PAUL WORDT OP EEN NIEUW TOONEEL GEVOERD.

Mevrouw Pipchin’s gestel bestond uit zulk hard metaal, hoewel het

onderhevig was aan de vleeschelijke zwakheid om na karbonaden rust

noodig te hebben, dat zij de voorspellingen van jufvrouw Wickam

logenstrafte en er zich geene verschijnselen van tering bij haar

opdeden. Daar echter Paul’s buitengewone ingenomenheid met de oude dame

in volle kracht bleef, week jufvrouw Wickam geen duim breed van haar

gevoelen af. Zich op den vasten grond van haar ooms Betsey Jane

verschansende, raadde zij jufvrouw Berry als vriendin om zich op het

ergste gereed te houden, en waarschuwde haar dat hare tante ieder

oogenblik even gevaarlijk was als een kruitmolen.

De arme Berry hoorde dit alles geduldig aan en sloofde en slaafde naar

gewoonte voort, volmaakt overtuigd dat mevrouw Pipchin een der

verdienstelijkste menschen op de wereld was, waarom zij dan ook zich

zelve ontelbare malen daags op het altaar dier edele matrone ten offer

bracht. Doch al die zelfopofferingen van Berry werden door mevrouw

Pipchin’s vrienden en vriendinnen op eene of andere wijs geheel ter

eere van die dame uitgelegd, en in verband gebracht met de treurige

omstandigheid dat mijnheer Pipchin van hartzeer over de mijnen van Peru

was gestorven.

Bij voorbeeld, er was een eerlijk komenijsman, tusschen wien en mevrouw

Pipchin een aanteekenboekje, met een vettig rood bandje, werd gehouden,

dat gedurig geschil veroorzaakte, en waarover telkens geheime

conferentiën werden gehouden, hetzij op de mat in den gang, of met

geslotene deur in de zijkamer. Het ontbrak ook niet aan donkere

geruchten, van jongen heer Bitherstone afkomstig (die door den invloed

der zonnehitte van Indië op zijn bloed een wraakzuchtig karakter had

gekregen) dat de rekening dikwijls onbetaald bleef en men tusschenbeide

gebrek aan suiker bij de thee leed. Daar deze komenijsman ongetrouwd

was en niet naar uitwendige schoonheid zag, had hij eens zeer

fatsoenlijk om de hand van Berry gevraagd, welke mevrouw Pipchin hem

met hoon en smaad had geweigerd. Iedereen zeide, hoe loffelijk dit van

mevrouw Pipchin was, weduwe van een man, die aan de mijnen van Peru was

gestorven, en hoe hooghartig en onafhankelijk de oude dame nog was.

Maar niemand zeide iets van Berry, die zes weken lang schreide (al dien

tijd door hare goede tante geducht bekeven), en in een staat van

hopeloos oudvrijsterschap verzonk.

“Berry houdt veel van u, niet waar?” zeide Paul eens tot mevrouw

Pipchin, toen zij met de kat bij het vuur zaten.—“Ja,” zeide mevrouw

Pipchin.—“Waarom?” vroeg Paul.—“Waarom?” herhaalde de oude dame uit het

veld geslagen. “Hoe kunt gij zoo iets vragen, jonge heer? Waarom houdt

gij van uw zusje Florence?”—“Omdat zij zoo goed is,” antwoordde Paul.

“Er is niemand die naar Florence gelijkt.”—“Wel,” zeide mevrouw Pipchin

kortaf, “en er is niemand die naar mij gelijkt, denk ik.”—“Zou er

waarlijk niemand wezen?” vroeg Paul, op zijn stoeltje vooroverleunende

en haar zeer strak aankijkende.—“Neen,” zeide de oude dame.—“Daar ben

ik blij om,” merkte Paul aan, nadenkend in zijne handjes wrijvende.

“Dat vind ik heel goed.”

Mevrouw Pipchin durfde hem niet vragen waarom, uit vrees voor een

geheel verpletterend antwoord. Maar als een balsem voor haar gekwetst

gevoel, plaagde zij den kleinen Bitherstone tot hij naar bed ging

zoodanig, dat hij dien zelfden avond beschikkingen begon te maken om

over land naar Indië terug te keeren, door van zijn avondeten een brok

brood en een stukje kaas weg te stoppen, als het begin van een voorraad

van levensmiddelen om zich op reis te onderhouden.

Mevrouw Pipchin had nu bijna een jaar lang den kleinen Paul en zijne

zuster onder haar opzicht gehad. Zij waren tweemaal naar huis geweest,

maar slechts voor weinige dagen, en hadden overigens hun vader

wekelijks geregeld in zijn logement gaan bezoeken. Langzamerhand was

kleine Paul sterker geworden en had hij zijn wagentje kunnen missen;

maar hij was nog mager en teer, en bleef nog hetzelfde oudachtige,

stille, droomerige kind, dat hij was toen hij pas aan de zorg van

mevrouw Pipchin werd toevertrouwd. Op een zaterdagavond, tegen de

schemering, werd er eens in het Kasteel eene groote ontsteltenis

veroorzaakt, daar Dombey geheel onverwacht mevrouw Pipchin een bezoek

kwam brengen. Dadelijk werd de bevolking der zijkamer als door een

wervelwind naar boven gejaagd, en na veel toeslaan van deuren en

stampen van voeten op die verdieping, en nadat mevrouw Pipchin, om hare

onrust eenigszins lucht te geven, den kleinen Bitherstone eenige duwen

en stompen had toegediend, verdonkerde eindelijk het zwarte gewaad der

brave vrouw de audiëntiezaal, waar Dombey het ledige leuningstoeltje

van zijn zoon en erfgenaam zat te beschouwen.

“Mevrouw Pipchin,” zeide Dombey. “Hoe vaart ge?”—“Wel verplicht,

mijnheer,” zeide mevrouw Pipchin. “Tamelijk wel, alles in aanmerking

genomen.”

Mevrouw Pipchin gebruikte altijd die spreekwijs. Zij meende, hare

deugden, opofferingen enz. in aanmerking genomen.

“Ik kan niet verwachten ooit geheel gezond te zijn, mijnheer,” hervatte

mevrouw Pipchin, een stoel nemende en naar adem hijgende, “maar voor

zooveel gezondheid als ik heb, ben ik dankbaar.”

Dombey boog zijn hoofd met het tevreden gezicht van een patroon, die

begreep dat dit juist datgene was waarvoor hij zooveel in het

vierendeeljaar betaalde. Na een oogenblik van stilte, hervatte hij:

“Mevrouw Pipchin, ik ben zoo vrij geweest aan te komen, om u over mijn

zoon te raadplegen. Ik ben dat al eenigen tijd voornemens geweest, maar

heb het gedurig uitgesteld, om te wachten tot zijne gezondheid geheel

hersteld was. Gij hebt geene bezorgdheid in dat opzicht, mevrouw

Pipchin?”—“Brighton is hem zeer heilzaam geweest, mijnheer,” antwoordde

mevrouw Pipchin. “Inderdaad, zeer heilzaam.”—“Ik ben ook voornemens,”

zeide Dombey, “dat hij te Brighton zal blijven.”

Mevrouw Pipchin wreef in hare handen en vestigde hare oogen op het

vuur.

“Maar,” vervolgde Dombey, zijn voorvinger opstekende, “maar misschien

zal ik nu eene verandering met hem maken, waardoor hij hier eene geheel

andere levenswijs zal krijgen. Kortom, mevrouw Pipchin, dat is het

oogmerk van mijn bezoek. Mijn zoon begint nu voort te komen—werkelijk

voort te komen.”

De zegepralende houding waarmede Dombey dit zeide had iets treurigs.

Zij bewees hoelang Paul’s kindsheid hem geduurd had, en hoe zijne hoop

op een later tijdperk van zijn leven was gevestigd. Medelijden mag een

vreemd woord schijnen om op een man, die zoo koud en trotsch was, toe

te passen, en toch scheen hij op dat oogenblik een waardig voorwerp van

medelijden te zijn.

“Zes jaren oud,” zeide Dombey, zijne das verschikkende, misschien om

een onbedwingbaren glimlach te verbergen, die veeleer van zijn gezicht,

waar hij geene rustplaats vond, scheen af te schampen, dan er over te

spelen. “Wel, zes zal zestien worden, eer wij er om denken.”—“Tien

jaren,” kraste de onmeedoogende mevrouw Pipchin, met eene ijskoude

flikkering in hare harde grijze oogen, en een akelig schudden van haar

gebogen hoofd, “is een lange tijd.”—“Dat hangt van omstandigheden af,”

antwoordde Dombey. “In allen gevalle, mevrouw Pipchin, mijn zoon is nu

zes jaren, en er is geen twijfel aan, vrees ik, of hij is in het leeren

ver ten achter bij vele kinderen even oud als hij—of even jong,” zeide

Dombey, snel opmerkende wat hij misschien voor een spottend flikkeren

der koude oogen meende te moeten houden—“even jong is eene meer gepaste

uitdrukking. Nu, mevrouw Pipchin, behoorde mijn zoon, in plaats van bij

andere kinderen ten achter, hen veel vooruit te zijn. Er is eene

verhevene plaats voor hem gereed. De loopbaan van mijn zoon heeft niets

twijfelachtigs. Zijn weg door het leven was duidelijk afgeteekend en

voorbereid, eer hij aanwezig was. De opvoeding van zulk een jongen heer

moet niet verzuimd of vertraagd worden. Zij moet niet onvolkomen

blijven. Er moet met ijver en ernst voor gezorgd worden, mevrouw

Pipchin.”—“Zeker, mijnheer,” antwoordde mevrouw Pipchin. “Daar kan ik

niets tegen zeggen.”—“Ik was overtuigd, mevrouw Pipchin,” zeide Dombey

goedkeurend, “dat iemand van uw verstand dat niet zou kunnen of

willen.”—“Er wordt veel onzin, of erger, over uitgekraamd, dat kinderen

in het eerst niet te hard moeten worden aangezet, en zachtjes

voortgeleid, en zoo al meer, mijnheer,” zeide mevrouw Pipchin,

ongeduldig haar haviksneus wrijvende. “In mijn tijd dacht men nooit om

zoo iets, en dat behoeft men nu nog niet te doen. Mijne meening is

“laat ze geen rust.””—“Mevrouw,” antwoordde Dombey, “gij hebt uwe

reputatie niet onverdiend verworven; en ik verzoek u te willen

gelooven, dat ik meer dan tevreden ben over uwe uitmuntende manier van

opvoeden, en die met het grootste genoegen zal recommandeeren, als

mijne geringe recommandatie”—Dombey’s statigheid, wanneer hij zijne

eigene gewichtigheid veinsde te willen verkleinen, ging alle

verbeelding te boven, “van eenigen dienst kan zijn. Ik heb aan doctor

Blimber gedacht, mevrouw Pipchin.”—“Mijn buurman, mijnheer?” zeide

mevrouw Pipchin. “Ik geloof dat het instituut van doctor Blimber

uitmuntend is ingericht. Ik hoor dat men er zeer streng is, en er van

den ochtend tot den avond niets gedaan wordt dan leeren.”—“En het is

zeer duur,” voegde Dombey er bij.—“En het is zeer duur, mijnheer,”

antwoordde mevrouw Pipchin, met een spoed alsof zij, door deze

omstandigheid te vergeten, een der voornaamste verdiensten van het

instituut had verwaarloosd.—“Ik heb reeds eenige informatie bij den

doctor genomen, mevrouw Pipchin,” zeide Dombey, zijn stoel onrustig een

weinig dichter bij het vuur schuivende, “en hij denkt dat Paul

volstrekt niet te jong is. Hij heeft mij verscheiden voorbeelden

genoemd van jongens, die op dezelfde jaren al aan het Grieksch waren.

Als ik mij, wat die verandering betreft, eenigszins ongerust maak,

mevrouw Pipchin, is het niet om die reden. Daar mijn zoon nooit eene

moeder heeft gekend, heeft hij zijne kinderlijke gehechtheid

langzamerhand wat veel—wat al te veel—op zijne zuster overgebracht. Of

hunne scheiding—” Dombey sprak niet verder, maar bleef zwijgend

zitten.—“Wel heere mijn tijd!” riep mevrouw Pipchin uit, haar zwarten

rok uitschuddende, terwijl de kindereetster in volle mate bij haar

ontwaakte. “Als het haar niet bevalt, mijnheer Dombey, moet zij het

maar leeren slikken.” De goede vrouw verzocht terstond daarop

verschooning dat zij zulk eene triviale uitdrukking gebruikte, maar

zeide (en met waarheid) dat dit de manier was waarop zij redeneerde.

Dombey wachtte tot mevrouw Pipchin gedaan had met het hoofdschudden en

zuur kijken alsof zij een legioen Bitherstone’s en Pankey’s wilde bang

maken, en zeide toen bedaard, maar berispend: “Maar hem, mijne goede

mevrouw, hem.”

Mevrouw Pipchin zou wel gezind zijn geweest om allen tegenzin van

kleinen Paul op dezelfde wijs te genezen; maar het grijze oog was

scherp genoeg om te zien, dat haar recept, schoon Dombey wel wilde

toegeven dat het voor zijne dochter dienstig kon zijn, hem voor zijn

zoon niet beviel. Zij begon dus over de zaak uit te weiden, en beweerde

dat de verandering, het nieuwe gezelschap, de geheel verschillende

levenswijs, die hij bij doctor Blimber zou hebben, en de drukte van de

lessen hem spoedig van oude betrekkingen zouden vervreemden. Daar dit

met Dombey’s eigene hoop en geloof instemde, gaf het hem eene nog

hoogere meening van mevrouw Pipchin’s verstand; en daar mevrouw Pipchin

te gelijk het verlies van haar liefste vriendje bejammerde (hetwelk

echter niet zulk een zware schok voor haar was, daar zij het reeds lang

had verwacht, en in het begin niet had gedacht dat hij langer dan drie

maanden bij haar zou blijven) vatte hij eene even gunstige meening van

mevrouw Pipchin’s belangeloosheid op. Het was duidelijk dat hij

zorgvuldig over de zaak had gedacht, want hij had een plan gevormd,

gelijk hij mevrouw Pipchin nu zeide, om Paul het eerste halfjaar

slechts voor de week bij den doctor in den kost te doen, terwijl

Florence zoolang bij haar zou blijven, om hem des zaterdags te

ontvangen. Zoo zou hij langzaam gespeend worden, zeide Dombey,

misschien met eene herinnering dat hij eene vorige maal niet langzaam

gespeend was.

Dombey maakte een eind aan het onderhoud, door zijne hoop te kennen te

geven, dat mevrouw Pipchin zijn zoon, zoolang hij te Brighton bleef,

nog onder haar opzicht zou houden, en nadat hij Paul een kus en

Florence de hand had gegeven, den kleinen Bitherstone met zijn

staatsiekraag had gezien, en jonge jufvrouw Pankey aan het huilen

gemaakt door haar op het hoofd te kloppen (dat bij haar bijzonder

gevoelig was, ten gevolge der gewoonte die mevrouw Pipchin had om er

met hare knokkels tegen te tikken, alsof het eene ton was waarvan zij

het geluid wilde hooren) begaf hij zich naar zijn logement en aan zijn

diner, met het besluit dat de opvoeding van den kleinen Paul, nu hij

zoo oud en zoo gezond werd, zonder uitstel met kracht moest worden

begonnen, om hem aldus voor te bereiden voor de positie waarin hij eens

zou schitteren, en dat doctor Blimber hem dadelijk onder handen zou

nemen.

Wanneer een jongen door doctor Blimber onder handen werd genomen, kon

hij er op rekenen dat het tamelijk hard zou zijn. De doctor nam niet

meer dan tien jonge heeren onder zijne leiding, maar hij had altijd

(volgens de laagste schatting) een voorraad van geleerdheid voor

honderd gereed; en het was zoowel de taak als de vreugd van zijn leven,

de ongelukkige tien daarmede vol te proppen.

Doctor Blimber’s instituut was eigenlijk eene groote broeikas, waarin

de stooktoestel onophoudelijk in werking werd gehouden. Al de jongens

bloeiden voor hun tijd. Geestelijke doperwtjes werden tegen Kerstmis

gekweekt, en intellectueele asperges het geheele jaar door.

Mathematische aalbessen (erg zuur ook) rijpten onder doctor Blimber’s

kweeking in de ontijdigste seizoenen, en aan struiken, die nog niet

meer dan spruitjes waren. Alle soorten van Grieksche en Latijnsche

groenten werden van de droogste stokken van jongens gehaald, en dat

onder de vriesachtigste omstandigheden. De natuur kwam er volstrekt

niet op aan. Onverschillig wat een jonge heer bestemd was te dragen,

doctor Blimber deed hem, op eene of andere manier, dragen wat men maar

wilde.

Dit alles was heel aardig en schrander, maar de geforceerde kweekerij

ging met gewone nadeelen gepaard. Die vroegrijpe producten hadden den

rechten smaak niet en hielden zich ook niet goed. Bovendien, één jong

heer, met een gezwollen neus en een bijzonder groot hoofd (de oudste

van de tien, die “alles was door geweest”) hield eens plotseling op met

bloeien en bleef als een stok in het etablissement; en men zeide dat de

doctor het met den jongen Toots wat al te erg had gemaakt, en dat hij,

toen hij een baard begon te krijgen, geene hersenen meer had.

Daar was, in allen gevalle, de jonge Toots, met eene allergrofste stem

en een allerschraalsten geest. Hij droeg opzichtige spelden voor de

borst en een ring in zijn vestzakje, om tersluiks aan zijn pink te

steken, als de leerlingen uit wandelen gingen; werd gedurig verliefd op

kindermeisjes, die hij zag en die geen het minste denkbeeld hadden van

zijn bestaan; en keek des avonds na den tijd van naar bed gaan, naar de

met gas verlichte wereld uit het linker hoekvenster op de derde

verdieping, gelijk een boven de maat gegroeide cherub, die al te lang

boven was blijven zitten.

De doctor was een zwaarlijvig man, geheel in het zwart, met strikjes

aan de knieën en kousen daarbeneden. Hij had een blinkend kaal hoofd,

eene zware stem, en zulk eene onderkin, dat het te verwonderen was hoe

hij zich in de plooien kon scheren. Hij had insgelijks een paar kleine

oogen, die altijd half dicht waren, en een mond, die altijd tot een

grijnzenden lach was uitgerekt, alsof hij zoo op het oogenblik een

jongen had vastgezet en wachtte om hem uit zijn antwoord te overtuigen,

dat hij zijne les niet had geleerd. Wanneer de doctor de rechterhand in

de borst stak, met de linker op den rug, en dan, bijna onmerkbaar zijn

hoofd schuddende, het gewoonste gezegde tot een zenuwachtigen

vreemdeling richtte, was het alsof de Sphinx eene raadselspreuk uitte,

die den ongelukkigen vreemdeling het leven moest kosten.

De doctor had een zeer mooi huis, met het uitzicht op de zee. Van

binnen was het echter geen vroolijk huis, maar wel het tegendeel.

Gordijnen van donkere droevige kleur, zeer schraal en smal, verscholen

zich neerslachtig achter de vensters. De tafels en stoelen stonden op

rijen, gelijk de cijfers van eene som; in de staatsievertrekken werd

zoo zelden gestookt, dat zij zoo kil waren als kelders; de eetzaal

scheen de laatste plaats in de wereld te zijn waar men ooit kon eten en

drinken; door het geheele huis hoorde men geen geluid behalve het

tikken eener groote klok in het voorhuis, hetwelk zelfs op de vliering

te hooren was, en somtijds een dof gemurmel van de jonge heeren aan

hunne lessen, gelijk het gekir van een troep zwaarmoedige duiven.

Jufvrouw Blimber, hoewel eene ranke, tengere maagd, deed den ernst van

het huis geen zacht geweld aan. Jufvrouw Blimber wist van geen gekheid.

Zij droeg een bril op haar neus en de haren kort gekroesd. Zij was

droog en zanderig van het werken in de graven van doode talen. Men

behoefde haar niet van levende talen te spreken. Zij moesten dood

wezen—lang dood—en dan groef zij ze op als een hyena.

Mevrouw Blimber, hare mama, was niet geleerd, maar hield zich toch zoo,

en dit kwam op hetzelfde neer. Zij zeide op avond partijtjes, dat, als

zij Cicero maar had kunnen kennen, zij dacht dat zij tevreden had

kunnen sterven. Het was haar altijd een genot de jonge heeren van den

doctor uit wandelen te zien gaan, zoo geheel anders dan andere jonge

heeren, met de grootst mogelijke boordjes en de stijfst mogelijke

dassen. Dat was zoo classisch, zeide zij.

Wat mijnheer Feeder, doctor Blimber’s assistent en bezitter van een

academischen graad, betrof, hij was een soort van menschelijk

draaiorgel, met een lijstje van deuntjes, die hij aanhoudend, zonder

eenige variatie, afspeelde. Misschien had hij vroeger in zijn leven,

als het lot hem gunstig was geweest, met verschillende rollen ter

verwisseling kunnen voorzien worden; maar dit was niet gebeurd; en hij

had er maar een, met welke het zijne taak was door gestadig draaien de

jeugdige hersenen van doctor Blimber’s jonge heeren te verbijsteren.

Deze jonge heeren werden ontijdig door kwellende zorgen geplaagd. Zij

hadden geene rust van onmeedoogende werkwoorden, barsche naamwoorden,

onbuigzame taalregelen, en spoken van thema’s, die hun in hunne droomen

verschenen. Onder het stelsel van geforceerde cultuur was een jonge

heer gewoonlijk in drie weken zijne vroolijkheid kwijt. Binnen drie

maanden was hij met al de zorgen der wereld beladen; in vier begon hij

de bitterste gevoelens tegen ouders en voogden te koesteren; in vijf

was hij een oud menschenhater; in zes benijdde hij Curtius zijne

gelukkige schuilplaats onder de aarde, en in een jaar kwam hij tot het

besluit, waarvan hij naderhand nooit weder afweek, dat al de

schoonheden van dichters en de lessen van wijzen, slechts eene

opeenstapeling van woorden tot beoefening der spraakkunst waren, en

anders niets beteekenden.

Maar hij bleef ondertusschen in de broeikas des doctors bloeien; en

groot waren des doctors naam en roem als hij met zijn wintergroen bij

zijne betrekkingen en vrienden thuis kwam.

Eens stond Paul, met een onrustig kloppend hart en het rechterhandje in

de hand van zijn vader, op de stoep des doctors. Zijne andere hand was

in die van Florence gesloten. Hoe stijf was de druk aan den eenen kant,

hoe los en koud aan den anderen!

Mevrouw Pipchin zweefde, met hare zwarte pluimage en haar krommen neus,

gelijk een onheilspellende vogel, achter haar slachtoffer. Zij was

buiten adem—want Dombey, vol van groote gedachten, had hard

doorgestapt—en terwijl zij wachtte tot de deur geopend werd, kuchte zij

schor, alsof er eene raaf kraste.

“Nu, Paul,” zeide Dombey met zegepralende blijdschap. “Dit is nu de

manier om Dombey en Zoon te worden en geld te krijgen. Gij zijt al

haast een man.”—“Haast,” antwoordde het kind.

Zelfs zijne kinderlijke aandoening kon den zonderling sluwen en toch

roerenden blik niet overmeesteren, waarmede hij dit antwoord

vergezelde.

Deze blik deed een zweem van ongenoegen op Dombey’s gezicht komen, maar

dewijl de deur nu geopend werd, verdween die spoedig weder.

“Doctor Blimber is thuis, geloof ik,” zeide Dombey.

De knecht zeide ja; en toen zij boven gingen, keek hij naar Paul, alsof

deze een muisje en het huis eene val was. Hij was een jong mensch met

zwakke oogen en de flauwst mogelijke sporen van een grijnzend lachje op

zijn gezicht. Dit was enkel domheid; maar mevrouw Pipchin verbeeldde

zich dat het onbeschoft was, en voer dadelijk tegen hem uit.

“Hoe durft gij achter dien heer zijn rug lachen?” zeide zij. “En waar

houdt gij mij voor?”—“Ik lach om niemand, en ik houd u waarlijk ook

voor niets, mevrouw,” antwoordde het jonge mensch in zijne

verlegenheid.—“Een troep luie rekels,” zeide mevrouw Pipchin, “die voor

niets anders deugen dan om een spit te draaien. Ga uw meester dadelijk

zeggen dat mijnheer Dombey er is, of het zal u opbreken!”

Het jonge mensch met zwakke oogen ging zeer gedwee zijne boodschap

doen, en kwam weldra terug met verzoek dat zij naar des doctors

studeerkamer zouden komen.

“Daar lacht gij alweer,” zeide mevrouw Pipchin, toen zij hem op hare

beurt, achteraankomende, in het voorhuis voorbijging.—“Dat doe ik

niet,” antwoordde het jonge mensch, nu erg ontsteld. “Ik heb nooit zoo

iets beleefd!”—“Wat is er toch, mevrouw Pipchin?” zeide Dombey

omkijkende. “Zachtjes—verzoek ik u.”

Uit ontzag voor Dombey mompelde mevrouw Pipchin nog maar iets tegen het

jonge mensch, terwijl zij verder ging en zeide dat hij een aardig

heerschap was; terwijl het jonge mensch, geheel gedweeheid en

onthutstheid, daar staan bleef, door dit voorval bijna tot tranen

geroerd. Mevrouw Pipchin had de manier om alle zachtzinnige menschen te

brutaliseeren; en hare vrienden vroegen, wie zich daarover kon

verwonderen, na hetgeen er met de mijnen van Peru was gebeurd.

De doctor zat in zijne geduchte studeerkamer, met eene globe aan elke

knie, boeken overal om zich heen, Homerus boven de deur en Minerva op

den schoorsteenmantel. “Hoe vaart gij, mijnheer,” zeide de doctor, “en

hoe maakt het mijn vriendje?” De stem des doctors was zoo zwaar als een

orgel, en toen hij zweeg, scheen (voor Paul ten minste) de groote klok

in het voorhuis zijne woorden op te vangen en te herhalen:

“hoe—maakt—het—mijn—vriend—je—hoe—maakt—het—mijn—vriend—je,” en zoo op

den duur maar voort.

Daar het vriendje wat te klein was om hem van de plaats waar de doctor

zat, over de boeken op de tafel heen, te kunnen zien, deed de doctor

verscheidene vruchtelooze pogingen om hem langs de pooten dier tafel in

het oog te krijgen; en toen Dombey dit opmerkte, maakte hij een eind

aan des doctor’s verlegenheid door Paul in zijne armen op te nemen, en

hem midden in de kamer op een ander tafeltje te zetten. “Ha!” zeide de

doctor, toen Paul daar zat, en hij zich met de hand in de borst op zijn

stoel achterover liet zakken. “Nu zie ik mijn vriendje. Hoe maakt gij

het, mijn vriendje?”

De klok in het voorhuis wilde zich niet naar deze kleine verandering in

den vorm der uitdrukking schikken, maar bleef herhalen:

“Hoe—maakt—het—mijn—vriend—je—hoe—maakt—het—mijn—vriend—je?”—“Heel wel,

mijnheer, dank u,” antwoordde Paul, evenzeer de klok als den doctor

antwoord gevende.—“Ha!” zeide doctor Blimber. “Of wij ook een man van

hem zullen maken!”—“Hoort gij wel, Paul?” voegde Dombey er bij, daar

Paul bleef zwijgen.—“Of wij ook een man van hem zullen maken!”

herhaalde de doctor.—“Ik wilde liever een kind wezen,” antwoordde

Paul.—“Zoo waarlijk,” zeide de doctor. “Waarom?”

Het kind bleef hem op de tafel zitten aankijken, met eene zonderlinge

uitdrukking van gesmoorde aandoening op zijn gezichtje, en klopte met

de eene hand trotsch op zijn knietje, alsof hij de opwellende tranen

daaronder had en ze wegsloeg. Maar zijne andere hand dwaalde

ondertusschen wat verder—nog wat verder—nog wat verder—tot zij op den

hals van Florence kwam te liggen. “Daarom is het,” scheen die hand te

zeggen, en toen verdween de strakke blik, ontspande zich de trekkende

mond en stroomden de tranen.

“Mevrouw Pipchin,” zeide zijn vader op een neteligen toon. “Het spijt

mij waarlijk zeer dit te zien.”—“Ga van hem vandaan, jonge jufvrouw

Dombey,” zeide mevrouw Pipchin.—“Het komt er niet op aan,” zeide de

doctor, met een knikje om mevrouw Pipchin terug te houden.

“Het—komt—er—niet—op—aan. Wij zullen hem wel spoedig nieuwe indrukken

en nieuwe zorgen geven, mijnheer Dombey. Gij zoudt nog wenschen dat

mijn vriendje onderricht kreeg in...”—“Alles, als het u belieft,

doctor,” antwoordde Dombey op vasten toon.—“Ja,” zeide de doctor, die,

met zijne half geslotene oogen en zijn gewonen glimlach, den kleinen

Paul met die soort van belangstelling scheen te beschouwen, welke hij

aan een aardig beestje had kunnen hechten, dat hij zou opstoppen. “Ja,

juist. Ha! Wij zullen ons vriendje eene groote verscheidenheid van

kundigheden bijbrengen en hem snel vooruithelpen, durf ik wel

zeggen—durf ik wel zeggen. Geheel maagdelijke grond, meen ik van u te

hebben gehoord, mijnheer Dombey?”—“Behalve de gewone voorbereiding

thuis en van deze dame,” antwoordde Dombey; met een wenk naar mevrouw

Pipchin, die zich terstond nog veel stijver hield, alsof zij den doctor

bij voorraad uitdaagde in geval hij het minste tegen haar mocht zeggen,

“heeft Paul tot nog toe geen onderwijs ontvangen.”

Doctor Blimber boog zijn hoofd, om zijne vriendelijke verdraagzaamheid

te kennen te geven voor zulke onbeduidende strooperijen als die van

mevrouw Pipchin op zijn gebied, en zeide dat hij zich daarover

verheugde. Het was veel beter, zeide hij, zijne handen wrijvende, van

den grondslag af te beginnen. En wederom loerde hij naar Paul, alsof

hij dezen gaarne terstond met het Grieksche alphabet had willen

aanklampen.

“Die omstandigheid, doctor Blimber,” hervatte Dombey, “en het onderhoud

dat ik reeds met u heb mogen hebben, maken alle verdere ophelderingen,

en dus alle verdere eischen op uw kostbaren tijd, zoo onnoodig,

dat...”—“Houd u stil, jonge jufvrouw Dombey!” zeide de zure mevrouw

Pipchin.—“Verschooning,” zeide de doctor. “Nog een oogenblik. Laat ik u

mevrouw Blimber en mijne dochter mogen presenteeren, die het huiselijk

leven van onzen jongen pelgrim naar den Parnassus zullen

veraangenamen.—Mevrouw Blimber,” want deze dame, die misschien had

staan wachten, trad juist op dat oogenblik binnen, gevolgd door hare

dochter met haar bril, “mijnheer Dombey. Mijne dochter Cornelia,

mijnheer Dombey. Mijnheer Dombey, lieve,” vervolgde de doctor, zich

naar zijne vrouw keerende, “is zoo goed om—ziet gij ons vriendje wel!”

In hare overmaat van beleefdheid voor Dombey, deed mevrouw Blimber dit

blijkbaar niet, want al nijgende achteruitstappende duwde zij het

vriendje bijna van de tafel af. Op dezen wenk keerde zij zich echter

om, ten einde zijne schrandere en classische trekken te bewonderen, en

zich toen weder naar Dombey omkeerende, zeide zij, dat zij zijn

dierbaren zoon benijdde.

“Als een bijtje, mijnheer,” zeide mevrouw Blimber, met de oogen omhoog,

“gereed om zich in een tuin vol van de keurigste bloemen te storten en

voor de eerste maal den honig daaruit te zuigen. Virgilius, Horatius,

Ovidius, Terentius, Plautus, Cicero. Welk een schat van honig hebben

wij hier. Het kan wel vreemd schijnen, mijnheer Dombey, dat zij die

eene vrouw is—de vrouw van zulk een man—”—“Stil, stil!” zeide doctor

Blimber. “Foei schaam u!”—“Mijnheer Dombey zal de partijdigheid van

eene vrouw wel vergeven,” zeide mevrouw Blimber met een innemend

lachje.

Dombey antwoordde “Geheel niet!” welke woorden hij waarschijnlijk op de

partijdigheid, niet op het vergeven, wilde toegepast hebben.

“En het kan ook vreemd schijnen dat zij die eene moeder is,” hervatte

mevrouw Blimber.—“En zulk eene moeder,” zeide Dombey, met eene buiging

en eene verwarde gedachte dat hij Cornelia daarmede een compliment

maakte.—“Maar waarlijk,” vervolgde mevrouw Blimber, “ik geloof als ik

Cicero had kunnen kennen, en zijne vriendin wezen, en met hem omgaan in

zijne afzondering te Tusculum (dat schoone Tusculum), had ik tevreden

kunnen sterven.”

Geleerde geestdrift is zoo besmettelijk, dat Dombey half geloofde in

hetzelfde geval te verkeeren; en dat zelfs mevrouw Pipchin, die anders

gelijk wij gezien hebben niet zeer inschikkelijk was, een geluid

slaakte tusschen een geknor en een zucht, alsof zij wilde zeggen, dat

Cicero alleen iemand onder zulk een ongeval als dat met de mijnen van

Peru had kunnen troosten.

Cornelia keek Dombey door haar bril aan alsof zij gaarne eenige

aanhalingen uit den bedoelden schrijver met hem had willen wisselen,

maar dit voornemen, als zij het koesterde, werd verijdeld door een

kloppen aan de kamerdeur.

“Wie is daar?” zeide de doctor. “O, kom binnen, Toots, kom binnen.

Mijnheer Dombey, jonge heer.” Toots boog. “Al zeer toevallig!” zeide

doctor Blimber. “Hier hebben wij het begin en het einde. De Alpha en de

Omega. Onze primus, mijnheer Dombey.”

De doctor had hem wel onzen reus mogen noemen, want hij stak met hoofd

en schouders boven al de andere leerlingen uit. Hij werd erg rood toen

hij zich voor vreemdelingen bevond en grinnikte hoorbaar.

“Eene aanwinst voor onzen kleinen Porticus, Toots,” zeide de doctor.

“Mijnheer Dombey’s zoontje.”

Toots werd nog rooder, en daar de plechtige stilte, die er heerschte,

hem deed begrijpen dat men van hem verwachtte dat hij iets zou zeggen,

zeide hij tot Paul: “Hoe vaart ge?” met eene stem zoo grof en een

gezicht zoo schaapachtig, dat het niet verrassender had kunnen zijn als

men een lam had hooren bulken.

“Vraag mijnheer Feeder, als het u belieft, Toots,” zeide de doctor, “om

de eerste boeken voor mijnheer Dombey’s zoon gereed te maken en eene

goede plaats voor hem uit te zoeken. Lieve, ik geloof dat mijnheer

Dombey de slaapkamers nog niet gezien heeft.”—“Als mijnheer Dombey

boven wil komen,” zeide mevrouw Blimber, “zal ik er meer dan trotsch op

zijn hem het rijk van den god der droomen te laten zien.”

Daarmede ging mevrouw Blimber, die eene zeer vriendelijke vrouw, en

zeer dor van gestalte was, en eene muts droeg waarvan hemelsblauw de

hoofdkleur was, met Dombey en Cornelia naar boven. Mevrouw Pipchin

volgde, scherp uitkijkende naar haar vijand den knecht.

Terwijl zij weg waren, bleef Paul op de tafel zitten, Florence bij de

hand houdende en beschroomd naar den doctor in het rond kijkende,

terwijl de doctor, achterover in zijn stoel geleund, met de eene hand

volgens gewoonte in de borst, een boek op armslengte van zich afhield

en las. Er was iets zeer ontzagwekkends in deze wijze van lezen. Het

was zulk eene vastberadene, hartstochtelijke, onbuigzame, koelbloedige

manier om te werk te gaan. Des doctors gezicht bleef daardoor geheel

zichtbaar, en wanneer hij achterdochtig tegen zijn auteur glimlachte,

of zijn voorhoofd rimpelde, of zijn hoofd schudde en een scheef gezicht

trok, alsof hij wilde zeggen. “Maak mij niets wijs, mijnheer; ik weet

wel beter,” was het ontzettend.

Toots had ook niet bij de deur behoeven te blijven staan, om het werk

van zijn horloge te bekijken en zijne halve kronen te tellen. Maar dit

duurde niet lang, want toen doctor Blimber toevallig zijne welgevulde

beenen verplaatste, alsof hij wilde opstaan, verdween Toots terstond en

liet zich niet meer zien.

Weldra hoorde men Dombey en zijne geleidsters weder naar beneden komen,

den geheelen weg over pratende; en zoo kwamen zij weder in de kamer.

“Ik hoop, mijnheer Dombey,” zeide de doctor, zijn boek neerleggende,

“dat onze inrichting uwe goedkeuring wegdraagt.”—“Zij is uitmuntend,

mijnheer,” zeide Dombey.—“Heel wel, inderdaad,” zeide mevrouw Pipchin

zacht, daar zij nooit te veel wilde prijzen.—“Mevrouw Pipchin,” zeide

Dombey, zich omkeerende, “zal, met uw verlof, doctor en mevrouw

Blimber, Paul nu en dan komen bezoeken.”—“Wanneer het mevrouw Pipchin

maar belieft,” merkte de doctor aan.—“Altijd genoegen doen haar te

zien,” voegde mevrouw Blimber er bij.—“Ik denk,” zeide Dombey, “dat ik

nu zooveel moeite gegeven heb als noodig is, en wel afscheid kan nemen.

Paul, mijn kind,” hij kwam dicht bij den kleine, die nog op de tafel

zat. “Goedendag!”—“Goedendag, papa!”

Het slappe onverschillige handje, dat Dombey in zijne hand nam, was

zonderling in tegenspraak met het benauwde gezichtje. Maar hij had geen

deel in de treurige uitdrukking daarvan. Het was niet naar hem

toegekeerd. Neen—naar Florence—uitsluitend naar Florence.

Als Dombey zich door onbeschaamden hoogmoed op zijn rijkdom ooit een

wraakzuchtigen, haatdragenden vijand had berokkend, had zelfs zulk een

vijand den steek, die hem toen door het trotsche hart ging, als eene

vergoeding voor de hem aangedane beleediging kunnen aanzien.

Hij boog zich over zijn zoon en kuste hem. Als zijne oogen, terwijl hij

dit deed, verdonkerd werden door iets dat op het kindergezichtje

afdroppelde, kan zijn geestelijk gezicht misschien voor die korte poos

des te helderder zijn geweest.

“Ik zal u spoedig weerzien, Paul. Zaterdag en zondag hebt ge vrij af,

weet ge.”—“Ja, papa,” antwoordde Paul, naar zijne zuster ziende.

“Zaterdag en zondag.”—“En gij zult uw best doen om hier veel te leeren

en een knap man te worden,” zeide Dombey. “Niet waar?”—“Dat zal ik

wel,” antwoordde het kind onverschillig.—“En gij zult nu gauw groot

worden!” zeide Dombey.—“O, heel gauw!” antwoordde Paul. Wederom vloog

dat oudachtige uitzicht, gelijk eene vreemde schemering van licht, over

zijne trekken. Het licht van dien blik scheen naar mevrouw Pipchin te

dwalen en zich in haar zwart kleed uit te dooven. Deze uitmuntende

kindereetster kwam nu nader om afscheid te nemen en Florence weg te

slepen, waarnaar zij al lang gedorst had. Hare beweging deed Dombey

opzien, wiens oogen nog op Paul gevestigd waren. Na nog eens zijn hoofd

gestreeld en zijn handje gedrukt te hebben nam hij met zijne gewone

ijskoude beleefdheid, afscheid van doctor Blimber en de twee dames, en

ging de kamer uit.

In weerwil van zijn verzoek dat zij zich geene moeite zouden geven,

verdrongen doctor Blimber en de twee dames elkander bijna om hem naar

het voorhuis te brengen, en zoo raakte mevrouw Pipchin tusschen den

doctor en de jonge jufvrouw ingeklemd, en werd zij de kamer

uitgedrongen eer zij Florence kon grijpen. Aan dit gelukkig toeval had

Paul naderhand de dierbare herinnering te danken, dat Florence kwam

terugloopen om hare armen om zijn hals te slaan, en dat haar

gezichtje—met een bemoedigenden glimlach naar hem toe gekeerd, te

helderder om de tranen waardoor die glimlach heen blonk—het laatste in

de deur was.

Het deed, toen hij alleen was, zijne kinderlijke borst zwellen en

zwoegen, en de globes, de boeken, den blinden Homerus en de Minerva

schemerachtig door de kamer ronddraaien. Maar eensklaps bleven zij

stilstaan, en toen hoorde hij de klok in het voorhuis nog ernstig

vragen: “Hoe—maakt—het—mijn—vriend—je—hoe—maakt—het—mijn—vriend—je?”

evenals te voren.

Hij bleef met gevouwen handjes stil op de tafel zitten luisteren. Maar

hij had wel mogen antwoorden: “Och ik ben zoo moe, zoo moe! Heel

eenzaam, en heel droevig!” En daar, met eene pijnlijke ledigheid in het

jeugdige hart, en alles om hem heen zoo koud, en dor, en vreemd, zat

Paul alsof hij het leven ongemeubeleerd had gehuurd, en de behanger

maar nooit kwam.

Dombey en Zoon · 第 22 / 125 题