DE HEER DOMBEY GAAT OP REIS.

“Mijnheer Dombey, mijnheer,” zeide majoor Bagstock, “Joey B. is

doorgaans niet sentimenteel, want Jozef is taai. Maar Jo heeft zijn

gevoel, mijnheer, en als dat wakker wordt—verd...d, mijnheer,” riep de

majoor met plotselinge woestheid uit, “dit is eene zwakheid, en die wil

ik niet van mij velen.”

Majoor Bagstock gebruikte deze uitdrukkingen, toen hij Dombey als zijn

gast boven aan zijne eigen trap in Princess’s Place ontving. Dombey

kwam, eer zij te zamen hun tocht aanvaardden, bij den majoor ontbijten;

en de ongelukkige inboorling had reeds zooveel met de warme broodjes en

de eieren uitgestaan, dat het leven hem een last was.

“Het past geen oud soldaat van dat ras als de Bagstock’s zijn,”

hervatte de majoor, weder bedarende, “zich als een buit aan zijne

eigene aandoeningen over te leveren; maar—verd...d, mijnheer,” riep hij

met eene nieuwe vlaag van woestheid uit, “ik condoleer u!”

Het purperen gezicht des majoors werd nog donkerder van kleur, en zijne

kreeftachtige oogen puilden nog verder uit, toen hij Dombey de hand

drukte, en aan dat vreedzaam bedrijf iets zoo uitdagends gaf, als ware

het eene inleiding om dadelijk om duizend pond en de waardigheid van

kampioen van Engeland met Dombey te boksen. Met eene draaiende beweging

van het hoofd, en snuivend als een verkouden paard, bracht de majoor

zijn gast de kamer binnen, en nu, geheel bedaard, verwelkomde hij hem

daar met de gulheid en rondborstigheid van een reismakker.

“Dombey,” zeide de majoor, “ik ben blij dat ik u zie. Ik ben trotsch,

dat ik u zie. Er zijn niet veel menschen in Europa tegen wie J.

Bagstock dat zou zeggen—want Josh is plomp, mijnheer, dat ligt in zijn

karakter—maar Joey B. is toch trotsch, dat hij u ziet,

Dombey.”—“Majoor,” antwoordde Dombey, “ge zijt zeer beleefd.”—“Neen,

mijnheer,” zeide de majoor. “Geen drommel! Dat is mijn karakter niet.

Als dat Jo’s karakter was geweest, had Josh wel luitenant generaal Sir

Jozef Bagstock kunnen zijn en u in een geheel ander kwartier ontvangen.

Gij kent den ouden Jo nog niet, zie ik. Maar deze gelegenheid, iets zoo

bijzonders, maakt mij waarlijk trotsch. Waarachtig, mijnheer,” zeide de

majoor op vasten toon, “ik ben er door vereerd.”

Dombey begreep, naar zijne schatting van zich zelven en zijn geld, dat

dit de waarheid was en betwistte het punt dus niet. Maar de

instinctmatige erkentenis van zulk eene waarheid door den majoor en

zijne onbewimpelde belijdenis er van, waren hem zeer aangenaam. Dit was

voor Dombey eene bevestiging—als hij die nog noodig had gehad—dat hij

zich niet in den majoor had bedrogen. Het was eene verzekering voor

hem, dat zijne macht zich buiten zijn onmiddellijken kring uitstrekte;

en dat de majoor, als een officier en een gentleman, niet minder van

die bewustheid was doordrongen dan de knecht van de beurs.

En indien het ooit een troost voor hem was, zoo iets te weten, was het

toen een troost, nu het onvermogen van zijn wil, de onbestendigheid

zijner hoop, de machteloosheid van zijn rijkdom, hem zoo geducht waren

gebleken. Wat kon het geld doen, had zijn zoontje hem gevraagd.

Somtijds aan die kinderlijke vraag denkende, kon hij zich nauwelijks

onthouden ze bij zich zelven met een zucht te herhalen. Wat kon het

doen? Wat had het gedaan?

Maar dit waren eenzame gedachten, die laat in den nacht, in de

neerslachtigheid en somberheid zijner afzondering, bij hem opkwamen; en

zijn trots liet zich gemakkelijk weder geruststellen door vele

getuigenissen van de waarheid, even geldig als die van den majoor.

Dombey was den majoor nu vriendelijk genegen. Men kon niet wel zeggen

dat hij warm voor hem werd, maar hij ontdooide een weinigje. De majoor

had eenig deel gehad—en niet te veel—in de dagen aan het strand. Hij

was een man van de wereld en kende eenige groote lui. Hij praatte veel

en wist anekdoten te vertellen; en Dombey was genegen om hem voor een

bijzonder geestig man te houden, die vooral in gezelschappen

schitterde, en daarbij niet het hatelijke gebrek van armoede had, dat

zulke lieden veel eigen is. Zijn stand in de maatschappij kon niet

betwijfeld worden. Over het geheel was de majoor een verkieslijk

reisgenoot, met wien men zich met fatsoen kon laten zien, die aan

gemakkelijk leven gewoon was, bekend met de plaatsen die zij zouden

bezoeken, en iets ongegeneerds over zich had, dat zich zeer wel met

zijn eigen ernstiger karakter verdroeg en geheel in geen wedstrijd

daarmede kwam. Indien Dombey daarbij nog een flauw denkbeeld had, dat

de majoor, als een man die in zijn beroep gewoon was om den spot te

drijven met de geduchte hand, welke zijne hoop zoo kort geleden had

verwoest, hem ongezocht wat nuttige philosophie zou mededeelen en zijne

onmannelijke zwaarmoedigheid verdrijven, verborg hij dit voor zich

zelven, en liet het onder zijne trots bedolven liggen, zonder er verder

onderzoek naar te doen.

“Waar is mijn schobbejak!” zeide de majoor, gramstorig in de kamer

rondziende.

De inboorling, die geen bijzonderen naam had, maar zich ieder

scheldwoord als zoodanig toeëigende, kwam dadelijk in de deur, maar

durfde zich niet dichterbij wagen.

“Gij schavuit!” zeide de opvliegende majoor, “waar is het ontbijt?”

De bruine knecht verdween om het te gaan halen, en spoedig hoorde men

hem de trap weder opkomen, zoodanig bevende, dat de borden en schotels

op het blad, dat hij droeg, den geheelen weg naar omhoog rinkelden.

“Dombey,” zeide de majoor, met een blik naar den inboorling, die de

tafel schikte, en dien ongelukkige met zijne vuist dreigende, toen hij

een lepel liet vallen, “hier is gebraden ham, een pasteitje, een

schoteltje nieren en zoo wat meer. Ga zitten. Oude Joe kan u niets

anders geven dan soldatenkost, ziet ge.”—“Uitmuntende kost, majoor,”

antwoordde zijn gast, en dat niet uit enkele beleefdheid; want de

majoor zorgde altijd zoo goed mogelijk voor zijne tafel, en at meer

krachtige lekkernijen dan hem wel dienstig waren, zoodat zelfs de

faculteit zijne keizerlijke kleur voornamelijk aan die omstandigheid

toeschreef.—“Gij hebt naar den overkant gekeken, mijnheer,” merkte de

majoor aan. “Hebt gij onze vriendin gezien?”—“Gij meent jufvrouw Tox,”

antwoordde Dombey. “Neen.”—“Eene bekoorlijke dame, mijnheer,” zeide de

majoor, met een vetten lach uit zijn korten hals, die hem bijna deed

stikken.—“Jufvrouw Tox is een heel goed mensch, geloof ik,” antwoordde

Dombey.

De trotsche koelheid van dit antwoord scheen den majoor zeer te

streelen. Hij zwol geweldig op, en legde zelfs voor een oogenblik mes

en vork neer, om in zijne handen te wrijven.

“Oude Jo, mijnheer,” zeide hij, “was eens zoo wat een gunsteling daar.

Maar oude Jo heeft zijn tijd gehad. J. Bagstock is van de baan

geknikkerd—afgedankt, mijnheer. Ik zal u eens wat zeggen, Dombey.” De

majoor hield even op en keek geheimzinnig en verontwaardigd. “Die vrouw

is verduiveld eerzuchtig, mijnheer.”—“Zoo!” zeide Dombey met koude

onverschilligheid, misschien eenigszins gemengd met verachtelijk

ongeloof dat jufvrouw Tox de verwaandheid kon hebben om zulk eene

verhevene eigenschap te koesteren.—“Die vrouw, mijnheer,” zeide de

majoor, “is op hare manier een Lucifer. Joey B. heeft zijn tijd gehad,

mijnheer, maar zijne oogen nog gehouden. Hij kan nog zien, die Jo.

Wijlen zijne Koninklijke Hoogheid de Hertog van York heeft eens op een

lever van Joey aangemerkt, dat hij drommels goed zien kon.”

De majoor vergezelde dit met zulk een blik, en door het eten en

drinken, met zijne geheimzinnigheid vereenigd, zwol zijn hoofd zoodanig

op, dat zelfs Dombey eenige bezorgdheid voor hem liet blijken.

“Dat malle oude figuur, mijnheer,” vervolgde de majoor, “heeft nog

hooge uitzichten, hemelhooge uitzichten, mijnheer—huwelijksplannen,

Dombey.”—“Dat spijt mij voor haar,” zeide Dombey.—“Zeg dat niet,

Dombey,” antwoordde de majoor op een waarschuwenden toon.—“Waarom zou

ik niet, majoor?” zeide Dombey.

De majoor gaf geen antwoord dan door eene paardenkuch, en ging ijverig

voort met eten.—“Zij heeft veel werk van uw huishouden gemaakt,” zeide

de majoor wederom, ophoudende, “en is een tijd lang dikwijls bij u aan

huis gekomen.”—“Ja,” antwoordde Dombey met groote deftigheid. “Jufvrouw

Tox is, in den tijd toen mevrouw Dombey stierf, daar eens als vriendin

van mijne zuster gekomen; en daar zij zeer welgemanierd was, en veel

hart voor het arme kind toonde, werd haar vrijgelaten—ik mag wel

zeggen, werd zij aangemoedigd—om meermalen met mijne zuster terug te

komen, en langzamerhand eenigszins familiaar in huis te worden. Ik

heb,” zeide Dombey, op den toon van iemand die eene gewichtige

toestemming gaf, “ik heb achting voor jufvrouw Tox. Zij is zoo

verplichtend geweest om in mijn huis een aantal kleine diensten te

bewijzen; geringe en onbeduidende diensten misschien, majoor, maar die

daarom niet veracht moeten worden; en ik hoop dat ik het geluk heb

gehad van in staat te zijn geweest om die diensten te erkennen door

zooveel oplettendheid en beleefdheid als ik haar heb kunnen toonen. Ik

acht mij aan jufvrouw Tox verplicht, majoor,” voegde hij er bij, even

met de hand wuivende, “voor het genoegen van uwe kennis.”—“Neen,

Dombey,” zeide de majoor met warmte; “neen, mijnheer. Jozef Bagstock

kan dat niet zonder tegenspreken laten doorgaan. Uwe kennis met den

ouden Jo, mijnheer, zooals hij dan is, en zijne kennis met u, mijnheer,

had haar oorsprong in een veelbelovend kind, mijnheer—een verbazend

kind, Dombey!” zeide de majoor, met eene aandoening alsof hij zou

stikken—niet moeielijk om te veinzen voor iemand, die zoo dikwijls op

het punt van stikken was, “wij zijn met elkander in kennis gekomen door

uw zoon.”

Dombey scheen door dit gezegde getroffen, en het is niet

onwaarschijnlijk dat de majoor het daarop had toegelegd. Dombey keek

voor zich en zuchtte; en de majoor kreeg weder eene vlaag van woestheid

en zeide, op den gemoedstoestand doelende, waarin hij gevaar liep te

vervallen, dat dit eene zwakheid was, en hij die niet van zich zelven

wilde velen.

“Onze vriendin stond in eene zeer verwijderde betrekking met die

gebeurtenis,” zeide de majoor, “en al de eer die haar toekomt,

mijnheer, wil J. B. haar gaarne geven. Maar toch, mejufvrouw,”

vervolgde hij, zijne oogen opslaande naar het venster aan den overkant,

waar men jufvrouw Tox juist hare bloemen kon zien begieten, “zijt gij

eene doortrapte feeks, mejufvrouw, en is uwe eerzucht een staaltje van

monsterachtige onbeschaamdheid. Als zij alleen diende om u zelve

belachelijk te maken, mejufvrouw,” vervolgde de majoor, zijn hoofd

schuddende naar de van niets bewuste jufvrouw Tox, terwijl zijne oogen

een sprong uit dat hoofd naar haar toe schenen te doen, “mocht gij er

vrij uw hart aan ophalen, dat verzeker ik u, mejufvrouw, uit naam van

majoor Bagstock.” Hier begon de majoor zoo schrikkelijk te lachen dat

het zelfs aan zijne oorlapjes en de aderen op zijn voorhoofd te zien

was. “Maar, mejufvrouw,” vervolgde hij, “als gij anderen

compromitteert, menschen die geen erg hebben en geen kwaad denken, tot

belooning van hunne goedheid, dan doet gij een ouden Jo het bloed

koken.”—“Majoor,” zeide Dombey, rood wordende, “ik hoop dat gij niets

zoo ongerijmds wilt aanduiden als dat jufvrouw Tox....”—“Ik wil niets

aanduiden, Dombey,” zeide de majoor; “maar Joey B. heeft in de wereld

verkeerd, mijnheer, en zijne oogen en ooren open gehad, en Jo zegt u,

Dombey, dat daar aan den overkant eene verduiveld slimme feeks woont,

die heel hooge uitzichten heeft.”

Dombey keek onwillekeurig naar den overkant en zond zelfs een

gramstorigen blik in die richting.

“Dat is alles wat Jozef Bagstock daaromtrent over de lippen zal komen,”

zeide de majoor op vasten toon. “Joe is geen kwaadspreker, maar er komt

toch wel eens een tijd dat hij moet spreken, dat hij wil spreken!—met

uwe verduivelde streken, mejufvrouw,” riep de majoor, wederom

gramstorig zijne schoone geburin aansprekende—“als het zoo erg loopt

dat hij niet langer zwijgen kan.”

Deze uitbarsting haalde den majoor een hoestbui op den hals die

geruimen tijd aanhield. Toen hij weder bekwam, vervolgde hij:—“En nu,

Dombey, daar gij den ouden Jo hebt geïnviteerd—den ouden Jo, die geene

andere verdiensten heeft, dan dat hij taai en hartig is—om te

Leamington uw gast en gids te wezen, beschik nu maar over hem naar uw

believen. Ik weet niet, mijnheer,” zeide de majoor, schertsend zijne

onderkin schuddende, “wat de menschen in Jo zien, waarom hij bij

iedereen zoo gezocht is; maar dat weet ik wel, mijnheer, als hij niet

tamelijk taai was en hardnekkig in het weigeren, zoudt gij hem met al

uwe invitatiën gauw om een luchtje helpen.”

Dombey gaf met weinige woorden zijn gevoel te kennen van de voorkeur

die hij verwierf, boven die andere uitstekende leden der maatschappij,

welke zich het bezit van majoor Bagstock betwistten; maar de majoor

viel hem in de rede, om hem te verstaan te geven, dat hij zijne eigene

neigingen volgde, en dat zij allen als één man waren opgestaan en

gezegd hadden: “J. B., Dombey is de man dien gij tot uw vriend moet

kiezen.”

Daar de majoor zich nu zooveel mogelijk had volgepropt, en het

bovendien tijd werd om te maken dat men op den spoortrein naar

Birmingham kwam, trok de inboorling hem met groote moeite zijne jas

aan, en knoopte die zoo dicht dat zijn starend, hijgend gezicht boven

dat kleedingstuk uit kwam kijken, alsof hij in een vat was gepakt.

Daarop gaf de inboorling hem een voor een en met voegzame

tusschenpoozen zijne zeemen handschoenen, zijn dikken stok, en zijn

hoed aan, welken laatsten de majoor zwierbolachtig schuins op het hoofd

zette, om den indruk van zijn opmerkelijk gezicht eenigszins te

verzachten. De inboorling had vooraf in alle mogelijke en onmogelijke

hoeken van Dombey’s rijtuig, dat stond te wachten, een buitengewoon

aantal van reiszakken en valiezen gepakt, niet minder volgepropt dan de

majoor zelf; en toen hij nu zijne eigene zakken met Selzerwater, ouden

Sherry, boterhammen, cache-nez, verrekijkers, kaarten en couranten had

gevuld—de kleine bagage, die de majoor op reis ieder oogenblik kon

noodig hebben—kondigde hij aan dat alles gereed was. Om de uitrusting

van dezen ongelukkigen vreemdeling (van wien men zeide dat hij in zijn

eigen land een prins was geweest) te voltooien, wierp de huisheer hem,

toen hij naast Towlinson op het achterbankje zat, nog eene hoop

overjassen en mantels van den majoor toe, die hem zoodanig overdekten,

dat hij als in een levend graf naar het spoorwegstation reed.

Doch eer het rijtuig in beweging kwam, en terwijl de inboorling zoo

begraven werd, verscheen jufvrouw Tox voor haar venster en wuifde met

een sneeuwwitten zakdoek. Dombey ontving dezen afscheidsgroet zeer

koel—zeer koel zelfs voor hem—vereerde haar slechts met het

allergeringste hoofdknikje, en liet zich met een zeer misnoegd gezicht

achteroverzakken. Dit in het oogloopend gedrag scheen den majoor (die

jufvrouw Tox met alle beleefdheid groette) zoodanig te vermaken, dat

hij nog lang naderhand zat te lonken, te grinniken en te kikhalzen, als

een vetgemeste Mephistopheles.

Aan het station wandelden Dombey en de majoor, onder het gewoel voor

het vertrek, naast elkander de gaanderij op en neer, de eerste stil en

somber, de laatste zeer spraakzaam, hetzij om zijn reisgenoot of zich

zelven den tijd te korten. Geen van beiden lette er op dat zij zoo

wandelende de aandacht trokken van een werkman, die bij de locomotief

stond, en telkens als zij voorbijkwamen aan zijne pet tikte; want

Dombey was gewoon gemeene lieden over het hoofd te zien, en de majoor

kon, als hij anekdoten van zich zelven vertelde, gelijk hij nu deed,

aan niets anders denken. Eindelijk evenwel stapte die man hen in den

weg, nam zijne pet af en dook met zijn hoofd voor Dombey.

“Neem mij niet kwalijk, mijnheer,” zeide hij, “maar ik hoop dat ge zoo

tamelijk wel zijt.”

Hij was gekleed in een pak van grof linnen, overvloedig met kolenstof

en olie besmeerd, en had asch in zijne bakkebaarden en over het geheel

een vrij sterken reuk van gebluschte sintels. Hij zag er overigens niet

gemeen uit, en kon ook eigenlijk niet smerig genoemd worden; kortom,

het was baas Toodle, in het costuum van zijn beroep.

“Ik zal de eer hebben u te stoken, mijnheer,” zeide Toodle. “Neem mij

niet kwalijk. Ik hoop, dat gij het nu zoo wat te boven komt?”

Tot dank voor zijn belangstellenden toon, zag Dombey hem aan, alsof het

gezicht van zulk een man reeds genoeg was om zijne oogen vuil te maken.

“Neem mij niet kwalijk, mijnheer,” begon Toodle nog eens, toen hij zag

dat hij niet duidelijk herkend werd, “maar Polly, mijne vrouw, die bij

u in huis Richards genoemd werd.”

Eene verandering in Dombey’s gezicht, die eene herkenning scheen aan te

duiden, maar nog veel sterker een toornig gevoel van vernedering

uitdrukte, deed Toodle zwijgen.

“Uwe vrouw zal geld noodig hebben, denk ik,” zeide Dombey, de hand in

den zak stekende en op een trotschen toon—maar zoo sprak hij

altijd.—“Neen, mijnheer, wel bedankt,” antwoordde Toodle; “dat juist

niet.”

Dombey bleef nu op zijne beurt steken, en dat wel tamelijk verlegen,

met de hand in den zak.

“Neen, mijnheer,” zeide Toodle, de lederen pet, die hij niet weder had

opgezet, al om en om draaiende. “Het gaat ons vrij goed, mijnheer. Wij

hebben geene reden om te klagen. Wij hebben er na dien tijd nog wel

vier gekregen, mijnheer; maar wij slaan er ons toch door.”

Dombey had er zich wel door willen slaan naar zijn eigen rijtuig, al

had hij zoo doende den stoker onder de wielen gesmeten; maar de pet,

die de man al om en om bleef draaien, had iets dat zijne aandacht trok.

“Wij hebben een kleintje verloren,” merkte Toodle aan, “dat is niet

tegen te spreken.”—“Binnen kort?” zeide Dombey, naar de pet

ziende.—“Neen, mijnheer, al drie jaren geleden; maar al de anderen zijn

gezond en frisch. En wat lezen betreft, mijnheer,” Toodle dook weder

als om Dombey te herinneren wat er lang geleden daarover tusschen hen

was omgegaan, “mijne jongens hebben mij dat, met hun allen, toch nog

geleerd.”—“Kom, majoor,” zeide Dombey.—“Neem mij niet kwalijk,

mijnheer,” hervatte Toodle, nog eens voor hen stappende, maar zeer

ootmoedig en met de pet in de hand. “Ik zou u met zoo iets niet hebben

lastig gevallen, als het niet was om op mijn zoon Biler te komen—Robin

gedoopt—dien gij zoo goed zijt geweest om een Liefdadigen Slijper van

te maken.”—“Wel, man,” zeide Dombey op zijn strengsten toon, “wat van

hem?”—“Wel, mijnheer,” antwoordde Toodle, zeer bedrukt zijn hoofd

schuddende, “het spijt mij te moeten zeggen dat het daar slecht met hem

is afgeloopen.”—“Slecht afgeloopen?” zeide Dombey met zekere barsche

tevredenheid.—“Hij is onder slechte kameraden gekomen, ziet gij,

heeren,” vervolgde de vader, beiden bedroefd aanziende en blijkbaar den

majoor in het gesprek mengende, in de hoop om bij hem medelijden te

vinden, “en op slechte wegen geraakt. God geve dat hij weer te recht

mag komen, heeren, maar hij is nu op den verkeerden weg. Het kon haast

niet anders of gij moest er wel eens van hooren, mijnheer,” zeide

Toodle, nu weder Dombey persoonlijk aansprekende, “en het is beter, dat

ik er zelf maar voor uitkom en zeg dat mijn jongen op een verkeerden

weg is geraakt. Polly is er schrikkelijk benauwd over, heeren,” zeide

Toodle, met hetzelfde bedrukte gezicht en zich nogmaals naar den majoor

keerende.—“Een zoon van dien man, dien ik heb laten opvoeden, majoor,”

zeide Dombey, hem zijn arm gevende. “De gewone dank!”—“Hoor eens naar

den raad van den eenvoudigen ouden Jo, en laat nooit weer dat soort van

volk opvoeden, mijnheer,” antwoordde de majoor. “Verd...d, mijnheer,

het gaat nooit! Het mislukt altijd!”

De bedrukte vader wilde gaan zeggen, dat zijn zoon, de gewezen Slijper,

geslagen en geschopt door een ruwen gemeenen kerel, (even weinig voor

zijn post geschikt als een bulhond zou geweest zijn) om hem eene

nuttelooze woordenkraam als een papegaai te leeren klappen, misschien

in een of ander opzicht niet de rechte soort van opvoeding had

gekregen, toen Dombey toornig herhaalde: “De gewone dank!” en met den

majoor heenging. En daar de majoor zwaar was om in Dombey’s rijtuig,

dat hoog op een wagen was gezet, te worden opgeheschen, en telkens als

zijn voet van de trede glipte en hij den inboorling weder op het lijf

viel, moest ophouden om te zweren dat hij dien ongelukkige al de

beenderen in het lijf zou stuk slaan, of levend laten villen, of op

eene andere manier doodmartelen, had hij, eer zij afreden, nog maar

even tijd om met eene schorre stem te herhalen, dat het nooit ging, dat

het altijd mislukte, en dat, als hij “zijn eigen vagebond” wilde laten

opvoeden, de kerel zeker aan de galg zou komen.

Dombey stemde dit met bitterheid toe; maar er school nog iets meer

achter die bitterheid, en achter de gemelijkheid waarmede hij zich in

zijn rijtuig achterover liet zakken, en met een gefronst voorhoofd naar

de voorbijvliegende voorwerpen keek, dan misnoegen over het mislukken

van het heerlijke opvoedingsstelsel door het Slijpers Gilde in werking

gebracht. Hij had om de gemeene pet van dien man eene nieuwe strook

krip gezien, en zich uit zijn toon en zijne antwoorden verzekerd, dat

hij dit rouwteeken voor zijn zoon droeg.

Zoo moest dan iedereen, hoog en laag, van Florence in zijn deftig huis,

tot aan den gemeenen kerel, die het vuur stookte, waarvan hij den rook

nu zag voorbijvliegen, eene of andere aanspraak op deelgenootschap in

zijn dooden zoon maken, en zijne eigene rechten bestrijden! Kon hij

ooit vergeten hoe die vrouw bij zijn bed had geschreid en hem haar kind

genoemd; of hoe hij, telkens als hij wakker werd, naar haar had

gevraagd, en in zijn bed overeind was gekomen en opgehelderd was toen

zij binnenkwam!

Te denken dat die verwaande kerel, die den kost won met in steenkolen

en asch te wroeten, daar met zijn rouwteeken voor hem uitreed! Te

denken dat zelfs hij, door zulk eene gemeenschappelijke vertooning van

rouw, zich durfde bemoeien met de teleurstelling en het geheime

zielsverdriet van een trotschen gentleman! Te denken dat zijn verloren

zoon, die zijne schatten, zijne plannen en zijne macht met hem had

moeten deelen, en met wien hij vereenigd de geheele wereld als met eene

dubbele deur van goud had moeten buitensluiten, zulk een troep had

ingelaten om hem met hunne wetenschap van zijne verijdelde hoop en

hunne aanspraak op medegevoel te beleedigen, zoo niet hem te hoonen

door te snoeven dat zij zich in de plaats hadden gedrongen, waar hij

alleen had willen heerschen!

Hij vond geen vermaak of verstrooiing in de reis. Door deze gedachten

gepijnigd, nam hij de eentonigheid overal met zich mede, en vloog met

spoorsnelheid niet door een welig afwisselend landschap, maar door eene

woestijn van vernielde plannen en knagende jaloezie. De spoed waarmede

de trein voortsnorde scheen zelfs den spot te drijven met den snellen

loop van het jeugdige leven, dat zoo onverbiddelijk naar zijn

voorbestemd einde was gevoerd. De kracht die op haar eigen ijzeren weg

voortholde, zonder zich aan andere wegen en paden te storen, door alle

hindernissen heen borende, en levende wezens van allerlei soort,

ouderdom en stand medeslepende, was een zinnebeeld van het zegevierend

monster, de dood.

Voort, al gillend, snuivend en kletterend, de stad uit, tusschen de

huizen door, zoodat het er in de straten van gonsde, voor een oogenblik

over het groene veld snorrende, zich in den vochtigen grond borende,

bulderend voortstuivende door de duisternis en de dompig benauwde

lucht, en weder uitbarstende in den zonnigen dag; voort, al gillend,

snuivend en kletterend, door de velden, door de bosschen, door het

koren, door het hooi, door het krijt, door de mulle aarde, door de

klei, door de rots, tusschen voorwerpen zoo dichtbij dat men ze bijna

met de hand kon grijpen, maar die telkens den reiziger ontsnappen, en

een bedriegelijk verschiet dat altijd langzaam schijnt mee te gaan:

evenals in het spoor van het genadelooze monster, de dood.

Door de vallei, over de hoogte, over de heide, langs den boomgaard,

langs het park, langs den tuin, over het kanaal, over de rivier, waar

de schapen grazen, waar de molen maalt, waar de schuit vaart, waar de

dooden rusten, waar de fabriek staat te rooken, waar de stroom bruist,

waar het dorpje zich verschuilt, waar de groote domkerk oprijst, waar

het barre duinland zich uitstrekt, en de wilde wind naar zijn

ongestadig believen het dorre kruid streelt of teistert; voort, al

gillend, snuivend en kletterend, zonder eenig spoor na te laten dan

stof en damp; evenals op de baan van het genadelooze monster, de dood.

Tegen den wind en het licht, de regenbui en den zonneschijn in, voort,

altijd voort, rolt en buldert de trein, woest en snel, glad en zeker;

en zware bruggen, die over de baan heen liggen, werpen een streepje

schaduw er op, voor het oog van een duim breedte, en zijn verdwenen.

Voort en altijd voort; een vluchtige blik op hutten, huizen, kasteelen,

rijke landgoederen, op landbouw en nijverheid, op menschen, op oude

wegen en paden, hetwelk alles klein en onbeduidend schijnt zoodra het

achtergelaten is; en dat wordt het dan ook, en wat anders dan zulke

vluchtige blikken heeft men op de baan van het ontembare monster, de

dood!

Voort, al gillend, snuivend en kletterend, zich wederom onder den grond

bedelvende, en met zulk eene woede van kracht en volharding

voortzwoegende, dat in de duisternis en den tochtwind de beweging

omgekeerd schijnt, en pijlsnel naar achteren schijnt te loopen, tot een

lichtstraal op den vochtigen muur doet blijken dat zijne vlakte als een

ijlende stroom voorbijvliegt. Voort, nog eens in het daglicht en door

het daglicht, met een gegil van verrukking, brullende, snuivende en

kletterende, alles met zijn zwarten adem aanblazende, somtijds voor een

oogenblik stilhoudende, waar zich een drom van gezichten vertoont, die

men over eene minuut niet meer ziet; somtijds gretig water slurpende,

en eer de pijp, waaruit het vuurmonster drinkt, heeft opgehouden te

lekken, alweder voortsnorrende in het blauwe verschiet.

Harder en harder nog gilt en brult de trein, wanneer hij met

onweerstaanbare vaart op zijn doel komt aansnellen, en nu is zijn weg,

gelijk die van den dood, dik met asch bestrooid. Alles in den omtrek is

zwart. Ver in de diepte liggen donkere waterplassen, modderige paden en

ellendige woningen. Dichtbij staan verzakte muren en vervallene huizen,

en door de beschadigde daken en vensters ziet men in de ellendige

kamers, waar gebrek en ziekte zich in vele ellendige gedaanten

verbergen, terwijl rook, en opeengedrongene gevels en schoorsteenen,

eene wanstaltigheid van kalk en steen, die eene wanstaltigheid van

lichaam en ziel tot schuilplaats strekt, het dompig verschiet

afsluiten. Terwijl Dombey uit het portier van zijn rijtuig ziet, komt

het hem niet in de gedachten dat het monster, dat hem daar gebracht

heeft, en het licht van den dag op deze dingen heeft doen schijnen, ze

niet gemaakt of veroorzaakt heeft. Dit was het welgepaste einde van den

tocht, en had het eind van alle dingen kunnen zijn, zoo woest en akelig

was het.

Zoo had hij, zijne eentonige gedachtenreeks vasthoudende, altijd dat

eene genadelooze monster voor zich. Alles zag zwart, en alles zag hem

koud en doodelijk aan, en hij wederom. Hij vond overal iets dat hem aan

zijne ramp herinnerde. Om zich heen zag hij eene onbarmhartige

zegepraal, die, in welken vorm ook, zijn trots kwetste en zijne

jaloezie prikkelde, maar vooral wanneer iemand of iets de liefde en de

gedachtenis van zijn gestorven kind met hem deelde.

Er was een gezichtje—hij had het den vorigen avond aangezien, en het

had hem ook aangezien, met oogen die in zijne ziel lazen, schoon zij

door tranen beneveld werden en zich spoedig achter twee bevende handjes

verborgen—dat op dezen tocht dikwijls voor zijne verbeelding oprees.

Hij zag het, met de uitdrukking die het den vorigen avond had,

schroomvallig smeekend naar hem opgeheven. Het was niet verwijtend,

maar het had iets van twijfel, bijna van hopend ongeloof, dat, toen hij

het wederom in de treurige zekerheid van zijn misnoegen zag verdwijnen,

naar verwijt geleek. Het was eene kwelling voor hem aan dit gezichtje

van Florence te denken.

Omdat hij eene nieuwere zachtere aandoening daarbij gevoelde? Neen,

omdat het gevoel, dat het bij hem opwekte—waarvan hij in vroeger tijd

slechts een voorgevoel had gehad—nu geheel duidelijk was geworden, hem

al te zeer ontroerde en te sterk dreigde te worden om er bedaard bij te

blijven. Omdat hij dit gezichtje ook herkende in dit algemeene,

tergende beklag dat hem evenals de lucht scheen te omringen. Omdat het

de schicht verscherpte van dien wreeden onmeedoogenden vijand, die

zijne gedachte zoo bezig hield, en hem een tweesnijdend zwaard in de

vuist gaf. Omdat hij, daar staande—het overgangstooneel, dat hij voor

zich had, met zijne eigene naargeestigheid kleurende, en het zoo tot

een tafereel van verval en verwoesting makende, in plaats tot eene

betere dingen belovende verandering—omdat hij, daar staande, in zijn

eigen hart wel wist, dat het leven evenveel schuld had aan zijn

verdriet, als de dood. Een kind was gestorven, en een overgebleven.

Waarom was het voorwerp zijner hoop weggenomen in plaats van haar?

De zachte, kalme, aanvallige verschijning, die hij niet uit zijne

verbeelding kon verbannen, deed geene andere gedachte bij hem opkomen

dan deze. Zij was hem van den eersten af onwelkom geweest; zij was nu

eene verzwaring van zijn bitter verdriet. Als zijn zoon zijn eenig kind

was geweest, en dezelfde slag hem getroffen had, zou die ook zwaar zijn

geweest om te dragen, maar oneindig lichter dan thans, nu de slag op

haar had kunnen vallen (die hij zonder eenig leed had kunnen verliezen,

dacht hij) en dit niet had gedaan. Haar liefderijk onschuldig

gezichtje, dat voor hem oprees, oefende geen verzachtenden of

innemenden invloed uit. Hij wees den engel van zich, en nam den

kwelduivel op, die zijn hart binnenkroop. Haar geduld, hare

goedhartigheid, hare jeugd, hare trouw, hare liefde, waren als zooveel

stofjes in de asch waarop hij zijn hiel zette. Hij zag haar beeld in de

akeligheid om hem heen, de somberheid niet verhelderende maar

verdonkerende. Meer dan eens op die reis, en thans weder, nu hij bij

het eind van zijn tocht stond te peinzen, kwam de gedachte bij hem op,

wat er toch was, dat hij tusschen zich zelven en de verschijning kon

plaatsen.

De majoor, die den geheelen weg langs had zitten hijgen en blazen,

alsof hij zelf eene stoommachine was, en wiens oog dikwijls van zijne

courant was afgedwaald om naar het uitzicht te gluren, alsof in den

rook van den trein eene geheele processie van te leur gestelde

jufvrouwen Tox medevloog en over het veld zweefde om zich ergens in een

schuilhoek te verbergen, wekte zijn vriend door hem te onderrichten,

dat de postpaarden waren voorgespannen en het rijtuig wachtte.

“Dombey,” zeide de majoor, hem met zijn rotting op den arm tikkende,

“gij moet niet nadenkend worden. Dat is een slecht aanwendsel. Oude

Joe, mijnheer, zou niet zoo taai zijn als gij hem nu ziet, als hij zich

ooit daaraan had overgegeven. Ge zijt een veel te groot man, Dombey, om

nadenkend te wezen. In uwe positie, mijnheer, zijt ge ver boven zoo

iets verheven.”

Daar de majoor, zelfs bij zijne vriendelijke berispingen, aldus de

waardigheid van Dombey in acht nam, en toonde hoezeer hij daarvan

doordrongen was, gevoelde Dombey zich meer dan ooit genegen om iemand,

die zooveel verstand en beleefdheid bezat, genoegen te geven. Terwijl

zij langs den straatweg voortreden, deed hij dus zijn best om naar de

vertelseltjes des majoors te luisteren, en de majoor, die deze manier

van reizen veel geschikter vond dan de vorige, om zijne spraakzaamheid

te laten uitblinken, deed zijn best om hem te onderhouden.

In zulk een vroolijk en spraakzaam humeur—slechts enkele malen in zijne

vertellingen gestoord door zijne gewone verschijnselen van

volbloedigheid, en ze somtijds afbrekende om op den inboorling uit te

varen, wien zijne Europeesche kleederen met eene uitheemsche

onmogelijkheid van passen aan het lijf zaten (overal lang waar zij

kort, en kort waar zij lang, spannend waar zij ruim en ruim waar zij

spannend moesten zijn, zonder dat de kleermaker eenige schuld daaraan

had) en waaraan hij een nieuwe sierlijkheid mededeelde door telkens,

als de majoor op hem uitvoer, er in weg te kruipen en als het ware in

te krimpen—in zulk een vroolijk en spraakzaam humeur bleef de majoor

den geheelen dag, zoodat toen de avond viel en hen op den belommerden

weg bij Leamington vond draven, en zijne stem, door al zijn praten,

eten, hoesten of keelschrapen, uit den koffer onder den bok of uit een

naburigen hooiberg scheen te komen. Niet helderder werd zij in het

Royal Hotel, waar kamers en een diner waren besteld, en waar de majoor

zijne spraakorganen door eten en drinken zoo zeer belemmerde, dat hij,

toen hij naar bed ging, geheel geene stem meer had dan om mede te

hoesten, en zich den bruinen knecht alleen verstaanbaar kon maken door

leelijke gezichten tegen hem te trekken.

Den volgenden morgen bij het ontbijt toonde hij echter wederom de

levenskracht en den eetlust van een reus. Onder dezen maaltijd werd

eene schikking gemaakt hoe men voortaan den dag zou besteden. De majoor

zou de verantwoordelijkheid voor het bestellen van eten en drinken op

zich nemen, en zij zouden dagelijks te zamen ontbijten en dineeren.

Dombey wilde op dien eersten dag van hun verblijf te Leamington liever

op zijne kamer blijven of alleen naar buiten wandelen; maar den

volgenden morgen zou hij den majoor gaarne naar de bronzaal en door de

stad vergezellen. Zoo scheidden zij tot aan het diner. Dombey zonderde

zich af om zich in zijne eigene heilzame gedachten te verdiepen. De

majoor (vergezeld door den inboorling, die een vouwstoeltje, eene

overjas en eene paraplu droeg) kuierde alle openbare plaatsen op en

neer, keek alle inteekenlijsten na, om te zien wie er was, sprak oude

dames aan, die zeer met hem ingenomen waren, vertelde dat J. B. taaier

was dan ooit, en pochte overal op zijn rijken vriend Dombey. Er is

nooit iemand geweest die trouwer vriend was dan de majoor, wanneer hij

door op dezen te pochen op zich zelven kon pochen.

Het was verwonderlijk hoeveel nieuwe stof tot praten de majoor onder

den maaltijd had, hoeveel reden hij Dombey gaf om zijne gezellige

talenten te bewonderen. Den volgenden morgen bij het ontbijt wist hij

den inhoud der pas ontvangene couranten, en sprak in verband daarmede

van verscheidene zaken, waarover onlangs zijn gevoelen gevraagd was

door personen van zooveel macht en aanzien, dat men slechts met

bewimpelde uitdrukkingen van hen mocht spreken. Dombey, die zich

zoolang in zich zelven had opgesloten, en maar zelden, zoo al ooit, den

tooverkring had overschreden waarbinnen de operatiën van Dombey en Zoon

plaats hadden, begon dit iets veel beters dan zijn eenzaam leven te

vinden; en in plaats van den volgenden dag weder eene reden te zoeken

om in huis te blijven, gelijk hij zich had voorgenomen toen hij alleen

was, ging hij arm in arm met den majoor uit wandelen.

Dombey en Zoon · 第 39 / 125 题