VADER EN DOCHTER.

Door het geheele huis van Dombey is het doodstil. De dienstboden, die

de trap op en af sluipen, ritselen, maar laten geene voetstappen

hooren. Zij praten gedurig met elkander, blijven lang aan tafel zitten,

eten en drinken met smaak, en vermaken zich op zekere naargeestige,

onheilige manier. Jufvrouw Wickam, met de oogen vol tranen, vertelt

akelige anekdoten, en zegt hoe zij mevrouw Pipchin altijd gezegd heeft

dat het zoo gaan zou, en drinkt meer bier dan gewoonlijk, en is heel

bedroefd, maar toch gezellig. De keukenmeid verkeert in een dergelijken

gemoedstoestand. Zij belooft wat gebakken visch voor den avond, en

kampt evenzeer tegen haar gevoel en de uien, die zij bij de sla

gereedmaakt. Towlinson begint te denken dat het zoo wezen moest, en wil

weten of iemand hem kan zeggen dat een hoekhuis ooit gelukkig was. Het

komt allen voor dat het reeds lang geleden is, hoewel het kind nog, met

een kalmen glimlach op het gezichtje, op zijn bedje ligt.

Na den donker komen er anderen—geen gerucht maken zij, op hunne

schoenen met vilten zolen—die er vroeger nog eens bij zijn geweest; en

met hen komt dat laatste rustbed, dat zoo vreemd is voor een

kinderlijken slaper. Al dien tijd is de vader zelfs niet door een

bediende gezien; want als er iemand in de donkere kamer komt, blijft

hij in een hoek zitten, en op andere tijden schijnt hij zich niet te

bewegen, dan om die op en neer te stappen. Maar des morgens fluistert

men in het huishouden, dat men hem in het holste van den nacht naar

boven heeft hooren gaan, en dat hij daar—in de kamer—gebleven is, tot

de zon begon te schijnen.

Aan het kantoor in de City zijn de vensters van dof geslepen glas nog

met luiken verduisterd. De lampen op de lessenaars worden verdonkerd

door den toch nog invallenden dag, en de dag wordt wederom door de

lampen verdonkerd, en er heerscht eene buitengewone somberheid. Er

wordt niet veel gewerkt. De klerken hebben geen lust daartoe, en maken

afspraak om in den namiddag met elkander te gaan eten, wandelen of

varen. Perch blijft lang met zijne boodschappen uit, en zit in

herbergen bij de toonbank, waar hem vrienden hebben meegenomen, en

redeneert daar over de onzekerheid van al het ondermaansche. Hij gaat

des avonds vroeger dan gewoonlijk naar huis, en trakteert zijne vrouw

op eene kalfskarbonade en een extra glas bier. Carker de chef trakteert

niemand en wordt niet getrakteerd; maar alleen in zijne kamer laat hij

den geheelen dag zijne tanden zien, en het zou schijnen dat er een

struikelblok is opgeruimd, dat hem in den weg lag.

Nu komen de blozende kinderen, die tegenover Dombey wonen, voor het

venster der kinderkamer naar de straat kijken; want er staan vier

zwarte paarden voor zijne deur, met pluimen op den kop, en op het

rijtuig dat zij trekken wuiven insgelijks pluimen; en deze, en een

stoet van mannen met rouwsjerpen en staven, trekken een hoop volk

bijeen. De kunstenmaker, die juist zijne vertooning wilde beginnen,

hangt zijne losse jas weder over zijn mooi pakje, en zijne vrouw, met

een zwaar kind op den arm, blijft staan dralen om de staatsie te zien.

Maar dichter aan den valen doek, die hare borst bedekt, drukt zij haar

kind, als de doodkist, zoo licht om te dragen, buitenkomt; en het

jongste der blozende kinderen voor het venster aan den overkant heeft

geene waarschuwende hand noodig om hare vroolijkheid te smoren, als

zij, met het mollige vingertje wijzende, de kindermeid aanziet en

vraagt: “Wat is dat?”

En nu, tusschen een troepje knechts in den rouw en de schreiende

vrouwen door, gaat Dombey naar de andere koets, die op hem wacht. Hij

is niet “neergedrukt”, denken de toeschouwers. Zijn gang is even

statig, zijne houding even stijf als ooit. Hij houdt geen zakdoek voor

zijn gezicht en ziet strak voor zich. Behalve dat zijn gezicht bleek en

eenigszins ingevallen is, heeft het dezelfde uitdrukking als

gewoonlijk. Hij neemt zijne plaats in de koets en nog drie andere

heeren volgen. Dan trekt de deftige rouwstoet langzaam de straat door.

De pluimen wuiven nog in de verte, als de kunstenmaker reeds zijne

waschkom op een stok laat draaien, en denzelfden hoop volk om zich heen

heeft om hem te bewonderen. Zijne vrouw is minder vlug dan anders met

het geldbakje, want die kinderbegrafenis heeft haar in de gedachten

gebracht, dat het kind onder haar valen doek misschien ook niet zal

groot worden, misschien nooit een blauw lint om het hoofd zal hebben,

eene broek van vleeschkleur tricot dragen en in den modder duikelen.

De pluimen vervolgen somber haar weg langs de straten en komen binnen

den klank eener kerkklok. In dezelfde kerk heeft het aardige knaapje

gekregen, wat spoedig alles zal zijn dat op aarde van hem over is—een

naam. Al wat van hem dood is leggen zij daar, dicht bij het

vergankelijke deel zijner moeder. Het is goed zoo. Zijn stof rust waar

Florence op hare wandelingen—o, eenzame, eenzame wandelingen!—het

dagelijks kan voorbijkomen.

Nadat de plechtigheid is afgeloopen en de geestelijke heengegaan, ziet

Dombey rond en vraagt zacht of de man er is, die gewaarschuwd is om de

bestelling voor den gedenksteen aan te nemen.

Er komt iemand naar voren, en zegt: “Ja!”

Dombey beduidt hem waar hij het gedenkteeken geplaatst wil hebben, en

wijst hem met de hand op den muur, de grootte en het fatsoen, en hoe

het zich aan dat der moeder moet aansluiten. Dan schrijft hij het

opschrift met potlood op een stukje papier, geeft het hem en zegt: “Ik

verlang het spoedig geplaatst te hebben.”—“Het zal dadelijk gebeuren,

mijnheer.”—“Er is eigenlijk niets op te zetten dan naam en ouderdom,

ziet ge.”

De man buigt, kijkt naar het papier, maar schijnt te twijfelen. Dombey,

hier niet op lettende, keert zich om en gaat vooruit naar het portaal.

“Neem mij niet kwalijk, mijnheer;” zijn rouwmantel wordt zacht

aangeraakt; “maar daar gij het dadelijk gedaan wilt hebben, en ik het

dus onderhanden zou geven zoodra ik terugkom ...”—“Wel?”—“Wilt ge zoo

goed zijn om het nog eens over te lezen? Ik geloof dat er eene

vergissing in is.”—“Waar?”

De steenhouwer geeft hem het papier terug, en wijst met zijn duimstok

naar de woorden “geliefd en eenig kind.”

“Het zou “zoon” moeten wezen, dunkt mij, mijnheer?”—“Gij hebt gelijk.

Natuurlijk. Verander dat.”

De vader vervolgt, met haastiger tred, zijn weg naar de koets. Wanneer

de andere drie, die hem op de hielen volgen, bij hem plaats nemen, is

zijn gezicht voor de eerste maal in zijn mantel verborgen. Zij zien het

dien dag niet meer. Hij stapt het eerst af en gaat terstond naar zijne

kamer. De andere rouwdragers (zij zijn mijnheer Chick en twee van de

dokters) gaan boven naar het salon, waar zij door mevrouw Chick en

jufvrouw Tox worden ontvangen. En welk een gezicht het is, in die

geslotene kamer beneden; of welke gedachten daar heerschen; welk een

hart daar is, hoe daar gestreden of geleden wordt—weet niemand.

Het voornaamste dat men beneden in de keuken weet is, dat het naar een

zondag gelijkt. Men kan haast niet anders denken of het is zeer

onvoegzaam, zoo niet goddeloos, dat de menschen buitenshuis hunne

gewone bezigheden verrichten en hunne dagelijksche kleeren dragen. Het

is geheel iets nieuws, dat de gordijnen weder opgehaald zijn en de

luiken openstaan; en men maakt zich naargeestig vroolijk bij den wijn,

die zoo mild geschonken wordt als op een feestdag. Men is zeer genegen

om te moraliseeren. Towlinson geeft met een zucht den toast: “Ons aller

beterschap!” waarop de keukenmeid, insgelijks met een zucht, zegt:

“Daar is nog genoeg reden toe, weet God.” In den avond nemen mevrouw

Chick en jufvrouw Tox haar naaiwerk weder op, en gaat Towlinson uit om

een luchtje te scheppen, vergezeld door de werkmeid, die haar rouwhoed

nog niet geprobeerd heeft. Zij zijn heel teer voor elkaar op donkere

hoeken van straten, en Towlinson denkt er aan om als een rechtzinnig

groenteman een ander en onberispelijk leven te gaan leiden.

Er wordt dien nacht geruster geslapen dan sedert vele nachten. De

ochtendzon wekt het oude huishouden, om weder den ouden gang te gaan.

De blozende kinderen van den overkant loopen met hoepels voorbij. In de

kerk is eene prachtige trouwpartij. De vrouw van den kunstenmaker haalt

in eene andere wijk van de stad geld op, even vlug en ijverig als

voorheen. De steenhouwer zingt en fluit terwijl hij op de marmeren

plaat voor hem, de letters P-A-U-L beitelt.

En kan het zijn dat in eene wereld zoo vol en druk het verlies van één

zwak schepseltje eene ledigheid in een hart veroorzaakt, zoo wijd en

diep dat niets dan de wijdte en diepte der eeuwigheid ze kan vullen!

Florence had in hare onschuldige droefheid kunnen antwoorden: “O, mijn

broeder, o, mijn teerbeminde en liefhebbende broeder! Eenige vriend en

deelgenoot van mijne verachte kindsheid! Kan eene minder verhevene

gedachte het licht verspreiden dat reeds uw vroegtijdig graf bestraalt,

of de weemoedigheid doen ontstaan, die reeds onder deze tranen mijne

smart verzacht!”—“Kindlief,” zeide mevrouw Chick, die het haar plicht

achtte, deze gelegenheid waar te nemen om eene nuttige les te geven,

“als gij eens zoo oud zijt als ik—”—“Dat dus nog op het best van uw

leven zal zijn,” merkte jufvrouw Tox. aan.—“Dan zult gij,” vervolgde

mevrouw Chick, jufvrouw Tox de hand drukkende, uit erkentelijkheid voor

haar vriendelijk gezegde “dan zult gij weten dat alle droefheid niet

baten kan, en het onze plicht is te berusten.”—“Ik zal mijn best doen,

lieve tante. Dat doe ik al,” antwoordde Florence snikkend.—“Dat doet

mij genoegen,” zeide mevrouw Chick, “omdat, liefje, zooals onze lieve

jufvrouw Tox—wier verstand en oordeel niemand betwijfelen kan—”—“Mijne

lieve Louise, ik zal waarlijk nog trotsch worden,” zeide jufvrouw

Tox.—“U zal zeggen en met hare ondervinding bevestigen,” vervolgde

mevrouw Chick, “dat wij altijd gereed moeten zijn om ons in te spannen.

Als een misanthroop ooit in mijn bijzijn mocht vragen: “Waartoe wordt

de mensch geboren?” zou ik antwoorden: “Om zich in te spannen.””—“Heel

goed gezegd,” zeide jufvrouw Tox, getroffen door het origineele dier

ontboezeming. “Heel goed!”—“Ongelukkig,” hervatte mevrouw Chick,

“hebben wij een waarschuwend voorbeeld vlak voor onze oogen. Wij hebben

maar al te veel reden om te denken, lief kind dat, als men zich in deze

familie maar bijtijds eene inspanning had gevergd, eene geheele reeks

van bedroevende omstandigheden had kunnen vermeden worden. Niets zal

mij ooit overreden,” zeide zij, op vasten toon, “of als de arme lieve

Fanny zich maar wat had ingespannen, zou dat arme lieve kind ten minste

een sterker gestel gehad hebben.”

Mevrouw Chick gaf zich voor een half oogenblik aan hare aandoening

over; maar om hare leer met een voorbeeld te bekrachtigen, stuitte zij

zich in het midden van een snik, en ging toen weder voort:

“Laat ons daarom zien, Florence, verzoek ik u, dat gij een beetje

kracht van geest hebt, en de droefheid, waarin uw papa gedompeld is,

niet door uwe eigenliefde verzwaart.”—“Lieve tante!” zeide Florence,

snel voor haar neerknielende, om haar te beter en ernstiger in het

gezicht te kunnen zien. “Zeg mij meer van papa. Och, zeg mij wat van

hem! Is hij geheel onder zijn hartzeer bezweken?”

Jufvrouw Tox had een teer gevoel, en dit gezegde deed haar diep

ontroeren. Of zij daarin bij het verwaarloosde kind slechts dezelfde

medelijdende aandoening zag, die haar doode broeder zoo dikwijls had

getoond—of wel eene liefde, die zich aan het hart, dat hem had

liefgehad, zocht te hechten, en niet dulden kon dat zij van de

gemeenschap in zulk eene smart werd uitgesloten—dan of zij daarin

alleen het kinderlijke hart zag, gegriefd omdat zijne teederheid

zoolang onbeantwoord was gebleven, en dat in zijne eenzaamheid tot hem

riep om getroost te worden en troost te geven—hoe zij dit gezegde ook

opvatte, jufvrouw Tox werd er door geroerd. Voor een oogenblik vergat

zij de waardigheid van mevrouw Chick, en haastig Florence de wang

streelende, keerde zij zich om en liet de tranen uit hare oogen

stroomen, zonder naar een wenk van die deftige matrone te wachten.

Mevrouw Chick verloor zelve voor een oogenblik de tegenwoordigheid van

geest, waarop zij zooveel roem droeg, en bleef het schoone jeugdige

gezichtje, dat zoolang, standvastig en geduldig naar het bedje gekeerd

was gebleven, verstomd aanzien. Maar hare stem terug krijgende—een

synoniem van hare tegenwoordigheid van geest, want beide waren

eigenlijk een en hetzelfde—antwoordde zij deftig:

“Florence, kindlief, uw goede papa heeft somtijds wel iets singuliers;

en als gij mij naar hem vraagt, vraagt gij mij naar iets dat ik

waarlijk niet kan beweren te verstaan. Ik geloof dat ik zooveel invloed

op uw papa heb als iemand anders. Evenwel is al wat ik zeggen kan, dat

hij mij zeer weinig gezegd heeft, en dat ik hem maar eens of tweemaal

voor een oogenblik heb gezien, of eigenlijk haast niet gezien, want

zijne kamer was donker. Ik heb tot uw papa gezegd: “Paul!” dat is de

juiste uitdrukking die ik gebezigd heb—“Paul! waarom gebruikt gij niet

iets versterkends?” Telkens is het antwoord van uw papa geweest:

“Louise, wees zoo goed om mij alleen te laten. Ik heb niets noodig. Ik

ben beter alleen.” Als ik morgen een eed voor een rechter moest doen,

Lucretia,” zeide mevrouw Chick, “twijfel ik niet of ik zou veilig

durven zweren, dat dit zijne eigene woorden waren.”

Jufvrouw Tox gaf hare bewondering te kennen door te zeggen: “Mijne

Louise is altijd zoo nauwkeurig!”—“Kortom, Florence,” hervatte hare

tante, “er is letterlijk niets tusschen uw ongelukkigen papa en mij

gepasseerd, tot vandaag, toen ik uw papa zeide dat Sir Barnet en Lady

Skettles buitengemeen vriendelijke briefjes hadden gezonden—onze lieve

jongen! Lady Skettles hield zooveel van hem als van een—waar is mijn

zakdoek?”

Jufvrouw Tox gaf er haar een aan.

“Buitengemeen vriendelijke briefjes, om voor te stellen dat gij tot

verstrooiing bij hen zoudt komen logeeren. Toen ik uw papa zeide te

denken dat jufvrouw Tox en ik nu wel naar huis konden gaan (waarin hij

toestemde) vroeg ik of hij er tegen had dat gij die invitatie zoudt

aannemen. Hij zeide: “Neen, Louise, niet het minste!””

Florence sloeg hare betraande oogen op.

“Evenwel, als gij liever hier woudt blijven, Florence, in plaats van

daar nu te gaan logeeren, of met mij naar huis te gaan—”—“Dat zou ik

veel liever willen, tante,” was het flauwe antwoord.—“Wel kind,” zeide

mevrouw Chick, “dan kunt gij dat. Het is eene vreemde keus, moet ik

zeggen. Maar gij zijt altijd vreemd geweest. Iemand anders op uwe

jaren, en na hetgeen er is voorgevallen—mijne lieve jufvrouw Tox, ik

ben mijn zakdoek weer kwijt—zou gaarne hier vandaan gaan, zou men

denken.”—“Ik had niet gaarne,” zeide Florence, “dat het huis nu gemeden

scheen. Ik zou niet gaarne denken, dat de—zijne—de kamers boven nu

geheel leeg stonden en zoo akelig waren, tante. Ik wilde liever

vooreerst hier blijven. O, mijn broeder! O, mijn broeder!”

Het was eene natuurlijke, onbedwingbare gemoedsbeweging, die zich zelve

een uitweg baande tusschen de vingers door waarmede zij haar gezicht

bedekte. De overkropte borst moest somtijds zoo lucht krijgen, of het

gewonde, eenzame hart daarbinnen had moeten smoren.

“Wel kind,” zeide mevrouw Chick, “ik zou u voor alles niets

onaangenaams willen zeggen, en dat weet gij ook wel. Gij zult dus hier

blijven en net zoo doen als gij verkiest. Niemand zal zich met u

bemoeien, Florence, of willen bemoeien.”

Florence schudde treurig toestemmend haar hoofd.

“Ik had niet zoodra uw armen papa begonnen te raden, dat hij waarlijk

wat verstrooiing en afleiding moest gaan zoeken,” zeide mevrouw Chick,

“of hij zeide mij, dat hij al voornemens was voor eene poos naar buiten

te gaan. Ik hoop maar dat hij het gauw zal doen. Hij kan het niet te

gauw doen. Maar ik denk dat er nog wel zaken te beschikken en papieren

te veranderen zijn, ten gevolge van dien slag, die ons allen zoo

bedroefd heeft—ik kan niet begrijpen waar de mijne gebleven is:

Lucretia, leen mij den uwen eens, lieve—die hem nog wel een paar

avonden in zijne kamer zullen bezig houden. Uw papa is een Dombey,

kind, als er ooit een geweest is,” zeide mevrouw Chick, hare beide

oogen zeer zorgvuldig met verschillende hoeken van den geleenden

zakdoek afdrogende. “Hij zal zich wel inspannen. Daarvoor behoeft men

bij hem niet bang te zijn.”

“Is er niets, tante,” begon Florence bevende, “dat ik zou kunnen doen

om...”—“Heere, kindlief,” viel mevrouw Chick er haastig op in, “wat

praat ge toch? Als uw papa tegen mij zeide—ik heb u zijne eigene

woorden laten hooren: “Louise, ik heb niets noodig. Ik ben beter

alleen,”—wat denkt gij dan dat hij tegen u zou zeggen? Gij moet u niet

aan hem laten zien, kind—niet eens van zoo iets droomen.”—“Tante,”

zeide Florence, “ik zal maar wat te bed gaan liggen.”

Mevrouw Chick keurde dit besluit goed en zond haar met een kus heen.

Maar jufvrouw Tox ging, met het flauwe voorwendsel dat zij naar den

weggeraakten zakdoek wilde zoeken, haar na naar boven, en poogde in

eenige gestolene minuten haar te troosten, hoewel Suze Nipper haar lang

niet daartoe aanmoedigde. Want in haar gloeienden ijver maakte Suze

jufvrouw Tox voor een krokodil uit; en toch scheen haar medelijden van

echte soort te zijn, en had het ten minste den schijn van

belangeloosheid voor zich—er was weinig gunst mede te winnen.

En was er niemand nader en dierbaarder dan Suze om het worstelende hart

in zijn strijd bij te staan? Was er geen andere hals om te omvatten;

geen ander gezicht om aan te zien; niemand anders om in zulke diepe

droefheid een troostend woord te spreken? Was Florence zoo alleen in de

barre wereld, dat haar niets anders overschoot? Niets. Op eens en te

gelijk moederloos en broederloos geworden—want met het verlies van den

kleinen Paul, trof het eerste en zwaarste verlies haar met nieuwe

zwaarte—was dit de eenige hulp die zij had. O, wie kan zeggen hoezeer

zij in het eerst naar hulp verlangde!

In het eerst, toen het huis weder op den gewonen regel was gekomen, en

allen vertrokken waren behalve de dienstboden en haar vader, die in

zijne kamers bleef opgesloten, kon Florence niets doen dan schreien, en

op en neer dwalen, en somtijds, in eene vlaag van wanhopig herdenken,

naar hare kamer vliegen, hare handen wringen, zich met haar gezicht op

haar bed werpen, en van geen troost willen weten, van niets weten dan

de bitterheid en wreedheid van haar leed. Dit volgde gewoonlijk op het

herkennen van eene plek of een voorwerp dat in bijzonder teedere

betrekking met hem stond, en maakte het huis in het begin tot eene

martelplaats voor haar.

Maar het ligt niet in den aard der reine liefde om lang met zulk eene

verderfelijke woestheid te branden. De vlam, die door grove aardsche

deelen wordt ontreinigd, mag de borst verteren, welke haar schuilplaats

geeft; maar het heilige vuur van den hemel is in het hart even zacht,

als toen het op de hoofden der verzamelde twaalve rustte, en ieder

daarbij zijn broeder zag, verlicht en ongedeerd. Het opgeroepene beeld

kreeg weldra het vergenoegde gezichtje, de zachte stem, de liefdevolle

blikken, de stille vertrouwelijkheid terug, en hoewel Florence nog

bleef schreien, schreide zij toch rustiger, en gevoelde zij dat de

herinnering haar weldadig was.

Het duurde niet lang of de gouden golfjes, die op de oude plaats en den

ouden tijd over den muur speelden, werden onder het verdwijnen met

kalme treurigheid nagestaard. Het duurde niet lang of die kamer zag

haar daar weder zitten, alleen, maar even stil en geduldig als zij bij

dat bedje had gewaakt. Als het akelige gevoel, dat het nu ledig was,

haar te pijnlijk werd, kon zij er nu bij neerknielen en God bidden—het

was de uitstorting van het overvolle hart—dat een engel haar mocht

blijven liefhebben en gedenken.

Het duurde niet lang, of in dat akelige, holle huis hief hare stem in

het schemeruur, langzaam en somtijds ophoudende, de oude wijsjes aan,

waarnaar hij zoo dikwijls had geluisterd, met het zwakke hoofdje in

haar arm. En daarna, als het geheel donker was, klonk er eene muziek

door de kamer, zoo zacht gespeeld en gezongen, dat zij meer eene

weemoedige herinnering geleek van hetgeen zij dien laatsten avond op

zijn verzoek gedaan had, dan eene werkelijke herhaling. Maar zij werd

toch dikwijls, zeer dikwijls herhaald, in die stille eenzaamheid; en

nog trilden de laatste accoorden der snaren als hare lieve stem in

tranen wegsmolt.

Zoo kreeg zij moed om naar het werk te zien, waarmede hare vingers

naast hem op het zeestrand waren bezig geweest; en zoo duurde het niet

lang of zij vatte het weder op—met iets dat naar menschelijke liefde

geleek, alsof het gevoel en bewustheid had en hem had gekend; en zoo

sleet zij, voor het venster, dicht bij het portret harer moeder

gezeten, de peinzende uren.

Waarom richtten hare donkere oogen zich zoo dikwijls naar den overkant,

waar die blozende kinderen woonden? Zij deden haar niet rechtstreeks

aan haar verlies denken, want het waren allen meisjes, vier kleine

zusters. Maar zij waren moederloos evenals zij—en hadden een vader.

Het was gemakkelijk te weten wanneer hij uit was en thuis werd

verwacht, want het oudste kind stond dan altijd gekleed voor het

venster van het salon of op het balkon naar hem uit te zien, en als hij

verscheen blonk haar verwachtend gezichtje van blijdschap, terwijl de

anderen, voor het hoogere venster, ook altijd op de wacht, in de

handjes klapten en op de vensterbank trommelden en hem riepen. Het

oudste meisje kwam dan beneden naar het voorhuis, en gaf hem haar

handje en bracht hem naar boven; en Florence zag haar naderhand naast

hem of op zijne knie zitten, met haar arm liefkoozend om zijn hals, en

met hem praten; en hoewel zij altijd vroolijk met elkander waren, zag

hij haar dikwijls aan, alsof hij dacht dat zij naar hare doode moeder

geleek. Somtijds wilde Florence hier niet meer naar zien, en in tranen

uitbarstende, verschool zij zich dan achter het gordijn, alsof zij bang

werd, of ging zij van het venster af. Zij kon zich echter niet

weerhouden van terug te komen, en dan viel haar werk haar spoedig weder

onopgemerkt uit de handen.

Het was het huis, dat voor jaren ledig had gestaan. Het was lang zoo

blijven staan. Eindelijk, en terwijl zij van huis was, had deze familie

het betrokken; en toen was het gerepareerd en nieuw geschilderd, en nu

waren er vogeltjes en bloemen in, en geleek het niet meer naar wat het

vroeger was. Maar zij dacht nooit aan het huis. De meisjes en haar

vader waren haar alles.

Als hij gegeten had, kon zij ze, door de opene vensters, met de

kindermeid of gouvernante naar beneden zien komen, en zich om de tafel

scharen; en bij het stille zomerweder kwam het geluid van hare

kinderstemmetjes en haar helder gelach de straat overklinken in de

drukkende lucht der kamer waar zij zat. Dan sprongen en klauterden zij

met hem de trap op, en stoeiden met hem op de sofa, of zaten op zijne

knieën bij elkander gedrongen, een bouquetje van gezichtjes, terwijl

hij iets scheen te vertellen. Of zij kwamen ook naar buiten op het

balkon loopen, en dan verborg Florence zich snel, uit vrees dat het

hare blijdschap zou storen, als zij haar daar in het zwart alleen zagen

zitten.

Het oudste meisje bleef bij haar vader als de anderen heengingen, en

schonk dan thee voor hem—welk een vergenoegd lief huishoudstertje—en

zat met hem te praten, somtijds voor het venster, somtijds meer achter

in de kamer, tot er licht werd gebracht. Hij maakte haar dus tot zijne

gezellin, hoewel zij eenige jaren jonger was dan Florence, en zij kon

zich bij haar boekje of werkdoosje zoo stil en stemmig houden als een

volwassen meisje. Als er licht brandde, was Florence niet bang om uit

hare eigene donkere kamer weder binnen te kijken. Maar wanneer het tijd

voor het meisje werd om “goeden nacht, papa,” te zeggen en naar bed te

gaan, en zij haar gezichtje naar hem ophief, begon Florence te beven en

te snikken, en kon zij niet meer zien.

Eer zij zelve naar bed ging, keek zij echter, onder het zingen en

spelen der eenvoudige wijs, die hem zoo dikwijls in slaap had gesust,

nog dikwijls naar dat huis om. Maar dat zij er ooit aan dacht, of het

bespiedde, was een geheim dat zij in haar jeugdig hart bewaarde.

En bewaarde dat hart—zoo oprecht en trouw—de liefde zoo waardig die de

gestorvene haar had toegedragen en met zijne laatste woorden

toegefluisterd—dat hart, welks argelooze onschuld zich in haar

gezichtje spiegelde en in elken klank harer zachte stem ademde—geen

ander geheim? Ja. Nog een.

Als er niemand anders in huis meer op was en alle lichten waren

uitgedaan, verliet zij zacht hare kamer, en ging met onhoorbare stappen

de trap af naar de deur van haar vaders kamer. Daartegen liet zij dan

met smachtende liefde haar hoofd rusten, en drukte zij hare bevende

lippen. Elken nacht knielde zij op den kouden steenen vloer daar

buiten, om naar zijne ademhaling te luisteren, en in haar vurig

verlangen om hem maar eenige genegenheid te mogen toonen, om hem tot

eenigen troost te mogen zijn, om hem te bewegen dat hij eenige

teederheid van haar, zijn eenzaam kind, verdroeg, zou zij, als zij maar

gedurfd had, nederig smeekend voor zijne voeten geknield hebben.

Niemand wist het. Niemand dacht er aan. De deur bleef altijd dicht en

hij daar binnen opgesloten. Een paar malen ging hij uit, en in huis

zeide men dat hij spoedig op reis zou gaan; maar overigens bleef hij in

die kamers, geheel alleen; en haar zag hij nooit, naar haar vroeg hij

nooit. Misschien wist hij niet eens dat zij in huis was.

Eens, omtrent eene week na de begrafenis, zat Florence te werken, toen

Suze haar met een half lachend half schreiend gezicht kwam zeggen, dat

er visite voor haar was.

“Visite! Voor mij, Suze?” zeide Florence verwonderd opziende.—“Ja dat

is wel een wonder, niet waar jufvrouw Flore,” zeide Suze; “maar ik

wenschte dat gij druk visites hadt, dat doe ik waarlijk; want dat zou

beter voor u zijn, en ik denk ook hoe eerder gij zelfs naar de oude

Skettles’en gaat, zooveel te beter voor ons allebei. Ik mag van geene

drukte houden, jonge jufvrouw Flore, maar ik ben toch geen oester.”

Om Suze recht te doen, dacht zij, dit zeggende, meer om hare jonge

meesteres dan om zich zelve, en haar gezicht toonde dit.

“Maar wie is er dan om mij te spreken, Suze?” zeide Florence.

Met eene zenuwachtige uitbarsting, die evenveel een lach als een snik,

en evenveel een snik als een lach was, antwoordde Suze: “mijnheer

Toots!”

De glimlach die zich even op Florence’s gezichtje vertoonde, verdween

terstond weder, en hare oogen vulden zich met tranen. Maar het was toch

een glimlach geweest, en daarmede was Suze reeds zeer in haar schik.

“Net hetzelfde dat ik gevoeld heb, jufvrouw Flore,” zeide zij, haar

voorschoot voor hare oogen houdende, en haar hoofd schuddende. “Toen ik

dien lummel in het voorhuis zag, begon ik eerst te lachen en toen kreeg

ik een brok in de keel.”

Onwillekeurig deed zij hetzelfde nog eens. Ondertusschen was Toots,

geheel onbewust van den indruk dien hij gemaakt had, haar achterop naar

boven gekomen, en nadat hij met zijne knokkels op de deur zich zelven

nog eens had aangediend, stapte hij met bijzondere vlugheid binnen.

“Hoe vaart ge, jufvrouw Dombey?” zeide hij. “Ik ben heel wel—zeer

verplicht. Hoe maakt gij het?”

Toots—een van de beste jongens in de wereld, hoewel er schranderder

mochten zijn—had deze lange redevoering met moeite bijeengebracht, om

aldus voor Florence en zich zelven de aandoening van het wederzien te

verminderen. Nu echter bevindende dat hij onvoorzichtig genoeg was

geweest om al wat hij wist uit te kramen, eer hij nog een stoel

genomen, of Florence een woord gezegd had—eer hij eigenlijk wel binnen

de deur was—achtte hij het raadzaam om nog eens te beginnen.

“Hoe vaart ge, jufvrouw Dombey?” zeide hij. “Ik ben heel wel—zeer

verplicht. Hoe maakt gij het?”

Florence gaf hem hare hand en zeide dat zij zeer wel was.

“Ik ben ook heel wel,” zeide Toots, een stoel nemende. “Inderdaad, heel

wel ben ik. Ik kan mij niet herinneren,” vervolgde hij, na een

oogenblik peinzens, “dat ik ooit beter ben geweest—zeer

verplicht.”—“Het is heel vriendelijk van u dat gij eens aankomt,” zeide

Florence, haar werk weder opnemende. “Ik ben blij dat ik u zie.”

Toots antwoordde met een gegiggel. Denkende dat dit misschien te

levendig was, verbeterde hij het met een zucht. Wederom denkende dat

dit misschien te treurig was, giggelde hij weder. Met geen van beide

manieren van antwoord geheel tevreden, haalde hij zwaar adem.

“Gij zijt heel goed voor mijn lieven broeder geweest,” zeide Florence,

hare natuurlijke neiging volgende om zijne verlegenheid te verminderen.

“Hij heeft mij dikwijls over u gesproken.”—“O, dat is van geen

beduiden,” zeide Toots haastig. “Warm, niet waar?”—“Het is heel mooi

weer,” antwoordde Florence.—“Dat is recht mijn weer,” hervatte Toots.

“Ik geloof niet dat ik mij ooit zoo wel heb gevoeld als

tegenwoordig—zeer verplicht.”

Na deze merkwaardige en onverwachte omstandigheid vermeld te hebben,

verzonk Toots in een diepen put van stilzwijgen.

“Ge zijt nu niet meer bij doctor Blimber?” zeide Florence, als eene

poging om hem er uit te helpen.—“Dat zou ik hopen,” antwoordde Toots en

stortte er weder in.

Hij bleef, verzonken naar het scheen, wel tien minuten lang beneden. Na

verloop van dien tijd kwam hij eensklaps bovendrijven, en zeide:

“Wel! Goeden morgen, jufvrouw Dombey.”—“Gaat gij al heen?” zeide

Florence, opstaande.—“Dat weet ik toch nog niet. Neen, nog niet,” zeide

Toots, en ging alleronverwachtst weder zitten. “De zaak is—zeg eens,

jufvrouw Dombey.”—“Wees niet bang om te spreken,” zeide Florence met

een glimlach, “ik zou heel gaarne eens over mijn broeder met u

spreken.”—“Zoudt ge—toch?” zeide Toots daarop, met levendige sympathie

in elken trek van zijn anders onbeteekenend gezicht. “Arme Dombey! Ik

had waarlijk nooit gedacht dat Burgess en Comp.—kleermakers, in de

mode, maar heel duur, over wie wij wel eens gepraat hebben—mij daarvoor

dit pak zouden maken.” Toots was in den rouw. “Arme Dombey! Zeg eens,

jufvrouw Dombey!” stotterde en snikte Toots.—“Wel?” zeide Florence.—“Er

is een vriend, waarvan hij op het laatst bijzonder gehouden heeft. Ik

dacht dat gij hem misschien wel zoudt willen hebben als eene soort van

gedachtenis. Gij weet wel hoe hij nog om Diogenes dacht?”—“O ja! o ja!”

riep Florence uit.—“Arme Dombey! Ik ook,” zeide Toots.

Toots, die Florence in tranen zag, had veel moeite om dit punt te boven

te komen, en was bijna weder in den put getuimeld. Maar een gegiggel

redde hem op den kant.

“Zeg, jufvrouw Dombey,” vervolgde hij. “Ik zou in staat zijn geweest om

hem te stelen, als zij hem niet gegeven hadden—dat zou ik zeker hebben

gedaan; maar zij waren blij dat zij hem maar kwijt raakten, geloof ik.

Als gij hem hebben wilt, hij is voor de deur. Ik heb hem met opzet voor

u meegebracht. Hij is geen dameshondje, weet ge wel; maar daar zult ge

niet op zien, niet waar?”

Diogenes stond op dat oogenblik, gelijk zij weldra zagen, toen zij naar

de straat keken, uit het portier van eene huurkoets te staren, waarin

men hem, om hem te vervoeren, had gelokt door hem wijs te maken dat er

ratten in het stroo zaten. Om de waarheid te zeggen, hij geleek zoo

weinig op een dameshondje als een hond wel doen kon; en in zijn

ongeduldigen angst om uit de koets te komen zag hij er weinig innemend

uit. Hij jankte aanhoudend, nam nu en dan een sprong, die telkens

mislukte, zoodat hij achterover in het stroo tuimelde, en sprong dan

hijgend weder op en stak zijne tong uit, alsof hij ze een dokter moest

laten zien.

Maar schoon Diogenes zulk een belachelijke, lompe, leelijke hond was

als men ergens zou vinden, een lastige hond, die zich altijd verbeeldde

dat er ergens een vijand school, tegen wien het zijn plicht was te

blaffen; schoon hij ver van goedaardig en zeker niet schrander was, met

haar over de oogen, een gekken neus, een staart die hem niet scheen toe

te komen, en eene grove stem, was hij Florence, omdat Paul bij zijn

afscheid nog zoo om hem had gedacht en verzocht dat er goed voor hem

gezorgd zou worden, aangenamer dan de fraaiste en kostbaarste hond kon

zijn geweest. Zoo dierbaar, zoo welkom was haar die leelijke Diogenes,

dat zij de bejuweelde hand van Toots vatte en die uit dankbaarheid

kuste. En toen Diogenes, losgelaten, de trap kwam oprennen en de kamer

instuiven (zulk een gedoente als men eerst had, om hem uit de koets te

krijgen!) en onder al de meubelen kroop, en een langen ijzeren ketting,

die hem nasleepte, om de pooten van stoelen en tafels wond, en er toen

aan trok, tot zijne oogen hem zoodanig uit den kop puilden, dat zij

door zijne haren zichtbaar werden; en toen hij bromde tegen Toots, die

familiaar met hem wilde zijn, en op Towlinson aanvloog, met de

zedelijke overtuiging, dat hij de vijand om den hoek was, tegen wien

hij al zijn leven had geblaft en dien hij nog nooit had gezien, was

Florence zoo met hem ingenomen als ware hij een model van dressuur en

schranderheid geweest.

Toots was zoo blijde dat zijn present zoo beviel, en zoo verrukt toen

hij Florence zich over Diogenes zag bukken en zijn ruigen rug met haar

handje streelen—hetgeen Diogenes van het eerste oogenblik hunner

kennismaking af goedgunstig toeliet—dat het hem moeielijk viel afscheid

te nemen, en het zeker nog veel langer zou geduurd hebben eer hij

daartoe kon besluiten, als Diogenes zelf hem niet had geholpen, door

het in zijn kop te krijgen om tegen hem te blaffen en uit te schieten.

Niet zeker zijnde waarop deze demonstratiën zouden uitloopen, en

begrijpende dat zij de pantalon, waaraan Burgess en Comp. hunne kunst

hadden getoond, in gevaar brachten, ging Toots grinnikend naar de deur,

keek daar nog een paar malen zonder bepaald oogmerk om, telkens door

een nieuwen uitval van Diogenes begroet, en ging eindelijk heen.

“Kom dan, Di! lieve Di! maak eens kennis met uwe nieuwe meesteres. Wij

moeten veel van elkander houden, Di!” zeide Florence, zijn ruigen kop

liefkoozende. En de grove, ruige Di, alsof zijne harige huid niet

ondoordringbaar was voor den traan die er op viel, en zijn hondehart er

door verweekt werd, duwde haar zijn neus in het gezicht en zwoer haar

trouw.

Diogenes de man sprak niet duidelijker tot Alexander den Groote, als

Diogenes de hond tot Florence sprak. Hij onderteekende blijmoedig het

contract met zijne kleine meesteres en wijdde zich aan haar dienst.

Dadelijk werd in een hoek een feestmaal voor hem aangericht, en toen

hij volop gegeten had, kwam bij naar het venster waar Florence zat toe

te kijken, ging op de achterpooten staan, met zijne lompe voorpooten op

hare schouders, likte haar gezicht en hare handen, drukte zijn kop

tegen hare borst en kwispelstaartte tot hij er moe van werd. Eindelijk

rolde hij zich voor hare voeten ineen en ging liggen slapen.

Hoewel Suze eenigszins bang voor honden was, en het raadzaam achtte om,

als zij in de kamer was, hare rokken zorgvuldig strak te trekken, alsof

zij door een geverfd huis ging, en ook eenige gilletjes te geven en op

een stoel te gaan staan als Di zich eens uitrekte, was zij toch op hare

manier aangedaan over de vriendelijkheid van Toots, en kon zij Florence

niet zoo gevoelig zien voor de genegenheid en het gezelschap van dien

ruwen vriend van kleinen Paul, zonder eenige stille bespiegelingen

daarover, die haar het water in de oogen brachten. Misschien brachten

hare denkbeelden mijnheer Dombey wel in zeker verband met den hond; in

allen gevalle, nadat zij den geheelen avond naar Diogenes en zijne

meesteres had zitten kijken, en zeer goedwillig eene slaapplaats voor

Diogenes had gereedgemaakt, in de voorkamer dicht bij de deur zijner

meesteres, zeide zij, eer zij deze goeden nacht wenschte, haastig:

“Uw papa gaat morgenochtend heen, jufvrouw Flore.”—“Morgenochtend,

Suze?”—“Ja jufvrouw. Zoo heeft hij het besteld. Vroeg.”—“Weet gij ook,”

zeide Florence zonder haar aan te zien, “waar papa naar toe

gaat?”—“Niet recht, jufvrouw. Hij zal eerst dien heerlijken majoor gaan

opzoeken, en ik moet zeggen, als ik zelve met een majoor kennis hield

(waarvoor de hemel mij moge bewaren) zou het geen blauwe zijn.”—“St;

Suze!” zeide Florence zacht maar dringend.—“Wel, jufvrouw Flore,”

antwoordde Suze, die van verontwaardiging gloeide, “dat kan ik niet

helpen, blauw is hij, en zoolang ik een Christenmensch was, al was het

van lagen staat, zou ik vrienden van natuurlijke kleur willen hebben,

of in het geheel geen.”

Uit hetgeen zij er bijvoegde en beneden had opgezameld, bleek, dat

mevrouw Chick den majoor tot Dombey’s reisgenoot had voorgesteld, en

dat Dombey hem na eenig bedenken daartoe had uitgenoodigd.

“Hij gezelschap wezen!” zeide Suze, met grenzelooze minachting. “In

plaats van met zulk gezelschap was ik liever alleen.”—“Goeden nacht,

Suze!” zeide Florence.—“Goeden nacht, mijne lieve, lieve jufvrouw

Flore!”

Haar toon van medelijdend beklag deed de snaar trillen die zoo dikwijls

werd aangeraakt, maar waarnaar Florence nooit luisterde zoolang Suze of

iemand anders er bij was. Alleen gebleven, liet Florence haar hoofd op

de eene hand zinken, drukte de andere op haar zwoegend hart, en

verdiepte zich in haar leed.

Het was een regenachtige nacht: en vervelend was het aanhoudend

gekletter tegen de glazen. Een flauwe, trage wind suisde zuchtend om

het huis, als hoorde men een gesmoord steenen van pijn of droefheid.

Een schel geschuifel floot door de boomen. Terwijl zij daar zoo zat te

schreien werd het laat, en het akelige middernachtsuur klonk van de

kerktorens.

Florence was weinig meer dan een kind in jaren—nauwelijks veertien—en

de eenzaamheid en somberheid van zulk een uur in het groote huis, waar

de dood zoo kort geleden zijne geduchte macht had getoond, hadden wel

eene andere verbeelding met onbestemde akeligheden kunnen vervullen.

Doch hare jeugdige verbeelding was te vol van één onderwerp om zich

zulk een spel te veroorloven. Niets dwaalde er om in haar brein dan

liefde—dwalende, als balling verstootene liefde, wel is waar—maar die

altijd weder haar vader zocht.

Het kletteren van den regen, het zuchten van den wind, het sidderende

geluid van het geboomte, het slaan der statige klokken had niets dat

die ééne gedachte kon doen verflauwen. Hare herinneringen van het

dierbare doode kind—en deze begaven haar nooit—hadden dezelfde

strekking. O zoo gebannen te zijn; zoo buitengesloten; haar vaders

gezicht van dat uur af nooit te hebben weergezien!

Zij kon niet naar bed gaan, het arme meisje, en was sedert ook nooit

naar bed gegaan, zonder haar nachtelijken pelgrimstocht naar zijne deur

te doen. Het zou een vreemd en droevig schouwspel zijn geweest, haar nu

in duisternis zachtjes de trap te zien afsluipen, en daarvoor met

verblinde oogen, een kloppend hart en achteloos loshangende haren

blijven staan, en hare betraande wangen van buiten daartegen drukken.

Maar de nacht verborg dit, en niemand wist het.

Op het oogenblik toen zij dezen nacht de deur aanraakte, ontwaarde

Florence dat die open was. Voor de eerste maal stond zij open, hoewel

maar een haar breed; en daar binnen was nog licht. De eerste neiging

van het schroomvallige meisje—en zij zwichtte daarvoor—was snel de

vlucht te nemen. Hare volgende, terug te komen en binnen te gaan; en

deze tweede neiging hield haar besluiteloos op de trap staande.

Dat de deur openstond, zelfs maar met zulk een reetje, scheen hoop te

geven. Het was bemoedigend een streepje licht van binnen langs den

donkeren post te zien sluipen en op den marmeren vloer schijnen. Zij

keerde terug, nauwelijks wetende wat zij deed, maar voortgedreven door

de liefde in haar binnenste en het leed dat zij te zamen ondergaan,

maar niet gedeeld hadden; en met de bevende handen omhoog trad zij stil

binnen.

Haar vader zat voor zijne oude tafel in het middenvertrek. Hij had

eenige papieren in orde gebracht, en andere verscheurd, waarvan de

snippers voor hem lagen. De regen kletterde zwaarmoedig op de ruiten

van het achterste kamertje, waar hij zoo dikwijls den armen Paul, als

een onnoozel wichtje, had gadegeslagen; en buiten hoorde men den wind

zuchten.

Maar hij hoorde dit niet. Hij zat, met de oogen strak op de tafel, zoo

diep in gedachten verzonken, dat een veel zwaarder tred dan het lichte

voetje van zijn kind hem misschien niet zou gewekt hebben. Zijn gezicht

was naar haar toegekeerd; bij de flauw brandende lamp en zoo laat in

den nacht, zag het er vervallen en vermagerd uit; en de eenzaamheid,

die hem omringde, had iets dat Florence diep ontroerde.

“Papa, papa! spreek toch tegen mij, lieve papa!”

Hare stem deed hem verschrikt opspringen. Zij stond dicht voor hem met

uitgespreide armen, maar hij deinsde terug.

“Wat scheelt er aan?” zeide hij stuursch. “Waarom komt gij hier? Wat

heeft u bang doen worden?”

Als iets haar bang had doen worden, was het zijn gezicht. De gloeiende

liefde in het hart zijner jeugdige dochter bevroor onder dien blik, en

zij bleef hem staan aanzien alsof zij in steen veranderd was.

Geen zweem van teederheid of medelijden had dat gezicht. Niets van

vaderlijke herkenning, belangstelling of weemoedigheid. Er was eene

verandering in, maar niet van dien aard. De onverschilligheid en

stijfheid hadden plaats gemaakt voor iets anders—wat het was durfde zij

niet denken, en toch gevoelde zij de kracht er van en kende zij het,

zonder het een naam te geven—dat, toen hij haar zoo aanzag, eene

schaduw op haar hoofd scheen te werpen.

Zag hij de gelukkige mededingster van zijn zoon, in leven en gezondheid

voor zich? Beschouwde hij haar als zijne eigene gelukkige mededingster

in de genegenheid van dien zoon? Werden zoete herinneringen, die haar

dierbaar en kostbaar hadden moeten doen worden, door razende jaloezie

en gekrenkte trotschheid vergiftigd? Kon het mogelijk zijn, dat het gal

en alsem voor hem was, haar in hare veelbelovende schoonheid voor zich

te zien, en aan zijn zoon te denken?

Florence dacht zoo iets niet. Maar de liefde ziet snel wanneer zij

veracht en hopeloos is; en toen zij haar vader zoo zag, stierf de hoop

harer liefde.

“Ik vraag u, Florence, zijt gij bang of geschrikt? Scheelt er iets aan,

dat gij hier komt?” “Ik kwam, papa...”—“Tegen mijn verlangen. Waarom?”

Zij zag dat hij wel wist waarom—dit stond duidelijk op zijn gezicht

geschreven—en zij liet met een zachten, langgerekten kreet haar hoofd

in hare handen zinken.

Nog over jaren moge hij zich in die kamer dien kreet herinneren! Eer

hij de stilte afbreekt, is het geluid weggestorven. Even snel is het

hem uit de gedachten gegaan, naar hij gelooft; maar het blijft er nog

in. Nog over jaren moge hij het zich in die kamer herinneren!

Hij nam haar bij den arm. Zijne hand was koud en vatte haar nauwelijks

aan.

“Ge zijt vermoeid, zou ik denken,” zeide hij, de kaars opnemende en

haar naar de deur brengende, “en hebt behoefte aan rust. Wij hebben

allen behoefte aan rust. Ga heen, Florence. Gij hebt gedroomd.”

De droom dien zij gehad had, was toen, helaas! voorbij; en zij gevoelde

dat hij nooit meer kon terugkomen.

“Ik zal hier blijven om u op de trap te lichten. Het geheele huis daar

boven is voor u,” zeide haar vader langzaam. “Gij zijt daar nu

meesteres. Goeden nacht!”

Nog met hare handen voor haar gezicht, zeide zij snikkend: “Goeden

nacht, lieve papa!” en ging stil naar boven. Eens zag zij om, alsof zij

had willen terugkeeren indien de vrees haar niet had weerhouden. Het

was eene oogenblikkelijke gedachte, te hopeloos om er voedsel aan te

geven; en haar vader stond daar met het licht—stijf, koel en

roerloos—tot het fladderende kleedje zijner dochter in de duisternis

verdween.

Laat hij zich dat over jaren in die kamer herinneren. De regen, die op

het dak klettert, de wind, die om het huis blaast, hebben misschien

iets voorspellends in hun treurig geluid. Laat hij zich dat over jaren

in die kamer herinneren!

De laatste maal toen hij haar van die plek die trap zag opgaan, droeg

zij haar broertje in hare armen. Dit verteederde nu zijn hart niet voor

haar; het verstaalde het; maar hij ging zijne kamer binnen, sloot zijne

deur, zette zich op zijn stoel en schreide om zijn verloren zoon.

Diogenes was klaar wakker op zijn post, en wachtte naar zijne jonge

meesteres.

“O, Di! O, lieve Di! Houd toch van mij, om zijnentwil!”

Diogenes hield reeds van haar om haar zelve, en schroomde niet dit te

toonen. Hij maakte zich belachelijk door eene menigte lompe sprongen,

en toen Florence eindelijk sliep en van de blozende kinderen aan den

overkant droomde, besloot hij met hare kamerdeur open te krabben, zijn

bed als een bal samen te rollen, en aan het uiterste eind van zijn

ketting op de planken te gaan liggen, met zijn kop naar haar toe. Zoo

bleef hij knipoogend naar haar liggen kijken, tot hij al knipoogend

zelf in slaap viel en brommend van zijn vijand droomde.

Dombey en Zoon · 第 35 / 125 题