen, zoo

groot en dik als damschijven. Toen de ondereinden van die broek boven

waren gekomen, stond Bunsby daar, met de handen in zijne diepe zakken,

en zijn blik gericht, niet naar den kapitein Cuttle of de dames, maar

naar den top van den mast.

Het diepzinnig uitzicht van dezen philosoof, die grof en zwaar gebouwd

was, en op wiens buitengemeen rood gezicht eene stilzwijgendheid ten

troon zat, welke zijn roem in dit opzicht staafde, had zelfs voor

kapitein Cuttle, die hem gemeenzaam kende, iets geduchts. Florence

toefluisterende, dat Bunsby nog nooit in zijn leven verwonderd had

gekeken, en, naar men dacht, niet eens wist wat verwondering was, bleef

de kapitein staan wachten terwijl hij naar den top van den mast keek en

zijn draaiend oog vervolgens langs den horizon dwaalde; en toen dit oog

in zijne richting scheen te komen, zeide hij: “Bunsby, mijn jongen, hoe

gaat het?”

Eene zware, grove, heesche stem, die niet van Bunsby scheen te komen,

en waarbij zijn gezicht geen de minste verandering onderging,

antwoordde: “Ja, ja, scheepskameraad, hoe gaat het!” Te gelijk kwam

Bunsby’s rechterhand uit een zak, schudde die des kapiteins en werd

weder in den zak gestopt.

“Bunsby,” zeide de kapitein, terstond ter zake komende, “daar staat

gij, een man die verstand heeft, en een man die denkt. Hier is eene

jonge juffer, die verlangt te weten wat gij wel denkt van mijn vriend

Walter, en ook mijn anderen vriend, Sam Gills, iemand met wien ge wel

mocht kennis maken, want hij is een man van wetenschap, en wetenschap

breekt wet en is de moeder der uitvindingen. Bunsby, wilt gij, om mij

pleizier te doen, met ons meegaan?”

De groote zeevoogd, die, naar de uitdrukking van zijn gezicht te

oordeelen, altijd in de uiterste verte scheen te turen en niets te zien

dat minder dan tien mijlen van hem af was, gaf geen antwoord

hoegenaamd.

“Hier staat een man,” zeide de kapitein, zich tot zijne hoorderessen

wendende en met zijn haak naar zijn vriend wijzende, “die meer vallen

heeft gedaan, dan iemand op de wereld, en meer ongelukken heeft gehad

dan het geheele zeemanshospitaal bij elkander; die, toen hij nog jong

was, zooveel sparren, houten en bouten op zijn hoofd heeft gekregen,

dat men er een pleizierjacht van zou kunnen bouwen, en die zoo een

denker is geworden, wiens gelijke men op de wereld niet vindt.”

De zwijgende zeevoogd scheen door eene zeer geringe trilling zijner

ellebogen eenige tevredenheid over deze lofspraak aan te duiden; maar

zijn gezicht gaf geen het minste blijk van hetgeen er in zijne

gedachten omging.

“Scheepskameraad,” zeide Bunsby op eens, bukkende om onder eene spar,

die hem in den weg was, door te kijken, “wat zullen de dames drinken?”

Kapitein Cuttle, wiens kieschheid door zulk eene vraag met betrekking

tot Florence geschokt werd, trok den wijze ter zijde, scheen hem aan

zijn oor iets uit te leggen, en ging met hem naar beneden; waar, opdat

hij zich niet boos zou maken, de kapitein zelf een borrel dronk, dien

Florence en Suze, door het opene luik kijkende, den wijze voor zich

zelven en zijn vriend zagen inschenken. Weldra kwamen zij weder op het

dek, en leidde kapitein Cuttle, opgetogen over den goeden uitslag

zijner onderneming, Florence naar de koets terug, terwijl Bunsby met

Suze volgde, welke hij onderweg (tot groote verontwaardiging dier jonge

juffer) in zijn ruigen arm gesloten hield, alsof hij een blauwe beer

was.

De kapitein zette zijn orakel in de koets, en was er zoo trotsch op dat

hij dit gedaan had gekregen, dat hij niet kon nalaten om dikwijls door

het raampje achter den koetsier naar Florence te kijken en tegen zijn

voorhoofd te tikken, als een wenk dat Bunsby’s brein reeds aan het werk

was. Ondertusschen bewaarde Bunsby zijn ernstig stilzwijgen, wel op den

duur zijn arm om Suze heen houdende (want zijn vriend had niet te veel

van zijne galanterie gezegd), maar zonder anders eenige bewustheid van

haar of iets anders te toonen.

Oom Sam, die thuis gekomen was, ontving hen aan de deur en bracht hen

terstond naar het achterkamertje, dat door Walter’s afwezigheid een

geheel ander voorkomen scheen te hebben gekregen. Op de tafel en hier

en daar verspreid lagen de kaarten, waarop de instrumentmaker zoo

dikwijls het vermiste schip had pogen na te sporen, en waarop hij zoo

even, met een passer dien hij nog in de hand had, gemeten had hoe ver

het wel had kunnen afdrijven, om zoo te betoogen, dat het nog lang

moest duren eer men niet meer kon hopen.

“Of het kan verzeild wezen tot aan,” zeide de oude man, met een

angstigen blik over de kaart; “maar neen, dat is bijna onmogelijk. Of

dat het door slecht weder genoodzaakt kan zijn om—maar dat is ook niet

te denken. Of dat er hoop is, dat het zoo ver uit den koers is geraakt

dat—maar zelfs dat kan ik haast niet hopen.”

Met zulke afgebrokene gissingen zwierf de arme oude man over het groote

blad, en kon geen plekje van hoop en waarschijnlijkheid vinden, groot

genoeg om er de punt van zijn passer op te zetten.

Florence zag terstond—het zou moeielijk geweest zijn het niet te

zien—dat er eene zonderlinge, onbeschrijfelijke verandering bij den

ouden man had plaats gehad, en dat zijn voorkomen, schoon veel

onrustiger dan gewoonlijk, toch eene daarmede strijdige vastberadenheid

had, die haar geheel in de war bracht. Eens verbeeldde zij zich dat hij

niet recht wist wat hij zeide; want toen zij sprak van hare spijt dat

zij hem des morgens niet had gevonden, antwoordde hij eerst dat hij

naar haar toe was geweest, en scheen terstond daarop dat antwoord te

willen herroepen.

“Naar mij toe geweest?” zeide Florence. “Vandaag?”—“Ja, lieve jonge

juffer,” antwoordde oom Sam, met zekere verlegenheid eerst haar

aanziende en toen weder naar een anderen kant kijkende, “ik wenschte u

nog eens met mijne eigene oogen te zien en met mijne eigene ooren te

hooren, eer—” Daarbij bleef hij steken.

“Eer? Eer wat?” zeide Florence, hare hand op zijn arm leggende.—“Heb ik

“eer,” gezegd?” antwoordde de oude man. “Dan moet ik gemeend hebben,

eer wij tijding van mijn lieven Walter kregen.”—“Ge zijt niet wel,”

zeide Florence met teedere bezorgdheid. “Ge zijt ook zoo ongerust

geweest. Ge zijt zeker niet wel.”—“Ik ben zoo gezond,” antwoordde de

oude man, zijne rechterhand sluitende en uitstekende, om ze haar te

toonen, “zoo gezond en sterk als iemand op mijne jaren kan hopen te

zijn. Zie maar! Zij is vast. Is haar meester niet in staat om zooveel

kracht en moed te toonen als menig jonger man? Ik denk van ja. Wij

zullen zien.”

Er was iets in zijn toon, meer dan in zijne woorden, schoon ook deze

haar bijbleven, hetwelk zulk een indruk op Florence maakte, dat zij

hare ongerustheid terstond aan kapitein Cuttle zou hebben te kennen

gegeven, indien de kapitein niet juist dat oogenblik had waargenomen om

den wijzen Bunsby de omstandigheden mede te deelen, waarover men zijne

diep doordachte meening wenschte te vernemen.

Bunsby, wiens oog ergens halverwege tusschen Londen en Gravesend

gevestigd bleef, stak twee- of driemaal zijn ruigen rechterarm uit, om

dien om Suze’s ranke gestalte te slaan, als wilde hij zich daardoor

inspireeren; maar daar Suze in ongenoegen naar den anderen kant van de

tafel was gegaan, kon de wijze zeeman zijne galante neiging niet

bevredigen. Na verscheidene zulke mislukkingen, sprak hij, zonder zich

tot iemand in het bijzonder te richten, aldus; of liever de stem in

zijn binnenste, zeide van zelf, alsof hij door een brommenden geest

bezeten was: “Mijn naam is Jack Bunsby!”—“Hij is John gedoopt,” riep de

opgetogen kapitein Cuttle uit. “Hoor maar!”—“En wat ik zeg,” vervolgde

de stem, na eenig bedenken, “daar blijf ik bij.”

De kapitein, met Florence aan den arm, knikte tot het gehoor en scheen

te zeggen: “Nu komt het! Dat heb ik gemeend, toen ik hem

meebracht.”—“Waarom?” vervolgde de stem. “Waarom niet? Zoo ja, dat is

hetzelfde. Kan iemand anders zeggen? Neen. Pak aan dan!”

Toen de redeneering zoover gekomen was, bleef de stem eene poos steken.

Daarna vervolgde zij zeer langzaam aldus: “Of ik geloof dat de Zoon en

Erfgenaam vergaan is, kameraads? Misschien. Zeg ik zoo? Hoe dan? Als

een schipper het kanaal van Sint George uitvaart en koers houdt naar

Duins, wat heeft hij dan vlak voor den boeg? De Goodwins. Hij behoeft

het niet op de Goodwins te zetten, maar hij kan toch. Die observatie

moet maar berekend en toegepast worden. Maar dat behoef ik niet te

doen. Pak aan dan, houdt goede wacht, en—goede reis!”

Daarmede ging de stem het achterkamertje uit en de straat op, den

kapitein der Voorzichtige Clara medenemende, en vergezelde hem met

allen spoed weder naar boord, waar hij in de kooi kroop en zijn brein

met een dutje verfrischte.

Zij die de uitspraak van den wijze hadden gehoord en zelven de

toepassing zijner wijsheid moesten zoeken—volgens een regel, die de

steunpilaar van Bunsby’s roem, en misschien ook van andere

orakelsprekers is—zagen elkander eenigszins twijfelachtig aan; terwijl

Rob de Slijper, die de vrijheid had genomen om door het lantarenraam in

het dak te luisteren en te kijken, geheel versuft weder van het plat

naar beneden kwam. Kapitein Cuttle, wiens achting voor Bunsby, zoo

mogelijk, nog verhoogd was, door de luisterrijke manier waarop deze

zijn roem had gehandhaafd, verklaarde echter dat Bunsby niets anders

had gemeend dan dat men maar moest hopen en vertrouwen; dat Bunsby niet

bang was; en dat zulk eene uitspraak van zulk een man het beste was dat

men kon verlangen. Florence poogde te gelooven dat de kapitein gelijk

had; maar Suze schudde, met stijf over elkander geslagene armen, haar

hoofd, en vertrouwde Bunsby even weinig als zij Perch deed.

De philosoof scheen den goeden oom Sam nagenoeg gelaten te hebben waar

hij hem gevonden had, want de oude man bleef nog met den passer in de

hand over de waterwereld dwalen, en kon geen rustpunt daarvoor vinden.

Het was na een gefluisterd verzoek van Florence, dat kapitein Cuttle

zijne zware hand op zijn schouder legde.

“Hoe gaat het, Sam Gills?” zeide de kapitein hartelijk.—“Maar zoo, zoo,

Ned,” antwoordde de instrumentmaker. “Ik heb er dezen geheelen middag

aan gedacht, dat op den dag toen mijn jongen bij Dombey op het kantoor

was gekomen, en laat thuis kwam om te eten, en daar zat waar gij nu

staat, wij toen van stormen en schipbreuken praatten, en ik hem haast

niet daarvan kon afbrengen.”

Maar toen hij de oogen van Florence ontmoette, die ernstig uitvorschend

op hem gevestigd waren, zweeg de oude man met een glimlach stil.

“Sta vast, oude vriend!” riep de kapitein. “Ik zal u eens wat zeggen,

Sam Gills. Als ik Hartediefje veilig heb thuis gebracht,” daarbij kuste

hij zijn haak naar Florence, “zal ik terugkomen en u voor de rest van

dezen dag op sleeptouw nemen. Gij moet hier of daar met mij gaan eten,

Sam!”—“Neen, vandaag niet, Ned,” zeide de oude man snel, en scheen van

dit voorstel op eene onverklaarbare wijs te schrikken. “Vandaag niet.

Dat zou ik niet kunnen!”—“Waarom niet?” hernam de kapitein, hem met

verbazing aanziende.—“Ik—ik heb zooveel te doen. Ik—ik meen te denken

en te beschikken. Ik kan niet, Ned, waarlijk niet. Ik moet vandaag nog

weer uitgaan, en alleen wezen, en voor allerlei dingen zorgen.”

De kapitein zag den instrumentmaker, en daarop Florence, en wederom den

instrumentmaker aan. “Morgen dan,” zeide hij eindelijk.—“Ja, ja,

morgen,” zeide de oude man. “Denk morgen maar om mij. Zeg morgen.”—“Dan

zal ik vroeg hier komen, onthoud dat, Sam Gills,” bedong de

kapitein.—“Ja, ja, morgenochtend heel vroeg,” zeide de instrumentmaker.

“En nu goedendag, Ned Cuttle, en God zegen u.”

Dit zeggende drukte de oude man den kapitein met buitengewone warmte de

hand, keerde zich toen naar Florence, vatte hare beide handjes, drukte

ze aan zijne lippen, en bracht haar daarop met buitengewone haast naar

de koets. Over het geheel maakte hij zulk een indruk op kapitein

Cuttle, dat deze nog even draalde, om Rob te belasten dat hij tot

morgenochtend bijzonder oplettend en gewillig voor zijn meester moest

wezen, welk bevel hij aandrong met de betaling van een schelling op

hand en de belofte van nog een halven des anderen daags. Deze

vriendendienst verricht hebbende, klom de kapitein, die zich zelven als

de natuurlijke en wettige lijfwacht van Florence beschouwde, weder op

den bok, en bracht haar, met eene verhevene bewustheid van zijn post

van vertrouwen, naar huis. Bij het afscheid verzekerde hij haar, dat

hij Sam Gills trouw zou blijven bijstaan, en buiten staat om Suze’s

dappere woorden ten aanzien van jufvrouw MacStinger te vergeten, vroeg

hij deze jonge juffer nog eens: “Zoudt ge dat waarlijk denken, liefje?”

Toen de deur van het naargeestige huis zich achter die twee gesloten

had, begon de kapitein weder aan den instrumentmaker te denken, en

gevoelde hij zich ongerust. In plaats van dus naar huis te gaan,

wandelde hij de straat verscheidene malen op en neer, en zoo tot aan

den avond dralende, ging hij eindelijk eten in zeker tusschen andere

huizen als eene wig ingeklemd herbergje in de City, dat veel door

blinkende hoeden werd bezocht. Des kapiteins voornaamste doel was, na

den donker nog eens bij Sam Gills voorbij te gaan en door het venster

binnen te kijken; hetgeen hij ook deed. De deur van het achterkamertje

stond open, en hij zag zijn ouden vriend stil maar ijverig aan zijne

tafel zitten schrijven, terwijl de houten adelborst, reeds voor den

nacht geborgen, hem van de toonbank waarnam; onder welke Rob de

Slijper, eer hij den winkel sloot, zijn bed opmaakte. Gerustgesteld

door de kalmte, die er in den omtrek van den houten adelborst

heerschte, zette de kapitein koers naar Brig Place, met voornemen om

den volgenden morgen vroeg wederom het anker te lichten.

Dombey en Zoon · 第 45 / 125 题