Majoor Bagstock kwam, na den kleinen Paul van den overkant van
Princess’s Place dikwijls en lang door zijn dubbelen tooneelkijker te
hebben waargenomen, en na vele omstandige dag- week- en maandberichten
te dien aanzien te hebben ontvangen van den inboorling, die zich met
dat oogmerk voortdurend met de kamenier van jufvrouw Tox in gemeenschap
hield, tot de slotsom dat Dombey, mijnheer, een man was dien men wel
kennen mocht, en de J. B. de jongen was om kennis met hem te maken.
Daar jufvrouw Tox echter even koel en terughoudend bleef en den
majoor—als hij (gelijk dikwijls gebeurde) in verband met zijn voornemen
een vischtochtje kwam doen—volstrekt niet wilde begrijpen, moest deze,
in spijt van de hem eigene taaiheid en slimheid, de vervulling zijner
begeerte eenigermate aan het toeval overlaten, “hetwelk,” gelijk hij in
zijne club dikwijls grinnikend zeide, “altijd vijftig tegen een voor
Joey B was, mijnheer, sedert zijn oudste broeder in de West-Indiën aan
de gele koorts was gestorven.”
Het duurde ditmaal eenigen tijd eer het hem te hulp kwam, maar
eindelijk toonde het zich hem genegen. Toen de bruine knecht hem eens
in alle bijzonderheden rapport bracht dat jufvrouw Tox om dienstzaken
naar Brighton was vertrokken, kwam er bij den majoor eensklaps eene
teedere herinnering aan zijn vriend Bill Bitherstone in Bengalen op,
die hem in een brief had verzocht om, als hij ooit dien weg uitkwam,
eens naar zijn eenigen zoon te gaan zien. Maar toen dezelfde bruine
knecht rapporteerde dat Paul bij mevrouw Pipchin was, en de majoor, den
brief inkijkende, dien jongeheer Bitherstone hem bij zijne aankomst in
Engeland had geschreven—en waarop hij nooit gedacht had te zullen
letten—de gelegenheid zag die zich hem aanbood, maakte het pootje, dat
hem toen juist aan zijne kamer bond, hem zoo dol, dat hij den bruinen
knecht tot dank voor zijn bericht een voetbankje naar den kop smeet, en
zwoer dat hij dien schelm nog eens zou vermoorden; hetwelk de bruine
knecht meer dan half genegen was om te gelooven.
Toen de majoor eindelijk van zijn pootje bevrijd was, reed hij op een
zaterdag, met den bruinen knecht achter zich, brommende naar Brighton,
den geheelen weg over aanspraken aan jufvrouw Tox houdende, en zich
verlustigende in het vooruitzicht om den voornamen vriend, dien zij zoo
geheim had gehouden en voor wien zij hem had verlaten, met den stormpas
tot zijn eigen vriend te maken.
“Woudt ge, jufvrouw, woudt ge,” zeide de majoor, vol kwaadheid, terwijl
de reeds gezwollen aderen van zijn hoofd nog meer opzwollen, “woudt ge
Joey B aan kant zetten, jufvrouw? Nog niet, jufvrouw, nog niet! Verd—d,
nog niet, mijnheer. J. B. is wakker, jufvrouw. Jo is bij de hand,
mijnheer. Joe weet zijn weetje wel. Jo heeft altijd één oog open,
mijnheer. Gij zult hem taai vinden, jufvrouw. Taai, mijnheer, taai is
Jozef. Taai en verduiveld slim!”
En inderdaad vond de kleine Bitherstone hem heel taai, toen hij dien
jongen heer op eene wandeling medenam. Met eene kleur als een
Stiltonsche kaas, en oogen als die van eene garnaal, bleef de majoor
maar rondkuieren, geheel onverschillig voor jongen heer Bitherstone’s
vermaak, en hem aan de hand voortslepende, terwijl hij overal naar
Dombey en zijne kinderen rondkeek.
Eindelijk ontdekte de majoor, vooraf door mevrouw Pipchin onderricht,
Paul en Florence, met een deftig heer (ongetwijfeld mijnheer Dombey) in
gezelschap, en rukte in den stormpas op dit troepje aan. Dichtbij
gekomen was het natuurlijk dat de kleine Bitherstone zijne mede
patiënten aansprak. Nu bleef de majoor staan, om de lieve kinderen te
bewonderen, herinnerde zich met verbazing dat hij hen bij zijne
vriendin jufvrouw Tox in Princess’s Place gezien en gesproken had; vond
dat Paul een alleraardigste jongen was; verklaarde hem voor zijn
vriendje; vroeg of hij Joey B., den majoor, nog wel kende; en keerde
zich eindelijk, plotseling om de strenge regelen der welvoegelijkheid
denkende, naar Dombey om verschooning te verzoeken.
“Maar mijn kleine vriend hier, mijnheer,” zeide de majoor, “maakt mij
zelf weder tot een jongen. Een oud soldaat, mijnheer—majoor Bagstock,
om u te dienen—schaamt zich niet om dat te bekennen.” Hier wipte de
majoor zijn hoed op. “Verd...d, mijnheer,” riep de majoor met
plotselinge warmte uit, “ik benijd u.” Toen bedacht hij zich en voegde
er bij: “Neem mij niet kwalijk dat ik zoo vrijpostig ben.”
Dombey verzocht hem om er toch niet van te spreken.
“Een oud gediende, mijnheer,” zeide de majoor, “een in den rook
gedroogde, in de zon geblakerde, invalide, oude rekel van een majoor,
mijnheer, was ook niet bang dat een man als mijnheer Dombey hem zulk
een jongenskuur kwalijk zou nemen. Ik heb de eer om mijnheer Dombey te
spreken, naar ik meen?”—“Ik ben de onwaardige representant van dien
naam, majoor,” antwoordde Dombey.—“Bij G—. Mijnheer,” zeide de majoor,
“het is een groote naam. Het is een naam, mijnheer,” zeide de majoor,
op een toon zoo vast alsof hij Dombey uitdaagde om hem tegen te
spreken, en het dan zijn smartelijken plicht zou achten om hem te
brutaliseeren, “die in de Britsche bezittingen over zee bekend en
geacht is. Het is een naam, mijnheer, waarvoor iemand met trotschheid
zijn hoed mag afnemen. Jozef Bagstock is lang geen vleier, mijnheer.
Zijne Koninklijke Hoogheid de Hertog van York heeft bij meer dan eene
gelegenheid gezegd: “Joey is lang geen vleier. Joe is een ronde, oude
soldaat. Hij is zelfs wat al te taai, die Joe;” maar het is een groote
naam, mijnheer. Bij den hemel, het is een groote naam,” zeide de majoor
plechtig.—“Gij zijt goed genoeg om hem misschien hooger te stellen dan
hij verdient, majoor,” antwoordde Dombey.—“Neen, mijnheer,” zeide de
majoor. “Mijn kleine vriend hier, mijnheer, zal wel voor Jozef Bagstock
getuigen, dat hij een ronde en plompe oude soldaat is, en niets anders.
Die kleine jongen, mijnheer,” zeide de majoor, een zachter toon
aannemende, “zal in de geschiedenis leven. Die kleine jongen, mijnheer,
is geen gewoon product. Pas wel op hem, mijnheer Dombey.”
Dombey scheen te kennen te willen geven, dat hij dit zou pogen te doen.
“Hier is een jongen, mijnheer,” vervolgde de majoor in vertrouwen, en
gaf hem een stomp met zijn rotting. “Zoontje van Bill Bitherstone van
Bengalen. Die jongen zijn vader en ik, mijnheer, waren gezworen
vrienden. Waar gij ook mocht komen, mijnheer, ge zoudt van niets anders
hooren dan van Bill Bitherstone en Joe Bagstock. Ben ik nu blind voor
de gebreken van dien jongen? Geheel niet. Hij is een domoor, mijnheer.”
Dombey keek eens naar den belasterden jongen heer Bitherstone, van wien
hij ten minste evenveel wist als de majoor en zeide zeer welgevallig:
“Inderdaad?”—“Dat is hij, mijnheer,” zeide de majoor. “Hij is een
domoor. Joe Bagstock windt er nooit doekjes om. De zoon van mijn ouden
vriend Bill Bitherstone van Bengalen is een botmuil.” Hier lachte de
majoor tot hij er bijna zwart van werd. “Mijn kleine vriend is voor
eene openbare school bestemd, zou ik meenen, mijnheer Dombey?” zeide de
majoor toen hij zich hersteld had.—“Dat heb ik nog niet beslist,”
antwoordde Dombey. “Ik geloof van neen. Hij is wat teer.”—“Als hij wat
teer is, mijnheer,” zeide de majoor, “hebt ge gelijk. Het moesten taaie
knapen zijn om het te Sandhurst uit te houden, mijnheer. Wij martelden
daar elkander, mijnheer. Wij roosterden daar de nieuwe jongens voor een
langzaam vuurtje, en hingen ze uit een bovenvenster met het hoofd naar
beneden. Jozef Bagstock, mijnheer, is dertien minuten lang bij de
hielen van zijne laarzen uit het raam gehouden, op de schoolklok af.”
De majoor had zich ter bevestiging van zijn verhaal op zijn gezicht
kunnen beroepen. Het zag er zeker uit, alsof hij wat te lang buiten had
gehangen.
“Dat maakte ons tot zulke kerels, mijnheer,” zeide de majoor, zijn
jabot gladstrijkende. “Wij waren ijzer, mijnheer, en zoo werden wij
gesmeed. Blijft gij hier, mijnheer Dombey?”—“Doorgaans kom ik eens in
de week over, majoor,” antwoordde de gevraagde. “Ik logeer in de
Bedford.”—“Ik zal de eer hebben om eens in de Bedford aan te komen,
mijnheer, als ge mij permiteeren wilt,” zeide de majoor. “Joey B.
mijnheer, is doorgaans geen liefhebber van visites maken, maar mijnheer
Dombey heeft geen gewonen naam. Ik ben mijn kleinen vriend wel
verplicht, mijnheer, voor de eer van deze introductie.”
Dombey gaf een goedgunstig antwoord; en nadat majoor Bagstock Paul over
het hoofd had gestreken, en van Florence gezegd dat hare oogen over
niet lang den drommel met de jongelui zouden spelen—“en met de oudelui
ook, als gij daarop komt, mijnheer,” voegde hij er grinnikend bij—gaf
hij den kleinen Bitherstone een stootje met zijn rotting en vertrok met
dien jongen heer, die op een halven draf moest loopen, terwijl hij
wijdbeens al waggelend voortstapte, en met groote deftigheid kuchte en
met zijn hoofd zwaaide.
Ter vervulling zijner belofte kwam de majoor naderhand een bezoek bij
Dombey afleggen; en nadat Dombey de lijst van officieren had nagezien,
bracht hij den majoor een bezoek terug. Toen kwam de majoor bij Dombey
in de stad aan, en ging weder naar Brighton, in dezelfde diligence als
Dombey. Kortom Dombey en de majoor werden buitengemeen snel
buitengemeen goede vrienden, en Dombey merkte van den majoor tot zijne
zuster aan, dat hij, behalve dat hij geheel militair was, een
verwonderlijk juist begrip had van zaken buiten zijn vak.
Toen Dombey eindelijk jufvrouw Tox en mevrouw Chick eens medebracht om
de kinderen te zien, en den majoor weder te Brighton vond, noodigde hij
dezen in de Bedford op het diner, en maakte jufvrouw Tox bij voorraad
een compliment over haar buurman en bekende. In weerwil der
hartkloppingen welke deze toespelingen haar veroorzaakten, waren zij
jufvrouw Tox alles behalve onaangenaam, daar zij haar gelegenheid gaven
om zeer interessant te zijn en eene verwarring en verlegenheid te laten
blijken, die zij niet ongaarne ten toon spreidde. De majoor gaf
overvloedig aanleiding om deze aandoeningen te vertoonen, daar hij
onder het diner zeer mild was met zijne klachten dat zij hem in
Princess’s Place had verlaten, en daar hij zelf zich bijzonder met deze
gezegden scheen te vermaken, kwamen zij allen zeer wel met elkander
voort.
Het deed in dit opzicht geen kwaad dat de majoor het gesprek geheel
voor zijne rekening nam, en een even onverzadelijk prater als eter
scheen te zijn, daar hij zich, onder zijne aardigheden, met zooveel
smaak op de lekkernijen der tafel vergastte, dat hij het gevaar eener
ontstekingskoorts aanmerkelijk dichterbij bracht. Daar Dombey’s gewone
stilzwijgendheid hem ruim baan liet, gevoelde de majoor dat hij
bijzonder uitblonk, en in zijne vroolijkheid verknoeide hij zijn eigen
naam op zoo oneindig vele manieren dat hij er zelf verbaasd over was.
Kortom zij waren allen zeer wel in hun schik. Men vond dat de majoor
onuitputtelijk in geestigheden was; en toen hij, na een langen robber
whist, laat afscheid nam, maakte Dombey de blozende jufvrouw Tox
nogmaals een compliment over haar buurman en bekende.
Maar den geheelen weg naar zijn logement langs, zeide de majoor gedurig
bij zich zelven en van zich zelven, “slim, mijnheer—slim,
mijnheer—verduiveld slim!” En toen hij daar gekomen was, zette hij zich
op een stoel, en kreeg hij eene stille lachbui, die hem somtijds
overviel en waaronder hij er allergeduchtst uitzag. Hij bleef er
ditmaal zoolang in, dat de bruine knecht, die hem op een afstand stond
te bewaken, maar hem voor alles in de wereld niet nabij had durven
komen, hem twee- of driemaal voor verloren hield. Zijne geheele
gestalte, maar vooral zijn gezicht en hoofd zwollen geweldiger op dan
nog ooit was waargenomen, zoodat de bruine knecht niets anders zag dan
eene stuipachtig trillende massa indigo. Eindelijk barstte hij in een
geweldigen hoest uit, en toen deze over was in eene reeks van
uitroepingen gelijk de volgende:
“Zoudt ge wel willen, jufvrouw, zoudt ge wel willen? Mevrouw Dombey,
he, jufvrouw? Ik geloof het niet, jufvrouw. Niet zoolang Joe B. eene
spaak in het wiel kan steken, jufvrouw. J. B. is nu quite met u,
jufvrouw. Hij is nog niet geheel uitgekegeld, mijnheer, Jozef Bagstock.
Zij is slim, mijnheer, slim, maar Jozef is nog slimmer. De oude Joe is
wakker, klaar wakker; hij heeft zijne oogen wijd open, mijnheer!” Er
kon geen twijfel zijn aan de waarheid der laatste verklaring; zij was
zelfs van schrikkelijke waarheid, en bleef dit ook het grootste
gedeelte van den nacht, welken de majoor voornamelijk onder het uiten
van dergelijke uitroepingen doorbracht, afgewisseld met hoest- en
hijgbuien, die het geheele huis deden bang worden.
Het was daags na deze gelegenheid (op een zondag), toen, terwijl
Dombey, mevrouw Chick en jufvrouw Tox nog aan het ontbijt zaten en
lofspraken op den majoor hielden, Florence kwam binnenloopen, met eene
gloeiende kleur over geheel haar gezichtje en vroolijk schitterende
oogen, en riep:
“Papa, papa! Daar is Walter! en hij wil niet binnenkomen.”—“Wie?” zeide
Dombey. “Wat meent zij toch? Wat is er?”—“Walter, papa,” antwoordde
Florence beschroomd, nu begrijpende dat zij met veel te veel
gemeenzaamheid zijne hooge tegenwoordigheid was genaderd. “Die mij
gevonden heeft toen ik was weggeraakt.”—“Meent zij den jongen Gay,
Louise?” vroeg Dombey, zijne wenkbrauwen samentrekkende. “Inderdaad,
dat kind heeft zeer luidruchtige manieren gekregen. Zij kan den jongen
Gay niet meenen, denk ik. Zie eens wat het is, als het u belieft.”
Mevrouw Chick haastte zich naar den gang en kwam terug met het bericht
dat het de jonge Gay was, met nog iemand, die er heel wonderlijk
uitzag; en dat de jonge Gay zeide dat hij niet zoo vrijpostig wilde
zijn om binnen te komen, daar hij hoorde dat mijnheer Dombey aan het
ontbijt zat, maar wachten zou tot het mijnheer Dombey beliefde hem te
zien.
“Zeg den jongen dat hij nu maar komt,” zeide Dombey. “Wel, Gay, wat is
er? Wie heeft u hier gezonden? Was er niemand anders om te gaan?”—“Neem
mij niet kwalijk, mijnheer,” antwoordde Walter, “ik ben niet gezonden.
Ik ben zoo vrij geweest om uit mij zelven te komen en hoop dat gij dit
niet kwalijk zult nemen, als ik u de reden zeg.”
Maar zonder te letten op hetgeen hij zeide, keek Dombey ongeduldig aan
beide kanten om hem heen (alsof hij een pilaar was die in den weg
stond) naar een voorwerp achter hem.
“Wat is dat?” zeide Dombey. “Wie is dat? Ik denk dat gij u in de deur
hebt vergist, mijnheer.”—“O het spijt mij wel dat ik iemand moest
medebrengen, mijnheer,” zeide Walter haastig; “maar dit is—dit is
kapitein Cuttle, mijnheer.”—“Walter, mijn jongen,” zeide de kapitein
met eene zware stem, “sta nu vast!”
Te gelijker tijd kwam de kapitein wat verder binnen, waardoor zijn wijd
blauw pak, zijne in het oog loopende boordjes en zijn knobbelige neus
nog duidelijker uitkwamen, en bleef voor Dombey staan buigen en beleefd
met zijn haak naar de dames wuiven, met zijn harden blinkenden hoed in
zijne eenige hand en eene roode streep voor het hoofd, welke de hoed
versch daarop had nagelaten.
Dombey zag dit verschijnsel met verbazing en verontwaardiging aan, en
scheen met zijne blikken naar mevrouw Chick en jufvrouw Tox daartegen
te protesteeren. Kleine Paul, die na Florence was binnengekomen,
deinsde, toen de kapitein met zijn haak zwaaide, achteruit naar
jufvrouw Tox en hield zich op verdediging gereed.
“Wel, Gay,” zeide Dombey. “Wat hebt ge mij te zeggen?”
Nogmaals zeide de kapitein, als eene algemeene opening van het gesprek,
waardoor hij niet missen kon iedereen gunstig te stemmen: “Walter, sta
vast.”—“Ik vrees, mijnheer,” begon Walter, bevende en naar den grond
ziende, “dat het heel vrijpostig van mij is dat ik hier kom—dat doe ik
waarlijk. Ik zou haast den moed niet gehad hebben om naar u te vragen,
mijnheer, zelfs toen ik al hier was gekomen, vrees ik, als jonge
jufvrouw Dombey mij niet had gezien en....”—“Wel!” zeide Dombey, zijne
oogen volgende toen hij naar de oplettende Florence omkeek, en zonder
het zelf te weten zijn voorhoofd fronsende, toen zij hem met een
glimlach aanmoedigde. “Ga voort als het u belieft.”—“Ja, ja,” zeide de
kapitein, die het voor een plicht van beleefdheid hield mijnheer Dombey
te ondersteunen. “Wel gezegd! Ga voort, Walter.”
Kapitein Cuttle had verdelgd moeten worden door den blik dien Dombey
hem tot dank voor zijne goedgunstige hulp toezond. Maar zonder iets
daarvan te vermoeden, kneep hij slechts tot antwoord een oog dicht en
gaf Dombey door zekere bewegingen van zijn haak te verstaan, dat Walter
in het eerst een beetje bedeesd was, maar spoedig wel beter op zijn
dreef zou komen.
“Het is geheel eene bijzondere en personeele zaak, die mij hier heeft
doen komen, mijnheer,” vervolgde Walter, haperend; “en kapitein
Cuttle...”—“Hier!” viel de kapitein er op in, als eene verzekering dat
hij bij de hand was en men op hem aan kon.—“Die een heel oud vriend van
mijn ongelukkigen oom en een best mensch is, mijnheer,” vervolgde
Walter, zijne oogen opslaande met een blik alsof hij voor den kapitein
om inschikkelijkheid wilde smeeken, “was zoo goed om met mij mede te
willen gaan—iets dat ik moeielijk weigeren kon.”—“Wel neen,” merkte de
kapitein zeer vergenoegd aan. “Geene reden om te weigeren. Ga voort,
Walter.”—“En daarom, mijnheer,” hervatte Walter, het nu wagende om
Dombey in de oogen te zien, en juist uit wanhoop aan de zaak met meer
moed voortgaande, nu het niet meer te vermijden was, “en daarom,
mijnheer, ben ik met hem hier gekomen om te zeggen dat mijn goede oude
oom in groote ongelegenheid en droefheid is. Zijne zaken zijn
langzamerhand verloopen, en zoo is hij niet in staat geweest om eene
betaling te doen, waarvoor de vrees hem al maanden lang zwaar heeft
gedrukt, zooals ik waarlijk wel weet, mijnheer; en nu is er eene
executie in huis, en ik vrees dat hij al wat hij heeft zal verliezen en
dan van hartzeer sterven. En als gij nu in uwe goedheid en omdat gij
vanouds weet dat hij een ordentelijk man is, iets mocht willen doen om
hem uit zijne verlegenheid te helpen, mijnheer, zouden wij u nooit
genoeg kunnen danken.”
Walter’s oogen vulden zich met tranen terwijl hij sprak, en die van
Florence insgelijks. Haar vader zag ze glinsteren, hoewel hij alleen
naar Walter scheen te zien.
“Het is eene groote som, mijnheer,” hervatte Walter. “Boven de
driehonderd pond. Mijn oom is door dit ongeluk geheel ter neer
geslagen, en buiten staat om zelf iets te doen om uitkomst te zoeken.
Hij weet ook nog niet dat ik u ben gaan spreken. Gij zoudt zeker
willen, mijnheer,” vervolgde Walter, na een oogenblik aarzelens, “dat
ik zeide wat ik eigenlijk verlangde; maar dat weet ik waarlijk niet
recht, mijnheer. Mijn oom heeft nog zijn winkelvoorraad, waarop ik
geloof gerust te mogen zeggen dat geene andere schulden liggen; en hier
is kapitein Cuttle, die ook borg wil blijven. Ik—ik durf er haast niet
van spreken,” zeide Walter, “zooveel als ik verdien; maar als ge dat
woudt laten oploopen—opnemen—voorschot—oom—een eerlijk oud man.” Met
deze afgebroken woorden kwam Walter tot stilzwijgen, en bleef toen met
een hangend hoofd voor zijn patroon staan.
Dit een gunstig oogenblik achtende om zijne schatten te vertoonen, kwam
kapitein Cuttle naar de tafel, en nadat hij tusschen het ontbijtgoed,
vlak bij Dombey’s elleboog, ruimte had gemaakt, haalde hij horloge,
contanten, theelepeltjes en suikertang uit, stapelde alles op een hoop,
opdat het er zoo kostbaar mogelijk zou uitzien, en sprak toen aldus:
“Een half brood is beter dan geen brood, en hetzelfde geldt van
kruimeltjes. Hier is een hoopje. Een pensioen van honderd pond ’s jaars
kan ook verbonden worden. Als er een man propvol wetenschap in de
wereld is, is het de oude Sam Gills. Als er een jong mensch van belofte
is—een jong mensch, overvloeiende van melk en honig,” zeide de kapitein
met een zijner gelukkige aanhalingen, “dan is het zijn neef.”
Daarna ging de kapitein achterwaarts naar zijne vorige plaats, waar hij
zijne verstrooide lokken stond glad te strijken met het gezicht van een
man, die iets zeer moeielijks bijzonder goed verricht had.
Toen Walter ophield met spreken, werden Dombey’s oogen door den kleinen
Paul aangetrokken, die, toen hij zijn zusje stil zag schreien, uit
medelijden met het ongeluk waarvan zij gehoord had, naar haar toeging
en haar poogde te troosten, terwijl hij met een gezichtje vol
uitdrukking naar Walter en zijn vader omkeek. Na de korte afleiding van
kapitein Cuttle’s rede, die hij met deftige onverschilligheid
aanhoorde, vestigde Dombey zijne oogen weder op zijn zoon, en bleef het
kind eene poos stilzwijgend aanzien.
“Hoe is die schuld gemaakt?” vroeg Dombey eindelijk. “Wie is de
crediteur?”—“Dat weet hij niet,” antwoordde de kapitein, zijne hand op
Walter’s schouder leggende. “Maar ik wel. Die schuld komt daar vandaan
dat mijn vriend Gills eens iemand geholpen heeft, die nu al lang dood
is, en dat heeft hem al menige honderd pond gekost. Meer onder vier
oogen, als u dat belieft.”—“Menschen die moeite genoeg hebben om zelven
staande te blijven,” zeide Dombey, zonder op des kapiteins
geheimzinnige teekenen achter Walter te letten, en nog naar zijn zoon
ziende, “moesten liever met hunne eigene verplichtingen en bezwaren
voldaan zijn, en ze niet vermeerderen door voor anderen borg te
blijven. Zoo iets is een blijk van oneerlijkheid en verwaandheid,”
zeide Dombey zeer barsch, “van groote verwaandheid; want rijke lieden
zouden niet meer kunnen doen. Paul, kom eens hier.”
Het kind gehoorzaamde, en Dombey nam hem op zijne knie.
“Als gij nu geld hadt,”—zeide Dombey. “Zie mij eens aan.”
Paul, wiens oogen tusschen zijne zuster en Walter heen en weder
zwierven, zag zijn vader aan.
“Als gij nu geld hadt,” zeide Dombey, “zooveel geld als de jonge Gay
van gesproken heeft; wat zoudt ge dan doen?”—“Het aan zijn ouden oom
geven,” antwoordde Paul.—“Het aan zijn ouden oom leenen, niet waar?”
verbeterde Dombey. “Wel! Als gij oud genoeg zijt, weet ge, zult ge deel
aan mijn geld krijgen en zullen wij het samen gebruiken.”—“Dombey en
Zoon,” viel Paul er op in, wien deze spreuk reeds vroeg was
bijgebracht.—“Dombey en Zoon,” herhaalde zijn vader. “Zoudt ge nu
gaarne Dombey en Zoon beginnen te worden, en dat geld aan den oom van
Gay leenen?”—“O, als het u belieft, papa,” antwoordde Paul, “en dat zou
Florence ook zoo graag.”—“Meisjes,” zeide Dombey, “hebben niets met
Dombey en Zoon te maken. Zoudt gij het gaarne willen?”—“Ja, papa,
ja.”—“Dan zult gij het doen,” antwoordde zijn vader. “En gij ziet nu
wel, Paul,” vervolgde hij, zijne stem latende dalen, “hoe machtig het
geld is, en hoe de menschen er naar verlangen. De jonge Gay komt dien
geheelen weg om geld te vragen, en gij, die zoo rijk en groot zijt,
omdat gij het hebt, zult het hem nu laten hebben, als eene groote gunst
en verplichting.”
Paul keek even op met zijn oudachtig gezichtje, hetwelk uitdrukte, dat
hij de beteekenis dezer woorden zeer wel begreep; maar terstond daarop
werd het weder een jong en kinderlijk gezichtje, toen hij zich van zijn
vaders knie liet glijden en naar Florence toeliep om haar te zeggen dat
zij niet meer moest schreien, want dat hij den jongen Gay het geld zou
laten hebben.
Dombey keerde zich nu om naar een zijtafeltje, schreef een briefje en
verzegelde dit. In dien tusschentijd fluisterden Paul en Florence met
Walter, en zag kapitein Cuttle genoeglijk op dit drietal neer, met
zulke hoogvliegende en verwaande gedachten, dat Dombey ze nooit had
kunnen gelooven. Toen het briefje gereed was, keerde Dombey zich weder
om en hield het Walter toe.
“Geef dat,” zeide hij, “morgenochtend terstond aan mijnheer Carker. Hij
zal dadelijk zorgen dat iemand van het kantoor uw oom uit zijne
tegenwoordige positie gaat bevrijden, door het volle bedrag van den
eisch te betalen, en dat er voor de terugbetaling zulke schikkingen
gemaakt worden als in de omstandigheden van uw oom dienstig zijn. Gij
zult wel onthouden, dat het door jongen heer Paul voor u gedaan wordt.”
Walter, die zoo onverwacht het middel in de hand kreeg om zijn goeden
oom uit zijne bezwaren te redden, had wel iets van zijne dankbaarheid
en blijdschap willen uitdrukken; maar Dombey stuitte hem.
“Gij zult wel onthouden,” herhaalde hij, “dat dit door den jongen heer
Paul gedaan wordt. Ik heb het hem verklaard, en hij begrijpt het. Ik
wensch dat er niets meer van gezegd worde.”
Daar hij naar de deur wees, kon Walter niets anders doen dan buigen en
heengaan. Jufvrouw Tox, die zag dat de kapitein hetzelfde scheen te
willen doen, kwam er nu tusschen.
“Mijnheer,” zeide zij, Dombey aansprekende, over wiens mildheid zij en
mevrouw Chick een overvloed van tranen stortten. “Ik geloof dat gij
iets voorbijziet. Neem mij niet kwalijk, mijnheer Dombey, ik geloof dat
uw verheven karakter u eene kleine bijomstandigheid heeft doen
overslaan.”—“Inderdaad, jufvrouw Tox!” zeide Dombey.—“Die heer met
dat—instrument,” hervatte jufvrouw Tox, met een blik naar kapitein
Cuttle, “heeft op de tafel, naast u...”—“Goede hemel,” zeide Dombey, de
schatten des kapiteins wegvegende, alsof het werkelijk kruimels waren.
“Neem die dingen weg. Ik ben u wel verplicht, jufvrouw Tox. Dit is een
bewijs van uwe gewone oplettendheid. Wees zoo goed om die dingen weg te
nemen, mijnheer.”
Kapitein Cuttle gevoelde dat hem niets overschoot dan te gehoorzamen.
Maar de grootmoedigheid van Dombey, die schatten, zoo vlak voor hem
opgestapeld, van de hand wees, trof hem zoodanig, dat hij, na de
theelepeltjes en de suikertang in den eenen zak en de contanten in den
anderen te hebben gestoken en het groote horloge langzaam in zijn eigen
kuil te hebben afgelaten, zich niet kon weerhouden van de rechterhand
van dien heer met zijne linkerhand te vatten, en den haak hartelijk in
de palm te drukken. De gelijktijdige gewaarwording van warm gevoel en
koud ijzer deed Dombey huiveren.
Daarna wierp kapitein Cuttle de dames zeer zwierig en galant
verscheidene haakkussen toe, en nadat hij nog in het bijzonder afscheid
van Paul en Florence had genomen, ging hij met Walter de kamer uit. In
de warmte van haar hartje liep Florence hen reeds na, om eene boodschap
voor den ouden Sam mede te geven, toen Dombey haar terug riep en beval
te blijven waar zij was.
“Zult ge dan nooit eene Dombey worden, kindlief?” zeide mevrouw Chick
met aandoenlijk verwijt.—“Lieve tante,” zeide Florence, “wees niet boos
op mij. Ik ben papa zoo dankbaar.”
Zij had wel naar hem willen toeloopen en hare armen om zijn hals slaan,
als zij maar gedurfd had; maar dewijl zij niet durfde, keek zij maar
naar hem met dankbare oogen, terwijl hij zat te peinzen, somtijds met
een onrustigen blik naar haar omziende, maar meestal den kleinen Paul
gadeslaande, die in zijne nieuwe waardigheid, als de persoon die den
jongen Gay het geld had laten hebben, deftig door de kamer stapte.
En de jonge Gay—Walter—hoe was het met hem?
Hij was blijde dat de huiselijke haard des ouden mans nu van
deurwaarders en uitdragers gezuiverd zou worden, en hij met goede
tijding naar zijn oom terugsnelde. Hij was blijde dat alles den
volgenden dag voor den middag beschikt en beredderd was, en hij des
avonds weder met den ouden Sam en kapitein Cuttle in het achterkamertje
zat, en hij den instrumentmaker reeds zag herleven, en op de toekomst
hopen, en gevoelen dat de houten adelborst weder zijn eigendom was.
Maar zonder zijne dankbaarheid voor mijnheer Dombey eenigszins te kort
te doen, moet het toch gezegd worden dat Walter vernederd en ontmoedigd
was. Het is, wanneer de zwellende bloesemknoppen onzer hoop door een
guren wind onherstelbaar genepen worden, dat wij meest genegen zijn ons
voor te stellen welke bloemen zij hadden kunnen geven als zij ontloken
waren; en nu Walter zich door een nieuwen en schrikkelijken val van de
ontzaglijke Dombeyaansche hoogte vond afgesneden, en gevoelde dat al
zijne oude dwaze grillen daardoor in den wind verstrooid waren, begon
hij te vermoeden dat zij hem hadden kunnen voeren om zich geheel
argeloos te verbeelden, dat hij eens naar Florence’s hand zou kunnen
staan.
De kapitein beschouwde de zaak in een geheel ander licht. Hij scheen te
gelooven dat de samenkomst, die hij had bijgewoond, zoo bemoedigend
was, dat zij maar een paar stappen van eene bepaalde verloving tusschen
Walter en Florence was verwijderd, en dat het voorgevallene zijne
Whittingtoniaansche hoop ten uiterste had begunstigd, zoo al niet tot
volstrekte zekerheid gebracht. Geprikkeld door deze overlegging, alsook
door de meerdere opgeruimdheid van zijn ouden vriend, en zijne eigene
daaruit voortspruitende vroolijkheid, poogde hij dien avond, toen hij
de ballade van mooie Peggy zong, den naam van Florence voor dien der
heldin in de plaats te stellen, en daar hij dit om het rijm bezwaarlijk
vond, kwam hij op den gelukkigen inval om den weerbarstigen naam in
Fleggy te veranderen. Zoo zong hij dus het liedje met bijna
bovennatuurlijke schalkachtigheid en eene daverende stem, hoewel de
tijd nabij was dat hij de woning der geduchte jufvrouw MacStinger weder
moest gaan opzoeken.