Walter kon het verscheidene dagen niet met zich zelven eens worden, wat
hij in die zaak van Barbados zou doen, en koesterde zelfs eene flauwe
hoop dat mijnheer Dombey niet zou gemeend hebben wat hij zeide, of van
gedachten zou veranderen en hem naderhand zeggen dat hij niet behoefde
te gaan. Maar dewijl er niets voorviel om dit denkbeeld (dat op zich
zelf onwaarschijnlijk genoeg was) den minsten zweem van bevestiging te
geven, en de tijd zachtjes aan verliep, begreep hij dat hij moest
handelen, zonder zich langer te bedenken.
Walter’s grootste bezwaar was, hoe hij de verandering in zijne
vooruitzichten aan zijn oom Sam zou mededeelen, voor wien hij gevoelde
dat dit een geduchte slag zou zijn. Het viel hem te zwaarder oom Sam
met zulk eene ontzettende tijding te bedroeven, dewijl de oude man
sedert eenigen tijd veel was opgefleurd, en weder zoo vroolijk
geworden, dat het achterkamertje wederom even gezellig was als
voorheen. Oom Sam had den eersten termijn van de schuld aan Dombey
betaald, en hoopte op zijn tijd ook de rest af te doen; en hem thans
opnieuw ter neer te slaan, nu hij zich zoo mannelijk boven zijn leed
had verheven, was eene droevige noodzakelijkheid.
Het ging evenwel niet aan om zoo maar van hem weg te loopen. Hij moest
er vooruit van weten; en hoe het hem te zeggen, was de zaak. Wat de
vraag van gaan of niet gaan betrof, meende Walter geene keus te hebben.
Dombey had hem met waarheid gezegd, dat hij nog jong was en zijn ooms
omstandigheden niet goed waren; en door den blik, die deze herinnering
vergezelde, had hij duidelijk te kennen gegeven, dat Walter, als hij
het voorstel afwees, wel thuis mocht blijven, als hij zoo verkoos, maar
niet op zijn kantoor. Zijn oom en hij hadden eene groote verplichting
aan mijnheer Dombey, waarom Walter zelf had verzocht. Hij mocht er
heimelijk aan wanhopen om ooit de gunst van dien heer te winnen, en
denken dat deze hem nu en dan met eene minachting behandelde, die
eigenlijk niet billijk was; maar wat buitendien zijn plicht zou geweest
zijn, bleef toch zijn plicht—zoo dacht Walter ten minste—en zijn plicht
moest hij doen.
Toen Dombey hem aanzag en zeide dat hij nog jong was en zijn ooms
omstandigheden niet goed waren, had zijn gezicht de smadelijke
onderstelling uitgedrukt, dat Walter wel lust zou hebben om op kosten
van een oud man, die toch reeds in bekrompene omstandigheden verkeerde,
te blijven ledig loopen; en dit had den edeldenkenden jongeling tot in
de ziel getroffen. Met voornemen om mijnheer Dombey, zoover hij dit
zonder woorden te gebruiken doen kon, te verzekeren dat hij zich in
zijn karakter had vergist, had Walter er zich op toegelegd om zich na
die West-Indische benoeming nog vroolijker en vlijtiger te toonen dan
te voren, zoo dit voor een jongen van zijn levendigen en vurigen aard
mogelijk was. Hij was te jong en te onervaren om te denken, dat juist
deze hoedanigheid van hem mijnheer Dombey niet aangenaam was, en het
geen middel was om zijne goede meening te winnen als iemand zich onder
de schaduw van zijn geducht ongenoegen, hetzij billijk of onbillijk,
weltevreden en gemoedigd bleef toonen. Maar misschien—misschien—dacht
de groote man dat dit nieuwe blijk van een edel en mannelijk gemoed
moest dienen om hem te tarten, en nam hij zich voor het te vernederen.
“Wel, eens moet het oom Sam toch gezegd worden,” dacht Walter met een
zucht; en daar hij vreesde dat zijne stem misschien wat mocht beven, en
zijn uitzicht niet zooveel hoop aanduiden als hij wenschte, indien hij
het den ouden man zelf zeide en den eersten indruk dier mededeeling in
zijne gerimpelde trekken waarnam, besloot hij de goede diensten van
kapitein Cuttle, als bemiddelaar in te roepen. Toen het weder zondag
was geworden, begaf hij zich nog eens naar de woning des kapiteins.
Onderweg was het geene onaangename herinnering voor hem, dat jufvrouw
MacStinger elken zondagochtend een verren tocht deed, om de
godsdienstoefening bij te wonen, onder het gehoor van den eerwaarden
Melchizedek Howler, die, toen hij van de West-Indische dokken werd
weggezonden, op de valsche verdenking (door den grooten vijand
opzettelijk tegen hem uitgestrooid) dat hij gaatjes in vaten boorde en
dan zijn mond er voor hield, begonnen was het vergaan der wereld tegen
dien dag over twee jaren aan te kondigen, en eene benedenkamer had
gehuurd ter ontvangst van heeren en dames van de Dolle Gezindte, op
welke, bij hunne eerste vergadering, zijne vermaningen zulk een
krachtigen indruk hadden gemaakt, dat, onder den heiligen dans welke de
plechtigheden besloot, de vloer bezweek en de geheele gemeente beneden
in de keuken neerplofte, waarbij een mangel, aan een lid der kudde
toebehoorende, onherstelbaar werd beschadigd.
Dit had de kapitein, in een oogenblik van buitengemeene spraakzaamheid,
op den avond toen Brogley de uitdrager werd afbetaald, aan Walter en
zijn oom verteld. De kapitein bezocht geregeld elken zondagmorgen eene
kerk in zijne eigene buurt, waar hij goed genoeg was om—daar de wettige
hondenslager een gebrekkig oud man was—het oog op de jongens te houden,
over welke hij, door zijn geheimzinnigen haak, een groot vermogen
uitoefende. Wetende hoe geregeld de kapitein in alles was, maakte
Walter zooveel haast als hij kon, om hem nog eer hij uitging te vinden,
en had ook het genoegen, toen hij den hoek van Brig place omsloeg, de
blauwe jas en het vest van kapitein Cuttle buiten het venster in de zon
te luchten te zien hangen.
Het was bijna ongeloofelijk de blauwe jas te zien, zonder dat de
kapitein er instak; maar hij stak er toch niet in, anders zouden zijne
beenen—daar de huizen in Brig Place niet hoog zijn—de straatdeur hebben
verstopt, die evenwel geheel vrij was. Zeer verwonderd over dit
gezicht, klopte Walter ééns aan.
“Stinger,” hoorde hij den kapitein, boven op zijne kamer, duidelijk
zeggen, alsof dit kloppen hem niet aanging. Walter klopte dus tweemaal.
“Cuttle,” hoorde hij den kapitein daarop zeggen; en terstond daarop
kwam de kapitein zelf, in zijne schoone hemdsmouwen, met zijne das als
een touw om den hals en zijn blinkenden hoed op, boven zijne jas en
vest uit het raam kijken.
“Walter!” riep de kapitein uit, met verbazing naar beneden ziende.—“Ja,
kapitein Cuttle,” antwoordde Walter. “Ik ben het maar.”—“Wat scheelt er
aan, mijn jongen?” zeide de kapitein zeer bezorgd. “Gills is toch niet
weer over stuur?”—“Neen, neen,” antwoordde Walter. “Mijn oom scheelt
niets, kapitein.”
Kapitein Cuttle gaf zijn genoegen daarover te kennen, en zeide dat hij
naar beneden zou komen en de deur opendoen, hetgeen hij dan ook deed.
“Maar ge zijt er toch heel vroeg bij, Walter,” zeide de kapitein, hem
nog twijfelachtig aanziende, toen zij boven waren gekomen.—“Wel,
kapitein,” zeide Walter, zich neerzettende, “de zaak is eigenlijk, dat
ik bang was dat ge zoudt uitgaan; en ik wenschte eens een vriendelijken
raad van u te hebben.”—“Kom maar op, mijn jongen,” zeide de kapitein.
“Gij kunt alles van mij krijgen.”
Walter verhaalde hem wat er was voorgevallen, in welk bezwaar hij zich
daardoor ten opzichte van zijn oom bevond, en hoe het hem verplichten
zou als kapitein Cuttle zoo goed wilde zijn om hem bij te staan.
Kapitein Cuttle’s verbazing was zoo groot, dat zijn gezicht op het eind
van het verhaal een ledig masker scheen te zijn, waarachter nooit eene
menschelijke ziel had gescholen.
“Gij begrijpt wel, kapitein Cuttle,” vervolgde Walter, “wat mij zelven
betreft, ik ben nog jong, zooals mijnheer Dombey zegt, en op mij komt
het niet aan. Ik moet maken dat ik door de wereld kom, dat weet ik wel,
maar er zijn twee punten dacht ik, terwijl ik hier naar toekwam, waarop
ik voor mijn oom bijzonder moet letten. Ik wil niet zeggen dat ik
verdien zijn roem en de lust van zijn leven te zijn—dat gelooft gij wel
van mij—maar dat ben ik toch. Denkt gij het ook niet?”
De kapitein scheen eene poging te doen om uit de diepte zijner
verbazing op te rijzen en zijn gezicht weder te bezielen; maar daar dit
hem mislukte, knikte de blinkende hoed slechts met onuitsprekelijke
beteekenis.
“Als ik in leven en gezond blijf,” zeide Walter, “en daar ben ik niet
bang voor, kan ik toch, als ik naar West-Indië ga, bezwaarlijk hopen
mijn oom ooit weder te zien. Hij is oud, en buitendien, kapitein
Cuttle, zijn leven is een leven van gewoonte....”—“Sta vast, Walter! En
als die gewoonte ophoudt!” zeide de kapitein, eensklaps als het ware
herlevende.—“Maar al te waar, kapitein,” antwoordde Walter, zijn hoofd
schuddende. “En als het (zooals gij eens met waarheid hebt gezegd) zijn
leven zou verkort hebben, als hij zijn winkelvoorraad, en al die
dingen, waaraan hij zooveel jaren gewoon was, had verloren, denkt gij
dan niet dat het zijn leven ook verkorten zou....”—“Als hij zijn neef
verloor?” viel de kapitein er op in. “Wel zeker.”—“Nu dan,” zeide
Walter, met eene poging om een vroolijken toon aan te nemen; “wij
moeten ons best doen om hem te doen gelooven, dat de scheiding maar
voor een tijd zal zijn; maar daar ik beter weet, of vrees beter te
weten, kapitein, en zooveel redenen heb om hem te achten en lief te
hebben, vrees ik dat het mij zeer slecht zou afgaan als ik probeerde
hem dat wijs te maken. Dat is mijne voornaamste reden om te wenschen
dat gij er hem het eerst van spreekt, en dat is mijn eerste
punt.”—“Laveeren,” merkte de kapitein peinzend aan.—“Wat zegt ge,
kapitein?” vroeg Walter.—“Sta vast!” antwoordde de kapitein, nog
peinzend.
Walter zweeg eene poos om te wachten of de kapitein er nog iets bij zou
voegen; maar daar deze niets meer zeide vervolgde hij.
“Nu het tweede punt, kapitein Cuttle. Het spijt mij dat ik het moet
zeggen, maar ik ben geen gunsteling van mijnheer Dombey. Ik heb altijd
mijn best willen doen, en ik heb dat ook altijd gedaan, maar hij houdt
niet van mij. Ik kan het misschien niet helpen, dat ik hem niet beval.
Daar zeg ik niets van. Ik zeg maar, het is zeker dat hij niet van mij
houdt. Hij zendt mij niet naar dien post omdat het een goede post is;
hij wil mij dien zelfs niet beter doen voorkomen dan hij is, en ik
twijfel zeer of ik daardoor ooit tot bevordering op het kantoor zal
komen—of hij mij niet integendeel maar voor altijd uit den weg wil
hebben. Nu moeten wij hiervan niets tegen oom zeggen, kapitein Cuttle,
maar de zaak zoo gunstig voorstellen als wij kunnen; en als ik u zeg
hoe het werkelijk is, doe ik dat alleen opdat ik, als er ooit
gelegenheid mocht komen om mij een handje te helpen, terwijl ik zoo ver
weg ben, thuis een vriend zou hebben, die mijne wezenlijke
omstandigheden kent.”—“Walter, mijn jongen,” antwoordde de kapitein,
“in de spreuken van Salomo vinden wij dit: “Mogen wij nooit gebrek
hebben aan een vriend in nood, of aan eene flesch om hem te geven!” Als
ge dat vindt, zet er dan een streepje bij.”
Hierbij had de kapitein, met een gezicht vol welmeenendheid, Walter
zijne hand toegestoken; en nog eens zeide hij (want hij was eenigszins
trotsch op de nauwkeurigheid en gepastheid van zijne aanhaling): “Als
ge dat vindt, zet er dan een streepje bij.”—“Kapitein Cuttle,” zeide
Walter, de vervaarlijke vuist, die hem werd toegestoken, met zijne
beide handen vattende; “na mijn oom, is er niemand van wien ik zooveel
houd als van u. Er is niemand op de wereld wien ik zoo gerust kan
vertrouwen, dat weet ik zeker. Wat het heengaan betreft, kapitein,
daarom geef ik niet. Waarom zou ik daarom geven? Als ik mijn fortuin
mocht gaan zoeken als gemeen matroos, zou ik het gaarne doen. Ik zou
het al jaren geleden gaarne gedaan hebben, en het er op gewaagd hebben
hoe het met mij afliep. Maar dat was tegen den zin van mijn oom en
tegen de plannen die hij voor mij gemaakt had; en daarmede was dat
afgedaan. Maar wat ik gevoel, kapitein Cuttle, is dat wij ons allen
aldoor eenigszins vergist hebben, en dat ik tegenwoordig geene betere
vooruitzichten heb dan toen ik pas bij mijnheer Dombey op het kantoor
kwam—misschien slechter vooruitzichten, want misschien was de patroon
mij toen wel wat genegen, en dat is hij nu zeker niet.”—“Keer terug,
Whittington,” mompelde de verslagene kapitein, nadat hij Walter eene
poos had aangezien.—“Het zal lang duren, vrees ik,” antwoordde Walter
lachende, “eer er weer een Whittington komt. Niet dat ik klaag,”
vervolgde hij, weder zijn gewonen levendigen toon aannemende. “Ik heb
over niets te klagen. Ik ben bezorgd. Ik kan leven. Als ik mijn oom
verlaat, laat ik hem aan u over, kapitein Cuttle, en ik kan hem aan
niemand beter overlaten. Ik heb u dat alles niet gezegd omdat ik
wanhopig ben, dat niet; het is maar om u te overtuigen, dat ik het op
het kantoor niet maar zoo voor het kiezen heb, en dat ik moet gaan waar
ik gezonden word en moet nemen wat mij geboden wordt. Het is voor mijn
oom beter dat ik word weggezonden; want mijnheer Dombey is een vriend
die hem kan bijstaan, en ook wel wil, gelijk gebleken is; en ik ben
overtuigd dat hij dit nog eerder zal doen als ik er niet ben, dien hij
niet gaarne ziet. Dus, kapitein Cuttle, met eene kleine verandering van
het matrozen-liedje:
“Dat gaat naar West-Inje toe,
Voor meer dan zeven jaren.””
Kapitein Cuttle kon niet nalaten mede te schreeuwen, en besloot het
gezang met een lang uitgerekt “A-hoy!” dat de geheele straat doorklonk.
“En nu, kapitein Cuttle,” zeide Walter, hem met groote drukte jas en
vest aangevende, “als ge nu wilt meekomen en oom Sam het nieuws
vertellen (dat hij eigenlijk al lang had moeten weten) zal ik u aan de
deur laten en tot van middag gaan rondkuieren.”
De kapitein scheen niet veel zin in die taak te hebben, of te denken
dat hij ze naar behooren zou kunnen volvoeren. Hij had zich Walter’s
toekomstige loopbaan zoo geheel anders voorgesteld; hij had zich zoo
dikwijls verheugd over de schranderheid waarmede hij zijn fortuin
vooruitzag, dat het hem veel kostte daarvan af te zien, en zelfs mede
te helpen, om die vooruitzichten den bodem in te slaan. Buitendien vond
hij het moeilijk zijne oude denkbeelden in dit opzicht over boord te
werpen en eene nieuwe lading in te nemen, zonder in de haast, welke de
omstandigheden vereischten, de eene met de andere zaak te verwarren en
zelf niet te weten hoe hij het had. In plaats van dus met zooveel
spoed, als Walter zou verlangd hebben, vest en jas aan te trekken,
weigerde hij dit geheel en al, en onderrichtte hij Walter dat hij over
zulk eene ernstige zaak eerst “een beetje op zijne nagels moest
bijten.”
“Dat is eene oude gewoonte van mij. Walter,” zeide de kapitein, “al
sedert vijftig jaar. Als gij Ned Cuttle op zijne nagels ziet bijten,
denk dan maar dat hij aan den grond zit.”
Daarop nam de kapitein zijn ijzeren haak tusschen de tanden, alsof het
eene hand was, en begon de zaak, met een gezicht vol diepdenkende
wijsheid, uit alle oogpunten te overwegen.
“Ik heb een vriend,” mompelde hij peinzende, “maar hij is tegenwoordig
op de kustvaart naar Whitby uit, die er zooveel over zou kunnen zeggen
en over alle andere dingen, dat hij het parlement wel zes zou kunnen
voorgeven en het nog kloppen. Hij is tweemaal over boord geslagen, die
man, en het heeft hem niets gedeerd. Toen hij nog een jongen was kreeg
hij alle dag met eene handspaak op zijn kop, en toch is er geen mensch
op de wereld die helderder kop heeft.”
In weerwil van zijne achting voor kapitein Cuttle kon Walter niet
nalaten zich heimelijk over de afwezigheid van dien wijzen man te
verheugen, en te hopen dat zijn helder verstand zich niet met zijne
bezwaren mocht bemoeien eer zij geheel waren opgeruimd.
“Als ik dien man de ton aan de Nore wees,” zeide kapitein Cuttle, op
denzelfden toon, “en hem zijne meening daarover vroeg, Walter, zou hij
er een ding van maken dat zoo weinig op eene ton geleek als de knoopen
van uw oom. Geen mensch loopt zoo hard—op twee beenen zeker niet—dat
hij hem kan bijhouden.”—“Hoe heet hij, kapitein Cuttle?” zeide Walter,
die toch eenige belangstelling in den vriend des kapiteins wilde
toonen.—“Hij heet Bunsby,” zeide de kapitein. “Maar, Heere, hij zou
heel wat anders kunnen heeten, met zulk een verstand als hij heeft.”
Welk denkbeeld de kapitein eigenlijk aan deze lofspraak hechtte
helderde hij niet verder op, en Walter lokte hem ook niet daartoe uit;
want toen hij met zijne natuurlijke levendigheid nog eens over de
voornaamste punten zijner zaak begon te spreken, ontdekte hij spoedig
dat de kapitein weder in zijne vroegere diepzinnigheid was verzonken,
en hoewel hij hem onder zijne ruige wenkbrauwen strak aankeek, hem
blijkbaar niet zag of hoorde.
Kapitein Cuttle zat zich inderdaad met zulke diepzinnige bespiegelingen
bezig te houden, dat zijn doorzicht weldra geheel geen grond meer vond.
Langzamerhand werd het hem duidelijk dat er eene misvatting moest
plaats hebben, en het veel waarschijnlijker was dat Walter zich
vergiste dan hij; dat, indien er werkelijk een West-Indisch plan
bestond, dit geheel iets anders moest wezen dan Walter, die zoo jong en
loszinnig was, meende,—dat het niets anders wezen kon dan een nieuw
verzinsel om hem met buitengewonen spoed fortuin te laten maken. “Of
als er werkelijk eene kleine haspelarij tusschen hen is,” dacht de
kapitein, meenende tusschen Walter en Dombey, “zal er maar een gepast
woordje van een wederzijdsch vriend noodig zijn, om alles weder in orde
te brengen.” De slotsom, die kapitein Cuttle uit deze overwegingen
trok, was, dat daar hij reeds de eer had gehad om mijnheer Dombey te
leeren kennen en te Brighton een zeer aangenaam half uur in zijn
gezelschap door te brengen (op den ochtend toen zij dat geld leenden),
en daar twee lieden, die de wereld kenden en elkander verstonden, en
genegen waren om elkander pleizier te doen, gemakkelijk een klein
bezwaar van dien aard konden schikken, het vriendschappelijk van hem
zou zijn, als hij, zonder er Walter iets van te zeggen, bij mijnheer
Dombey aan huis ging—tegen den knecht zeide: “Jongetje, wilt gij wel
zoo goed zijn om kapitein Cuttle te rapporteeren?”—Mijnheer Dombey in
een geest van vertrouwen aan te spreken—hem bij zijn knoopsgat te
haken—er over te praten—alles in het effen te brengen—en in zegepraal
heen te gaan!
Terwijl deze gedachten langzamerhand bij kapitein Cuttle opkwamen en
een bepaalden vorm kregen, klaarde zijn gezicht op, evenals een
benevelde morgen voor een helderen middag plaats maakt. Zijne
wenkbrauwen, die geducht dreigend waren geweest, trokken naar omhoog en
werden minder borstelig; zijne oogen, bijna dichtgeknepen van het
ingespannen denken, openden zich ongedwongen; een glimlach, die eerst
maar drie plekjes had,—een aan den rechterkant van zijn mond en een aan
beide ooghoeken—verspreidde zich over geheel zijn gezicht, ontrimpelde
zijn voorhoofd, en lichtte den blinkenden hoed op, alsof deze, die met
den kapitein aan den grond had gezeten, nu, evenals hij, gelukkig weder
vlot was.
Eindelijk staakte de kapitein het nagelbijten, en zeide: “Nu, Walter,
mijn jongen, kunt ge mij eens helpen met dat tuig;” waarmede hij zijn
vest en jas bedoelde.
Walter vermoedde weinig waarom de kapitein zoo keurig was op zijne das,
dat hij de beide slippen tot een soort van staart maakte, en deze door
een zwaren gouden ring haalde, met eene tombe, een hek en een boom er
op, ter gedachtenis van een overleden vriend; en waarom de kapitein
zijne boordjes zoo hoog mogelijk optrok, zoodat hij er slechts even
overheen kon zien; of waarom hij zijne schoenen uitdeed en een paar
halvelaarzen aantrok, die hij slechts bij buitengewone gelegenheden
droeg. Toen eindelijk de kapitein naar zijn genoegen was gekleed, en
zich van het hoofd tot de voeten had bekeken in een scheerspiegeltje,
hetwelk hij ten dien einde van een spijker nam, greep hij zijn
knoestigen stok en zeide, dat hij gereed was.
De kapitein stapte op straat deftiger dan gewoonlijk, maar Walter
schreef dit aan de laarzen toe en lette er dus weinig op. Eer zij ver
waren gekomen, ontmoetten zij eene vrouw met bloemen te koop, en de
kapitein bleef op eens, alsof hij een gelukkigen inval kreeg, bij haar
staan, en kocht den grootsten ruiker uit hare mand; een waaierachtig
bouquet, dat twee en een halven voet in omtrek had en uit de kleurigste
en vroolijkste bloemen was samengesteld.
Met dit presentje, dat hij voor mijnheer Dombey bestemde, gewapend,
stapte kapitein Cuttle met Walter voort, tot zij de deur des
instrumentmakers bereikten, waarvoor zij beiden bleven stilstaan.
“Gij gaat binnen?” zeide Walter.—“Ja,” antwoordde de kapitein, die wel
gevoelde dat hij zich Walter moest kwijt maken, eer hij verder ging, en
dat hij zijn voorgenomen bezoek liever tot wat later op den dag moest
uitstellen.—“En gij zult niets vergeten?” zeide Walter.—“Neen,”
antwoordde de kapitein.—“Ik zal dus maar dadelijk op mijne wandeling
uitgaan,” zeide Walter, “dan ben ik uit den weg.”—“Doe maar eene
frissche lange wandeling, mijn jongen,” riep de kapitein hem na. Walter
wuifde met de hand om dit te beloven, en ging zijns weegs.
Zijn weg lag eigenlijk nergens heen; maar hij dacht dat hij eens naar
buiten wilde gaan, waar hij over het onbekende leven, dat voor hem lag,
kon nadenken en onder een of anderen boom gerust zitten peinzen. Hij
wist geene betere buitenwandeling dan bij Hampstead, en geene betere
manier om daarheen te komen dan door Dombey’s huis voorbij te gaan.
Het was zoo statig en donker als ooit, en hij ging voorbij en zag naar
den dreigenden gevel op. De valgordijnen waren allen neergelaten, maar
de bovenvensters stonden wijd open, en het koeltje, dat die gordijnen
deed heen en weder zwaaien, was het eenige teeken van leven of beweging
dat van buiten zichtbaar was. Walter stapte zachter, toen hij het huis
voorbijging, en was blijde toen hij het een paar deuren achter zich
had.
Toen zag hij om—met die belangstelling welke hij altijd, sedert het
avontuur van het verdwaalde kind, jaren geleden voor de plek gevoeld
had, en keek vooral naar die bovenvensters. Terwijl hij zoo stond,
hield er een koetsje voor de deur stil, en een zwaarlijvig heer, in het
zwart, met een zwaren horlogeketting, stapte af en ging binnen. Toen
hij zich naderhand dien heer en zijne equipage te zamen herinnerde,
twijfelde Walter niet of het was een dokter, en toen verwonderde hij
zich wie er ziek was: maar dit viel hem niet in voordat hij een eind
ver was gegaan en mijmerend aan andere dingen had gedacht.
Maar toch aan dingen die door het huis bij hem opkwamen, want hij
streelde zich met de gedachte, dat er misschien eens een tijd zou
komen, wanneer het schoone meisje, dat zijne oude vriendin was, en hem
altijd zoo dankbaar was geweest en zoo blijde dat zij hem zag, haar
broeder in zijn belang zou trekken en zoo een gunstigen invloed op zijn
lot uitoefenen. Hij streelde zich daarmede, meer, op het oogenblik,
omdat hij zich dan zou kunnen verbeelden dat zij bestendig aan hem
bleef denken, dan om het voordeel dat het hem zou kunnen geven; maar
zijn nuchter verstand fluisterde hem toe dat hij, als hij dan nog
leefde, over zee, en vergeten zou wezen, en zij getrouwd, rijk, trotsch
en gelukkig. Er bestond niet meer reden dat zij bij zulk een
veranderden staat van zaken met eenige belangstelling aan hem zou
denken, dan aan eenig speeltuig dat zij ooit had gehad—neen, zelfs
zooveel niet.
En toch idealiseerde Walter het bevallige meisje, dat hij eens op de
gemeene straten had vinden zwerven, zoodanig, en vond in de onschuldige
dankbaarheid, welke zij dien avond zoo eenvoudig en oprecht had
getoond, zooveel edels en schoons, dat hij zich voor zich zelven
schaamde, toen hij zich wilde opdringen dat zij trotsch zou worden. Aan
den anderen kant waren zijne gedachten zoo grillig, dat het hem bijna
niet minder lasterlijk voorkwam zich haar als eene volwassene vrouw te
verbeelden, haar zich anders voor te stellen dan als hetzelfde
zachtzinnige, argelooze, aanhalige kind, dat zij in de dagen van Goede
Vrouw Brown geweest was. Kortom, Walter ontdekte dat hij, zoodra hij
met zich zelven over Florence wilde redeneeren, terstond geheel
onredelijk werd, en maar niet beter kon doen dan haar beeld in zijn
hart te bewaren als iets kostbaars, onveranderlijks, onbereikbaars en
onduidelijks—onduidelijk in alles behalve haar vermogen om hem op te
beuren, en hem als een beschermengel terug te houden van alles wat
harer onwaardig zou zijn.
Het was eene lange wandeling die Walter deed, terwijl hij naar de
vogeltjes, en de kerkklokken, en het verzachte gegons der stad
luisterde—streelende geuren inademde—somtijds naar den benevelden
gezichteinder keek, waarachter zijne reis en de plaats zijner
bestemming lagen—en dan weder rondzag naar het groene Engelsche gras en
het bekende landschap. Evenwel dacht hij niet duidelijk, zelfs niet aan
zijn vertrek; hij scheen het nadenken, uit traagheid, van uur tot uur,
en van minuut tot minuut uit te stellen, en toch bleef hij al dien tijd
aan het peinzen.
Walter had de velden weder verlaten, en stapte in dezelfde mijmerende
stemming huiswaarts, toen hij een man een schreeuw hoorde geven, en
terstond daarop eene gillende vrouwenstem hem bij zijn naam riep.
Verwonderd omkijkende, zag hij dat eene huurkoets, die den anderen kant
opreed, niet ver van hem af, was blijven stilstaan; dat de koetsier op
den bok omzag en hem met zijne zweep wenkte, en dat eene jonge vrouw
het halve lijf uit het portier stak en hem met alle macht teekenen gaf.
Naar deze koets toeloopende, bevond hij dat de onbekende jonge jufvrouw
Nipper was, en dat jonge jufvrouw Nipper zoodanig onthutst was dat zij
haast niet wist wat zij zeide of deed.
“Staggs’s Gardens, mijnheer Walter!” zeide zij. “O zeg toch, als je
blieft.”—“Wat?” vroeg Walter. “Wat is er te doen?”—“O, mijnheer Walter,
Staggs’s Gardens als je blieft!” zeide Suze.—“Daar!” zeide de koetsier,
zich met zekere zegevierende wanhoop op Walter beroepende, “zoo heeft
die jonge jufvrouw al een uur lang aangegaan, en mij gedurig weer
achteruit laten rijden uit blinde sloppen, waar zij wilde dat ik zou
inrijden. Ik heb al veel vrachten in die koets gehad, maar nog nooit
zulk eene vracht als zij.”—“Woudt ge naar Staggs’s Gardens, Suze?”
vroeg Walter.—“Ja! Daar wil ze naar toe! Maar waar is het?” bromde de
koetsier.—“Ik weet niet waar het is,” riep Suze radeloos uit. “Ik ben
er eens geweest, mijnheer Walter, met jonge jufvrouw Flore en onzen
armen lieveling, jongen heer Paul, op denzelfden dag toen gij jonge
jufvrouw Flore in de City hebt gevonden, want wij raakten haar kwijt
toen wij naar huis kwamen, jufvrouw Richards en ik, en een dolle stier
en haar oudste jongetje; en ik ben er later nog wel geweest, maar nu
kan ik het niet vinden, het is alsof het in den grond is gezonken. O,
mijnheer Walter, laat mij toch niet zitten. Staggs’s Gardens, als je
blieft. Flore’s lieveling—de lieveling van ons allemaal—die kleine,
vriendelijke jonge heer Paul! O mijnheer Walter!”—“Goede God!” riep
Walter uit. “Is hij ziek—erg ziek?”—“Och dat engeltje!” zeide Suze,
hare handen wringende. “Hij heeft in zijn hoofdje gekregen, dat hij
graag zijne oude min zou zien, en nu moet ik haar bij hem aan zijn bed
halen, jufvrouw Staggs, in Polly Toodle’s Gardens—wist het toch maar
iemand!”
Ontroerd van hetgeen hij hoorde, en terstond door Suze’s ijver
aangestoken, trok Walter, nu hij hare boodschap begreep, zich de zaak
zoo hartelijk aan, dat de koetsier genoeg werk had om hem dicht op te
volgen, terwijl hij vooruitliep, om hier en daar en overal naar
Staggs’s Gardens te vragen.
Er was geen Staggs’s Gardens meer. Het was van de aarde verdwenen. Waar
eens het oude vermolmde zomerhuisje stond, verhief zich nu een paleis,
en opende zich tusschen reusachtige kolommen een vergezicht in de
spoorwegwereld daarachter. Het ellendige stuk braakland, waar voorheen
allerlei vuilnis lag opgehoopt, was weg; in plaats daarvan zag men
rijen van magazijnen met allerlei kostbare koopwaren volgestapeld. De
oude achterstraten wemelden nu van voetgangers en rijtuigen; de nieuwe
straten, die moedeloos in den modder waren blijven steken, vormden nu
steden op zich zelven, met eigenaardige gemakken en genoegens, die men
nooit beproefd, waaraan men nooit gedacht had, eer zij hier geschapen
werden. Bruggen die naar niets toe gingen, brachten nu naar villa’s,
tuinen, kerken en gezonde openbare wandelingen. De geraamten van huizen
en beginselen van nieuwe buitenwijken waren langs den weg met
stoomsnelheid medegeloopen, en als een monstertrein het land
ingevlogen.
Wat de buurt betrof, die den spoorweg in zijne dagen van ontstaan niet
had willen erkennen, zij was wijzer geworden en roemde nu op haar
rijken en machtigen buurman. Men zag er spoorwegpatronen voor de
vensters der manufactuurwinkels, en spoorwegbladen voor die der
courantenloopers. Men zag er spoorweghotels en koffiehuizen, men had er
spoorwegplannen, kaarten, gezichten, mantels, flesschen,
boterhammenblikjes en vertreklijsten; spoorwegkoetsveeren,
spoorwegomnibussen, spoorwegstraten en gebouwen, spoorweghandlangers en
pannelikkers, en vleiers buiten getal. De klokken wezen zelfs
spoorwegtijd, alsof de zon was afgeschaft. Onder de overwonnelingen was
de voorheen zoo ongeloovige schoorsteenveger van Staggs’s Gardens, die
nu in een gepleisterd huis van drie verdiepingen woonde, en zich op een
geschilderd bord met gouden krulletters voor “aannemer van het
machinale reinigen der spoorwegschoorsteenen” uitgaf.
Naar en van het hart dier groote verandering stroomde nacht en dag een
rustelooze stroom van levensbloed heen en weder. Scharen van menschen
en bergen van goederen, die twintig maal in de vier en twintig uren
aankwamen en vertrokken, onderhielden eene eeuwigdurende beweging.
Zelfs de huizen schenen genegen om op te pakken en uitstapjes te gaan
doen. Wonderlijke parlementsleden, die zich, weinig langer dan twintig
jaren geleden, met de wilde spoorwegtheorieën der ingenieurs hadden
vroolijk gemaakt, en bij parlementaire verhooren den draak met hen
hadden gestoken, reden nu met het horloge in de hand naar het noorden,
en zonden met den magnetischen telegraaf boodschappen vooruit, dat zij
kwamen. Dag en nacht snorden de locomotieven zegevierend voort, of
gleden, op het eind van een tocht, gelijk getemde draken, naar het
aangewezene hoekje, op een duimbreed afgemeten, en stonden daar te
borrelen en te trillen, dat de muren er van beefden, als vervulde hen
de geheime bewustheid van groote vermogens, die men nog niet vermoedde,
en veruitziende oogmerken, die zij nog moesten verwezenlijken.
Maar Staggs’s Gardens was met wortel en tak uitgeroeid. O jammer, dat
geen voet Engelschen grond—met krotjes van huizen bezet—meer veilig is!
Eindelijk vond Walter, na veel vruchteloos navragen, een man, die in
dat verdwenen land had gewoond, en niemand anders was dan de vroeger
gemelde schoorsteenveger, nu een deftig, zwaarlijvig man geworden, die
juist aan zijne eigene deur klopte. Hij kende Toodle wel, zeide hij.
Was hij niet aan den spoorweg geplaatst?
“Ja, mijnheer, ja!” riep Suze Nipper uit het portier.
Waar woonde hij nu? vroeg Walter haastig.
Hij woonde in de gebouwen der Compagnie, den tweeden hoek rechtsom, de
werf langs, dan dwars over en weer den tweeden hoek rechtsom. Het was
nommer elf; zij kon niet missen; maar als zij dat toch deden, moesten
zij maar naar Toodle den stoker vragen, en iedereen zou hun wijzen waar
hij woonde. Bij dit onverwachte geluk, kwam Suze met allen spoed uit de
koets, nam Walter’s arm en ging met een stap, die haar spoedig buiten
adem moest doen raken, te voet op weg, de koets daar latende om op hare
terugkomst te wachten.
“Is de kleine jongen lang ziek geweest, Suze?” vroeg Walter, terwijl
zij zich voortrepten.—“Al heel lang sukkelig, maar niemand hield het
voor zoo erg,” antwoordde Suze, en voegde er met buitengemeene
scherpheid bij: “O die Blimber’s!”—“Blimber’s?” herhaalde Walter.—“Ik
zou het mij zelve niet kunnen vergeven, mijnheer Walter,” antwoordde
Suze, “als ik iemand hard viel in een tijd als deze, nu er zooveel
ernstige droefheid is om aan te denken, maar ik mag toch wel wenschen
dat die heele familie aan het werk werd gezet om nieuwe wegen te maken
in een steenigen grond, en dat die jufvrouw Blimber met het houweel
vooruit moest.”
Daarop haalde zij eens adem en stapte nog harder door, alsof die
buitengewone ontboezeming hare borst verruimd had. Walter, die nu zelf
geen adem te missen had, stapte met haar mede zonder meer te vragen, en
spoedig stormden zij in hun ongeduld eene deur binnen, en kwamen zoo in
een zindelijk voorkamertje vol kinderen.
“Waar is jufvrouw Richards?” riep Suze rondkijkende. “O jufvrouw
Richards, jufvrouw Richards, kom toch met mij mee, als een lief
mensch!”—“Wel waarlijk, als dat Suze niet is!” zeide Polly, onder de
groep, met haar goedig moederlijk gezicht, zeer verwonderd
opstaande.—“Ja, jufvrouw Richards, ik ben het,” zeide Suze; “en ik wou
dat ik het niet was, al lijkt het niet beleefd om zoo te zeggen; maar
jonge heer Paul is heel ziek, en heeft zijn papa vandaag gezegd dat hij
zijne oude min zoo graag nog eens zou zien, en hij en jonge jufvrouw
Flore hopen dat ge met mij mee zult komen—en mijnheer Walter, jufvrouw
Richards—en vergeten wat er is voorgevallen, en dat lieve kind nog een
pleizier willen doen, want hij zal het niet lang meer maken, jufvrouw
Richards. Och, hij zal het niet lang meer maken!”
Toen Suze begon te schreien, en Polly, van aandoening over hare komst
en het gehoorde bericht, mede schreide, en al de kinderen (waaronder
verscheidene kleintjes) zich om haar heen drongen, legde Toodle, die
juist van Birmingham thuis was gekomen, en uit een schotel zat te eten,
mes en vork neer, stond op, kreeg voor zijne vrouw den hoed en doek,
die achter de deur hingen, hielp haar die opzetten en omdoen, klopte
haar toen op den rug, en zeide, met meer vaderlijk gevoel dan
welsprekendheid: “Snij maar uit, Polly!”
Zoo kwamen zij naar de koets terug, lang voor dat de koetsier hen
verwachtte; en Walter hielp Suze en jufvrouw Richards er in, ging zelf
op den bok zitten, opdat er geene vergissing meer zou plaats hebben, en
bracht de twee veilig tot bij mijnheer Dombey in het voorhuis—waar hij,
terloops gezegd, een reusachtigen ruiker zag liggen, welke hem aan dien
herinnerde, dien kapitein Cuttle des morgens in zijn gezelschap had
gekocht. Hij zou gaarne nog wat gebleven zijn om meer van den kleinen
zieke te hooren, of gewacht hebben, hoelang ook, om te zien of hij den
minsten dienst kon bewijzen; maar zich pijnlijk bewust, dat zulk een
gedrag door zijn patroon voor vrijpostig en aanmatigend zou worden
gehouden, ging hij langzaam en treurig heen.
Hij was nog geene vijf minuten ver, toen een man hem kwam naloopen en
verzocht om terug te komen. Walter ging haastig weder met hem mede, en
trad met een droevig voorgevoel het sombere huis binnen.