Met nog blauwer gezicht en meer uitpuilende oogen—nog meer overrijp,
als het ware—en telkens een paardenkuch uitstootende, niet zoozeer uit
noodzakelijkheid als om zijn gevoel van eigenwaarde lucht te geven,
wandelde de majoor met Dombey aan den arm den zonnigen kant der straat
langs, met de wangen over zijne stijve stropdas heen gezwollen, de
beenen wijd van elkander, en zijn groot hoofd heen en weder waggelende,
alsof hij bij zich zelven beredeneerde welk een innemend personage hij
toch was. Zij waren pas eenige voetstappen ver gekomen, toen de majoor
iemand ontmoette dien hij kende, en niet vele voetstappen verder toen
de majoor iemand anders ontmoette dien hij kende; maar hij groette hen
slechts in het voorbijgaan door een wuiven met de hand, en leidde
Dombey verder voort, terwijl hij de verschillende merkwaardige
plaatsen, die zij voorbijkwamen, aanwees, en hem onderhield met de
kwaadsprekende praatjes, welke deze plaatsen hem in het hoofd brachten.
Zoo kuierden de majoor en Dombey voort, zeer tot hun eigen genoegen,
toen zij een stoel op wielen zagen naderen, een soort van wagentje,
waarin eene dame gezeten was, die dit rijtuig met een soort van roer,
voorop, bestuurde, terwijl het van achteren door eene onzichtbare
kracht werd voortgestuwd. Hoewel de dame niet jong meer was, zag zij er
blozend uit—wangen als rozen—en waren hare kleeding en houding zeer
jeugdig. Naast dit wagentje eene vederlichte parasol dragende, met zulk
eene mengeling van trotschheid en afmatting in haar gezicht, alsof zij
spoedig van die inspanning zou moeten afzien en de parasol laten
vallen, trippelde eene andere dame, veel jonger, zeer schoon, zeer
fier, zeer eigenzinnig, die haar hoofd op zijde hield en hare oogleden
liet zakken, alsof, als er iets in de geheele wereld waardig was om aan
te zien, behalve een spiegel, dit zeker de aarde of de hemel niet was.
“Wel wat duivel, wie hebben wij hier, mijnheer!” riep de majoor uit, en
bleef stilstaan toen deze kleine stoet naderde.—“Lieve Edith!” zeide de
dame in het wagentje, temend langzaam. “Majoor Bagstock!”
Niet zoodra hoorde de majoor deze stem, of hij liet Dombey’s arm los,
stoof vooruit, greep de hand van de dame in het wagentje en drukte die
aan zijne lippen. Met niet minder galanterie, vouwde de majoor daarna
zijne handschoenen op zijn hart en maakte eene diepe buiging voor de
andere dame. En thans, nu het wagentje stilhield, werd de beweegkracht
zichtbaar, in de gedaante van een jongen die daar achter duwde, een
page, die al te sterk scheen gegroeid te zijn of geduwd te hebben, want
nu hij overeindstond was hij spichtig lang, mager en bleek, en hij zag
er nog des te ongelukkiger uit, daar hij zijn hoed had ingedeukt door
zijn hoofd tegen het wagentje te zetten om het voort te duwen, gelijk
in Oostersche landen somtijds door olifanten gedaan wordt.
“Joe Bagstock,” zeide de majoor tot beide de dames, “is nu een trotsch
en gelukkig man voor de rest van zijn leven.”—“Gij valschaard,” zeide
de oude dame op een laffen kwezeltoon. “Waar komt gij vandaan? Ik kan u
niet uitstaan.”—“Laat oude Joe u dan zijn vriend mogen presenteeren,
mevrouw,” antwoordde de majoor snel, “als eene reden om hem te dulden.
Mijnheer Dombey, mevrouw Skewton.” De dame in het wagentje was
vriendelijk. “Mijnheer Dombey, mevrouw Granger.” De dame met de parasol
was er flauw van bewust dat Dombey zijn hoed afnam en eene diepe
buiging maakte. “Ik ben verrukt, mijnheer,” zeide de majoor, “dat ik
deze gelegenheid heb.”
De majoor scheen dit ernstig te meenen, want hij keek alle drie aan en
lonkte op zijne leelijkste manier.
“Mevrouw Skewton, Dombey,” hervatte de majoor, “maakt het hart van den
ouden Joe tot eene ruïne.”
Dombey gaf te kennen dat hij zich daarover niet verwonderde.
“Gij valsche booswicht,” zeide de dame in het wagentje, “schei toch
uit! Hoelang zijt gij al hier, gij ondeugd?”—“Een dag,” antwoordde de
majoor.—“En kunt gij een dag, of maar eene minuut,” hervatte de dame,
hare valsche krullen en wenkbrauwen even met haar waaier
gladstrijkende, en hare valsche tanden toonende, die door hare valsche
kleur nog meer uitkwamen, “in den hof van—hoe heet dat ook
weer—”—“Eden, zou ik denken, mama,” zeide de jongere dame met zekere
minachting.—“Ik kan het niet helpen, lieve Edith,” hernam de andere.
“Ik kan mij nooit op die ijselijke namen bezinnen. Kunt gij maar eene
minuut in den hof van Eden zijn, zonder dat geheel uw aanzijn door het
gezicht der natuur wordt bezield, door den geur van haar ongekunstelden
adem, gij valschaard?” zeide mevrouw Skewton, een zakdoek zwaaiende,
walgelijk met den reuk van parfumerieën doortrokken.
Deze tegenstrijdigheid tusschen mevrouw Skewton’s geestdrift in woorden
en haar flauwen, temenden toon, was even opmerkelijk als die tusschen
hare jaren, nagenoeg zeventig in getal, en hare kleeding, die voor
zeven en twintig nog wat jeugdig zou zijn geweest. Hare houding in het
wagentje (die zij nooit veranderde) was dezelfde waarin zij, ongeveer
vijftig jaren geleden, in eene barouche gezeten, was afgeteekend, door
een schilder, die toen in de mode was, en onder de plaat, naar die
teekening vervaardigd, den naam van Cleopatra had gezet, dewijl de
kunstkenners van dien tijd hadden ontdekt, dat zij volmaakt naar deze
koningin geleek, gelijk zij aan boord van hare galei zat te rusten.
Mevrouw Skewton was toen eene belle, en de jonge heeren wierpen te
harer eer wijnglazen bij dozijnen over het hoofd. De schoonheid en de
barouche waren beide verdwenen, maar nog bewaarde zij die houding, en
opzettelijk daartoe hield zij den stoel op wielen en den duwenden page
er op na; want niets hoegenaamd, behalve die houding, zou haar
verhinderd hebben om te voet te gaan.
“Mijnheer Dombey is ongetwijfeld een aanbidder der natuur?” zeide
mevrouw Skewton, hare diamanten speld wat vaster stekende. Terloops
gezegd, zij leefde voornamelijk van het crediet dat hare diamanten en
hare familieconnectiën haar gaven.—“Mijn vriend Dombey, mevrouw,”
antwoordde de majoor, “mag in het geheim aanbidder zijn, maar een man
die op den eersten rang staat in de grootste stad van het
heelal...”—“Niemand kan onbekend zijn met mijnheer Dombey’s
ontzaglijken invloed,” zeide mevrouw Skewton.
Toen Dombey voor dit compliment met eene buiging bedankte, zag de
jongere dame hem even aan en ontmoetten hunne oogen elkander.
“Gij woont hier, mevrouw?” zeide Dombey, haar aansprekende.—“Neen, wij
zijn overal heen geweest—naar Harrowgate, en Scarborough, en
Devonshire. Wij hebben hier en daar gelogeerd. Mama is eene vriendin
van verandering.”—“Edith natuurlijk niet,” zeide mevrouw Skewton met
akelige schalkachtigheid.—“Ik vind niet dat zulke plaatsen verandering
geven,” was het antwoord, met trotsche onverschilligheid
uitgesproken.—“Men spreekt kwaad van mij. Er is maar ééne verandering,
mijnheer Dombey,” zeide mevrouw Skewton met een gemaakt zuchtje,
“waarnaar ik waarlijk verlang, en die, vrees ik, zal men mij nooit
laten genieten. Men kan mij nergens missen. Maar eenzaamheid en stilte
zijn mijn—hoe heet het ook weer—”—“Als gij het paradijs meent, mama,
moest ge dat liever zeggen, om u te doen verstaan,” zeide de jongere
dame.—“Liefste Edith,” antwoordde mevrouw Skewton, “gij weet wel dat ik
mij voor die ijselijke namen geheel op u moet verlaten. Mijnheer
Dombey, ik verzeker u, de natuur had mij voor eene Arcadische herderin
bestemd, en ik ben in de stad niet op mijne plaats. Op koeien ben ik
gecharmeerd. Waar ik altijd naar gehaakt heb is, naar eene Zwitsersche
boerderij te gaan, en daar te leven geheel omringd door koeien en
porselein.”
Deze zonderlinge verbinding, welke aan den vermaarden os deed denken,
die bij abuis in een porseleinwinkel kwam, werd door Dombey met den
grootsten ernst aangehoord, en hij gaf als zijne meening te kennen dat
de natuur zonder twijfel eene zeer achtenswaardige inrichting was.
“Wat ik mis,” teemde mevrouw Skewton, zich in hare verschrompelde keel
knijpende, “is een hart.” Dit was in zekeren zin maar al te waar, zoo
al niet in dien zin waarin zij de spreekwijs gebruikte. “Wat ik mis, is
openhartigheid, vertrouwelijkheid, minder gemaaktheid, en eene vrijere
beweging der ziel. Wij zijn zoo schrikkelijk gekunsteld.”
Dat waren wij waarlijk.
“Kortom,” zeide mevrouw Skewton, “ik mis overal de natuur. Zij zou zoo
charmant wezen.”—“De natuur roept ons juist nu, als ge klaar zijt,
mama,” zeide de jongere dame, hare fraaie bovenlip optrekkende. Op
dezen wenk verdween de page, die over den rug van den stoel had staan
kijken, eensklaps daarachter alsof de grond hem verzwolgen had.—“Wacht
een oogenblik,” zeide mevrouw Skewton, toen het wagentje zich begon te
bewegen. Zij sprak tot haar page met dezelfde kwijnende statigheid,
waarmede zij in vroeger tijd tot een koetsier met eene pruik, een
ruiker als eene bloemkool, en zijden kousen had gesproken. “Waar
logeert gij, booswicht?”
De majoor logeerde in het Royal Hotel, met zijn vriend Dombey.
“Gij moogt ons eens op een avond komen opzoeken als ge niet ondeugend
zijt,” lispelde mevrouw Skewton. “Als mijnheer Dombey ons de eer wil
bewijzen, zal het ons een genoegen zijn. Ga maar voort, Withers!”
De majoor drukte nogmaals de vingers, die met zorgvuldige
onachtzaamheid (volgens het model van Cleopatra) op den rand van het
wagentje lagen, aan zijn blauwe lippen; en Dombey boog. De oudste dame
vereerde beiden met een zeer vriendelijk lachje en een argeloos
kinderachtig kushandje; de jongere met de flauwste buiging van haar
hoofd die de beleefdheid maar veroorloofde.
De laatste blik op het gerimpelde gezicht der moeder, met die geplekte
kleur er op, welke het in den zonneschijn veel akeliger maakte dan het
gebrek van kleur kon gedaan hebben, en de trotsche schoonheid der
dochter, met hare sierlijke gestalte en stijve houding, wekte bij den
majoor en Dombey zulk een onwillekeurig verlangen op om ze na te
kijken, dat beiden zich op hetzelfde oogenblik omkeerden. De page,
bijna even schuins overhellende als zijne eigene schaduw, zwoegde
achter het wagentje tegen den heuvel op; de bol van Cleopatra’s hoed
wiegelde op een duim af in denzelfden hoek als te voren, en de belle,
die alleen een weinig vooruitkuierde, gaf in geheel hare sierlijke
gestalte, van het hoofd tot de voeten, dezelfde trotsche minachting
voor alles en iedereen te kennen.
“Ik zal u eens wat zeggen, mijnheer,” zeide de majoor, toen zij weder
voortwandelden. “Als Joe Bagstock nog wat jonger was, is er geene vrouw
in de wereld die hij liever tot mevrouw Bagstock zou maken dan die
vrouw. Zij is prachtig, mijnheer!”—“Gij meent de dochter?” vroeg
Dombey.—“Is Joey B. een knol, Dombey,” antwoordde de majoor, “dat hij
de moeder zou meenen?”—“Gij waart toch zeer galant voor de moeder,”
zeide Dombey hierop.—“Eene oude liefste,” grinnikte majoor Bagstock.
“Verduiveld oud. Ik badineer maar zoo wat met haar.”—“Zij komt mij toch
zeer fatsoenlijk voor,” zeide Dombey.—“Fatsoenlijk, mijnheer,” zeide de
majoor, en bleef stilstaan om zijn reisgenoot aan te staren. “Mevrouw
Skewton, mijnheer, is eene eenige zuster van den vorigen Lord Feenix,
en tante van den tegenwoordigen lord. De familie is niet rijk—eigenlijk
arm—en zij leeft van een klein jaargeld; maar als men van afkomst
spreekt, mijnheer!” De majoor gaf een zwaai met zijn stok en stapte
weder voort, wanhopig om ooit te kunnen zeggen waar men van sprak, als
men daarvan sprak.—“Gij hebt de dochter mevrouw Granger genoemd,” zeide
Dombey, na eene korte poos van stilte.—“Edith Skewton, mijnheer,”
antwoordde de majoor, wederom stilstaande en met zijn stok eene schrap
in den grond gevende, om haar te representeeren, “trouwde (op haar
achttiende jaar) met Granger van ons regiment,” wien de majoor door
eene andere schrap aanduidde. “Granger, mijnheer,” zeide de majoor,
naar dit laatste denkbeeldige portret wijzende, “was onze kolonel; een
verrrduiveld knap man, mijnheer, van een en veertig. Hij stierf,
mijnheer, in het tweede jaar van zijn huwelijk.” De majoor gaf een
stoot met zijn stok, alsof hij het portret van den overledene een degen
door het lijf reeg, en stapte weder voort met zijn stok op den
schouder.—“Hoelang is dat geleden?” vroeg Dombey, op zijne beurt
stilstaande.—“Edith Granger, mijnheer,” antwoordde de majoor, met het
hoofd op zijde, zijn eene oog dichtknijpende en zijn stok in de
linkerhand nemende, om met de rechter over zijn jabot te strijken, “is
tegenwoordig nog geen dertig. En verd—md, mijnheer,” daarbij nam de
majoor nogmaals zijn stok op schouder en stapte weder voort, “zij is
eene vrouw zonder weerga.”—“Bleven er kinderen over?” vroeg Dombey
weldra.—“Ja, mijnheer, een jongetje.”
Dombey’s oogen zochten den grond en zijn gezicht betrok.
“Dat verdronken is, mijnheer,” vervolgde de majoor, “toen het vier of
vijf jaar oud was.”—“Inderdaad!” zeide Dombey het hoofd
opheffende.—“Door het omslaan van een bootje, waar zijne oppasster hem
niet had moeten laten ingaan,” zeide de majoor. “Dat is zijne
geschiedenis. Edith Granger is nog Edith Granger; maar als de oude
taaie Joey B. een beetje jonger en een beetje rijker was, zou de naam
van dat puikjuweel Bagstock wezen.”
De majoor lachte zoodanig dat hij nog meer naar een vetgemesten
Mephistopheles geleek dan anders.
“Mits de dame er niet tegen had, zou ik denken?” zeide Dombey
koel.—“Waarachtig, mijnheer,” zeide de majoor, “het geslacht van
Bagstock is niet aan zulk eene soort van verhindering gewoon. Maar het
is waar, Edith had al wel twintigmaal kunnen trouwen, als zij maar niet
zoo trotsch was, mijnheer—trotsch is zij.”
Dombey scheen daarom niet te ongunstiger over haar te denken.
“Maar dat is toch eigenlijk eene groote eigenschap,” zeide de majoor.
“Waarachtig, het is eene verhevene eigenschap. Dombey, gij zijt zelf
trotsch, en uw vriend, de oude Joe, acht u daarom te hooger, mijnheer.”
Met deze hulde aan het karakter van zijn bondgenoot, die hem door de
onweerstaanbare richting van het gesprek scheen te zijn afgedwongen,
stapte de majoor van de zaak af, en ging over tot een algemeen verslag,
hoe prachtige vrouwen en heerlijke wezens voorheen op hem verzot en
verliefd waren geweest.
Een paar dagen later zagen Dombey en de majoor mevrouw Skewton en hare
dochter in de bronzaal, en daags daaraan troffen zij de dames weder op
dezelfde plaats waar zij elkander voor de eerste maal hadden ontmoet.
Na haar zoo dikwijls te hebben wedergezien, werd het een punt van
beleefdheid voor oud bekenden, dat de majoor eens op een avond daarheen
ging. Dombey was eerst niet voornemens geweest bezoeken af te leggen,
maar toen de majoor van zijn oogmerk sprak, zeide hij het genoegen te
willen hebben om mede te gaan. Aldus zond de majoor voor den maaltijd
den inboorling uit om met hunne complimenten de boodschap te brengen,
dat mijnheer Dombey en hij dien avond de eer zouden hebben om de dames
eene visite te komen maken, indien de dames dan alleen waren. Tot
antwoord bracht de inboorling een sterk geparfumeerd briefje terug,
door mevrouw Skewton aan majoor Bagstock geschreven, en van dezen
inhoud: “Gij zijt een ijselijke beer, en ik kan u haast niet vergeven,
maar als gij u heel goed houdt” dit was onderstreept, “moogt gij komen.
Mijn compliment (waarbij Edith het hare voegt) aan mijnheer Dombey.”
Mevrouw Skewton en hare dochter, mevrouw Granger, woonden te
Leamington, op gemeubileerde kamers, die fatsoenlijk en duur genoeg
waren, maar wat ruimte en gemak betrof wel iets te wenschen overlieten,
zoodat mevrouw Skewton, als zij in bed lag, haar hoofd tegen het
venster en hare voeten in den schoorsteen had, en hare kamenier in een
kabinetje, dat in het salon uitkwam, geborgen werd, zoo klein, dat zij
er bijna niet geheel in kon. Withers, de bleeke page, sliep buitenshuis
vlak onder de pannen bij een naburigen melkboer; en het wagentje, dat
de steen van dien jeugdigen Sisyphus was, stond des nachts in eene
schuur, aan denzelfden melkboer toebehoorende, waar ook diens kippen
huisden, die zich op een gebroken ezelkarretje te slapen zetten,
overtuigd naar het scheen, dat dit eene soort van boom was die daar
groeide.
Dombey en de majoor vonden mevrouw Skewton à la Cleopatra tusschen de
kussens eener sofa gezeten, zeer luchtig gekleed, maar toch zeker niet
gelijkende naar Shakespeare’s Cleopatra, die de jaren niet konden doen
verwelken. Onderweg naar boven hadden zij eene harp gehoord, maar dit
geluid had opgehouden toen zij werden aangediend, en nu stond Edith bij
dit instrument, schooner en trotscher dan ooit. Het was iets
opmerkelijks van de schoonheid dezer dame dat zij zich zonder hare
medehulp en tegen haar wil scheen te doen gelden. Zij wist dat zij
schoon was; het was onmogelijk dat het anders kon zijn, maar met haar
eigenaardigen hoogmoed scheen zij zelfs zich zelve te trotseeren.
Of zij de bekoorlijkheden gering schatte, welke slechts eene
bewondering uitlokten, die geene waarde voor haar had, dan of zij ze
daardoor voor bewonderaars nog kostbaarder wilde maken, werd door hen,
voor wie zij kostbaar waren, zelden gevraagd.
“Ik hoop, mevrouw Granger,” zeide Dombey, een stap naar haar
toekomende, “dat wij de oorzaak niet zijn dat gij ophoudt met
spelen?”—“Gij?—O neen!”—“Waarom gaat gij dan niet voort, lieve Edith,”
zeide Cleopatra.—“Ik hield op evenals ik begonnen was—omdat het mij zoo
inviel.”
De buitengemeene, als het ware keurige onverschilligheid, waarmede zij
dit zeide; eene onverschilligheid, die geheel iets anders dan botheid
en gevoelloosheid was, want trotschheid straalde er duidelijk in door,
strookte wel met de achteloosheid waarmede zij haar vinger nog eens
over de snaren streek en toen naar eene andere plaats ging.
“Weet ge wel, mijnheer Dombey,” zeide hare kwijnende moeder, met een
handschermpje spelende, “dat mijne lieve Edith en ik somtijds werkelijk
verschil hebben...”—“Niet geheel somtijds, mama,” zeide Edith.—“O neen,
nooit geheel, lieveling! O foei, dat zou mij het hart breken,”
antwoordde hare moeder, met eene flauwe poging om haar een tikje met
haar schermpje te geven, waarop Edith volstrekt niet scheen te letten.
“Maar verschil, meen ik, over de koelheid en onverschilligheid, die de
wellevendheid wil dat men in kleinigheden in acht neemt? Waarom zijn
wij niet natuurlijker? O lieve hemel! Met al die smachtende verlangens
en onwillekeurige opwellingen, die ons in de ziel zijn geplant, en die
zoo verrukkelijk zijn—waarom zijn wij niet natuurlijker?”
Dombey zeide dat dit waar, zeer waar was.
“Wij konden wel natuurlijker zijn, zou ik denken, als wij het maar
beproefden,” zeide mevrouw Skewton.
Dombey achtte dit wel mogelijk.
“Voor den drommel niet, mevrouw,” zeide de majoor. “Dat zou niet
aangaan, of de wereld zou met J. B’s. bevolkt moeten zijn, mevrouw, met
lompe en taaie Joe Bagstock’s, eenvoudige droge bokkingen, zooals de
oude Joey, mijnheer.”—“Gij ongeloovige spotter,” zeide mevrouw Skewton,
“verstom!”—“Cleopatra beveelt,” antwoordde de majoor, met een
kushandje, “en Antonius Bagstock gehoorzaamt.”—“Die man heeft geen
gevoel,” zeide mevrouw Skewton, wreed genoeg om het schermpje zoodanig
op te houden dat de majoor haar niet kon zien. “Geene sympathie. En
waarvoor leeft men, dan voor sympathie! Wat anders is zoo verrukkelijk!
Zonder dat zweempje van zonneschijn op onze koude aarde,” zeide mevrouw
Skewton, haar kanten halsdoekje verschikkende en daarbij met
welgevallen haar mageren blooten arm beschouwende, van het polsgewricht
naar omhoog, “hoe zouden wij het uithouden? Kortom, gij verstokte man!”
daarbij keek zij om het schermpje heen naar den majoor, “ik zou mijne
wereld heel en al hart willen hebben; en het geloof daaraan is zoo
verrukkelijk, dat gij mij niet daarin moogt storen, hoort ge wel?”
De majoor antwoordde dat het hard was, dat Cleopatra de wereld heel en
al hart wilde hebben en zich toch de harten dier geheele wereld
toeëigende; hetgeen Cleopatra verplichtte hem te herinneren dat
vleierij haar onuitstaanbaar was, en dat, als hij de stoutheid had om
haar nog eens op die manier aan te spreken, zij hem stellig naar huis
zou zenden.
Daar Withers, de bleeke, thans de thee rondgaf, sprak Dombey Edith
wederom aan.
“Men heeft hier niet veel gezelligheid, naar het schijnt,” zeide hij,
met zijne eigenaardige stijve deftigheid.—“Ik geloof van neen. Wij zien
niemand.”—“Er zijn tegenwoordig juist geene menschen hier,” merkte
mevrouw Skewton aan, “waarmede wij gaarne zouden willen
verkeeren.”—“Zij zijn niet hartelijk genoeg,” zeide Edith, met een
glimlach—de schemering van een glimlach: zoo zonderling waren licht en
duisternis daarin gemengd.—“Gij ziet wel dat mijne lieve Edith met mij
railleert,” zeide de moeder haar hoofd schuddende, dat somtijds van
zelf schudde, alsof er tusschen de diamanten ook eene beroerte
flikkerde. “Ondeugende!”—“Gij zijt meer hier geweest, als ik mij niet
bedrieg?” zeide Dombey, wederom tot Edith.—“O ja, meermalen. Ik geloof
dat wij overal zijn geweest.”—“Eene schoone landstreek.”—“Ik geloof van
ja. Iedereen zegt zoo.”—“Uw neef Feenix dweept er mee, Edith,” viel
hare moeder er op in.
De dochter draaide even het schoone hoofd om, trok hare wenkbrauwen
eene haarbreedte op, alsof haar neef Feenix in geene de minste
aanmerking bij haar kwam, en keerde zich weder naar Dombey.
“Ik hoop voor mijn smaak, dat ik de landstreek moe ben,” zeide
zij.—“Gij hebt er bijna wel reden toe, mevrouw,” antwoordde hij, naar
een aantal landschapjes omziende, waarin hij reeds gezichten in de
nabijheid had herkend, en die rijkelijk door de kamer verspreid waren,
“als die keurige teekeningen van uwe hand zijn.”
Zij gaf hem geen antwoord, maar zat daar in trotsche schoonheid,
geducht om aan te zien.
“Hebben zij dat interessante?” zeide Dombey. “Zijn zij van
u?”—“Ja.”—“En gij speelt ook, weet ik reeds.”—“Ja.”—“En zingt?”—“Ja.”
Zij beantwoordde deze vragen met een zonderlingen tegenzin—met dien
opmerkelijken schijn van vijandigheid tegen zich zelve, waarvan reeds
ten opzichte van hare schoonheid melding is gemaakt. Evenwel was zij
niet verlegen, maar volkomen bedaard. Evenmin scheen zij te verlangen
het gesprek te vermijden, want zij hield haar gezicht naar hem
toegekeerd, en scheen hem zelfs—zoover zij dit kon—uit te lokken om te
spreken; en zij bleef dit nog doen terwijl hij zweeg.
“Gij hebt ten minste een aantal hulpmiddelen tegen verveling,” zeide
Dombey.—“Zooals zij dan zijn,” antwoordde zij, “kent gij ze nu allen.
Ik heb er niet meer.”—“Mag ik hopen van allen een proefje te krijgen?”
zeide Dombey, met statige galanterie, de teekening, die hij in de hand
had, neerleggende en naar de harp wenkende.—“O zeker—als gij dat
verlangt!”
Zoo sprekende stond zij op, en de sofa harer moeder voorbijstappende,
welke zij een statigen blik toewierp, die, hoewel kort van duur, eene
menigte van uitdrukkingen bevatte, waaronder die schemering van een
glimlach, zonder den glimlach zelf, al de anderen overschaduwde, ging
zij de kamer uit.
De majoor, die nu reeds volle vergiffenis had gekregen, had een
tafeltje naar Cleopatra geschoven en zat met haar piket te spelen.
Dombey, die dit spel niet kende, ging er tot zijne stichting naar
zitten kijken tot Edith zou terugkomen.
“Wij zullen wat muziek hooren, mijnheer Dombey, hoop ik?” zeide
Cleopatra.—“Mevrouw Granger is zoo goed geweest om mij dat te beloven,”
zeide Dombey.—“Zoo! dat is een genot. Proponeert gij, majoor?”—“Neen,
mevrouw,” antwoordde de majoor. “Onmogelijk.”—“O, ge zijt een barbaar,”
zeide de dame. “En ik heb zulke slechte kaarten gekregen. Houdt ge veel
van muziek, mijnheer Dombey?”—“Buitengemeen,” was het antwoord.—“Ja.
Het is een genot,” zeide Cleopatra, naar hare kaarten kijkende.
“Spreekt zoo tot het hart—zulke duistere herinneringen van een vroeger
staat van aanzijn—en dat alles—dat zoo verrukkelijk is. Weet gij wel,”
kwezelde Cleopatra, en keerde den schoppenboer om, dien zij ten
onderste boven in de hand had gekregen, “dat, als er iets was dat mij
kon verlokken om een eind aan mijn leven te maken, het de
nieuwsgierigheid zou zijn om te ontdekken wat dat alles toch is en wat
het beduidt; er zijn nog zooveel geheimen voor ons verborgen. Gij moet
spelen, majoor!”
De majoor speelde. Dombey, die zat toe te kijken, zoo het heette om het
spel te leeren, zou spoedig geheel in de war zijn geweest, maar hij
lette volstrekt niet op het spel en zat zich slechts te verwonderen
wanneer Edith zou terugkomen.
Eindelijk kwam zij en zette zich bij hare harp, en Dombey stond op en
bleef bij haar staan luisteren. Hij had weinig smaak voor muziek en
kende het stuk niet dat zij speelde; maar hij zag haar over de harp
gebogen, en hoorde misschien in de trillende snaren eene muziek uit
zijn eigen binnenste weergalmen, die het monster van den spoorweg temde
en minder onverbiddelijk deed worden.
Cleopatra had scherpe oogen onder het piketten. Zij glinsterden als die
van een vogel, en bleven niet op haar spel gevestigd, maar dwaalden
flikkerend de geheele kamer door, naar de harp, de speelster, den
luisteraar, naar alles.
Toen de trotsche schoone het stuk had uitgespeeld, stond zij op,
ontving Dombey’s complimenten met hetzelfde uitzicht als te voren,
ging, bijna zonder eenige tusschenpoos, naar de piano, en begon daar.
Edith Granger, ieder lied behalve dat! Edith Granger, gij zijt schoon,
en uw pianospel is schitterend, en uwe stem is zoo welluidend en
krachtig; maar niet het lied dat zijne verwaarloosde dochter voor zijn
dooden zoon heeft gezongen!
Helaas, hij herkent het niet; en al deed hij dat, welk lied van haar
zou hem doen ontroeren, hardvochtige man! Slaap, eenzame Florence,
slaap! Vrede in uwe droomen, schoon de nacht donker is geworden, en de
wolken zich samenpakken en eene hagelbui dreigen uit te storten!