PAUL’S OPVOEDING.

Na verloop van eenige minuten, die kleinen Paul Dombey op de tafel als

een eindeloozen tijd voorkwamen, kwam doctor Blimber terug. Des doctors

gang was deftig en berekend om het jeugdig gemoed een gevoel van ontzag

in te boezemen. Het was eene soort van parademarsch; want als de doctor

zijn rechtervoet vooruitbracht, draaide hij zich statig om, met een

halfronden zwaai links, en als hij zijn linkervoet vooruitbracht,

draaide hij op dezelfde manier rechts; zoodat hij met elken stap, dien

hij deed, om zich heen scheen te kijken, als wilde hij zeggen: “kan

iemand ook zoo goed zijn om mij een onderwerp te noemen, van welken

aard ook, waaromtrent ik niet onderricht ben? Ik denk eenigszins van

neen.”

Mevrouw Blimber en hare dochter kwamen met den doctor terug; en nu

tilde de doctor zijn nieuwen leerling van de tafel en leverde hem aan

zijne dochter over.

“Cornelia,” zeide de doctor, “Dombey zal vooreerst onder uwe zorg

komen. Maak dat hij wat voortkomt, Cornelia, maak dat hij wat

voortkomt.”

Cornelia nam haar nieuwen pupil uit de handen van den doctor over; en

Paul, die gevoelde dat de bril hem bezichtigde, sloeg zijne oogen neer.

“Hoe oud zijt ge al, Dombey?” zeide Cornelia.—“Zes,” antwoordde Paul,

zich verwonderende, toen hij tersluiks een blik naar de jonge dame

wierp, waarom hare haren niet lang groeiden, gelijk die van Florence,

en waarom zij er zoo als een jongen uitzag.—“Hoeveel weet gij al van de

Latijnsche spraakkunst, Dombey?” hervatte Cornelia.—“Niets,” antwoordde

Paul; en begrijpende dat dit antwoord Cornelia’s gevoel een schok gaf,

keek hij op naar de drie gezichten, die op hem neerkeken, en vervolgde:

“Ik ben niet wel geweest. Ik ben een zwak kind geweest. Ik kon geen

Latijn leeren toen ik alle dag met den ouden Glubb uit was. Ik wou dat

gij den ouden Glubb liet zeggen om eens bij mij te komen, als het u

belieft.”—“Welk een schrikkelijk gemeene naam,” zeide mevrouw Blimber.

“Ten hoogste onclassisch! Wie is dat monster, kind?”—“Wat voor

monster?” vroeg Paul.—“Glubb,” zeide mevrouw Blimber met grooten

tegenzin.—“Hij is even weinig een monster als gij,” antwoordde

Paul.—“Wat!” riep de doctor met eene geduchte stem. “Ho, ho, ho! Wat is

dat?”

Paul was geweldig verschrikt, maar hij poogde toch den afwezigen Glubb

te verdedigen, hoewel hij het bevende deed.

“Hij is een heel aardig oud man, mevrouw,” zeide hij. “Hij placht mijn

wagentje te trekken. Hij weet alles van de diepe zee, en de visschen

die er in zijn, en de groote monsters die op de rotsen in de zon komen

liggen, en weder in het water duiken als zij ontrust worden, en zoo

hard blazen en plassen dat men ze mijlen ver kan hooren. Er zijn

sommige van die beesten,” zeide Paul, door zijn onderwerp in vuur

gebracht, “ik weet niet hoeveel ellen lang, en ik heb ook hunne namen

vergeten, maar Florence weet ze wel, die zich houden alsof zij in nood

waren, en als er iemand uit medelijden naar hen toe komt, doen zij hun

grooten bek open en bijten naar hem. Maar al wat hij dan te doen

heeft,” zeide Paul, stout genoeg om den doctor zelven deze inlichting

aan te bieden, “is dat hij aldoor maar ronddraait als hij wegloopt, en

dan ontloopt hij hun zeker, omdat zij zich langzaam omdraaien, want zij

zijn zoo lang en kunnen zich niet buigen. En al weet de oude Glubb

niet, waarom de zee mij altijd aan mijne mama doet denken, die dood is,

of wat het is dat zij altijd zegt—altijd zegt—hij weet er toch veel

van. En ik wou,” besloot het kind, terwijl zijn gezichtje eensklaps

betrok en hij de drie vreemde gezichten treurig aanzag, “dat gij dien

ouden Glubb eens hier bij mij liet komen, want ik ken hem heel goed, en

hij kent mij.”—“Het is erg,” zeide de doctor, zijn hoofd schuddende;

“maar studeeren zal veel doen.”

Mevrouw Blimber merkte met eene soort van huivering aan, dat hij een

onbegrijpelijk kind was, en zag hem, het onderscheid der gezichten in

aanmerking genomen, omtrent eveneens aan als mevrouw Pipchin placht te

doen.

“Breng hem het huis eens door, Cornelia,” zeide de doctor, “om hem met

zijne nieuwe sfeer bekend te maken. Ga met die jonge dame mee, Dombey.”

Dombey gehoorzaamde, gaf zijne hand aan de afgetrokkene Cornelia en zag

haar, terwijl zij te zamen heengingen, met vreesachtige

nieuwsgierigheid, zijdelings aan; want haar bril maakte haar, door het

glinsteren der glazen, tot zulk een geheimzinnig wezen, dat hij niet

wist naar welken kant zij keek, en zelfs niet zeker was of zij

daarachter wel oogen had.

Cornelia bracht hem eerst naar de schoolzaal, die achter het voorhuis

lag, en welke men door twee met baai bekleede deuren binnentrad, die de

stemmen der jonge heeren verdoofden. Hier bevonden zich acht jonge

heeren in verschillende trappen van versuffing, allen zeer hard aan het

werk en zeer ernstig. Toots, als de oudste, had een lessenaar alleen in

een hoek en daarachter scheen hij, in Paul’s jeugdige oogen, een deftig

man van ontzaglijken ouderdom te zijn.

Mijnheer Feeder, die voor een anderen lessenaar zat, had zijn

draaiorgel op den Virgiliusdeun gezet, en speelde dien langzaam aan

vier jonge heeren voor. Van de overige vier, waren twee, die de handen

stuipachtig tegen het voorhoofd klemden, met het oplossen van

mathematische voorstellen bezig; één, met een gezicht als een morsig

venster, van het vele huilen, poogde nog voor den eten door een

hopeloos getal van regels heen te fladderen, en één zat in versteende

wanhoop zijne taak aan te staren, en scheen van het ontbijt af in dien

toestand te hebben verkeerd.

De verschijning van een nieuwen jongen bracht geenszins die opschudding

te weeg, welke men had kunnen verwachten. Feeder (die om de koelte

gewoon was zijn hoofd te scheren en niets dan korte stoppels daarop

had) gaf hem eene beenderige hand en zeide dat hij blij was hem te

zien—hetgeen Paul hem ook gaarne had willen zeggen, als hij dit met de

minste oprechtheid kon gedaan hebben. Daarop gaf Paul, door Cornelia

onderricht, de hand aan de vier jonge heeren bij Feeder’s lessenaar;

daarna aan de twee jonge heeren, die de voorstellen uitwerkten, en wier

handen zeer koortsachtig waren; daarna aan den jongen heer, die den

tijd de loef poogde af te winnen, en eene zeer beïnkte hand had; en

eindelijk aan den jongen heer in een toestand van verstijving, wiens

hand klam en koud was.

Daar Paul reeds met Toots in kennis was gebracht, grinnikte deze jonge

heer maar eens, volgens zijne gewoonte, en ging voort met zijn werk.

Dit was niet zeer zwaar, want daar hij (in meer dan één zin) al zooveel

was door geweest, en ook, gelijk wij vroeger gezegd hebben, in zijn

besten tijd had opgehouden met bloeien, had Toots thans verlof om op

zijne eigene manier te studeeren, welke voornamelijk daarin bestond,

dat hij zich zelven lange brieven van personen van aanzien schreef, aan

“P. Toots, Esquire, Brighton, Sussex” geadresseerd, en deze zeer

zorgvuldig in zijn lessenaar bewaarde.

Toen deze plechtigheden waren afgeloopen, bracht Cornelia Paul de trap

op tot geheel boven in huis; hetgeen eene eenigszins langzame reis was,

daar Paul eerst beide voeten op een trap moest zetten, eer hij den

volgenden kon bestijgen. Maar zij kwamen toch eindelijk aan het einde

van hun tocht; en daar, in eene voorkamer die op de woeste zee uitzag,

wees Cornelia hem een aardig bedje, met witte gordijnen, vlak bij het

venster, waaraan een kaartje was gehecht, waarop reeds—zeer fraai met

eene ronde hand geschreven, met zeer vette neerhalen en zeer fijne

ophalen—de naam “Dombey” stond te lezen; terwijl twee andere

ledikantjes in dezelfde kamer op dezelfde wijs aan Briggs en Tozer

waren toegeëigend.

Juist toen zij weder beneden in het voorhuis kwamen, zag Paul den

jonkman met zwakke oogen, die mevrouw Pipchin zoo doodelijk had

geërgerd, een zeer grooten trommelstok opnemen en op een gong, die daar

hing, toevliegen alsof hij dol was geworden. In plaats van echter

dadelijk uit zijn dienst te worden gejaagd of in hechtenis te worden

genomen, liet men hem ongestoord begaan en hield hij van zelven op,

nadat hij een schrikkelijk geweld had gemaakt. Toen deelde Cornelia

Blimber den kleinen Dombey het bericht mede, dat het diner over een

kwartier uurs gereed zou zijn, en hij misschien zoolang maar liefst in

de schoolzaal bij zijne “vrienden” moest gaan.

De kleine Dombey ging dus met eerbied de groote klok voorbij, die nog

even verlangend was om te weten hoe hij het maakte, opende de deur der

schoolzaal eene klein eindje, ging aarzelend binnen, alsof hij gevoelde

dat hij verdwaald was, en deed ze met tamelijk veel moeite weder dicht.

Zijne vrienden waren allen door de zaal verspreid, met uitzondering van

den versteenden vriend, die onbeweeglijk bleef. Mijnheer Feeder stond

zich in zijne grijze kamerjapon uit te rekken, alsof hij, zonder kosten

te ontzien, er de mouwen van wilde aftrekken.

“Hee-ho!” riep hij, zich schuddende als een karrepaard. “O Heere,

Heere! Ya-a-ah!”

Paul schrikte waarlijk van Feeder’s geeuwen, zoo geducht krachtig en

ernstig was het. Al de jongens (Toots uitgezonderd) schenen evenzeer

afgemat, en maakten zich lusteloos voor den maaltijd gereed—sommigen

verstrikten hunne dassen, die inderdaad zeer stijf waren, en anderen

waschten in eene aangrenzende kamer hunne handen, of streken hun haar

op—alsof zij toch niet dachten dat die hun zou smaken.

De jonge Toots was reeds vooruit klaar. Dus niets te doen hebbende, had

hij zijn tijd voor Paul over en zeide met botte goedhartigheid:

“Ga zitten, Dombey.”—“Dank je wel, mijnheer,” zeide Paul.

Toen hij zich zelven op eene zeer hooge vensterbank poogde te hijschen

en er weder afgleed, scheen Toots eene ontdekking te doen.

“Ge zijt nog een heel klein kereltje,” zeide Toots.—“Ja, mijnheer, ik

ben nog klein,” antwoordde Paul. “Wel bedankt, mijnheer.”

Want Toots had hem op de bank getild, en dit zelfs met vriendelijke

behoedzaamheid gedaan.

“Wie is uw kleermaker?” vroeg Toots, na hem eene poos te hebben

aangezien.—“Tot nog toe heeft de naaister, die jurken voor mijne zuster

maakt, ook voor mij kleeren gemaakt,” zeide Paul.—“Mijn kleermaker is

Burgess en Comp.,” zeide Toots. “In de mode. Maar heel duur.”

Paul was schrander genoeg om zijn hoofd te schudden, als wilde hij

zeggen dat dit gemakkelijk te zien was; en zoo dacht hij ook werkelijk.

“Uw vader is heel rijk, niet waar?” zeide Toots.—“Ja, mijnheer,”

antwoordde Paul. “Hij is Dombey en Zoon.”—“En wat?” vroeg Toots.—“En

Zoon, mijnheer,” antwoordde Paul.

Toots deed binnensmonds eenige pogingen om die firma in zijn geheugen

te prenten; maar dewijl hem dit niet volkomen gelukte zeide hij, dat

hij Paul morgen zou vragen om hem dien naam nog eens te zeggen, daar

dit van eenig gewicht voor hem was. Hij was inderdaad niets minder

voornemens, dan zich zelven terstond een vertrouwelijken brief van

Dombey en Zoon te schrijven.

Thans hadden zich de andere leerlingen (altijd met uitzondering van den

versteenden jongen) om hem heen verzameld. Zij waren beleefd, maar

bleek, spraken zeer zacht en waren zoo ter neer gedrukt, dat bij den

algemeenen toon van dat gezelschap vergeleken, de kleine Bitherstone

een vroolijke snaak was. En toch meende hij ook over grieven te klagen

te hebben, die Bitherstone.

“Gij slaapt in mijne kamer, niet waar?” vroeg een ernstige jonge heer,

wiens boordjes zijne oorlapjes deden omkrullen.—“Jonge heer Briggs?”

vroeg Paul.—“Tozer,” zeide de jonge heer.

Paul antwoordde nu van ja; Tozer, daarop naar den versteenden jongen

wijzende, zeide dat hij Briggs was. Paul had zich reeds zeker gevoeld

dat hij Briggs of Tozer moest wezen, schoon hij niet wist waarom.

“Hebt gij een sterk gestel?” vroeg Tozer.

Paul zeide te denken van neen. Tozer antwoordde dat hij ook zoo dacht,

naar Paul’s uitzicht te rekenen, en dat dit jammer was, daar hij er wel

een noodig had. Daarop vroeg hij Paul of hij met Cornelia zou beginnen,

en toen Paul “ja” zeide, lieten al de jonge heeren (met uitzondering

van Briggs) een zacht gebrom hooren.

Dit werd gesmoord door de klanken van den gong, die weder een

vervaarlijk geweld maakte, en allen gingen naar de deur der eetzaal;

altijd met uitzondering van Briggs, den versteenden jongen, die bleef

zitten waar hij was en gelijk hij was. Onderweg naar hem toe ontmoette

Paul weldra een broodje, zeer fatsoenlijk op een bord met een servet,

en met eene zilveren vork dwars daar overheen gelegd.

Doctor Blimber zat reeds op zijne plaats aan het boveneind der tafel,

met mevrouw Blimber en Cornelia aan beide zijden naast hem. Mijnheer

Feeder zat met een zwarten rok onderaan. De stoel voor Paul stond naast

Cornelia; maar dewijl men bevond, toen hij ging zitten, dat zijne oogen

niet veel boven het tafellaken uitkwamen, werden er eenige boeken uit

des doctors studeerkamer gehaald, waarop hij verheven werd, en waarop

hij van dien dag af aan altijd zat—ze bij latere gelegenheden zelf

halende en weder wegbrengende, gelijk een kleine olifant met zijn

kasteel.

Toen de doctor een gebed had gedaan begon de maaltijd. Er was lekkere

soep, gebraden en gekookt vleesch, groenten, podding en kaas. Ieder

jonge heer had eene zware zilveren vork en een servet; alles was deftig

en fraai ingericht. Vooral was er een bottelier met een blauwen rok met

blinkende knoopen, die het bier waarlijk een wijnsmaak scheen te geven,

zoo deftig schonk hij het.

Niemand sprak of er moest tot hem gesproken worden, behalve doctor

Blimber, mevrouw Blimber en Cornelia, die nu en dan een woordje

wisselden. Wanneer een jonge heer niet dadelijk met mes en vork, of

lepel bezig was, zochten zijne oogen, door eene onweerstaanbare

aantrekkingskracht, de oogen van doctor Blimber, mevrouw Blimber of

Cornelia, en bleven daar eerbiedig rusten. Toots scheen de eenige

uitzondering op dien regel te zijn. Hij zat naast mijnheer Feeder, aan

Paul’s kant van de tafel, en keek dikwijls voor of achter de tusschen

hem zittende jongens om, ten einde Paul in het gezicht te krijgen.

Slechts eenmaal onder het eten had er een gesprek plaats, waarbij de

jonge heeren betrokken waren. Dit gebeurde onder het tijdperk der kaas,

toen de doctor, na een glas portwijn genomen, en twee- of driemalen

zijne keel geschraapt te hebben, zeide:

“Het is opmerkelijk, mijnheer Feeder, dat de Romeinen—”

Bij het noemen van dit geduchte volk, hunne onverzoenlijke vijanden,

vestigden al de jonge heeren hunne oogen op den doctor, met een schijn

van de diepste belangstelling. Een van hen, die juist dronk, en het oog

des doctors hem door den kant van zijn glas heen zag aangrimmen, hield

met zooveel overhaasting op, dat hij eene stuip scheen te zullen

krijgen en in de gevolgen de rede des doctors geheel bedierf.

“Het is opmerkelijk, mijnheer Feeder,” zeide de doctor, nog eens

langzaam beginnende, “dat de Romeinen, bij die prachtige en kostbare

maaltijden, waarvan wij in de dagen der keizers lezen, toen de weelde

eene vroeger of later ongekende hoogte had bereikt, en geheele

provinciën werden geplunderd om de kosten voor een enkel keizerlijk

feestmaal op te brengen....”

Hier barstte de schuldige, die in gevaar van te stikken vruchteloos

naar een sluitteeken had gewacht, geweldig uit.

“Johnson,” zeide mijnheer Feeder, zacht en verwijtend, “drink wat

water.”

De doctor wachtte met een zeer barsch gezicht tot het water gebracht

was, en hervatte:

“En toen, mijnheer Feeder...”

Maar Feeder, die zag dat Johnson weder zou moeten uitbarsten, en wel

wist dat de doctor, voor de jonge heeren sprekende, aan geen rustpunt

zou komen eer hij geheel had uitgesproken, kon zijne oogen niet van

Johnson afhouden; en zoo werd hij er op betrapt dat hij den doctor niet

aanzag, die derhalve weder zweeg.

“Neem mij niet kwalijk, mijnheer,” zeide Feeder, rood wordende.—“En

toen,” zeide de doctor, zijne stem verheffende, “toen, mijnheer, gelijk

wij lezen, en ik geene reden heb om te betwijfelen—hoe ongeloofelijk

het onkundigen in onzen tijd ook mag voorkomen—de broeder van Vitellius

hem een maaltijd deed voorzetten, waarbij, alleen van visschen, werden

voorgediend twee duizend schotels....”—“Neem een slokje water,

Johnson—schotels, mijnheer,” zeide Feeder.—“Van verschillende soorten

van vogelen, vijftien duizend schotels...”—“Of probeer een stukje

brood,” zeide Feeder.—“En een schotel,” vervolgde doctor Blimber, zijne

stem nog meer verheffende en de tafel rondziende, “wegens zijne

verbazende afmetingen het Schild van Minerva genoemd, en, onder andere

kostbare ingrediënten, bestaande uit de hersenen van

faisanten...”—“Hoe, hoe, hoe!” (van Johnson.)—“Houtsnippen...”—“Hoe,

hoe, hoe!”—“Zekere gedeelten van den visch, scari geheeten...”—“Er zal

nog een ader in uw hoofd barsten,” zeide Feeder. “Laat het liever maar

los.”—“En de kuit van de lamprei, uit de Karpatische Zee aangebracht,”

vervolgde de doctor op zijn gestrengsten toon; “wanneer wij lezen van

gastmalen zoo kostbaar als deze, en niettemin bedenken, dat wij een

Titus hebben.”—“Wat zou uwe moeder doen als gij aan eene beroerte

kwaamt te sterven!” zeide Feeder.—“Een Domitiaan,”—“En gij wordt al

blauw,” zeide Feeder.—“Een Nero, een Tiberius, een Caligula, een

Heliogabalus, en nog zoo velen,” vervolgde de doctor, “dan is het,

mijnheer Feeder—als ge mij de eer wilt doen om te

luisteren—opmerkelijk, zeer opmerkelijk, mijnheer.”—

Maar Johnson, buiten staat om zich langer in te houden, barstte op dat

oogenblik in zulk een geweldigen hoest uit, dat het, hoewel zijne beide

buren hem in den rug stompten, en Feeder zelf hem een glas water voor

den mond hield, en de bottelier hem verscheidene malen, als een

schildwacht, tusschen zijn stoel en het buffet liet heen en weer

stappen, toch volle vijf minuten duurde eer hij eenigszins bedaarde.

Toen volgde er eene diepe stilte.

“Jonge heeren,” zeide doctor Blimber, “staat op om te danken! Cornelia,

help Dombey eens van zijn stoel”—men zag nu niets van dezen boven het

tafellaken, behalve de kruin van zijn hoofd. “Johnson zal

morgenochtend, vóór het ontbijt, het eerste hoofdstuk van den brief aan

de Ephesen, uit het Grieksche Testament, geheel uit het hoofd opzeggen.

Over een halfuur, mijnheer Feeder, zullen wij onze studiën hervatten.”

De jonge heeren bogen en gingen heen. Feeder deed hetzelfde. Gedurende

dat half uur kuierden de jonge heeren, paar aan paar en arm in arm, op

een plekje gronds achter het huis op en neer, of poogden een vonkje van

leven in de borst van Briggs op te wekken. Maar tot zoo iets gemeens

als gewone jongensspelen kwam het niet. Precies op het bepaalde uur

klonk de gong, en werden de studiën, onder het vereenigd opzicht van

doctor Blimber en mijnheer Feeder, hervat.

Daar het Olympische spel van op en neer kuieren, ten gevolge van

Johnson’s misdrijf, dien dag korter dan gewoonlijk had geduurd, ging

men voor de thee gezamenlijk uit om te wandelen. Zelfs Briggs (schoon

hij nog niet aan zijn werk was begonnen) nam deel aan dit vermaak, en

keek onder het genot daarvan twee- of driemaal somber over den rand der

steile klip. Doctor Blimber ging mede; en Paul had de eer om door den

doctor zelven op sleeptouw te worden genomen, bij wien hij er al zeer

klein en zwak uitzag.

De thee werd niet minder deftig voorgediend dan het diner, en na de

thee gingen de jonge heeren met eene buiging heen om de dagtaken, die

zij niet hadden afgekregen, nog af te maken, of de reeds voor den

morgen dreigende taken in te zien. Ondertusschen ging Feeder naar zijne

eigene kamer, en bleef Paul in een hoek zitten, zich verwonderende of

Florence aan hem dacht, en wat men bij mevrouw Pipchin wel deed.

Toots, die door een gewichtigen brief van den Hertog van Wellington

werd opgehouden kwam eindelijk naar Paul toe, en na hem, evenals te

voren, lang te hebben aangezien, vroeg hij of hij veel van mooie vesten

hield.

“Ja, mijnheer,” zeide Paul.—“Ik ook,” zeide Toots.

Dien avond sprak Toots geen woord meer, maar bleef Paul staan aankijken

alsof hij wel zin in hem had, en daar dit reeds eenigszins gezellig

was, en Paul niet veel lust had om te praten, beviel het hem beter dan

een gesprek zou gedaan hebben.

Tegen acht uur liet de gong zich weder hooren voor het gebed in de

eetzaal, waar de bottelier vervolgens bij een buffet stond, waarop

brood, kaas en bier waren gereed gezet, ten dienste van de jonge

heeren, die van deze ververschingen verkozen te gebruiken. De

plechtigheden werden daarmede besloten, dat de doctor zeide: “Jonge

heeren, morgenochtend om zeven uur zullen wij onze studiën hervatten;”

en toen voor de eerste maal zag Paul Cornelia Blimber’s oog, dat op hem

gevestigd was. Toen de doctor gezegd had, dat men morgenochtend om

zeven uur de studiën zou hervatten, bogen de jonge heeren weder en

gingen naar bed.

In de vertrouwelijke stilte hunner eigene kamer boven, zeide Briggs dat

hij eene pijn in het hoofd had alsof het barsten moest, en dat hij wel

wenschen zou dat hij dood was, als hij dat niet liet om zijne moeder en

eene lijster die hij thuis had. Tozer sprak weinig, maar zuchtte veel,

en waarschuwde Paul om maar op te passen, want dat hij morgen aan de

beurt zou zijn. Na het uiten dezer voorspelling kleedde hij zich uit en

stapte in bed. Briggs en Paul waren insgelijks in bed, eer het jonge

mensch met zwakke oogen kwam om de kaars weg te halen, waarbij hij hun

een goeden nacht en pleizierige droomen wenschte. Deze goede wensch

bleef echter ten aanzien van Briggs en Tozer onvervuld, want Paul, die

lang wakker lag en nog dikwijls weder ontwaakte, vond dat Briggs door

zijne les werd geplaagd alsof het eene nachtmerrie was, en dat Tozer,

hoewel minder onrustig, in zijn slaap onbekende talen, of brokken

Latijn en Grieksch praatte,—voor Paul was dit eveneens—die in de stilte

van den nacht zeer akelig klonken, alsof hij door de wroeging over eene

zware schuld werd benauwd.

Paul was in een zoeten slaap gezonken, en droomde dat hij met Florence

hand aan hand door een fraaien tuin wandelde, toen zij aan eene groote

zonnebloem kwamen, die zich eensklaps tot een gong uitspreidde en begon

te galmen. Toen hij zijne oogen opende, bevond hij dat het een donkere

ochtend was, met een druilenden motregen, en dat de werkelijke gong in

het voorhuis zich schrikkelijk waarschuwend liet hooren.

Hij stond dus dadelijk op, en zag Briggs, bijna zonder oogen, want de

nachtmerrie en het huilen hadden zijn gezicht doen opzwellen, bezig met

zijne laarzen aan te trekken, terwijl Tozer, in een zeer slecht humeur

stond te bibberen en zijne schouders te wrijven. De arme Paul, niet

gewoon om zich zelven aan te kleeden, kon niet best daarmede terecht,

en vroeg hun om een paar bandjes voor hem vast te strikken, maar dewijl

Briggs niet anders zeide dan “Loop heen!” en Tozer “Wel ja!” ging hij,

toen hij voor het overige klaar was, naar beneden, en zag toen eene

verdieping lager eene knappe jonge meid met lederen handschoenen, die

eene kachel potloodde. Dit meisje scheen verwonderd over zijn voorkomen

en vroeg hem waar zijne moeder was. Toen Paul haar zeide dat zij dood

was, trok zij hare handschoenen uit, deed wat hij verlangde, wreef

bovendien zijne handjes om ze te warmen, gaf hem een kus, en zeide dat

hij, als hij meer zoo iets wilde gedaan hebben,—zij meende het helpen

aankleeden—maar naar Melia moest vragen, hetgeen Paul, na haar bedankt

te hebben, zeide, dat hij zeker zou doen. Toen zette hij zachtjes zijne

reis benedenwaarts voort, maar toen hij eene deur, die op eene kier

stond, voorbijkwam, riep eene stem van binnen: “Is dat Dombey?” Toen

Paul antwoordde “Ja, jufvrouw”—want hij wist wel dat het de stem van

Cornelia was,—zeide zij: “Kom binnen, Dombey;” en hij ging dus binnen.

Cornelia zag er eveneens uit als den vorigen dag, behalve dat zij een

shawl om had. Hare lichte krulletjes waren even stijf gekroesd, en zij

had ook reeds haar bril op, hetgeen Paul zich deed verwonderen of zij

daarmede naar bed ging. Zij had daar boven een koel zitkamertje, met

eenige boeken en zonder vuur. Maar Cornelia was nooit koud en nooit

slaperig.

“Dombey,” zeide zij. “Ik ga uit om exercitie.”

Paul verwonderde zich wat dat was, en waarom zij, bij zulk ongunstig

weder, er den knecht niet om zond. Maar hij sprak hier niet van, daar

zijne aandacht door een stapeltje nieuwe boeken werd geboeid, waarmede

Cornelia zich zoo pas scheen te hebben bezig gehouden.

“Die zijn voor u, Dombey,” zeide zij.—“Allemaal, jufvrouw?” zeide

Paul.—“Ja,” antwoordde Cornelia, “en mijnheer Feeder zal er binnen kort

nog eenige voor u uitzoeken, als ge zoo vlijtig zijt als ik verwacht

dat ge zijn zult, Dombey.”—“Wel bedankt, jufvrouw,” zeide Paul.—“Ik ga

uit voor exercitie,” hervatte Cornelia, “en terwijl ik uit ben, dat wil

zeggen tusschen dezen tijd en het ontbijt, Dombey, wensch ik dat gij

eens doorleest wat ik in die boeken heb aangeteekend; en mij dan zegt

of gij alles verstaat wat gij te leeren hebt. Sammel nu niet, Dombey,

want gij hebt geen tijd te verzuimen, maar neem ze mee naar beneden en

begin terstond.”

Er waren er zooveel, dat, hoewel Paul zijne eene hand onder het

onderste boek plaatste en het bovenste met zijne andere hand en zijne

kin zoo stevig vasthield als hij maar kon, het middelste boek er toch

tusschen uitschoot, eer hij nog bij de deur kwam, en zij allen op den

grond vielen. “O, Dombey, dat is al heel achteloos,” zeide Cornelia, en

stapelde ze nog eens voor hem op. Ditmaal kwam Paul, met groote

voorzichtigheid, de kamer uit en eenige trappen af, eer hem weder twee

ontglipten. Maar hij hield de anderen zoo vast, dat hij er nog maar een

meer op de trap en een in den gang verloor; en toen hij de overigen

behouden in de schoolkamer had gebracht, ging hij nog eens naar boven,

om de verlorenen te halen. Eindelijk de heele bibliotheek bijeen

hebbende, klom hij op zijne plaats en ging aan het werk, aangemoedigd

door het gezegde van Tozer, “dat hij er nu voor zat,” hetwelk het

eenige was dat hem stoorde, tot het tijd werd voor het ontbijt. Bij

dien maaltijd, waaraan hij weinig eetlust medebracht, was alles even

deftig en fatsoenlijk als bij de anderen; en zoodra het ontbijt gedaan

was, ging hij met Cornelia naar boven.

“Wel Dombey!” zeide zij, “hoe zijt ge met die boeken te recht gekomen?”

Er stond weinig Engelsch in en veel Latijn—namen van dingen,

verbuigingen van naamwoorden en voornaamwoorden en thema’s daarover,

eenige eerste taalregelen, een overzicht van de oude geschiedenis, een

weinigje van de nieuwere, eenige tafels van maten en gewichten en zoo

wat rekenkunst en algemeene kundigheden. Toen de arme Paul het

aangewezene in nommer twee had doorgehaspeld, vond hij dat hij niets

van nommer een wist; later drongen zich daarvan eenige brokken in

nommer drie, dat zich met nommer vier verwarde, die zich beide weder

niet van nommer twee konden vrijhouden; zoodat of twintig Romulussen

één Remus maakten, òf hic, hæc, hoc trooisch gewicht was; of een

werkwoord altijd bij een ouden Brit moest passen, en of driemaal vier

Taurus een stier was, onbesliste vragen voor hem bleven.

“O, Dombey, Dombey!” zeide Cornelia; “dat is al heel erg.”—“Als het u

belieft,” zeide Paul, “ik denk, als ik somtijds een beetje met den

ouden Glubb mocht praten, zou het mij veel beter gaan.”—“Gekheid,

Dombey,” antwoordde Cornelia. “Daar kan ik niet van hooren. Wij hebben

hier geen Glubb’s van doen. Gij zult, denk ik, die boeken een voor een

naar beneden moeten nemen, Dombey, en eerst de vragen van onderwerp A

goed leeren, eer gij aan B begint. Neem nu het bovenste boek mee,

Dombey, en kom terug als gij de les kent.”

Cornelia sprak met zekere sombere blijdschap over de diepe onkunde van

Paul, alsof zij zoo iets wel verwacht had, en zich verheugde dat zij

veel aan hem te doen zou hebben. Paul ging, gelijk hem gezegd was, met

de eerste les heen en zette zich beneden aan het leeren; somtijds kon

hij zich ieder woord herinneren, en somtijds was hij alles weder

vergeten en alle andere dingen bovendien, tot hij zich eindelijk naar

boven waagde om de les op te zeggen; en toen werd hem, eer hij begon,

haast alles weder daardoor uit het hoofd gejaagd, dat Cornelia het boek

toedeed en zeide: “Zeg maar op Dombey;” een bedrijf hetwelk aanduidde

dat zij zelve alles van buiten kende, en Paul over hare geleerdheid

deed versteld staan.

Hij kweet zich echter nu zeer wel; en Cornelia prees hem als een

jongen, die wel gauw vooruit zou komen, en gaf hem terstond daarop de

les B mede, van welke hij voor den maaltijd nog tot C en zelfs tot D

kwam. Het was moeielijk kort na den eten weder aan het studeeren te

gaan; hij gevoelde zich duizelig en verward, en dof en slaperig. Maar

al de jonge heeren gevoelden hetzelfde, en moesten toch ook weder aan

het studeeren—als dat hem kon troosten. Het was te verwonderen, dat de

groote klok in het voorhuis, in plaats van altijd bij hare eerste vraag

te blijven, ook niet eens zeide: “Jonge heeren, nu zullen wij onze

studiën hervatten;” want dit gezegde werd in hare nabijheid dikwijls

genoeg herhaald. Die studiën liepen rond gelijk een vervaarlijk wiel,

en de jonge heeren waren altijd daarop vastgebonden.

Na de thee had men wederom de herhalingen en de voorbereidingen voor

den volgenden dag bij kaarslicht. Eindelijk werd het toch tijd voor het

bed, waar men, als men niet van de lessen droomde, rust en zoete

vergetelheid vond.

O zaterdagen! O gelukkige zaterdagen, wanneer des middags altijd

Florence kwam, en nooit om het weder wilde wegblijven al bromde mevrouw

Pipchin nog zoo erg. Die zaterdagen waren sabbatten voor ten minste

twee kleine christenen onder al de Joden, en deden een heilig

sabbatwerk door de liefde tusschen broeder en zuster te versterken en

te bevestigen.

Zelfs niet de zondagavonden,—die drukkende zondagavonden, welker

schaduw den eersten glans van licht bij het ontwaken op zondagochtend

verdonkerde—konden die heerlijke zaterdagen bederven. Of zij te zamen

naar het ruime strand gingen om daar te wandelen of te zitten; of in de

donkere achterkamer van mevrouw Pipchin bleven, waar zij zoo zacht voor

hem zong, met zijn slaperig hoofd in haar arm, was Paul geheel

onverschillig. Florence was bij hem; dit was al waar hij om dacht; en

wanneer op zondagavond de donkere deur des doctors gaapte, om hem weder

voor eene week te verzwelgen, was het tijd om van Florence afscheid te

nemen—anders niets.

Jufvrouw Wickam was weder naar Londen gegaan, en jonge jufvrouw Nipper

was voor haar in de plaats gekomen. In menig duel met mevrouw Pipchin

stond Suze Nipper dapper pal; en indien mevrouw Pipchin ooit in haar

leven iemand vond, die haar staan kon, deed zij dit nu. Op den eersten

ochtend toen zij in het huis van mevrouw Pipchin opstond, wierp Suze

Nipper de scheede van het zwaard weg. Zij vroeg en gaf geen kwartier.

Zij zeide dat het oorlog moest wezen, en het was oorlog; en mevrouw

Pipchin leefde van toen af in gedurig gevaar van schermutselingen en

onverhoedsche aanvallen, die haar zelfs in het onbewaakte oogenblik

harer karbonade belaagden, en haar geroosterd brood verbitterden.

Toen Suze Nipper op een zondagavond met Florence was teruggekomen,

nadat zij Paul naar den doctor hadden gebracht, haalde Florence een

stukje papier uit hare borst waarop zij met potlood eenige woorden had

geschreven.

“Zie eens hier, Suze,” zeide zij. “Dat zijn de titels van die boekjes,

die Paul meebrengt om die lange thema’s uit te maken, als hij al zoo

moe is. Ik heb ze gisteravond opgeteekend toen hij aan het schrijven

was.”—“Laat ze mij maar niet zien, jonge jufvrouw, als het u belieft,”

antwoordde Suze, “Ik zou haast even graag mevrouw Pipchin zien.”—“Ik

zou gaarne willen, dat gij ze morgenochtend voor mij kocht, Suze. Ik

heb geld genoeg,” zeide Florence.—“Wel Heere mijn tijd, jonge

jufvrouw,” antwoordde Suze, “hoe kunt ge toch zoo praten? Gij hebt

immers al boeken genoeg, en meesters en meesteressen die u alles

leeren, al geloof ik, jonge jufvrouw Dombey, dat uw pa u nooit iets had

laten leeren, en er niet eens om zou gedacht hebben, als gij het niet

gevraagd hadt—toen hij het niet wel kon weigeren. Maar iets te geven

als het gevraagd wordt, of iets te presenteeren als het niet gevraagd

wordt, zijn twee verschillende dingen, jonge jufvrouw. Ik kan er wel

niet tegen hebben dat een jong mensch over mij verkeert, en als hij het

jawoord vraagt het hem te geven; maar dan zeg ik toch nog niet: “Zoudt

ge wel zoo goed willen zijn om zin in mij te krijgen.””—“Maar gij kunt

die boeken toch wel voor mij koopen, Suze; en dat zult gij ook wel

willen, als ge weet waarom ik ze noodig heb.”—“Wel, jonge jufvrouw,

waar hebt ge ze dan voor noodig?” zeide Suze, en voegde er zachter bij:

“Als het was om ze mevrouw Pipchin naar den kop te gooien, zou ik wel

eene wagenvracht willen koopen.”—“Ik denk dat ik Paul misschien wat zou

kunnen helpen, Suze, als ik die boeken had,” zeide Florence, “en de

volgende week een weinigje gemakkelijker voor hem maken. Ten minste ik

zou het gaarne beproeven. Koop ze dus voor mij, lieve Suze, en ik zal

nooit vergeten, hoe goed het van u was.”

Het had een harder hart moeten zijn dan dat van Suze Nipper, om het

beursje te kunnen afwijzen dat Florence haar bij deze woorden

toereikte, of den smeekenden blik waarmede zij haar verzoek aandrong.

Suze stak het beursje terstond in haar zak, en ging den volgenden

morgen op hare boodschap uit.

De boeken waren niet gemakkelijk te bekomen, en het antwoord in

verscheidene winkels was, dat men ze juist niet had, of ze er nooit op

nahield, of dat men er verleden maand een aantal van gehad had, of er

aanstaande week een aantal van verwachtte. Doch Suze liet zich bij zulk

eene onderneming niet licht afschrikken, en nadat zij een jong mensch

met vlashaar en een zwart sloofje, uit een boekwinkel waar zij bekend

was, had meegetroond om haar te helpen zoeken, liet zij hem zoo heen en

weer loopen, dat hij waarlijk zijn uiterste best deed, om maar van haar

af te komen. Zoo kon zij eindelijk in zegepraal naar huis gaan.

Met deze schatten dus, zette Florence, als zij met hare eigene lessen

gereed was, zich des avonds neer om Paul’s voetstappen langs de

doornige paden der kennis na te sporen; en daar zij een vlug begrip en

een goeden aanleg bezat, en door die verbazende leermeesteres, de

liefde, werd voortgeholpen, duurde het niet lang of zij was Paul op de

hielen, met hem gelijk en hem voorbij.

Geen woord hiervan mocht mevrouw Pipchin hooren; maar menigen avond,

wanneer allen naar bed waren en Suze Nipper, met hare haren in

papillotten, in eene ongemakkelijke houding bij haar zat te slapen, en

de sintels in den haard reeds lang koud waren, en de kaarsen reeds in

de pijp brandden, gaf Florence zich nog zooveel moeite om eene

plaatsvervangster voor dien éénen kleinen Dombey te kunnen zijn, dat

hare standvastigheid haar bijna het recht had moeten verwerven om zelve

dien naam te dragen.

En groot was hare belooning, toen op een zaterdagavond Paul naar

gewoonte ging zitten om “zijne studiën te hervatten,” en zij zich naast

hem zette en hem liet zien dat de ongebaande weg geëffend was, en alles

wat zoo donker was geweest helder en duidelijk voor hem lag. Het was

niets anders dan een verwonderde blik van Paul—een blos—een glimlach—en

toen eene hartelijke omhelzing—maar God weet hoe haar hart opsprong bij

die rijke vergelding voor hare moeite.

“O Flore!” riep haar broeder uit. “Wat heb ik u lief! Wat heb ik u

lief, Flore!”—“En ik u ook, lieve!”—“Ja, dat weet ik wel, Flore!”

Hij zeide er niet meer van; maar dien geheelen avond bleef hij dicht

bij haar zitten, heel stil; en in den nacht riep hij uit zijn kamertje,

achter het hare, nog drie- of viermaal dat hij haar liefhad.

Daarna was Florence geregeld klaar om op zaterdagavond naast Paul te

komen zitten, en hem met geduld te helpen aan zooveel van zijn werk

voor de volgende week als zij te zamen konden voorzien. De opbeurende

gedachte dat hij werkte waar Florence even te voren voor hem had

gewerkt, zou Paul op zich zelven reeds moed hebben gegeven bij de

gedurige hervatting zijner studiën; maar vereenigd met de werkelijke

verlichting van zijn last, die deze hulp hem verschafte, was zij

misschien de oorzaak dat hij niet bezweek onder de vracht, die de

schoone Cornelia hem oplaadde.

Niet dat zij hem hard wilde vallen, of dat doctor Blimber meende over

het geheel te veel van de jonge heeren te vergen. Cornelia bleef

slechts bij het geloof waarin zij was opgevoed, en de doctor was aan

zekere verwarring van denkbeelden onderhevig, welke hem de jonge heeren

deed beschouwen alsof zij allen doctors en volwassen geboren waren.

Gestreeld door de toejuiching van de naaste betrekkingen der jonge

heeren, en door hunne ijdelheid en door hun onbedachtzaam ongeduld

aangespoord, zou het vreemd geweest zijn als doctor Blimber zijn

misslag had ontdekt, en begrepen dat het raadzaam was zijne gezwollene

zeilen te reven.

Zoo was het ook met Paul. Als doctor Blimber zeide dat hij groote

vorderingen maakte, en veel aanleg had, was Dombey er meer dan ooit op

gesteld dat hij geforceerd en overkropt zou worden; en wanneer de

doctor van Briggs zeide, dat hij nog niet veel vorderde en niet veel

aanleg had, was de oude Briggs onverbiddelijk in hetzelfde opzet.

Kortom, hoe onnatuurlijk hoog de temperatuur mocht wezen waarop de

doctor zijne broeikas hield, de eigenaren der planten waren altijd

gereed om een handje aan den blaasbalg te helpen en het vuur aan te

stoken.

Zooveel levenslust en vroolijkheid als Paul in het begin had, verloor

hij natuurlijk zeer spoedig. Maar hij behield al wat zijn karakter

vreemds, oudachtigs en nadenkends had; en onder omstandigheden, welke

de ontwikkeling van zulke neigingen zoozeer begunstigden, werd hij nog

vreemder, oudachtiger en nadenkender dan ooit.

Het eenige verschil was dat hij het eigenaardige van zijn karakter nu

voor zich zelven hield. Hij werd van dag tot dag stiller en mijmeriger;

geen der levende leden van des doctors huisgezin wekte zulk eene

nieuwsgierigheid bij hem op als mevrouw Pipchin had gedaan. Hij was

liefst alleen; en in de korte tusschenpoozen wanneer hij niet met zijne

boeken bezig was, deed hij niets zoo gaarne als eenzaam door het huis

dwalen, of op de trap naar de groote klok in het voorhuis zitten

luisteren. Hij kende al de behangsels in huis van buiten, en zag dingen

in de patronen, die niemand anders er in zag; hij ontdekte kleine

leeuwen en tijgers, die tegen den muur opliepen, en zag scheele

gezichten hem uit de ruiten van het vloerkleed aangluren.

Zoo leefde het eenzame kind voort, door de arabesken zijner mijmerende

verbeelding omringd, en niemand verstond hem. Mevrouw Blimber vond hem

“raar,” en somtijds zeiden de dienstboden onder elkander dat kleine

Dombey “druilde;” maar dat was alles.

Of de jonge Toots moest een denkbeeld van de zaak gehad hebben, dat hij

geheel buiten staat was om uit te drukken. Denkbeelden, gelijk spoken

(volgens het gewone begrip van spoken) moeten aangesproken worden, eer

zij zich willen verklaren; en Toots had sedert lang geene vragen meer

aan zijn eigen gemoed gedaan. Misschien steeg er wel een damp uit die

looden vaas, zijne hersenpan, op, die, als hij eene bepaalde gedaante

had kunnen aannemen, een genius had kunnen worden; maar dat kon hij

niet, en dus volgde hij slechts in zooverre het voorbeeld van den rook

in de Arabische vertelling, dat hij zich als eene dikke wolk uitbreidde

en zoo bleef hangen. Maar hij liet toch eene kleine gedaante zichtbaar

op een eenzaam strand; en daarnaar staarde Toots aanhoudend.

“Hoe gaat het?” vroeg hij Paul wel vijftigmaal daags.—“Heel wel,

mijnheer, dank je,” antwoordde Paul dan.—“Geef mij eens de hand,” liet

Toots dan volgen.

Paul deed dit natuurlijk terstond, en gewoonlijk zeide Toots, na nog

een tijd lang gestaard en diep geademd te hebben, wederom: “Hoe gaat

het?” waarop Paul wederom antwoordde: “Heel wel, mijnheer, dankje.”

Op een avond zat Toots voor zijn lessenaar, druk bezig met zijne

correspondentie, toen er een groot voornemen bij hem scheen op te

komen. Hij legde zijne pen neer en ging Paul opzoeken, dien hij

eindelijk uit het venster van zijne slaapkamer vond kijken.

“Zeg eens!” riep Toots, zoodra hij binnenkwam, opdat hij zijne

boodschap niet vergeten zou. “Waar denkt gij toch zoo aan?”—“Och! ik

denk aan heel veel dingen,” antwoordde Paul.—“Zoo! Doet ge?” zeide

Toots, die dit op zich zelven reeds verwonderlijk scheen te

vinden.—“Als gij sterven moest,—” zeide Paul, naar hem opziende.

Toots maakte eene beweging van schrik en scheen zeer onrustig te

worden.

“Denkt gij dan niet dat gij liever in een nacht met maneschijn zoudt

willen sterven, als de lucht helder was en het frisch waaide, zooals

verleden nacht?”

Toots zeide, terwijl hij Paul twijfelend aanzag en zijn hoofd schudde,

dat hij daar niets van wist.

“Het waaide eigenlijk niet hard,” hervatte Paul, “maar er was een

gesuis in de lucht, evenals de zee in een grooten hoorn maakt. Het was

een heerlijke nacht. Toen ik lang naar de zee had liggen luisteren,

stond ik op en ging naar het venster. Er was eene boot daar ginder, in

het volle maanlicht, eene boot met een zeil.”

Het kind zag hem zoo strak aan en sprak met zooveel ernst, dat Toots,

zich geroepen achtende om iets van die boot te zeggen, zeide:

“Smokkelaars!” Maar zich onpartijdig herinnerende, dat alle dingen twee

kanten hebben, liet hij volgen: “of kustwachters.”—“Eene boot met een

zeil,” herhaalde Paul, “in het volle maanlicht. Het zeil als een arm,

geheel van zilver. Het werd in de verte al kleiner en kleiner, en wat

denkt ge dat het scheen te doen door de beweging van de

golven?”—“Slingeren,” zeide Toots.—“Het scheen mij te wenken,” zeide

Paul, “te wenken om daar naar toe te komen.—Daar is zij!—Daar is zij!”

Na het voorafgaande, schrikte Toots geweldig van dezen uitroep, en

vroeg: “Wie?”—“Mijne zuster Florence,” antwoordde Paul. “Zij kijkt naar

boven en wuift met hare hand. Zij ziet mij—zij ziet mij! Goeden nacht,

lieve! Goeden nacht, goeden nacht!”

Zijn plotselinge overgang tot opgetogene blijdschap, terwijl hij voor

het venster stond in de handen te klappen en handkussen te werpen; en

de manier waarop die glans, toen zij uit zijne oogen raakte, van zijn

gezichtje verdween, en er eene geduldige zwaarmoedigheid op achterliet,

waren te opmerkelijk om zelfs Toots geheel te ontsnappen. Daar hun

onderhoud toen juist gestoord werd door de komst van mevrouw Pipchin,

die Paul gewoonlijk eens in de week tegen schemeravond kwam bezoeken,

had Toots geen tijd om de gelegenheid waar te nemen; maar de indruk,

dien dit voorval op hem maakte, was zoo groot, dat hij na de gewone

begroetingen met mevrouw Pipchin te hebben gewisseld, nog tweemaal

terugkwam om te vragen hoe zij voer. Dit hield de lichtgeraakte oude

dame voor eene opzettelijke, lang te voren overlegde beleediging,

gesproten uit een duivelachtig verzinsel van het jonge mensch met

zwakke oogen beneden, tegen wien zij daarom nog denzelfden avond eene

formeele aanklacht bij doctor Blimber inbracht, die het jonge mensch

zeide dat hij, als hij het ooit weer deed, genoodzaakt zou zijn hem te

laten gaan.

Daar de avonden nu langer werden, sloop Paul elken avond naar zijn

venster, om naar Florence uit te zien. Zij ging op zekeren tijd zoolang

heen en weder tot zij hem zag, en hunne wederzijdsche herkenning was

een straaltje zonneschijn in Paul’s dagelijksch leven. Dikwijls

wandelde na den donker nog eene andere gedaante alleen des doctors huis

voorbij. Hij kwam thans des zaterdags zelden bij hen. Hij kon dit niet

uitstaan. Hij wilde liever onherkend naar de vensters opkijken van het

huis waar zijn zoon werd voorbereid om een man te worden; en wachten,

waken, plannen maken en hopen.

O, had hij maar kunnen zien, hoe het tengere kind daar boven in den

schemeravond met zijne ernstige oogen naar de golven en de wolken

tuurde, en zich, als er vogelen voorbijvlogen, tegen het venster van

zijne eenzame kooi drukte, alsof hij hen had willen volgen en

heenvliegen naar omhoog!

Dombey en Zoon · 第 24 / 125 题