Vertrouwende op dat verbazende talent voor onpeilbaar diep berekende
listen, waarmede hij (gelijk bij menschen van klaar doorzichtige
eenvoudigheid niet ongewoon is) oprecht geloofde door de natuur begaafd
te zijn, was kapitein Cuttle op dien gewichtigen zondag naar het huis
van Dombey gegaan, den geheelen weg over knipoogende om zijne
overtollige slimheid lucht te geven, en had zich in den vollen glans
zijner halve laarzen voor Towlinson vertoond. Van dien persoon
vernemende welk eene ramp het huis bedreigde, was de kapitein uit
kieschheid en ontsteltenis terstond weder heengegaan, alleen den ruiker
overgevende, als een klein bewijs zijner deelneming, waarbij hij
verzocht de familie zijn eerbiedig compliment te doen, en zijne hoop te
kennen gaf dat zij in deze omstandigheden het maar scherp bij den wind
zouden houden, met eene belofte dat hij “morgen wel eens weer zou
praaien.”
Van het compliment des kapiteins werd nooit weder iets gehoord. Zijn
ruiker bleef in het voorhuis liggen tot hij des anderen daags in den
vuilnisbak werd geworpen, en de slimme berekening des kapiteins werd,
te gelijk met veel hooger plannen en uitzichten, door één ongeluk
verijdeld. Zoo moeten, wanneer een sneeuwval een bosch vernielt, de
heesters en struiken met de boomen lijden, en allen te zamen vergaan.
Toen Walter op dien zondagavond van zijne wandeling, die zulk een
merkwaardig einde had gehad, terugkwam, was hij in het eerst te vol van
de tijding die hij medebracht, en van de aandoeningen welke het
bijgewoonde tooneel natuurlijk in zijn gemoed had opgewekt, om op te
merken dat zijn oom blijkbaar nog onbekend was met het bericht, dat de
kapitein hem zou hebben medegedeeld, of dat de kapitein met zijn haak
seinen maakte ten einde hem te waarschuwen om niet van de zaak te
spreken. Niet dat de seinen des kapiteins zeer begrijpelijk zouden
geweest zijn, al had men er nog zoo nauwkeurig op gelet; want gelijk de
Chineesche wijzen, die men zegt dat in hunne redetwisten zekere
geleerde woorden, die volstrekt niet kunnen uitgesproken worden, met
trekken in de lucht schrijven, maakte de kapitein zulke zwaaien en
zwieren, dat iemand, die niet vooraf met zijn geheim bekend was, ze met
geene mogelijkheid kon uitleggen.
Kapitein Cuttle zag echter, toen hij hoorde wat er gebeurd was, van
deze pogingen af, daar hij begreep welke geringe kans er nu bestond om
voor den tijd van Walter’s vertrek een gemeenzaam praatje met Dombey te
hebben. Maar terwijl hij, met een bedrukt gezicht, zich zelven toegaf,
dat Samuel Gills het hooren en Walter gaan moest—de zaak thans nemende
gelijk zij was, zonder dat zij door de slimme tusschenkomst van een
vriend kon toegelicht of verbeterd worden—bleef de kapitein toch een
onverflauwd vertrouwen koesteren, dat hij, Ned Cuttle, de man voor
mijnheer Dombey was, en dat er, om Walter’s fortuin klaar te maken,
niets anders noodig was dan dat zij eens met hun beiden bij elkander
kwamen. Want de kapitein kon nooit vergeten hoe goed hij en Dombey te
Brighton met elkander te recht waren gekomen; hoe welgepast zij beiden,
als het noodig was, een woordje hadden gesproken; hoe wel zij elkander
hadden begrepen, en hoe hij, Ned Cuttle, in den eersten nood die
uitkomst had aangewezen, en de onderhandeling tot een gewenscht einde
gebracht. Op al deze gronden troostte de kapitein zich met de gedachte
dat hij, schoon de omstandigheden hem nu noodzaakten om werkeloos voor
anker te blijven liggen, toch door den tijd de zeilen in top zou halen
en zich door alles heenslaan.
Onder den invloed dezer goedhartige zelfbegoocheling, begon kapitein
Cuttle, terwijl hij Walter zat aan te kijken en met een traan op zijn
boordje naar zijn verhaal te luisteren, zelfs te overleggen, of het
niet te gelijk beleefd en politiek zou zijn, mijnheer Dombey, als zij
elkander eens zagen, eene mondelinge uitnoodiging te geven om, wanneer
het hem maar schikte, eens in Brig Place bij hem te komen eten, en dan
onder een gezellig glas over de vooruitzichten van zijn jongen vriend
te praten. Doch het onzekere humeur van jufvrouw MacStinger, en de
mogelijkheid dat zij onder zulk een onthaal in den gang zou gaan staan
en daar eene lang niet vleiende predikatie houden, maakte den kapitein
beschroomd om aan deze gastvrije gedachten voet te geven.
Eén ding was den kapitein, terwijl Walter over het gebeurde uitweidde,
volkomen duidelijk; namelijk dat, hoewel Walter’s bescheidenheid hem
mocht beletten om dit zelf te zien, hij toch zoo goed als een lid van
mijnheer Dombey’s huisgezin was. Hij was in persoon bij de gebeurtenis,
die hij zoo aandoenlijk beschreef, tegenwoordig geweest, hij was er met
name bij genoemd en geprezen, en zijn geluk moest in de oogen van zijn
patroon eene zaak van bijzonder gewicht zijn. Indien de kapitein nog
heimelijk eenigszins aan zijne eigene redeneering twijfelde, twijfelde
hij toch volstrekt niet of zij zou voor de gemoedsrust van den ouden
instrumentmaker goed kunnen zijn. Hij nam dus een gunstig oogenblik
waar, om zijn ouden vriend de zending naar West-Indië, als eene
buitengewone bevordering, mede te deelen, en verklaarde daarbij dat hij
gaarne honderd duizend pond (als hij ze had) zou willen geven voor het
voordeel dat Walter eens daaruit zou trekken, en niet twijfelde of hij
zou dan nog eene goede som winnen.
Samuel Gills was door dit bericht, dat als een donderslag in het
achterkamertje neerviel, in het eerst geheel versuft. Maar de kapitein
liet zulke gulden beloften voor zijne benevelde oogen schitteren: gaf
zulke geheimzinnige wenken van Whittingtoniaansche gevolgen, legde
zooveel nadruk op hetgeen Walter pas verhaald had, en noemde dit zoo
stoutweg eene bevestiging zijner vroegere voorspellingen, dat hij den
ouden man geheel verbijsterde. Walter, aan zijn kant, veinsde zoo vol
hoop en ijver te zijn, en zich zoo zeker te houden van spoedig weder
naar huis te komen, en hij ondersteunde den kapitein met zulk een
nadrukkelijk hoofdknikken en handenwuiven, dat Samuel, eerst hem en
daarna Cuttle aanziende, begon te denken dat hij opgetogen van
blijdschap behoorde te zijn.
“Maar ik ben bij mijn tijd ten achter, weet ge,” merkte hij
verontschuldigend aan, en streek zenuwachtig met zijne hand langs de
blinkende knoopen van zijn rok op en neer, alsof zij de kralen van een
rozenkrans waren, die hij telde, “en ik zou mijn lieven jongen liever
hier houden. Het is een ouderwetsch begrip, denk ik wel. Hij heeft
altijd veel van de zee gehouden. Hij is,” hier zag hij Walter oplettend
aan, “hij is blij dat hij gaat.”—“Oom Sam!” riep Walter haastig uit.
“Als gij dat zegt, wil ik niet gaan. Neen, kapitein Cuttle, dan wil ik
niet. Als mijn oom denkt dat ik blij zou kunnen zijn dat ik hem
verliet, al was het om gouverneur van al de eilanden in West-Indië te
worden, dat is genoeg. Ik blijf hier.”—“Walter mijn jongen,” zeide
kapitein Cuttle. “Sta vast. Sam Gills, richt den kijker eens op uw
neef.”
Den statigen zwaai van des kapiteins haak met zijne oogen volgende,
richtte de oude man deze op Walter.
“Hier is zekere bodem,” zeide de kapitein, met trotsche bewustheid van
de beeldspraak waartoe hij zich verhief, “die op zekere reis zal
uitgaan. Welke naam staat er onuitwischbaar op den spiegel geschilderd?
Is het de Gay? of” zeide de kapitein, zijne stem verheffende, als wilde
hij zeggen, let eens op het geestige hiervan, “is het de
Gills?”—“Edward,” zeide de oude man, Walter naar zich toetrekkende, en
diens arm met teedere vriendelijkheid onder den zijnen nemende, “ik
weet het wel. Ik weet het wel. Ik weet natuurlijk wel dat Walter altijd
meer om mij dan om zich zelven denkt. Dat onthoud ik wel. Als ik zeg
dat hij blij is, meen ik, dat ik dat hoop. Ziet ge wel, Edward, en gij
ook, Walter, dit is iets nieuws en onverwachts; en ik vrees, dat ik zoo
bij mijn tijd ten achter ben gebleven en zoo arm ben, er de eigenlijke
reden van is. Is het waarlijk een fortuintje voor hem, zeg mij dat nu?”
zeide de oude man, beiden beurtelings angstig aanziende. “Waarlijk en
wezenlijk? Is het dat? Ik kan mij haast met alles verzoenen dat Walter
voorthelpt; maar ik wilde niet dat Walter om mij zich zelven
benadeelde, of iets voor mij achterhield. Gij, Edward Cuttle!” zeide de
oude man, den kapitein strak aanziende, tot groote verlegenheid van
dezen diplomaat; “gaat gij nu oprecht met uw ouden vriend te werk?
Spreek op, Edward Cuttle. Steekt er iets achter? Is het goed voor hem
dat hij gaat? Waarom, en hoe weet ge dat?”
Daar het een kampstrijd van toegenegenheid en zelfverloochening was,
kwam Walter den kapitein te hulp, en met hun beiden gelukte het hun
Samuel Gills, door lang praten, tamelijk wel met het plan te verzoenen,
of liever hem zoodanig te verbijsteren, dat hij niets, zelfs niet het
smartelijke der scheiding, meer duidelijk voor den geest had.
Hij had niet veel tijd om de zaak te overwegen, want reeds des anderen
daags ontving Walter van Carker den Chef de noodige papieren voor zijne
uitrusting en zijn overtocht, te gelijk met bericht dat de Zoon en
Erfgenaam over veertien dagen, of ten uiterste een paar dagen later,
zou uitzeilen. In de drukte der toebereidselen, die Walter met opzet
zooveel mogelijk vergrootte, verloor de oude man het weinige besef dat
hij nog had, en zoo naderde al spoedig de tijd van vertrek.
De kapitein, die niet verzuimde zich van al wat er omging onderricht te
houden, door Walter van dag tot dag daarnaar te vragen, bevond dat het
er nog altijd bij bleef dat Walter zou vertrekken, zonder dat zich
eenige gelegenheid aanbood, of scheen te zullen aanbieden, om beter met
zijne vooruitzichten bekend te worden. Het was na lang over den
ongelukkigen samenloop van omstandigheden te hebben nagedacht, dat den
kapitein een gelukkig denkbeeld inviel. Als hij mijnheer Carker eens
ging opzoeken, en van hem poogde te vernemen hoe de kust eigenlijk lag!
Kapitein Cuttle was zeer ingenomen met dit denkbeeld. Hij kreeg het,
toen hij eens na het ontbijt zijne pijp zat te rooken, en het was den
tabak wel waard. Daardoor zou hij zijn geweten geruststellen, dat, door
hetgeen Walter hem toevertrouwd en zijn vriend Gills gezegd had,
eenigszins onrustig was geworden; en tevens zou het een slimme trek en
een echt bewijs van vriendschap zijn. Hij wilde Carker voorzichtig
uithooren, en veel of weinig zeggen, naarmate het karakter van dien
heer hem beviel en hij zag dat zij goed of niet goed met elkander te
recht kwamen.
Zonder eenigszins bang voor Walter te zijn, dien hij wist dat thuis aan
het pakken was, versierde kapitein Cuttle zich dus weder met zijne
halve laarzen en zijn rouwring, en aanvaardde zijn tweeden tocht. Hij
kocht thans geen ruiker om present te doen, dewijl hij naar een kantoor
ging; maar stak eene kleine zonnebloem in zijn knoopsgat, om zich
daardoor iets vroolijks te geven, en hiermede en met den knoestigen
stok en den blinkenden hoed, stapte hij naar het kantoor van Dombey en
Zoon.
Nadat hij in eene herberg dichtbij een warm glas rum met water had
gebruikt, om zijne gedachten wat te verzamelen, haastte zich de
kapitein de steeg in, opdat de geest van dien drank niet zou
verwasemen, en vertoonde zich op het alleronverwachtst voor Perch den
boodschaplooper.
“Maatje,” zeide hij op innemenden toon. “Een van uwe gouverneurs heet
immers Carker?”
Perch stemde dit toe; maar gaf tevens, volgens zijn plicht, te
verstaan, dat al zijne gouverneurs belet hadden, en denkelijk nooit
weer tijd zouden hebben om iemand te woord te staan.
“Hoor eens hier, maatje,” zeide de kapitein vlak aan zijn oor, “ik heet
kapitein Cuttle.”
De kapitein had Perch zachtjes naar zich toe willen haken, maar deze
deinsde terug, niet zoozeer uit vrees, als wel uit schrik bij de
plotselinge gedachte, welke gevolgen het onverwachte gezicht, van zulk
een wapen wel bij jufvrouw Perch, in hare toenmalige omstandigheden,
zou kunnen hebben.
“Als ge zoo goed wilt zijn om kapitein Cuttle te rapporteeren, zoodra
gij gelegenheid hebt,” zeide de kapitein, “zal ik hier wel wachten.”
Met deze woorden zette de kapitein zich op het bankje van Perch, en
zijn zakdoek uit den bol van zijn blinkenden hoed nemende, dien hij
tusschen zijne knieën klemde (zonder hem eenigszins te beschadigen,
want geene menschelijke kracht kon dien hoed indeuken) wreef hij zijn
hoofd eens goed daarmede af en scheen toen zeer verfrischt te zijn.
Vervolgens streek hij met zijn haak zijne haren glad en bleef toen met
eene mengeling van achting en welwillendheid naar de klerken zitten
kijken.
De kapitein was in zijne onverstoorbare gelijkmoedigheid zulk een
geheimzinnig wezen, dat Perch er van ontzette.
“Welken naam hebt gij gezegd?” vroeg Perch, naar hem
bukkende.—“Kapitein,” schor fluisterend.—“Ja,” zeide Perch met een
knikje.—“Cuttle.”—“Zoo!” zeide Perch insgelijks fluisterend. Hij kon
het niet laten denzelfden toon aan te nemen; zulk een indruk maakte de
diplomatische kapitein. “Ik zal eens gaan zien of hij nu vrij is. Ik
weet het niet. Misschien voor eene enkele minuut.”—“Ja, ja, mijn
jongen, ik zal hem niet langer dan eene enkele minuut ophouden,” zeide
de kapitein, knikkende met al het gewicht dat hij in zijn binnenste
gevoelde.
Perch kwam spoedig terug en zeide: “Wil kapitein Cuttle maar meegaan?”
Carker de Chef, die voor den ledigen haard stond, welke met een
uitgeknipt vel grauw papier was versierd, zag den kapitein, toen hij
binnenkwam, niet bijzonder bemoedigend aan.
“Mijnheer Carker?” zeide kapitein Cuttle.—“Zoo zou ik denken,”
antwoordde Carker en liet al zijne tanden zien.
Het beviel den kapitein dat hij met een glimlach antwoordde; dat scheen
vriendelijk te zijn. “Gij ziet wel,” begon de kapitein, zijne oogen
langzaam in het kamertje latende rondgaan en daarvan zooveel overziende
als zijne boordjes toelieten, “ik ben zelf een varensman, mijnheer
Carker, en Walter, die op uwe lijst staat, is haast zoo goed als een
zoon van mij.”—“Walter Gay?” zeide Carker, wederom al zijne tanden
toonende.—“Ja wel, juist, Walter Gay,” antwoordde de kapitein, op een
toon die zijne warme goedkeuring van Carker’s vlugheid van begrip moest
aanduiden. “Ik ben een vertrouwd vriend van hem en zijn oom. Misschien
hebt gij uw patroon wel eens van mij hooren spreken?—kapitein
Cuttle.”—“Neen,” zeide Carker, zijn mond nog breeder openende.—“Wel,”
hervatte de kapitein, “ik heb het pleizier van hem te kennen. Ik ben
hem eens daar aan de kust van Sussex gaan opzoeken, met mijn jongen
vriend Walter, toen—kortom, toen er eene kleinigheid te schikken was.”
De kapitein knikte daarbij op eene manier die te gelijk genoeglijk,
onbezorgd, en nadrukkelijk was. “Dat zult ge nog wel onthouden
hebben?”—“Ik meen, dat ik de eer had om die zaak te behandelen,” zeide
Carker.—“Wel zeker,” hernam de kapitein. “Dat hadt gij ook. Gij hebt
alweer gelijk. Nu ben ik zoo vrij om hier te komen...”—“Wilt ge niet
gaan zitten?” zeide Carker met een glimlach.—“Verplicht,” antwoordde de
kapitein, van het aanbod gebruik makende. “Men kan misschien nog beter
praten, als men zit. Wilt gij zelf geen stoel nemen?”—“Bedankt,” zeide
Carker, en bleef (misschien omdat hij dit zich des winters had
aangewend) met zijn rug tegen den schoorsteenmantel staan, op den
kapitein neerziende met een oog in elken tand. “Ge zijt zoo vrij
geweest, zegt ge—maar gij behoeft geen complimenten te
maken...”—“Dankje vriendelijk, mijn jongen,” hernam de kapitein. “Ik
kom dan hier voor mijn vriend Walter. Samuel Gills, zijn oom, is een
man van kunde, en in de wetenschap is hij een bram; maar hij is
eigenlijk niet wat ik een bevaren zeeman zou noemen—geen man van
praktijk. Walter is zulk een ferme jongen als er ooit een geloopen
heeft; maar in één opzicht is hij een beetje flauw, en dat is in zijne
bescheidenheid. Nu wenschte ik u te vragen,” zeide de kapitein, zijne
stem tot eene soort van vertrouwelijk gebrom latende dalen, “geheel
vriendschappelijk onder ons, tot ik uw patroon eens kan praaien—is hier
alles gezond aan boord, en zal Walter met een goeden wind buitengaats
komen?”—“Wat denkt gij er van, kapitein Cuttle?” antwoordde Carker,
zijne rokspanden opnemende en zich wat meer op zijn gemak plaatsende.
“Gij zijt een man van praktijk; wat denkt gij er van?”
De slimheid en veelzijdige beteekenis van des kapiteins oog, toen hij,
in plaats van te antwoorden, daarmede lonkte, zouden geene woorden, of
het moesten de vroeger gemelde onuitsprekelijke Chineesche woorden
zijn, kunnen uitdrukken.
“Kom aan!” zeide de kapitein, geheel verademd. “Wat zegt gij? Heb ik
gelijk of niet?”
Zooveel had de kapitein, door Carker’s glimlachende beleefdheid
aangemoedigd, met zijn blik te kennen gegeven, dat hij zich evenzeer
bevoegd achtte om deze vraag te doen, alsof hij zijne gevoelens met de
grootste uitvoerigheid had ontwikkeld.
“Gelijk,” zeide Carker, “daar twijfel ik niet aan.”—“Dus mooi weer te
wachten, zeg ik,” riep kapitein Cuttle uit.
Carker lachte toestemmend.
“De wind vlak van achteren, en eene frissche koelte,” vervolgde de
kapitein.
Carker glimlachte weder.
“Zoo, zoo!” zeide kapitein Cuttle, zeer in zijn schik. “Ik weet wel wat
voor koers er gezeild zal worden, en dat heb ik Walter ook gezegd. Wel
bedankt, wel bedankt!”—“Gay heeft heerlijke vooruitzichten,” merkte
Carker aan en trok zijn mond nog breeder open. “De geheele wereld voor
zich.”—“De geheele wereld voor zich en een vrouwtje op het oog,”
antwoordde de opgetogen kapitein.
Dit gezegde was hem eigenlijk onverhoeds ontvallen, maar dat behoefde
hem niet te spijten, dacht hij. Hij knipte eens met zijne oogen, zette
zijn blinkenden hoed op den knoestigen knop van zijn stok, liet hem
daarop ronddraaien, en zag zijn altijd glimlachenden vriend schuins
aan.
“Ik wil een pintje echte oude rum verwedden,” zeide de kapitein, “dat
ik weet waarom gij lacht.”
Carker was schrander genoeg om nog sterker te glimlachen.
“Maar het gaat niet verder?” zeide de kapitein, en stiet eens met zijn
stok tegen de deur om zich te verzekeren dat die gesloten was.—“Zeker
niet,” zeide Carker.—“Gij denkt misschien aan eene groote F?” zeide de
kapitein.
Carker ontkende het niet.
“En dan eene L en eene O,” zeide de kapitein.
Carker glimlachte nog altijd.
“Heb ik weer gelijk?” fluisterde de kapitein, terwijl de roode streep
over zijn voorhoofd, in zijne zegevierende blijdschap, nog eens zoo
vurig werd.
Daar Carker nog glimlachte en nu toestemmend knikte, stond de kapitein
op, drukte hem de hand en verzekerde hem met warmte dat zij beiden over
denzelfden boeg zeilden, en dat wat hem (kapitein Cuttle) betrof, hij
al lang dien koers had willen houden. “Hij heeft haar het eerst op eene
ongewone manier leeren kennen,” zeide de kapitein, met al den ernst en
de voorzichtigheid die het onderwerp vereischte—“gij weet wel dat hij
haar eens op straat vond, toen zij nog maar een kind was,—en hij heeft
altijd van haar gehouden, en zij van hem, zooveel als zulke jonge
luidjes maar kunnen doen. Wij hebben altijd gezegd, Sam Gills en ik,
dat zij voor elkander geknipt waren.”
Eene kat, of een aap, of een hyena, of een doodskop had den kapitein
niet meer tanden te gelijk kunnen laten zien, dan Carker hem op dit
punt van het gesprek vertoonde.
“Er loopt eene sterke strooming dien kant heen,” merkte de vergenoegde
kapitein aan. “Wind en water helpen elkander, ziet ge wel. Bedenk maar,
dat hij daar laatst ook weer bij moest wezen.”—“Zeer gunstig voor zijne
hoop,” zeide Carker.—“Bedenk dat hij in het zog van dien dag werd mee
geboegseerd!” vervolgde de kapitein. “Wat kan nu het sleeptouw
kappen?”—“Niets,” antwoordde Carker.—“Gij hebt al weer gelijk,” zeide
de kapitein, hem nogmaals de hand drukkende. “Niets! Sta vast dus! Er
is een zoontje gestorven—een aardig jongetje. Niet waar?”—“Ja, er is
een zoontje gestorven,” antwoordde de alles toestemmende
Carker.—“Welnu, er is al een ander voor u klaar,” zeide de kapitein.
“Een neef van een knap man! Een neef van Sam Gills. Walter, die in al
uwe zaken is, die alle dag in uw huis en uw hart komt!” zeide de
kapitein, zijne stem verheffende om dit dichterlijke slot uit te
spreken.
De zelfvoldoening waarmede de kapitein Carker bij ieder gezegde
zachtjes met zijn elleboog aanstiet, kon door niets overtroffen worden
dan door de opgetogenheid waarmede hij, na dit schitterend staaltje van
schranderheid en welsprekendheid, een stap achterwaarts deed en hem
aankeek.
“Heb ik geen gelijk?” zeide de kapitein.—“Kapitein Cuttle,” zeide
Carker, op een toon die eenigszins zonderling had kunnen schijnen, “in
hetgeen gij daar van Walter Gay en zijne vooruitzichten hebt gezegd,
hebt gij volkomen gelijk. Ik begrijp dat wij in vertrouwen met elkander
spreken.”—“Op mijne eer!” viel de kapitein er op in. “Geen
woord!”—“Tegen hem of iemand anders?” hernam Carker.
De kapitein trok zijne wenkbrauwen samen en schudde zijn hoofd.
“Maar alleen voor uwe eigene gerustheid, en ook natuurlijk om u voor
het vervolg naar te richten,” zeide Carker.—“Ik dank je wel
vriendelijk,” zeide de kapitein, met groote aandacht luisterende.—“Ik
maak geen bezwaar om te zeggen dat gij alle waarschijnlijkheden zeer
juist hebt geraden.”—“En wat uw patroon betreft,” zeide de kapitein,
“een onderhoud tusschen ons moet maar liefst ongezocht van zelf komen.
Er is tijd genoeg.”
Met een mond van het eene oor tot het andere, herhaalde Carker: “Tijd
genoeg!” Hij sprak de woorden niet uit, maar knikte slechts
vriendelijk, en vormde ze met zijne lippen.
“En daar ik nu weet—wat ik altijd gezegd heb—dat Walter op weg is om
zijn fortuin te maken,” zeide de kapitein.—“Om zijn fortuin te maken,”
herhaalde Carker, even klankloos als te voren.—“En dat hij dat reisje
maar gaat doen als een stukje, om zoo te zeggen, van zijn gewone werk,
en toch hier de beste vooruitzichten houdt,” zeide de kapitein.—“De
beste vooruitzichten houdt,” herhaalde Carker alweder op dezelfde
manier.—“Wel, zoolang ik dat weet,” vervolgde de kapitein, “is er geen
haast en ben ik gerust.”
Daar Carker wederom glimlachte en knikte, werd kapitein Cuttle ten
sterkste in zijn gevoelen bevestigd, dat hij een van de aardigste
menschen was, die hij ooit had gezien, en dat zelfs mijnheer Dombey
zich naar zulk een model zou kunnen verbeteren. Met groote
hartelijkheid stak hij dus nogmaals zijne geduchte hand toe (die in
kleur vrij wel naar een oud scheepsblok geleek) en gaf Carker een
kneep, welke op zijn zachter vleesch een proefdruk van de barsten en
spleten naliet waarmede de palm des kapiteins rijkelijk getatoeëerd
was.
“Vaar wel!” zeide de kapitein. “Ik ben geen man van veel woorden, maar
ik blijf u wel dankbaar dat gij zoo vriendschappelijk en rondborstig
zijt geweest. Gij zult het wel verschoonen als ik wat vrijpostig
geweest ben, niet waar?”—“Geheel niet!” was het antwoord.—“Wel bedankt.
Mijn kajuitje is niet heel ruim,” zeide de kapitein, nog eens
terugkomende, “maar nog al aardig; en als gij ooit dicht bij Brig
Place, nommer negen, mocht komen—wilt ge dat opschrijven?—en naar boven
gaan, zonder u te storen aan iets dat iemand beneden aan de deur
misschien mocht zeggen—zou ik mij zeer vereerd houden.”
Met deze gastvrije noodiging zeide de kapitein goedendag! ging heen en
sloot de deur, terwijl Carker tegen den schoorsteenmantel bleef staan
leunen. Zijne sluwe oogen en valsche mond, nog uitgerekt, maar nu niet
glimlachend; zijne hagelwitte das; zijn bakkebaard; zelfs het stille
strijken van de zachte hand over zijn wit linnengoed en zijn glad
gezicht, alles had iets gruwelijk katachtigs.
De argelooze kapitein stapte heen met eene zelfvoldoening, die zijne
blauwe jas een geheel nieuw fatsoen scheen te geven. “Goed zoo, Ned!”
zeide hij bij zich zelven. “Vandaag hebt ge toch iets voor de jongelui
gedaan, mijn jongen!”
Eenigszins opgeblazen over zijne gemeenzaamheid, van vroeger en in het
vooruitzicht, met den patroon, kon de kapitein, toen hij het groote
kantoor bereikte, niet nalaten Perch een weinigje voor den gek te
houden en te vragen of hij nog dacht dat iedereen belet had. Maar om
een man, die slechts zijn plicht had gedaan niet al te hard te vallen,
fluisterde de kapitein hem in het oor, dat hij, als hij lust had in een
glas grog, maar moest meegaan, en het dan hartelijk gaarne tot zijn
dienst was.
Eer hij geheel heenging, keek de kapitein, eenigszins tot verbazing der
klerken, het kantoor eens op zijn gemak in het rond, als een gedeelte
van iets waarin zijn jonge vriend van nabij belang had. Het
brandkamertje wekte vooral zijne bewondering op; maar om niet te
vrijpostig te schijnen, bepaalde hij zich tot een enkelen goedkeurenden
blik, en stapte, na de klerken in het algemeen met goedgunstige
beleefdheid gegroet te hebben, de straat op. Daar Perch hem spoedig
volgde, bracht hij dezen heer naar de herberg en vervulde zijne
belofte—haastig, want de tijd van Perch was kostbaar.
“Ik zal u een toast geven,” zeide de kapitein, toen het glas bijna uit
was en hij met eene dikke tong begon te spreken. “Waller!”—“Wie?” zeide
Perch.—“Waller!” herhaalde de kapitein met eene dreunende stem.
Perch, die zich flauw herinnerde in zijne jeugd eens van een dichter
van dien naam te hebben gehoord, maakte wel geen bezwaar, maar was toch
zeer verwonderd dat de kapitein naar de City kwam om de gezondheid van
een dichter te drinken; hij had het bijna niet vreemder kunnen vinden
als iemand had voorgesteld om in eene straat van de City het standbeeld
van een dichter—van Shakespeare bij voorbeeld—te plaatsen. Over het
geheel was de kapitein zulk een geheimzinnig en onbegrijpelijk
personage, dat Perch zich voornam om zijne vrouw maar niet van hem te
vertellen, uit vrees dat dit onaangename gevolgen mocht hebben.
Geheimzinnig en onbegrijpelijk bleef de kapitein—vervuld van de
bewustheid dat hij iets voor de jongelieden gedaan had—den geheelen
dag, zelfs voor zijne vertrouwdste vrienden, en indien Walter zijn
wenken en grinniken niet aan zijn genoegen over het goed gevolg van het
onschuldige bedrog, dat zij den ouden Gills speelden, had
toegeschreven, zou hij zich zeker voor dien avond verraden hebben.
Thans echter bewaarde hij zijn geheim, en ging laat van den
instrumentmaker naar huis, met zijn blinkenden hoed zoo sterk op zijde
en zulk eene zalige uitdrukking in zijne oogen, dat jufvrouw MacStinger
(die wel bij doctor Blimber opgevoed had kunnen zijn, zulk eene
romeinsche matrone was zij) zich op zijn eerste gezicht achter de opene
straatdeur verschanste en niet daar vandaan kwam, om naar hare lieve
kindertjes te kijken, eer hij veilig op zijne eigene kamer was.