De zucht voor het romaneske en wonderbare, waarvan het karakter van den
jeugdigen Walter Gay een vrij krachtigen zweem had, en welke de voogdij
van zijn oom, den ouden Samuel Gills, niet zeer door de lessen zijner
ondervinding had verzwakt, was de oorzaak dat hij aan het avontuur van
Florence met de Goede Vrouw Brown met buitengemeene en streelende
belangstelling bleef denken. Hij troetelde en koesterde het in zijn
geheugen, vooral dat gedeelte waarin hij betrokken was geweest, tot het
geheel het bedorven kindje van zijne verbeelding werd, dat volkomen
zijn eigen zin deed.
De herinnering dier voorvallen en zijn eigen deel daaraan werd
misschien nog bekoorlijker gemaakt door de wekelijksche droomen van den
ouden Sam en kapitein Cuttle op zondag. Er ging nauwelijks een zondag
voorbij, zonder dat een dezer goede lieden met eene geheimzinnige
toespeling op Richard Whittington voor den dag kwam, en de kapitein had
zelfs de onkosten gedaan om een oud liedje te koopen, dat lang onder
vele andere, voornamelijk zeemansliedjes, aan een blinden muur in de
Commercial Road had hangen te fladderen; welk gedicht de vrijage en het
huwelijk bezong van een knappen jongen kolendrager met zekere “mooie
Peggy,” de bekoorlijke dochter van den meester en medeëigenaar van een
kolenschip. In deze roerende legende zag kapitein Cuttle iets zeer
diepzinnig toepasselijks op het geval van Walter en Florence; en dit
wond hem zoodanig op, dat hij bij feestelijke gelegenheid, gelijk
verjaren andere herinneringsdagen, het geheele liedje in het
winkelkamertje uitgalmde.
Doch een vurige, rondborstige knaap is niet gewoon veel na te denken
over den aard van zijne eigene aandoeningen, hoe krachtig zij hem ook
mogen beheerschen; en Walter zou het zeer moeielijk hebben gevonden in
dit opzicht iets te beslissen.
Hij had een groot zwak voor de werf, waar hij Florence had gevonden, en
voor de straten (al hadden zij op zich zelven niet veel fraais)
waardoor zij naar huis waren gekomen. De schoenen, die zoo dikwijls
onderweg waren uitgegaan, bewaarde hij op zijn eigen kamertje; en des
avonds in het winkelkamertje zittende had hij eene geheele galerij
denkbeeldige portretten van vrouw Brown geteekend. Het kan zijn dat hij
na dat gedenkwaardige voorval een weinigje netter op zijne kleeren
werd; en zeker hield hij er veel van om in zijn ledigen tijd naar dat
gedeelte der stad te wandelen waar het huis van Dombey stond, zich
streelende met de zeer onzekere kans om kleine Florence op straat te
ontmoeten. Maar zijn gevoel bij dat alles was zoo jongensachtig en
onschuldig als het wezen kon. Florence zag er zeer lief uit, en het is
aangenaam een lief gezichtje te bewonderen; Florence was zwak en kon
zich zelve niet verweren; en het was eene trotsche gedachte dat hij in
staat was geweest om haar hulp en bescherming te verleenen. Florence
was het dankbaarste kind van de wereld, en het was verrukkelijk hare
dankbaarheid van haar helder gezichtje te zien afstralen. Florence werd
verwaarloosd en achteraf gezet, en zijn hart gloeide van jeugdige
belangstelling voor het min geachte kind in hare sombere statige
woning.
Zoo kwam het dat Walter, misschien zesmaal in den loop van het jaar, op
straat zijn hoed voor Florence afnam, en Florence staan bleef om hem de
hand te geven. Jufvrouw Wickam—die hem, met eigenaardige verandering
van zijn naam, altijd “de jonge Graves” noemde [2]—met de geschiedenis
hunner kennismaking bekend, was hieraan zoo gewoon, dat zij er
volstrekt niet op lette. De jonge jufvrouw Nipper daarentegen verlangde
zelfs eenigszins naar zulk eene ontmoeting, dewijl haar jeugdig en
gevoelig hart heimelijk door Walter’s voorkomen was ingenomen, en zij
tot het geloof overhelde dat het gevoel van dat hart beantwoord werd.
Aldus moest Walter, in plaats van zijne kennis met Florence te
vergeten, die al beter en beter leeren onthouden. Wat het avontuurlijke
begin en al die kleine omstandigheden daarvan betrof, die er iets zoo
eigenaardigs en streelends aan gaven, daaraan dacht hij meer als een
aardig historietje, dat zijne verbeelding aangenaam bezig hield, dan
als eene gebeurtenis waarin hij zelf betrokken was. Die omstandigheden
gaven, in zijne verbeelding, Florence iets veel meer belangwekkends,
maar hem zelven niet. Somtijds dacht hij (en dan stapte hij zeer hard
door) hoe mooi het zou geweest zijn, als hij daags na die eerste
ontmoeting naar zee was gegaan, en daar dan mirakelen had uitgevoerd,
en lang was weggebleven, en als admiraal van alle vlaggen, of ten
minste als post-kapitein, met onweerstaanbaar schitterende epauletten
was teruggekomen, en met Florence (dan een schoon volwassen meisje) was
getrouwd, in spijt van mijnheer Dombey’s strak gezicht, stijve das en
horlogeketting, en haar in zegepraal naar de blauwe kusten van een of
ander land had medegenomen. Maar zulk eene vlucht van verbeelding
polijstte het koperen plaatje op de deur van het kantoor zelden tot
eene voorspellende tafel van gouden hoop, en spreidde maar zelden een
schitterend licht over de doffe lantarenramen; en wanneer de kapitein
en oom Sam over Richard Whittington en meesters dochter praatten,
gevoelde Walter dat hij zijne ware positie bij Dombey en Zoon veel
beter begreep dan zij deden.
Zoo kwam het, dat hij dag aan dag met lust en vroolijkheid deed wat hij
te doen had; dat hij het ongegronde der hoopvolle hersenschimmen van
oom Sam en kapitein Cuttle doorzag; en dat hij toch zelf duizend
onbestemde, droomachtige verbeeldingen koesterde, waarbij de hunne
alledaagsche waarschijnlijkheden waren. Zoodanig was zijn toestand in
den tijd van mevrouw Pipchin, toen hij er eenigszins ouder begon uit te
zien dan voorheen, maar niet veel; en nog dezelfde vlugge,
luchthartige, loshoofdige knaap was, als toen hij aan het hoofd van oom
Sam en den denkbeeldigen entertroep het achterkamertje uitstormde, en
hem lichtte om de Madera te krijgen.
“Oom Sam,” zeide Walter. “Ik denk dat ge niet wel zijt. Gij hebt van
morgen geheel niet gegeten. Ik zal een dokter bij u halen, als ge zoo
voortgaat.”—“Hij kan mij toch niet geven wat ik noodig heb, jongen,”
zeide oom Sam. “Ten minste als hij dat kon moest hij eene goede
praktijk hebben—en dan zou hij het toch niet.”—“Wat is dat dan, oom?
Klanten?”—“Ja,” antwoordde Samuel met een zuchtje. “Klanten zouden het
wel doen.”—“Voor den drommel, Oom!” zeide Walter, zijn kopje
neerzettende dat het rinkelde en met de hand op de tafel slaande; “als
ik de menschen den heelen dag bij troepen de straat zie doorgaan, en
met twintig in de minuut den winkel voorbijkomen, zou ik haast naar
buiten vliegen, den een of ander bij den kraag pakken, hem
binnenbrengen, en niet loslaten eer hij voor vijftig pond instrumenten
gekocht en contant betaald had. Waarom kijkt gij zoo in?” vervolgde
Walter, een oud heer met een gepoeierd hoofd aansprekende, die uit alle
macht naar een scheepskijker staarde, en hem natuurlijk niet hooren
kon. “Dat helpt niet. Kom binnen en koop hem.”
De oude heer ging evenwel, na zijne nieuwsgierigheid voldaan te hebben,
stil weder heen.
“Daar gaat hij,” zeide Walter; “en zoo doen zij allemaal. Maar oom—zeg
eens, oom Sam”—want de oude man zat te peinzen en had naar het eerste
roepen niet geluisterd—“wees maar niet neerslachtig. Wees niet
verdrietig, oom. Als er eens bestellingen komen, zullen zij met zulk
een troep komen, dat gij ze niet zult kunnen voldoen.”—“Als zij eens
komen, mijn jongen, zal ik ze zeker niet meer kunnen voldoen,”
antwoordde Samuel Gills. “Er zullen er in dezen winkel nooit weer
komen, voordat ik er uit ben.”—“Maar zeg toch, oom! Gij moet waarlijk
zoo niet!” zeide Walter dringend. “Kom aan!”
Oude Samuel poogde een vroolijk gezicht te zetten, en zag hem over het
tafeltje met zulk een genoeglijken glimlach aan als hij kon.
“Er scheelt toch niets buitengewoons aan, niet waar, oom?” zeide
Walter, zijne ellebogen op het theeblad zettende en zich daarover
heenbuigende, om meer vertrouwelijk te spreken. “Wees openhartig voor
mij, oom, als het zoo is, en zeg mij dan alles.”—“Neen, neen, neen,”
antwoordde oude Samuel. “Iets buitengewoons? Neen, neen. Wat zou er
buitengewoons wezen?”
Walter antwoordde met een ongeloovig hoofdschudden.
“Dat zou ik juist willen weten,” zeide hij; “en gij vraagt het mij! Ik
zal u eens wat zeggen, oom; als ik u zoo zie, spijt het mij waarlijk
dat ik bij u ben.”
De oude man sloeg onwillekeurig een paar groote oogen op.
“Ja. Al is iemand nooit gelukkiger geweest dan ik ben en altijd bij u
geweest ben, spijt het mij toch waarlijk dat ik bij u ben, als ik zie
dat gij iets op het hart hebt.”—“Ja, ik ben dan een beetje dof,” zeide
Samuel, geduldig in zijne handen wrijvende.—“Wat ik meen, oom Sam,”
zeide Walter, zich nog wat meer overbuigende, om hem op den schouder te
kloppen, “is dat ik dan gevoel, dat gij hier, in plaats van mij, een
aardig mollig vrouwtje moest hebben zitten om thee voor u te
schenken—een vriendelijk en genoeglijk oud jufvrouwtje, dat juist bij u
paste, en met u wist om te gaan en u moed in te spreken. Hier ben ik,
zulk een hartelijk liefhebbende neef als er ooit geweest is (dat ik
waarlijk ook wel wezen mag) maar toch maar een neef, en ik kan zulk een
gezelschap niet voor u zijn, als ge mismoedig en neerslachtig zijt, als
zij zich al jaren geleden voor u zou gemaakt hebben, al zou ik waarlijk
alle geld van de wereld willen geven als ik u maar kon opbeuren. En zoo
zeg ik, als ik zie dat gij iets op het hart hebt, dat het mij waarlijk
spijt dat ge niemand beters bij u hebt dan een lompe, wilde, haspelige
jongen zooals ik, die wel een goeden wil heeft om u te troosten, oom,
maar de manier niet heeft—de manier niet heeft,” herhaalde Walter, nog
verder overreikende, om zijn oom bij de hand te vatten.—“Wally, mijn
beste jongen,” zeide Samuel, “als dat vriendelijke oude jufvrouwtje
vijf en veertig jaar geleden in dit kamertje was komen zitten, had ik
nooit meer van haar kunnen houden dan ik van u doe.”—“Dat weet ik wel,
oom Sam,” antwoordde Walter. “God zegen u, dat weet ik wel. Maar als
zij bij u was geweest, hadt gij niet de geheele zwaarte van drukkende
geheimen behoeven te dragen, want zij zou wel geweten hebben hoe zij er
u van kon ontlasten, en dat weet ik niet.”—“Ja, ja, dat doet gij wel,”
antwoordde de instrumentmaker.—“Welnu dan, wat scheelt er aan, oom
Sam?” zeide Walter vleiend. “Kom, wat scheelt er aan?”
Samuel Gills bleef beweren dat er niets bijzonders aan scheelde, en
deed dit zoo standvastig, dat er voor zijn neef niets anders overschoot
dan zich te houden alsof hij hem geloofde, hetgeen hem echter niet best
afging.
“Al wat ik zeggen kan is, oom Sam, dat als er iets is...”—“Maar er is
niets,” zeide Samuel.—“Heel goed,” zeide Walter. “Dan heb ik niets meer
te zeggen, en dat is gelukkig, want het is tijd dat ik naar mijn werk
ga. Ik zal strakjes nog eens aankomen, als ik uit moet, oom, om te zien
hoe het u gaat. En onthoud, oom, ik zal u nooit meer gelooven, en u
nooit meer iets van mijnheer Carker Junior vertellen, als ik ontdek dat
ge mij nu bedrogen hebt.”
Samuel Gills daagde hem lachend uit iets van dien aard te ontdekken; en
Walter stapte naar het kantoor van Dombey en Zoon, met een veel
zwaarder hart dan hij anders daarheen medenam, en onderweg over
allerlei onuitvoerbare middelen denkende om zijn fortuin te maken en
den houten adelborst klanten te bezorgen.
Er woonde in die dagen, om den hoek, in Bishopsgate-Street, zekere
Brogley, uitdrager en beëedigd taxateur, die een winkel hield waarin
allerlei oude meubelen op de onbehagelijkste manier, en in
omstandigheden en combinatiën, zoo vreemd mogelijk aan hunne
oorspronkelijke bestemming, waren ten toon gesteld. Dozijnen stoelen
aan waschtafeltjes gehaakt, die zich met moeite op de schouders van
buffetten balanceerden, die wederom op den onderkant van eettafels
stonden, welke met de pooten omhoog op andere eettafels
gymnastiseerden, behoorden nog tot de minst uitzinnige schikkingen.
Doorgaans zag men eene uitstalling van schotels, glazen en karaffen in
den schoot van een ledikant, als ware het eene gedekte tafel, waaraan
een gezelschap van een half dozijn poken en eene ganglantaren onthaald
werd. Een stel meubelgordijnen, zonder vensters er bij, zag men
sierlijk gedrapeerd over eene barricade van latafels, met
apothekerspotjes beladen; terwijl een huisloos haardkleedje, van zijn
natuurlijken makker, den haard, gescheiden, in zijn tegenspoed den
oostenwind tartte, en in droevige overeenstemming scheen te trillen met
de schelle klachten eener piano, waarvan nu en dan eene snaar sprong,
en in wier ontstelde hersenkas het straatgerucht een flauwen weergalm
vond. Van stilstaande klokken, die nooit slinger of wijzer bewogen, en
even onmogelijk weder aan den gang gebracht schenen te kunnen worden
als de zaken der voormalige eigenaars, had men in Brogley’s winkel
altijd ruime keus, en verscheidene spiegels, waarin de weerkaatsing der
lichtstralen hand aan hand ging met de breking, boden het oog een
eindeloos verschiet van ongelukken en bankroeten aan.
Brogley zelf was een man met glanzige oogen, blozende kleur en krullend
haar, zwaarlijvig van gestalte en goed van humeur—want die klasse van
Mariussen die op de puinhoopen van vreemde Carthago’s zit, kan
gemakkelijk goedsmoeds blijven. Hij was wel eens in Samuel’s winkel
gekomen, om iets over dingen van Samuel’s vak te vragen; en Walter
kende hem genoeg om hem goedendag te zeggen als zij elkander op straat
tegenkwamen. Maar dewijl de kennis des uitdragers met Samuel Gills ook
niet verder ging, was Walter niet weinig verwonderd, toen hij, volgens
zijne belofte, in den loop van den voormiddag nog eens aankwam, dat hij
Brogley met de handen in de zakken en zijn hoed achter de deur
gehangen, in het achterkamertje vond zitten.
“Wel, oom Sam,” zeide Walter. De oude man zat treurig aan den overkant
der tafel, met zijn bril—vreemd genoeg—voor de oogen, in plaats van op
zijn voorhoofd. “Hoe gaat het nu?”
Samuel schudde zijn hoofd en wuifde met de hand naar den uitdrager, als
om hem te introduceeren.
“Scheelt er iets aan?” vroeg Walter, met zekere hapering in zijne
ademhaling.—“Wel neen. Het is niets,” zeide Brogley. “Maak maar geen
beweging.”
Walter keek in stomme verbazing van den uitdrager naar zijn oom.
“De zaak is,” zeide Brogley, “dat een betalinkje op een borgtocht, van
driehonderd zeventig pond en een beetje, over den termijn is
uitgebleven, en dat ik in posessie ben.”—“In posessie!” riep Walter
uit, naar den winkel omkijkende.—“Ja!” zeide Brogley, vertrouwelijk
toestemmende, en daarbij knikkende als wilde hij beduiden dat het
raadzaam was om goede vrienden met elkander te blijven. “Het is eene
executie. Dat is het eigenlijk. Maak er maar geen beweging van. Ik kom
zelf, omdat ik het stil en in het vriendelijke wil houden. Gij kent mij
toch. Het blijft alles stil.”—“Oom Sam!” bracht Walter haperend
uit.—“Wally, mijn jongen,” zeide zijn oom. “Het is de eerste maal. Zulk
een ongeluk is mij nooit overkomen. Ik ben een te oud man om te
beginnen.” Zijn bril weder omhoogschuivende (want die baatte toch niet
meer om zijne aandoening te verbergen) hield hij zijne hand voor zijne
oogen en schreide hardop, en zijne tranen droppelden op zijn
koffiebruin vest.—“Oom Sam! Och, ik bid u, doe dat niet!” riep Walter
uit, die van schrik en angst beefde toen hij den ouden man zag
schreien. “Om Gods wil, doe dat niet. Mijnheer Brogley, wat zal ik
doen?”—“Ik zou u raden om een vriend of zoo te gaan opzoeken,” zeide
Brogley, “en er eens over te praten.”—“Wel zeker!” riep Walter, blijde
dat er iets kon gedaan worden, “dat is ook zoo. Wel bedankt. Kapitein
Cuttle is de man, oom. Wacht maar tot ik naar kapitein Cuttle loop.
Houd mijn oom in het oog, wilt ge, mijnheer Brogley, en stel hem
zooveel gerust als gij kunt, terwijl ik weg ben. Wanhoop maar niet, oom
Sam. Doe uw best om moed te houden, als een goede man.”
Hij zeide dit met vuur en aandoening; en zonder naar de afgebrokene
tegenspraak des ouden mans te luisteren, stoof Walter, zoo hard hij
loopen kon, den winkel uit, en haastte zich naar het kantoor om zich
daar te verontschuldigen dat zijn oom plotseling ongesteld was
geworden; van daar sloeg hij met denzelfden spoed den weg naar de
woning van kapitein Cuttle in.
Terwijl hij langs de straten rende kwam alles hem veranderd voor. Daar
was het gewone gewoel en gerucht van karren, wagens, omnibussen,
koetsen en voetgangers, maar het ongeluk dat den houten adelborst
getroffen had, maakte alles vreemd en nieuw. Huizen en winkels waren
verschillend van hetgeen zij plachten te zijn, en droegen Brogley’s
volmacht met groote letters op den voorgevel. De uitdragerdeurwaarder
scheen zelfs de kerken in beslag te hebben genomen, want hunne torens
stegen met iets ongewoons in hun aanzien in de lucht. De lucht zelve
was veranderd en dreigde duidelijk met eene executie.
Kapitein Cuttle woonde aan een kanaal, dicht bij de Oost-Indische
dokken, waar eene draaibrug was, die nu en dan geopend werd om een
reusachtig schip, gelijk een gestrande leviathan, de straat op te
laten. De trapsgewijze overgang van land in water was, als men de
woning van kapitein Cuttle naderde, iets merkwaardigs. Zij begon met de
verschijning van vlaggestokken, als toebehooren van herbergen; dan
kwamen de winkels van wantsnijders, waar geruite hemden, geöliede
hoeden en linnen broeken, zoowel van de nauwste als de wijdste soort,
buiten de deur hingen. Deze werden opgevolgd door smederijen van ankers
en kettingkabels, waar de zware mokers den geheelen dag op het ijzer
beukten. Dan kwamen rijen van huizen, waarvoor kleine masten met
windvaantjes tusschen roode klimboomen waren geplant. Dan slooten. Dan
knotwilgen. Dan nog meer slooten. Dan onverklaarbare plekken vuil
water, moeielijk te onderscheiden door de schepen die ze bedekten. Dan
de geheele lucht een geur van houtkrullen, en werden alle andere
handwerken verzwolgen door het masten- riemen- en blokkenmaken, en het
scheepstimmeren. Dan werd de grond onvast en moerassig. Dan was er
niets te ruiken dan rum en suiker. En dan had men het huis waar
kapitein Cuttle eene kamer bewoonde—te gelijk op de eerste verdieping
en onder het dak, in Brig Place—vlak voor zich.
De kapitein was een van die menschen uit één stuk, welke de levendigste
verbeelding onmogelijk van eenig gedeelte hunner kleeding, hoe
onbeduidend ook, kan afzonderen. Toen Walter dus aan de deur klopte, en
de kapitein dadelijk zijn hoofd uit een zijner voorvenstertjes stak en
hem aanriep, met den harden blinkenden hoed reeds op, en het
hemdsboordje als een zeil en de wijde blauwe jas, alles gelijk
gewoonlijk, was Walter zoo volkomen overtuigd dat hij er altijd zoo
uitzag, alsof de kapitein een vogel was geweest en dit zijne veeren
waren.
“Walter, mijn jongen,” zeide kapitein Cuttle. “Sta vast en klop nog
eens. Hard! Het is waschdag.”
Walter gaf in zijn ongeduld een geweldige bons met den klopper.
“Dat is hard genoeg!” zeide kapitein Cuttle, en haalde terstond zijn
hoofd binnen alsof hij een storm verwachtte.
Hij bedroog zich ook niet; want eene weduwvrouw, met tot aan de
schouders opgerolde mouwen, en armen geheel met zeepschuim bedekt en
zoo dampend uit het heete water gehaald, kwam met verbazende snelheid
op dit kloppen aan. Eer zij Walter aanzag, keek zij naar den klopper,
en hem toen van top tot teen met hare oogen metende, zeide zij zich te
verwonderen dat hij er nog iets van had overgelaten.
“Kapitein Cuttle is thuis, weet ik,” zeide Walter met een verzoenend
glimlachje.—“is hij?” antwoordde de jufvrouw. “Zoo!”—“Hij heeft zoo
even met mij gesproken,” zeide Walter nog buiten adem, tot
opheldering.—“Heeft hij?” antwoordde zij. “Dan zult ge misschien wel
zoo goed willen zijn om hem het compliment van jufvrouw MacStinger te
maken en hem te zeggen, dat, als hij weer zich zelven en zijne kamer de
schande aandoet om uit het raam te praten, zij hem zal verzoeken om dan
ook naar beneden te komen en de deur open te doen.” Jufvrouw MacStinger
sprak zeer luid, en luisterde of daarop ook iets van boven zou
geantwoord worden.—“Ik zal het zeggen,” zeide Walter, “als ge maar zoo
goed wilt zijn om mij in te laten, jufvrouw.”
Want hij werd tegengehouden door eene houten verschansing dwars voor
den ingang, daar geplaatst om te verhinderen dat de kleine MacStinger’s
in hunne oogenblikken van uitspanning van de stoep rolden.
“Een jongen die mijne deur kan inbeuken,” zeide jufvrouw MacStinger
verachtelijk, “kan ook daar wel overheen komen, zou ik hopen!” Maar
toen Walter dit als een verlof om binnen te komen opvatte, en er over
stapte, vroeg jufvrouw MacStinger dadelijk of het huis eener Engelsche
vrouw haar kasteel was of niet, en of men er zoo maar in mocht breken.
Hare nieuwsgierigheid in dit opzicht was nog zeer dringend en
luidruchtig, toen Walter—nadat hij eene smalle trap was opgegaan, door
een kunstmatigen mist heen, een gevolg van het wasschen, die ook de
leuning met een klammen aanslag bedekte—de kamer van kapitein Cuttle
binnentrad en dezen heer achter de deur in hinderlaag vond.—“Haar nooit
een stuiver schuldig gebleven, Walter,” zeide kapitein Cuttle zacht, en
met zichtbare blijken van angst op het gelaat. “Haar dikwijls goede
diensten gedaan en de kinderen ook. Toch soms eene helleveeg.
Poeh!”—“Dan zou ik heengaan, kapitein Cuttle,” zeide Walter.—“Zou niet
durven, Walter,” antwoordde de kapitein. “Zij zou mij opzoeken en
vinden, waar ik ook bleef. Ga zitten. Hoe maakt het Gills?”
De kapitein was (met zijn hoed op) aan het eten. Zijn maaltijd bestond
uit koud schapenvleesch, eene kan bier en snikheete aardappelen, die
hij zelf had gekookt, en naarmate hij ze noodig had uit een potje nam
dat voor het vuur stond. Als hij ging eten schroefde hij zijn haak uit
en een mes daarvoor in de plaats, waarmede hij nu reeds begon een van
die aardappelen voor Walter te schillen. Zijne kamer was zeer klein, en
sterk met tabakslucht doortrokken, maar gemakkelijk genoeg: alles was
er in weggepakt alsof met ieder half uur geregeld eene aardbeving
plaats had.
“Hoe maakt het Gills?” vroeg de kapitein.
Walter, die nu pas op adem was gekomen, en de opgewondenheid, die het
harde loopen hem had gegeven, verloren had, zag den vrager een
oogenblik aan, zeide toen: “O kapitein Cuttle!” en barstte in tranen
uit.
Geene woorden kunnen de ontsteltenis des kapiteins bij dit gezicht
beschrijven. Jufvrouw MacStinger verdween daarbij in het niet. Hij liet
vork en aardappel vallen—en had het mes ook laten vallen als hij kon—en
bleef den knaap zitten aanstaren alsof hij het volgende oogenblik dacht
te hooren dat zich in de City een afgrond had geopend, die zijn ouden
vriend, met koffiebruin pak, knoopen, chronometer, bril en al, had
verzwolgen.
Maar toen Walter hem zeide wat er eigenlijk gebeurd was, herkreeg
kapitein Cuttle, na een oogenblik nadenkens, op eens zijne volle
levendigheid. Hij nam van de bovenste kasplank een blikken busje, en
stortte daaruit zijn geheelen voorraad van contanten (ten bedrage van
dertien pond en eene halve kroon) dien hij vervolgens in een der zakken
van zijn blauwe jas stak; daarna verrijkte hij zijne schatkamer nog met
zijn zilverwerk, bestaande uit twee dood uitgesletene theelepeltjes en
eene ouderwetsche gebochelde suikertang; hij haalde ook zijn geducht
zilveren horloge met dubbele kas uit de diepte waar het rustte, om zich
te verzekeren dat dit kostbare stuk nog aanwezig en in goeden staat
was; schroefde den haak weder aan zijn rechterarm, en eindelijk zijn
knoestigen stok vattende, beval hij Walter om maar mee te gaan.
Zich echter te midden zijner edele opgewondenheid herinnerende, dat
jufvrouw MacStinger wel beneden op de loer kon liggen, bleef kapitein
Cuttle toen nog aarzelend staan, en keek zelfs naar het venster, als
dacht hij er aan om langs dien ongewonen weg de vlucht te nemen, liever
dan zijne geduchte vijandin onder de oogen te komen. Hij gaf evenwel de
voorkeur aan eene krijgslist.
“Walter,” zeide de kapitein, met een angstvalligen wenk, “ga gij
vooruit, mijn jongen. Als gij in den gang zijt, roep dan “dag, kapitein
Cuttle,” en trek de deur toe. Blijf dan op de straat staan wachten tot
ge mij ziet.”
Dit plan bleek niet zonder voorafgaande ondervinding van de tactiek des
vijands beraamd te zijn, want toen Walter beneden was, kwam jufvrouw
MacStinger als eene dreigende schim het achterkeukentje uit zweven.
Maar daar zij den kapitein niet zag, gelijk zij verwacht had, zeide zij
nog maar iets over den klopper, en zweefde weder naar binnen.
Er verliepen vijf minuten eer kapitein Cuttle moeds genoeg kon
verzamelen om een uitval te beproeven; want zoolang bleef Walter op den
hoek van de straat naar hem staan omkijken, eer hij iets van den harden
blinkenden hoed zag. Eindelijk kwam de kapitein als eene bom de deur
uitvliegen en hard naar hem toeloopen, zonder eens over zijn schouder
om te kijken; maar toen zij wel de straat uit waren, hield hij zich
alsof hij een deuntje floot.
“Oom erg van zijn streek, Walter?” zeide de kapitein, terwijl zij met
elkander voortstapten.—“Ik vrees van ja. Als gij hem van morgen gezien
hadt, zoudt gij het nooit weer vergeten hebben.”—“Stap dan wat aan,
Walter, mijn jongen,” antwoordde de kapitein; “en onthoud dat zoolang
gij leeft. Zie er den catechismus maar eens op na, en houd er u dan
bij.”
De kapitein had het te druk met zijne eigene gedachten aan Samuel
Gills, misschien met eenige bespiegelingen over zijne jongste vlucht
voor jufvrouw MacStinger gemengd, om verder aan Walter’s zedelijke
verbetering te arbeiden. Zij wisselden geen woord meer tot zij bij de
deur kwamen, waar de ongelukkige houten adelborst met zijn instrument
voor zijn oog den geheelen horizon langs scheen te zoeken naar een
vriend om hem uit zijne ongelegenheid te redden.
“Gills!” zeide de kapitein, naar het achterkamertje snellende en hem
met ware teederheid bij de hand vattende. “Houd maar vlak in den wind,
en wij zullen er wel doorkomen. Al wat gij te doen hebt,” zeide de
kapitein, met de deftigheid van iemand die een der gewichtigste
stelregels predikt, welke de wijsheid des menschdoms ooit ontdekt
heeft, “is dat ge maar vlak in den wind houdt, en wij zullen er wel
doorkomen.”
De oude Sam beantwoordde zijn handdruk en dankte hem.
Daarop stalde kapitein Cuttle, met eene bij deze gelegenheid voegzame
plechtigheid, de twee theelepeltjes, de suikertang, het horloge en de
contanten op de tafel uit, en vroeg Brogley hoeveel er te betalen was.
“Kom aan. Laat hooren hoeveel gij er van maakt?” zeide de
kapitein.—“Wel, mijn tijd!” antwoordde de uitdrager. “Gij denkt toch
niet dat die dingen iets kunnen helpen?”—“Waarom niet?” vroeg kapitein
Cuttle.—“Wel. De som is driehonderd en in de zeventig,” was het
antwoord.—“Dat is hetzelfde,” zeide de kapitein, hoewel blijkbaar
ontsteld van het cijfer. “Het is toch alles visch wat gij in het net
krijgt, zou ik denken?”—“Zekerlijk,” antwoordde Brogley. “Maar sprotjes
zijn geen walvisschen.”
Het wijsgeerige dezer opmerking scheen kapitein Cuttle te treffen. Hij
zat een poosje te denken, ondertusschen den uitdrager aankijkende alsof
hij hem voor een man van genie hield, en riep toen den instrumentmaker
ter zijde.
“Gills,” zeide hij. “Geef mij eens het bestek van die historie. Wie is
de crediteur?”—“Stil!” antwoordde de oude man. “Kom hier mee. Laat
Wally er niet van hooren. Het is een oude borgtocht voor Wally’s vader.
Ik heb er al veel van betaald, Ned, maar het is zulk een slechte tijd
dat ik er nu niet meer aan doen kan. Ik heb het wel voorzien, maar ik
kon het niet verhelpen. Om alles in de wereld, laat Wally er niets van
hooren.”—“Maar gij hebt toch wat geld, niet waar,” fluisterde de
kapitein.—“Ja—o ja—ik heb wel wat,” antwoordde de oude man, eerst zijne
handen in zijne ledige zakken stekende, en toen zijne pruik er tusschen
knijpende, alsof hij dacht dat hij daar iets uit zou kunnen persen;
“maar ik—het beetje dat ik heb, is niet disponibel—ik kan er niet
aankomen. Ik heb geprobeerd er iets voor Wally mee te doen; en ik ben
een ouderwetsch man, die niet met den tijd mee kan. Het is hier en daar
en—en kortom, het is zoo goed als nergens,” zeide de oude man
verbijsterd in het rond ziende.
Hij had zoozeer het voorkomen van een half verstandelooze, die zijn
geld ergens had weggestopt en niet meer wist waar, dat kapitein Cuttle
zijne oogen volgde, niet zonder eene flauwe hoop, dat hij zich nog
eenige honderd pond zou herinneren, die hij boven in den schoorsteen of
beneden in den kelder had verborgen. Maar Samuel Gills wist wel beter.
“Ik ben ver bij den tijd ten achter, mijn beste Ned,” zeide Samuel, met
zekere berustende wanhoop, “heel ver. Het helpt niet of ik zoo ver
achteraan nog mee voort wil. De boel moest liever maar verkocht
worden—hij is meer waard dan die schuld—en ik moest van het overschot
maar liever ergens gaan sterven. Ik heb nergens kracht meer toe. Ik heb
nergens verstand meer van. Het is beter dat het nu gedaan is. Laten zij
den boel maar verkoopen en hem wegnemen,” zeide de oude man, met eene
machtelooze hand naar den houten adelborst wijzende; “laten zij ons
maar samen sloopen.”—“En wat denkt gij dan met Walter te doen?” zeide
de kapitein. “Kom aan, ga zitten, Gills, ga zitten, en laat ik er eens
over denken. Als ik niet iemand was met maar een klein pensioen, dat
tot vandaag toe altijd groot genoeg is geweest, behoefde ik er niet
over te denken. Maar houd maar vlak in den wind,” zeide de kapitein,
nogmaals op dien onfeilbaren troostgrond terugkomende, “en het zal wel
schikken.”
De oude Samuel bedankte hem van ganscher harte en ging moedeloos tegen
den schoorsteenmantel leunen.
Kapitein Cuttle stapte eene poos den winkel op en neer, diep in
gedachten, en met de ruige zwarte wenkbrauwen zoo diep op den neus
samengetrokken, gelijk wolken die zich op een berg neerlaten, dat
Walter bang was om hem in zijn gepeins te storen. Brogley, die niemand
wilde hinderen, en een onderzoeklievenden geest had, ging, zachtjes
fluitend, onder den winkelvoorraad rond, tikte tegen weerglazen,
schudde kompassen alsof het medicijnfleschjes waren, haalde sleutels
met magneten op, keek door verrekijkers, poogde zich met het gebruik
van globes bekend te maken, zette parallellinealen te paard op zijn
neus, en vermaakte zich met nog andere natuurkundige proefnemingen.
“Walter,” zeide de kapitein eindelijk. “Ik heb het gevonden.”—“Hebt ge,
kapitein Cuttle?” zeide Walter zeer nieuwsgierig.—“Kom eens hierheen,
mijn jongen,” zeide de kapitein. “De winkelvoorraad is eene securiteit,
ik wil ook borg blijven, en uw patroon is de man die het geld moet
schieten.”—“Mijnheer Dombey!” zeide Walter haperend.
De kapitein knikte ernstig. “Zie hem eens aan,” zeide hij. “Zie eens
naar Gills. Als zij die dingen nu gingen verkoopen, zou hij het
besterven. Dat weet gij wel. Wij moeten alles probeeren—geen steen
laten liggen—en daar is een steen voor u.”—“Een steen!—Mijnheer
Dombey!” stamelde Walter.—“Loop eerst eens naar het kantoor, en zie of
hij daar is,” zeide kapitein Cuttle, hem een klap op den rug gevende.
“Schielijk!”
Walter gevoelde dat hij niets tegen dat bevel mocht inbrengen—een blik
op zijn oom zou hem daarvan overtuigd hebben, als hij anders had
gedacht—en hij ging terstond. Hij kwam spoedig buiten adem terug, en
zeide dat mijnheer Dombey er niet was. Het was zaterdag, en hij was dus
naar Brighton.
“Dan zal ik u eens wat zeggen, Walter,” zeide de kapitein, die zich
gedurende zijne afwezigheid op zoo iets scheen te hebben voorbereid.
“Wij gaan naar Brighton. Ik zal wel voor u spreken, mijn jongen. Ik zal
u niet in den steek laten. Wij gaan van middag met de diligence naar
Brighton.”
Indien er toch bij mijnheer Dombey aanzoek moest worden gedaan,—hetgeen
iets ontzettends was om aan te denken—had Walter dit veel liever alleen
en ongeholpen willen doen, dan gerugsteund door den invloed van
kapitein Cuttle, waaraan hij bezwaarlijk kon meenen dat mijnheer Dombey
veel gewicht zou hechten. Maar dewijl de kapitein van een geheel ander
gevoelen scheen te zijn, en er zeer op gesteld bleek te wezen, en zijne
vriendschap veel te ijverig en te ernstig was, dan dat iemand zooveel
jonger dan hij ze zou durven licht achten, wachtte hij zich wel om het
minste bezwaar te maken. Kapitein Cuttle nam dus een haastig afscheid,
stak de contanten, de theelepeltjes, de suikertang en het zilveren
horloge weder in zijn zak—met oogmerk, gelijk Walter met ontzetting
dacht, om daarmede bij mijnheer Dombey eene grootsche vertooning van
zijn rijkdom te maken—en bracht hem zonder verwijl naar het
diligencekantoor, hem onderweg nog verscheidene malen verzekerende dat
hij hem niet in den steek zou laten.