WALTER VERTREKT.

De houten adelborst aan de deur des instrumentmakers, die ook een hard

houten hart had, bleef geheel onverschillig voor Walter’s aanstaand

vertrek, zelfs toen de laatste dag, dien deze in het achterkamertje zou

doorbrengen, ten einde liep. Met zijne sextant voor het kogelronde

zwarte oog, en altijd op het punt om vlug vooruit te stappen, bleef de

houten adelborst met zijne korte broek pronken, en stelde hij, in de

wetenschap verdiept, geen het minste belang in aardsche zaken. Hij was

in zooverre van omstandigheden afhankelijk, dat een droge dag hem met

stof bedekte, een mistige dag hem met roetstippen bestrooide, een

regenachtige dag zijne verbleekte uniform voor het oogenblik

ophelderde, en een buitengewoon heete dag hem deed bladderen; maar

anders was hij een hardvochtige, eigenwijze adelborst, die aan niets

anders dacht dan zijne eigene ontdekkingen, en zich zoo weinig

bekommerde om hetgeen er op de wereld en om hem heen gebeurde, als

Archimedes bij het innemen van Syracuse.

Zulk een adelborst scheen hij ten minste in den toenmaligen staat der

huiselijke zaken te zijn. Walter zag hem bij het uit- en ingaan

dikwijls vriendelijk aan; en de arme oude Sam kwam, als Walter er niet

was, dikwijls tegen den post der deur staan leunen, en liet zijne

vermoeide pruik zoo dicht hij kon bij de schoengespen van den

beschermgeest van zijn winkel rusten. Maar geen wanschapen afgod, met

een mond van het eene oor tot het andere, was ooit onverschilliger voor

het roepen zijner heidensche aanbidders, dan de houten adelborst voor

deze blijken van gehechtheid was.

Walter’s hart was beklemd, toen hij in zijn slaapkamertje rondzag en

naar de schoorsteenen daar buiten keek, en bedacht, dat de nacht, die

nu reeds begon te vallen, zijne kennis daarmede, misschien voor altijd,

zou besluiten. Reeds ontdaan van de kleine uitstalling van boeken en

prenten, zag het kamertje hem koud en verwijtend aan, en had het reeds

een zweem van zijne aanstaande vreemdheid. “Nog eenige uren,” dacht

Walter, “en geen droom, dien ik hier ooit als een schooljongen heb

gehad, zal minder mijn eigendom zijn dan dit oude kamertje. De droom

mag in mijn slaap terugkomen, en ik mag wakend weder hier komen; maar

de droom zal ten minste geen ander meester dienen, en het kamertje kan

er twintig krijgen, en ieder van die meesters kan het veranderen,

verwaarloozen of misbruiken.”

Maar zijn oom moest niet in het achterkamertje alleen blijven zitten,

waar hij nu toch reeds eene poos alleen was geweest; want kapitein

Cuttle, ruw, maar toch bedachtzaam, was zeer tegen zijn zin met opzet

weggebleven, opdat oom en neef ongehinderd met elkander konden spreken;

en zoo ging Walter, pas van zijne laatste dagdrukte naar huis gekomen,

spoedig naar beneden om hem gezelschap te houden.

“Oom,” zeide hij vroolijk, zijne hand op des ouden mans schouder

leggende, “wat moet ik u van Barbados zenden?”—“Hoop, mijn beste Wally.

Hoop dat wij elkander zullen wederzien, aan dezen kant van het graf.

Zend mij daarvan zooveel gij kunt.”—“Dat zal ik, oom. Ik heb genoeg en

over, en zal er niet karig mee zijn. En wat levendige schildpadden

betreft, en citroenen voor kapitein Cuttle’s punch, en confituren voor

u op zondag, daarvan zal ik u scheepsladingen zenden, zoodra ik maar

rijk genoeg ben.”

Oude Samuel veegde zijn bril af en glimlachte flauw.

“Zoo is het goed, oom!” riep Walter vroolijk, hem nog eenige malen op

den schouder kloppende. “Beur gij mij maar op! Ik zal u opbeuren! Wij

zullen morgenochtend zoo vroolijk als leeuweriken zijn en even hoog

vliegen. Mijne vooruitzichten zijn nu al in de wolken.”—“Wally, mijn

goede jongen,” zeide de oude man. “Ik zal mijn best doen, ik zal mijn

best doen.”—“En uw best, oom,” zeide Walter, met zijn innemenden lach,

“is het beste best dat ik ken. Gij zult niet vergeten, wat ge mij

zenden moet, oom?”—“Neen, Walter, neen,” was het antwoord, “al wat ik

van jonge jufvrouw Dombey hoor, nu zij zoo alleen is, het arme schaap,

zal ik u schrijven. Maar ik vrees, dat het niet veel zal zijn,

Walter.”—“Wat, ik zal u eens wat zeggen, oom,” zeide Walter, na een

oogenblik aarzelens. “Ik ben zoo even daarheen geweest.”—“Zoo, zoo,

zoo!” zeide de oude man, zijne wenkbrauwen optrekkende, en daardoor te

gelijk zijn bril omhoogschuivende.—“Niet om haar te zien,” zeide

Walter, “schoon ik haar wel had kunnen zien, denk ik, als ik er om

gevraagd had, nu mijnheer Dombey uit de stad is, maar om met Suze een

woordje tot afscheid te spreken. Ik dacht dat ik dit wel mocht doen,

onder deze omstandigheden, en als men bedenkt, wanneer ik jonge

jufvrouw Dombey het laatst gezien heb.”—“Ja, mijn jongen, ja,”

antwoordde zijn oom, uit eene korte vlaag van verstrooidheid

ontwakende.—“Ik vroeg dus naar haar,” vervolgde Walter, “naar Suze,

meen ik, en zeide haar, dat ik morgen zou vertrekken. En ik zeide haar,

oom, dat gij altijd zooveel belang in jonge jufvrouw Dombey hadt

gesteld, sedert den avond toen zij hier was, en haar altijd geluk en

voorspoed hadt gewenscht, en altijd vereerd en verheugd zoudt zijn als

gij haar den minsten dienst kondt bewijzen; ik dacht dat ik dit wel

mocht zeggen, in deze omstandigheden, weet ge. Denkt gij dat ook

niet?”—“Ja, mijn jongen, ja,” antwoordde zijn oom, op denzelfden toon

als te voren.—“En ik voegde er nog bij,” vervolgde Walter, “dat als

zij, Suze meende ik, u ooit kon laten weten, hetzij zelve, of door

jufvrouw Richards of iemand anders, die dezen weg uitkwam, dat jonge

jufvrouw Dombey gezond en gelukkig was, gij dat voor heel vriendelijk

zoudt houden, en het mij zoudt schrijven, en dat ik het ook voor heel

vriendelijk zou houden. Daar nu! Op mijn woord, oom,” zeide Walter, “ik

heb verleden nacht haast niet kunnen slapen, zoo heb ik liggen denken

of ik dit zou doen of niet, en ik kon maar niet tot een besluit komen;

en toch is het waarlijk het echte gevoel van mijn hart, en ik zou

naderhand heel verdrietig zijn geweest als ik dat niet had lucht

gegeven.”

Zijn toon was bewijs genoeg van zijne oprechtheid.

“Als gij haar dus ooit ziet, oom,” hervatte Walter, “ik meen nu jonge

jufvrouw Dombey—en misschien zult ge wel; wie weet het!—zeg haar dan

hoeveel gevoel ik voor haar had; hoe ik altijd aan haar dacht toen ik

hier was; hoe ik nog met tranen in de oogen van haar sprak, op den

laatsten avond eer ik heenging. Zeg haar, hoe ik toen nog gezegd heb,

dat ik nooit hare zachte manieren, of haar lief gezichtje kon vergeten,

of haar lief en vriendelijk karakter, dat nog beter dan alles was. En

daar ik ze geene jonge dame van de voeten heb genomen, maar alleen een

onnoozel kind,” zeide Walter, “zeg haar dus, oom, als het u niet

schelen kan, dat ik die schoenen heb bewaard—zij zal nog wel weten hoe

dikwijls ze dien avond uitgingen—en ze als eene gedachtenis heb

meegenomen!”

Zij werden juist in een van Walter’s koffers de deur uitgedragen. Een

kruier, die zijne bagage op een wagen laadde, om ze aan boord van de

Zoon en Erfgenaam te brengen, had ze in zijne macht en reed er mede

heen, uit de oogen van den gevoelloozen adelborst, bijna eer de

eigenaar nog had uitgesproken.

Maar men had dien ouden zeeman zijne onverschilligheid voor den schat,

die daar werd weggevoerd, wel kunnen vergeven, want vlak in de richting

van zijne sextant en zijne scheelziende oogen, waren Florence en Suze

Nipper; Florence keek zelve half beschroomd naar hem op en ontving den

geheelen schok van zijn houten lonk.

Nog meer, zij gingen den winkel in naar de deur van het achterkamertje,

eer iemand anders dan de houten adelborst ze had waargenomen; en

Walter, die met zijn rug naar de deur zat, zou zelfs toen nog niets van

hare verschijning hebben geweten, als hij zijn oom niet van zijn stoel

had zien opspringen en bijna over een anderen heen tuimelen.

“Oom!” riep hij uit. “Wat scheelt er aan?”—“Jonge jufvrouw Dombey!” was

het antwoord.—“Is het mogelijk!” riep Walter, omkijkende en insgelijks

opspringende. “Hier!”

Het was zoo mogelijk en zoo werkelijk, dat, eer nog de woorden uit zijn

mond waren, Florence hem voorbij snelde, oom Sam’s koffiebruine

lappellen vatte, met elke hand een, hem een kus op de wang drukte, en

zich toen naar Walter keerende, hem met de eenvoudigheid en

hartelijkheid, die haar en niemand anders in de wereld eigen waren,

hare hand reikte.

“Gij gaat heen, Walter!” zeide Florence.—“Ja, jufvrouw Dombey,”

antwoordde hij, maar niet met zooveel hoop in zijn toon als hij wel

gewild had. “Ik heb eene reis vóór mij.”—“En uw oom,” zeide Florence,

weder naar Samuel omziende. “Het spijt hem zeker dat gij heengaat. Ja,

dat zie ik wel. Beste Walter, het spijt mij ook zeer.”—“Onze lieve Heer

weet,” riep Suze nu uit, “dat er menigeen is dien wij beter konden

missen, als het daarom te doen was; mevrouw Pipchin zou als opzichter

haar gewicht in goud waard zijn, en als men zwarte slaven moest kunnen

drijven, zouden die Blimber’s juist de menschen zijn voor zulk een

post.”

Daarmede maakte zij de linten van haar hoed los, en nadat zij voor een

oogenblik verstrooid in een zwart trekpotje had gekeken, dat bij het

gewone eenvoudige theeservies op de tafel stond, schudde zij haar hoofd

en een blikken busje en ging ongevergd thee zetten.

Ondertusschen had Florence zich weder naar den ouden instrumentmaker

gekeerd, die even vol van opgetogenheid als verwondering stond te

kijken. “Zooveel grooter!” zeide hij. “Zooveel mooier! En toch niet

veranderd! Nog juist dezelfde!”—“Waarlijk!” zeide Florence.—“Ja-a!”

antwoordde de oude man, langzaam zijne handen wrijvende, en hardop

denkende, terwijl iets peinzends in de heldere oogen, die hem aanzagen,

zijne aandacht boeide. “Ja, die uitdrukking had het jongere gezichtje

ook.”—“Gij herinnert u mij dus nog,” zeide Florence met een glimlach;

“en welk een klein dingetje ik toen was?”—“Lieve jonge jufvrouw,”

antwoordde de instrumentmaker, “hoe kon ik u vergeten, zoo dikwijls als

ik sedert om u gedacht en van u gehoord heb! Zelfs op het oogenblik

toen gij binnenkwaamt was Walter over u aan het praten, en gaf mij

boodschappen voor u, en...”—“Deed hij dat?” zeide Florence. “Daarvoor

dank ik u, Walter. Ik was bang dat gij mocht heengaan zonder haast om

mij te denken.” En wederom gaf zij hem haar handje zoo vrijmoedig en

hartelijk, dat Walter het niet zoo terstond weder kon loslaten, maar

het eene poos vasthield.

Hij hield het echter niet zoolang vast als hij misschien eens zou

gedaan hebben, en het deed ook die oude droomen zijner jongensjaren

niet weder ontwaken, die hem zelfs nog niet lang geleden somtijds voor

den geest hadden gezweefd en hem met hunne verwarde en onduidelijke

beelden verbijsterd. De reinheid en onschuld harer lieftalligheid, haar

onbeperkt vertrouwen en de ongeveinsde achting voor hem, die uit hare

zachte oogen en haar lief gezichtje spraken, in weerwil van den

glimlach die het overschaduwde—want, helaas, het was een te treurige

glimlach om het te verhelderen—hadden niets van dat romaneske. Zij

voerden zijne gedachten terug naar het vroegere sterfbed dat hij haar

had zien verzachten, en de liefde die het kind haar had toegedragen; en

op de vleugelen van zulke herinneringen scheen zij zich, ver boven

zijne ijdele hersenschimmen, in reiner lucht te verheffen.

“Ik—ik zou u gaarne Walter’s oom willen noemen, mijnheer,” zeide

Florence, tot den ouden man, “als ge dat wel wilt hebben.”—“Lieve jonge

jufvrouw!” riep de oude Samuel uit. “Willen hebben! Wel goede

hemel!”—“Wij hebben altijd met dien naam van u gesproken,” zeide

Florence, in het rond ziende en met een zachten zucht. “Dat aardige

oude kamertje! Nog juist hetzelfde! Hoe goed heugt het mij nog!”

Samuel zag eerst haar en toen zijn neef aan, wreef toen in zijne

handen, veegde toen zijn bril af en zeide binnensmonds: “O, die tijd,

die tijd, die tijd!”

Er volgde eene korte poos van stilte, waaronder Suze Nipper knaphandig

nog twee kopjes en schoteltjes uit de kas kreeg, en peinzend wachtte

terwijl de thee stond te trekken.

“Ik moet Walter’s oom,” zeide Florence, hare hand schroomvallig op die

des ouden mans leggende, welke op de tafel rustte, “iets zeggen

waarover ik bekommerd ben. Hij zal alleen blijven, en als hij mij wil

toelaten—niet om Walter’s plaats te vervullen, want dat zou ik niet

kunnen, maar om zijne ware vriendin te zijn en hem zoo veel te helpen

als ik kan terwijl Walter weg is, dan zal ik hem waarlijk zeer

verplicht wezen. Wilt gij? Mag ik, Walter’s oom?”

De instrumentmaker bracht zonder te spreken hare hand aan zijne lippen,

en Suze Nipper, met over elkander geslagene armen achteroverleunende in

den presidentsstoel, waarop zij zich eigenmachtig had geplaatst, beet

op een lint van haar hoed, en slaakte een zachten zucht, terwijl zij

naar het lantarenraam opzag.

“Gij wilt dan wel dat ik naar u kom zien als ik kan,” zeide Florence,

“en gij zult geene geheimen voor Suze hebben, als zij komt en ik niet

kan, maar zult ons vertrouwen en op alles antwoord geven. En gij zult

ons toelaten ons best te doen om u een troost te wezen? Wilt gij,

Walter’s oom?”

Het lieve gezichtje, dat naar hem opzag, de vriendelijke smeekende

oogen, de zachte stem, de lichte druk op zijn arm, alles nog innemender

door den kinderlijken eerbied voor zijne jaren, die er een bevalligen

zweem van twijfeling en beschroomdheid aan gaf—dit, en de natuurlijke

ernst harer hartelijkheid, overweldigden den ouden instrumentmaker zoo

zeer, dat hij niets anders antwoordde dan: “Walter, zeg toch een woord

voor mij, beste jongen. Ik ben dankbaar, heel dankbaar.”—“Neen,

Walter,” zeide Florence, met haar kalmen glimlach. “Zeg niets voor hem

als het u belieft. Ik versta hem goed, en wij moeten leeren zonder u

met elkander te praten, beste Walter.”—“Jufvrouw Florence,” antwoordde

hij, zijn best doende om den vroolijken toon te hernemen, waarmede hij

met zijn oom had gesproken. “Ik weet waarlijk even weinig als mijn oom,

wat ik zeggen zal om zulke goedheid en vriendelijkheid te erkennen.

Maar wat kon ik ook zeggen, al had ik het vermogen om een uur lang te

praten, behalve dat gij doet gelijk men van u kon verwachten!”

Suze Nipper begon aan een nieuw eind van haar lint, en knikte tegen den

zolder, ten teeken van hare goedkeuring.

“Maar, Walter,” zeide Florence, “er is iets, dat ik u wenschte te

zeggen eer gij heengaat, en gij moet mij Florence noemen als het u

belieft, en niet spreken als een vreemde.”—“Als een vreemde!” herhaalde

Walter. “Neen, waarlijk, dat zou ik niet kunnen. Ten minste zeker niet

met het gevoel van een vreemde.”—“Ja, maar dat is niet genoeg, en het

is niet wat ik meen,” zeide Florence. “Want Walter,” vervolgde zij, in

tranen uitbarstende, “hij hield heel veel van u, en voor zijn dood

zeide hij dat hij dat deed, en zeide nog “denk om Walter!” en als gij

nu een broeder voor mij wilt zijn, Walter, nu hij weg is en ik niemand

op de wereld meer heb, zal ik al mijn leven eene zuster voor u wezen,

en als eene zuster aan u denken, waar wij ook zijn! Dit is het dat ik u

wenschte te zeggen, lieve Walter, maar ik kan het niet zoo goed zeggen

als ik wilde, omdat mijn hart te vol is.”

En in de volheid en lieve eenvoudigheid van haar hart, stak zij hem

beide handen toe. Walter nam ze, bukte en raakte met zijne lippen het

betraande gezichtje aan, dat zich niet terugtrok of omkeerde, en ook

niet bloosde toen hij dit deed, maar met gerustheid en vertrouwen naar

hem opzag. In dat oogenblik verdween alle zweem van twijfel of onrust

uit Walter’s gemoed. Het was hem als beantwoordde hij hare onschuldige

bede bij het bedje van het doode kind; en denkende aan het plechtige

dat hij daar had gezien, verbond hij zich om zelfs haar beeld, in zijne

ballingschap, met broederlijke hoogachting te vereeren en lief te

hebben, om haar eenvoudig vertrouwen nooit te schenden, en zich zelven

diep vernederd te achten als hij ooit eene gedachte daarbij koesterde,

die niet in haar eigen hart was toen zij het hem gaf.

Suze Nipper, die beide hare linten had doorgebeten en het lantarenraam

van niet weinig geheime aandoening deelgenoot gemaakt, bracht nu een

ander onderwerp op het tapijt door te vragen wie er melk en suiker

gebruikte; en hieromtrent ingelicht schonk zij thee. Alle vier

verzamelden zich gezellig om de kleine tafel, en genoten wat de

ijverige jonge dame hun aanbood; en Florence’s tegenwoordigheid in het

achterkamertje scheen zelfs de kleur van het fregat de Tartaar aan den

wand te verhelderen.

Een half uur geleden had Walter haar, om alles in de wereld, niet bij

haar naam durven noemen. Maar nu zij hem zelve daarom verzocht, kon hij

dat wel doen. Hij kon aan haar bijzijn denken, zonder eenigen geheimen

schroom dat het beter zou geweest zijn als zij niet gekomen was. Hij

kon met kalmte denken hoe schoon zij was, hoeveel schooner zij nog

beloofde te worden, en welk eene rustplaats een of ander gelukkig man

eens in zulk een hart zou vinden. Hij dacht aan zijne eigene plaats in

dat hart, met edelen trots en een moedig besluit om die, zoo niet te

verdienen—dit achtte hij nog ver boven zich—ze nooit minder waardig te

worden.

Er moet iets tooverachtigs zijn geweest in de manier waarop Suze thee

schonk, hetwelk oorzaak was van het rustige dat er ondertusschen in het

achterkamertje heerschte; en een tegenovergestelde invloed moet oom

Sam’s chronometer hebben voortgejaagd en hem harder doen loopen dan het

fregat de Tartaar ooit voor den wind zeilde. Dit zij gelijk het wil, de

bezoeksters hadden niet veraf op een stil hoekje eene koets laten staan

wachten; en toen de chronometer toevallig werd geraadpleegd, was deze

zoo stellig van meening dat de koets reeds zeer lang had staan wachten,

dat het onmogelijk was er aan te twijfelen. Oom Sam had liever alles

willen doen dan bekennen dat zijn chronometer voorliep.

Bij het afscheid herhaalde Florence nog eens alles, wat zij den ouden

man gezegd had, en bond hem door eene uitdrukkelijke belofte aan hun

verdrag. Oom Sam geleidde haar met vaderlijke vriendelijkheid tot aan

de beenen van den houten adelborst en gaf haar daar aan Walter over,

die gereed was om haar en Suze naar de koets te brengen.

“Walter,” zeide Florence onderweg, “ik heb u dat voor uw oom niet

durven vragen. Denkt ge dat ge lang zult wegblijven?”—“Dat weet ik

waarlijk niet,” antwoordde Walter. “Ik vrees van ja. Mijnheer Dombey

gaf mij dat vrij duidelijk te kennen, dacht ik, toen hij mij

benoemde.”—“Is het eene gunst, Walter?” zeide Florence, na een

oogenblik bedenkens, en zag hem angstig aan.—“Die benoeming?” vroeg

Walter.—“Ja.”

Walter had gaarne een bevestigend antwoord willen geven, maar zijn

gezicht antwoordde reeds eer zijne lippen dit konden, en Florence was

te oplettend om dat antwoord niet te verstaan.

“Ik vrees dat gij eigenlijk geen gunsteling van papa zijt geweest,”

zeide zij beschroomd.—“Er is geene reden waarom ik dat zijn zou,”

antwoordde Walter met een glimlach.—“Geene reden, Walter!”—“Er was

geene reden,” hervatte Walter, hare meening begrijpende. “Er zijn er

zoo veel op het kantoor. Tusschen mijnheer Dombey en een jong mensch

zooals ik is een groote afstand. Als ik mijn plicht doe, doe ik maar

wat ik moet en niet meer dan al de anderen.”

Koesterde Florence eene achterdocht, waarvan zij zich zelve nauwelijks

bewust was—eene achterdocht die onduidelijk bij haar was opgekomen,

sedert dien nacht toen zij in haar vaders kamer was geweest—dat

Walter’s belangstelling in haar en toevallige kennis met haar, hem

misschien dat geduchte ongenoegen hadden op den hals gehaald? Had

Walter zelf zulk een denkbeeld, of viel het hem eensklaps in dat het

haar op dat oogenblik voor den geest zweefde? Geen van beiden sprak er

van. Eene korte poos spraken zij in het geheel niet. Suze, die aan den

anderen kant naast Walter ging, zag hen beide scherp aan; en hare

gedachten namen zeker die richting, en wel met zeer weinig twijfel.

“Gij kunt misschien heel gauw terugkomen, Walter,” zeide Florence.—“Ik

kan als een oud man terugkomen,” antwoordde Walter, “en u eene oude

dame vinden. Maar ik hoop beter.”—“Papa,” zeide Florence, na een

oogenblik stilzwijgens, “zal zich van dien slag herstellen, en—en dan

vrijer met mij spreken, eens misschien; en als hij dat doet, zal ik hem

zeggen hoe ik verlang u weer te zien, en hem vragen om u om mijnentwil

terug te roepen.”

Er was eene weifeling in deze woorden over haar vader, die Walter maar

te wel begreep.

Daar de koets dichtbij was, zou hij haar zonder meer te zeggen hebben

verlaten, want hij gevoelde nu wat het scheiden was; maar toen Florence

zat drukte zij hem nog de hand, en hij vond dat zij een klein pakje in

de hare had.

“Walter,” zeide zij, hem met hare vriendelijke oogen aanziende,

“evenals gij, hoop ik op beter. Ik zal er om bidden en wil gelooven dat

het komen zal. Ik geef die kleinigheid voor Paul. Ik bid u, neem ze met

mijne hartelijke wenschen, en zie er niet naar eer gij vertrokken zijt.

En nu, God zegene u, Walter! Vergeet mij nooit! Gij zijt mijn broeder!”

Hij was blijde dat Suze tusschen hen in kwam, of zij zou hem misschien

met eene treurige herinnering hebben verlaten. Hij was ook blijde, dat

zij niet weder uit de koets keek, maar slechts met haar handje wuifde,

zoolang hij het kon zien.

In spijt van haar verzoek, kon hij niet nalaten het pakje te openen

toen hij dien avond naar bed ging. Het was een beursje, en er was geld

in.

Helder rees de zon den volgenden morgen op, en Walter ontving haar met

den kapitein, die reeds aan de deur was, daar hij vroeger dan noodig

was uitgegaan, om weg te komen, terwijl jufvrouw MacStinger nog

sluimerde. De kapitein veinsde zeer vroolijk te zijn, en bracht in een

der zakken van zijne blauwe jas eene zeer sterk gerookte ossetong voor

het ontbijt mede.

“En, Walter,” zeide de kapitein, toen zij om de tafel zaten, “als uw

oom de man is waarvoor ik hem houd, zal hij bij deze gelegenheid de

laatste flesch van dien madera opentrekken.”—“Neen, neen, Edward,”

zeide de oude man. “Neen. Die moet worden opengetrokken als Walter weer

thuis komt.”—“Wel gezegd!” zeide de kapitein. “Goed zoo!”—“Daar ligt

zij,” hervatte Samuel Gills, “in het keldertje, met stof en

spinnewebben bedekt. Misschien zullen gij en ik ook wel onder stof en

spinnewebben liggen, eer zij wordt opengetrokken.”—“Goed zoo!” riep de

kapitein. “Eene mooie zedeles. Walter, mijn jongen, buig den vijgeboom

den weg dien hij gaan moet, en als gij oud zijt, kunt gij onder zijne

schaduw zitten. Kijk maar na in—ja,” zeide de kapitein zich bedenkende,

“ik ben niet recht zeker waar dat te vinden is; maar als gij het vindt

zet er dan een streepje bij. Sam Gills, ga maar weer voort!”—“Maar

daar, of ergens, zal zij blijven liggen, tot Walter terugkomt om ze op

te eischen,” zeide de oude man. “Dat is wat ik wilde zeggen.”—“En het

is goed gezegd, mooi gezegd,” antwoordde de kapitein, “en als wij met

ons drieën die flesch niet in gezelschap kraken, geef ik u beiden

verlof om mijne portie op te drinken.”

In weerwil der buitengewone vroolijkheid des kapiteins, smaakte de

ossetong hem toch lang niet goed, hoewel hij, als er iemand naar hem

keek, zijn best deed om zich te houden alsof hij zeer hongerig at. Hij

was ook schrikkelijk bang om met den oom of den neef alleen te blijven,

en scheen te denken dat hij dan alleen kans had om zich goed te houden,

als zij altijd met hun drieën bij elkander bleven. Deze angst des

kapiteins deed hem op verschillende schrandere invallen komen. Zoo liep

hij, toen Samuel zijne jas ging aantrekken, naar de deur, onder

voorwendsel dat hij iets zeer buitengewoons aan eene voorbijkomende

huurkoets zag; en toen Walter naar boven ging om van de inwoners

afscheid te nemen, stapte hij de straat op, voor reden gevende dat hij

brand in een naburigen schoorsteen rook. Deze kunstgrepen hield

kapitein Cuttle voor ondoorgrondelijk voor alle menschelijk vernuft.

Walter kwam van zijn afscheidnemen terug en ging den winkel door naar

het achterkamertje, toen hij een gezicht, dat hij kende, door de

voordeur zag binnenkijken en er dadelijk op toeschoot.

“Mijnheer Carker,” zeide hij, Carker Junior de hand drukkende. “Kom

toch binnen. Dat is vriendelijk van u, dat ge zoo vroeg hier zijt om

mij goedendag te zeggen. Gij wist wel, hoe gaarne ik u nog eens de hand

zou geven eer ik heenging. Ik kan niet zeggen hoe blij ik er mee ben.

Kom toch binnen.”—“Het is niet waarschijnlijk dat wij elkander ooit

zullen weerzien, Walter,” zeide de ander, zacht wederstand biedende,

“en ik ben zoo blijde dat ik u nog eens zie. Nu wij zoo spoedig zullen

scheiden, durf ik wel tot u spreken en u de hand geven. Ik behoef nu

uwe hartelijkheid niet meer af te wijzen, Walter.”

De glimlach waarmede hij dit zeide had iets treurigs, waaruit bleek dat

hij zelfs in hun geringen en van zijn kant stroeven omgang zeker

gezelschap had gevonden.

“O, mijnheer Carker!” zeide Walter; “waarom hebt gij ze afgewezen? Ik

ben overtuigd, dat ge mij niet anders dan goed hadt kunnen doen.”

Hij schudde zijn hoofd. “Als ik op de wereld nog iets goeds kon doen,”

zeide hij, “zou ik het voor u doen, Walter. Uw gezicht van dag tot dag,

is te gelijk een genoegen en eene wroeging voor mij geweest. Maar het

genot ging de smart te boven. Dat weet ik nu, door te gevoelen wat ik

verlies.”—“Kom binnen, mijnheer Carker, en maak eens kennis met mijn

goeden, ouden oom,” zeide Walter dringend. “Ik heb hem dikwijls over u

gesproken, en hij zal u gaarne alles vertellen wat hij van mij hoort.

Ik heb,” vervolgde Walter, zijne aarzeling opmerkende en nu zelf

eenigszins verlegen wordende, “ik heb hem niets van ons laatste gesprek

gezegd, mijnheer Carker; zelfs hem niet, geloof mij.”

De grijze Junior drukte hem de hand en tranen kwamen hem in de oogen.

“Als ik ooit kennis met hem maak, Walter,” zeide hij, “zal het zijn om

tijding van u te kunnen hooren. Gij kunt er op aan dat ik uwe goedheid

en verdraagzaamheid niet zal misbruiken. Het zou een misbruik wezen,

als ik hem niet de geheele waarheid zeide, eer ik een vertrouwelijk

woord van hem zocht te krijgen. Maar ik heb geen vriend of bekende

behalve u, en zelfs om uwentwil is het niet waarschijnlijk dat ik er

nog een zal zoeken.”—“Ik wenschte,” antwoordde Walter, “dat ge mij

waarlijk uw vriend hadt laten zijn. Dat heb ik altijd gewenscht,

mijnheer Carker, zooals gij weet; maar nooit half zooveel als nu, nu

wij zullen scheiden.”—“Het is genoeg,” was het antwoord, “dat gij in

mijne eigene gedachten mijn vriend zijt geweest, en dat toen ik u het

meest vermeed, mijn hart u het meest was toegedaan. Vaar wel nu,

Walter!”—“Vaar wel, mijnheer Carker! De Hemel zij met u, mijnheer!”

riep Walter met aandoening uit.—“Als gij,” zeide de ander, zijne hand

vasthoudende, “als gij, wanneer gij terugkomt, mij mist in mijn ouden

hoek, en van iemand mocht hooren waar ik lig, kom dan eens naar mijn

graf zien. Denk dat ik even eerlijk en gelukkig had kunnen zijn als

gij! En laat ik denken, als ik weet dat mijn tijd nadert, dat iemand

gelijk ik vroeger was, daarvoor een oogenblik kan blijven staan, en met

medelijden en vergiffenis aan mij denken. Vaar wel nu, Walter!”

Zijne gedaante gleed als eene schaduw in den helderen zonneschijn de

straat af, en verdween in de verte.

De onbarmhartige chronometer verkondigde ten laatste dat Walter den

houten adelborst den rug moest keeren; en zij reden, hij zelf, zijn

oom, en de kapitein, met eene huurkoets naar de werf, van waar zij met

eene stoomboot naar eene bocht van de rivier zouden varen, welker naam,

gelijk de kapitein dien uitsprak, voor de ooren van ieder landsman een

raadsel moest blijven. Aan die bocht gekomen (waarheen het schip met

het laatste getij was verzeild) werden zij door onderscheidene

opgewonden bootroeiers aan boord geklampt, onder anderen door een

smerigen Cycloop, een bekende van den kapitein, die hem met zijn eene

oog reeds op eene halve mijl afstands had onderscheiden, en zoolang een

onverstaanbaar geschreeuw met hem had gewisseld. De wettige prooi van

dezen persoon geworden, die altijd eene schorre stem en een ongeschoren

baard scheen te moeten hebben, werden zij alle drie aan boord van de

Zoon en Erfgenaam gebracht, waar op het oogenblik eene groote

verwarring heerschte, het natte dek met losse zeilen en touwen was

overspreid, bestemd, naar het scheen, om iemand een beentje te te

lichten, mannen met roode hemden blootsvoets naar voren en naar

achteren liepen, kisten en vaten overal den weg verstopten, en, in het

dichtste gedrang, een zwarte kok, in eene zwarte kombuis, blind van den

rook, tot aan de oogen in groenten zat gedoken.

De kapitein trok Walter dadelijk terzijde, en haalde met eene

inspanning, waarvan zijn gezicht rood werd, het zilveren horloge uit,

dat zoo groot was en zoo stijf in zijn zak zat, dat het er met een

“pop” uitschoot.

“Walter,” zeide de kapitein het hem overgevende, en hem hartelijk de

hand schuddende, “een afscheidspresentje, mijn jongen. Zet het ’s

morgens een half uur, en ’s avonds nog een kwartier, achteruit, en het

is een horloge waarvan ge pleizier zult hebben.”—“Kapitein Cuttle, daar

kan ik niet aan denken,” zeide Walter, hem vasthoudende, want hij liep

al weg. “Ik bid u, neem het terug. Ik heb er al een.”—“Dan, Walter,”

zeide de kapitein, eensklaps in zijne zakken duikende, en de twee

theelepeltjes en de suikertang ophalende, waarmede hij zich tegen zulk

een bezwaar had gewapend. “Neem dan die stukjes zilver in

plaats.”—“Neen, neen, dat kan ik waarlijk niet,” zeide Walter;

“duizendmaal dank. Gooi ze niet weg, kapitein Cuttle,” want de kapitein

wilde ze over boord werpen. “Zij zullen u veel beter te pas komen dan

mij. Geef mij uw stok. Ik heb al dikwijls gedacht, dat ik dien graag

zou willen hebben. Daar! Goedendag, kapitein Cuttle! Pas goed op mijn

oom! Oom Sam, God zegen u!”

Zij waren in het gewoel reeds van boord, eer Walter zag waar zij

bleven; en toen hij naar de kampanje liep en hen nakeek, zag hij zijn

oom met een hangend hoofd in de boot zitten, en de kapitein hem met het

zilveren horloge op den rug kloppen (dat nog al zeer moest doen) en met

de theelepeltjes en de suikertang gesticuleeren om hem moed en hoop te

geven. Walter in het oog krijgende, liet de kapitein zijne schatten

geheel onbezorgd onder in de boot vallen, nam zijn blinkenden hoed af

en riep hem op zeemans manier lustig aan. De blinkende hoed flikkerde

in den zonneschijn, en de kapitein bleef daarmede zwaaien tot hij niet

meer te zien was. Toen bereikte de verwarring aan boord, die hoe langer

hoe grooter was geworden, haar toppunt; nog twee of drie booten voeren

onder een algemeen gejuich af; de zeilen glinsterden in den

zonneschijn, toen Walter ze voor het gunstige koeltje zag uitspreiden;

het water stoof flikkerend voor den boeg op, en de Zoon en Erfgenaam

aanvaardde hare reis, zoo vroolijk en vol hoop, als menig ander zoon en

erfgenaam, reeds lang verdwenen, vroeger had gedaan.

Dag aan dag berekenden oom Sam en kapitein Cuttle in het achterkamertje

den koers van het schip, met de kaart op het ronde tafeltje voor hen.

Des avonds, als de oude man zoo alleen naar boven ging naar het

zolderkamertje, waar het somtijds zoo geducht waaide, keek hij naar de

sterren en luisterde hij naar den wind, en hield hij langer wacht dan

hij had moeten doen als hij matroos aan boord was geweest. De laatste

flesch oude madera, die meer dan eens de linie was gepasseerd en de

zeegevaren had leeren kennen, bleef ondertusschen stil en ongestoord,

onder stof en spinrag liggen.

Dombey en Zoon · 第 37 / 125 题