PAUL’S VERDERE ONTWIKKELING EN KARAKTER.

Onder de waakzame en oplettende oogen van den tijd—in zooverre een

tweede majoor—veranderde de sluimer van den kleinen Paul langzamerhand

van aard. Al meer en meer licht brak daarin door; hij werd door al

duidelijker en duidelijker droomen gestoord. Eene gestadig toenemende

menigte van voorwerpen en indrukken dwarrelde om hem heen, en zoo trad

hij de eerste bewustelooze kindsheid uit, en werd hij een loopende,

pratende, zich verwonderende Dombey.

Na de ongenade en verbanning van Richards, werd de kinderkamer om zoo

te zeggen aan eene commissie opgedragen gelijk een ministerie somtijds

gedaan wordt, als men geen Atlas kan vinden die in staat is om het

alleen te torschen. De commissarissen waren natuurlijk mevrouw Chick en

jufvrouw Tox, die zich met zulk een verbazenden ijver aan hare plichten

toewijdden, dat majoor Bagstock dagelijks eene nieuwe herinnering aan

zijne verlatenheid kreeg, terwijl mijnheer Chick, van alle huiselijk

opzicht ontslagen, zich in de vermaken der wereld stortte, in clubs en

koffiehuizen dineerde, bij drie verschillende gelegenheden naar tabak

rook, alleen naar de komedie ging, kortom (gelijk mevrouw Chick hem

eens zeide) zich van alle maatschappelijke en zedelijke verplichtingen

losmaakte.

Evenwel konden, in weerwil van hetgeen hij vroeger had beloofd, al deze

waakzaamheid en zorg den kleinen Paul niet tot een voorspoedig kind

maken. Misschien reeds zwak van gestel, begon hij, nadat zijne min was

weggezonden, te kwijnen en te vermageren, en scheen hij lang slechts

eene gelegenheid af te wachten om door de handen te glippen en zijne

verlorene moeder te gaan opzoeken. Hij kwam wel op zijn steeple-chase

naar den mannelijken leeftijd over dezen gevaarlijken grond heen, maar

vond den rit toch nog moeielijk genoeg, en leed veel aanstoot van al de

hindernissen in zijn ren. Elke tand was eene schutting waarover hij

bijna den hals brak, ieder puistje, toen hij de mazelen kreeg, was een

steenen muur voor hem. Bij elke vlaag van den kinkhoest stortte hij

neer, en dan werd hij door een geheelen jachttroep van kleine ziekten

overreden en vertrapt, die elkander op de hielen volgden om hem te

beletten weder op te staan.

De koude bij zijn doop was bij hem misschien op een gevoelig deel van

zijn gestel gevallen, dat zich in de even koude schaduw van zijn vader

niet weder kon herstellen; maar hij was van dien dag af een ongelukkig

kind. Jufvrouw Wickam zeide dikwijls dat zij nog nooit een kind zoo

sukkelig had gezien.

Jufvrouw Wickam was de vrouw van een logementknecht—hetgeen met een

ander mans weduwe zou schijnen gelijk te staan—welker aanzoek om bij

Dombey in dienst te komen gunstig was opgenomen, daar het bijna

onmogelijk scheen te zijn, dat zij iemand zou hebben, die haar naliep,

of iemand om na te loopen; en die, een paar dagen nadat Paul zoo streng

was gespeend, was aangesteld om hem op te passen. Jufvrouw Wickam was

eene zachtzinnige vrouw, met eene blanke kleur, altijd eenigszins

opgetrokken wenkbrauwen en een neerhangend hoofd, altijd gereed om zich

zelve te beklagen of te laten beklagen, en anderen te beklagen; en die

eene verwonderlijke natuurlijke gaaf had om alle dingen in een

jammerlijk licht te beschouwen, en schrikkelijke voorbeelden daarvan

aan te halen, en in de uitoefening van dit talent den grootsten troost

scheen te vinden.

Het is bijna niet noodig aan te merken, dat geen zweem van deze

eigenschap ooit de kennis van den statigen Dombey bereikte. Het zou wel

opmerkelijk zijn geweest, als dit gebeurd was, terwijl niemand in

huis—zelfs mevrouw Chick en jufvrouw Tox niet—hem had durven

toefluisteren dat er ooit de minste reden was geweest om zich over den

kleinen Paul ongerust te maken. Hij was het met zich zelven eens, dat

het kind noodzakelijk zekere reeks van geringe ziekten moest

doorloopen, en dat wel hoe eer hoe beter. Als hij hem had kunnen

vrijkoopen, of een plaatsvervanger stellen, gelijk bij het trekken van

een ongelukkig nommer voor de militie, zou hij dit gaarne gedaan

hebben, zonder op geld te zien. Maar dewijl dit niet doenlijk was,

verwonderde hij zich slechts nu en dan, op zijne hooghartige manier,

wat de natuur toch daarmede wilde, en troostte hij zich met de gedachte

dat men daarmede wederom een mijlsteen van den weg voorbij was, en het

groote doel der reis zooveel nader was gekomen. Want het gevoel dat

thans bij hem de overhand had en, naarmate Paul ouder werd, meer en

meer toenam, was ongeduld. Ongeduld naar dien tijd in het verschiet,

wanneer de droomgezichten hunner vereenigde grootheid zegevierend

verwezenlijkt zouden worden.

Sommige wijsgeeren zeggen ons dat zelfzucht de wortel van al onze

aandoeningen, zelfs van de edelste liefde is. Dombey’s jongste kind was

hem, van den eersten af, zoo duidelijk om die reden gewichtig, dewijl

het een deel van zijne eigene grootheid, of (hetgeen hetzelfde is) van

de grootheid van Dombey en Zoon was, dat het niet te betwijfelen is of

men had voor zijne vaderlijke genegenheid, gelijk voor menig fraai

gebouw van weidschen naam, een zeer lagen grondslag kunnen opsporen.

Maar hij had zijn zoon toch lief met al de liefde die hij had. Indien

er in zijn bevroren hart een warm plekje was, had zijn zoon het in

bezit; indien de harde oppervlakte van dat hart den indruk van eenig

beeld kon ontvangen, stond daar het beeld van zijn zoon; hoewel niet

zoozeer als kind, of knaap, maar als volwassen man—als de “Zoon” der

firma. Daarom was hij ongeduldig om de toekomst te bereiken en over de

tusschenkomende toevalligheden heen te snellen. Daarom was hij, in

weerwil van zijne liefde, daarover weinig of niet ongerust; want het

was hem alsof het kind een betooverd leven had en de man moest worden,

met wien hij in zijne gedachten reeds gestadig omging, en voor wien hij

dagelijks plannen en ontwerpen maakte, alsof hij reeds werkelijk

bestond.

Zoo werd Paul bijna vijf jaren oud. Hij was een aardig knaapje, hoewel

zijn smal gezichtje iets schraals en scherps had, dat jufvrouw Wickam

dikwijls veelbeteekenend het hoofd deed schudden. Zijn humeur gaf

overvloedige beloften dat het op later leeftijd heerschzuchtig zou

zijn; en hij had zulk een duidelijk begrip van zijn eigen gewicht en

van het rechtmatige, dat alle andere dingen en personen hem dienstbaar

en onderworpen moesten zijn, als eenig hart kon verlangen. Hij was

somtijds kinderlijk en speelziek genoeg, en niet stug van aard; maar

somtijds had hij ook eene vreemde, oudmannetjesachtige manier om in

zijn leuningstoeltje te zitten peinzen, en dan zag hij er uit (en zoo

praatte hij ook) als een van die schrikkelijke wezentjes in de

tooversprookjes, die, al zijn zij honderd vijftig of tweehonderd jaren

oud, nog het fantastische beeld vertoonen van de kinderen waarvoor zij

verruild zijn. Dikwijls kreeg hij zulk eene vlaag boven op de

kinderkamer; en somtijds kwam hij er plotseling toe, met den uitroep

dat hij moe was, zelfs terwijl hij met Florence speelde of met jufvrouw

Tox paardje reed. Maar nooit kwam hij er zoo zeker toe, als wanneer

hij, met zijn stoeltje naar zijn vaders kamer gebracht, daar met dezen

na den maaltijd bij het vuur zat. Zij waren op zulk een tijd het

zonderlingste paar, dat ooit door een vuur is beschenen. Dombey, zoo

statig rechtop naar de vlam starende; zijn klein afbeeldsel, met een

oud, oud gezichtje en met de strakke aandacht van een peinzend wijsgeer

in den rooden gloed turende. Dombey hield zich met ingewikkelde

wereldsche plannen en berekeningen bezig,—zijn klein afbeeldsel met, de

hemel weet welke, grillige verbeeldingen, halfgevormde gedachten en

ongeregelde bespiegelingen. Dombey stijf van stijfsel en eigenwaan,

zijn klein afbeeldsel even stijf bij erfenis en door onwillekeurige

nabootsing. Die twee zoozeer aan elkander gelijk, en toch zulk een

verbazend contrast.

Bij een dezer gelegenheden, toen zij beiden langen tijd hadden

stilgezwegen, en Dombey alleen wist dat het kind wakker was door het nu

en dan naar de oogen te kijken, waarin het heldere vuur flonkerde als

een juweel, verbrak kleine Paul aldus de stilte:

“Papa, wat is geld?”

Deze onverwachte vraag stond in zulke onmiddellijke betrekking met

Dombey’s eigene gedachten, dat hij er geheel door van zijn stuk raakte.

“Wat geld is, Paul?” antwoordde hij. “Geld?”—“Ja,” zeide het kind,

zijne handjes op de armleuningen van zijn stoeltje leggende en met zijn

oud gezichtje naar Dombey opziende; “wat is geld?”

Dombey bevond zich in verlegenheid. Hij had hem gaarne eene opheldering

willen geven, waarin van de verschillende ruilmiddelen, edele metalen,

munt, papier, wisselkoers, en zoo voort, melding moest gemaakt worden;

maar naar het stoeltje kijkend, en ziende hoever omlaag dat nog was,

antwoordde hij: “Goud zilver en koper. Guinjes, schellingen en

stuivers. Gij weet immers wel wat die zijn!”—“O ja, ik weet wel wat die

zijn,” zeide Paul; “maar dat meen ik niet papa. Ik meen, wat is

eigenlijk geld?”

Hemel en aarde, hoe oud was het gezichtje, waarmede hij weder naar zijn

vader opzag!

“Wat eigenlijk geld is?” zeide Dombey, zijn stoel wat

achteruitschuivende, om vol verbazing het verwatene wezentje, dat zulk

eene vraag deed, te beter aan te zien.—“Ik meen, papa, wat kan het

doen?” hervatte Paul, zijne armpjes over elkander slaande (die

nauwelijks lang genoeg waren om over elkander te slaan), terwijl hij

eerst naar het vuur en toen naar hem, en weder naar het vuur en weder

naar hem opkeek.

Dombey schoof zijn stoel weder bij en klopte hem op het hoofd. “Dat

zult ge door den tijd wel beter leeren, manneke,” zeide hij. “Geld,

Paul, kan alles doen.” Hij vatte het lichte handje en tikte er zacht

mede op zijne eigene hand terwijl hij dit zeide.

Maar Paul trok zoo gauw hij kon zijne hand los, en die op de armleuning

van zijn stoeltje wrijvende, alsof zijn verstand in de palm zat en hij

het wilde slijpen, en wederom naar het vuur kijkende, alsof het vuur de

raadsman was die hem zijne vragen influisterde, zeide hij, na een

poosje bedenkens:

“Alles, papa?”—“Ja—nagenoeg,” zeide Dombey.—“Alles,” herhaalde de

kleine nog eens bij zich zelven. Het beperkende bijvoegsel had hij niet

opgemerkt, of misschien niet begrepen, en vervolgde toen hardop.

“Waarom heeft het geld dan mijne mama niet gered? Het is immers niet

boosaardig, niet waar?”—“Boosaardig!” zeide Dombey, zijne das

verschuivende, en eenigszins verstoord, naar het scheen, over zulk een

denkbeeld. “Neen. Iets goeds kan niet boosaardig wezen.”—“Als het iets

goeds is en alles kan doen,” zeide de kleine peinzend en weder naar het

vuur kijkende, “dan verwondert het mij, dat het mijne mama niet heeft

gered.”

Ditmaal was dit geene vraag, die hij tot zijn vader richtte. Misschien

had hij, met de schranderheid van een kind, gezien dat hij dezen reeds

verdrietig had gemaakt. Maar hij herhaalde de gedachte overluid, alsof

zij iets zeer ouds voor hem was en hem reeds dikwijls had lastig

gevallen; en bleef met de kin in de hand zitten kijken en peinzen,

alsof hij in het vuur eene opheldering zocht.

Toen Dombey zich van zijne verrassing, om niet te zeggen van zijn

schrik had hersteld (want het was de eerste maal dat het kind van zijne

moeder tot hem sprak, schoon hij het avond aan avond evenzoo naast hem

had zien zitten) verklaarde hij Paul hoe het geld, schoon een machtige

geest, en waarvan men vooral geen kwaad moest spreken, geene menschen

in leven kon houden, voor wie de tijd gekomen was om te sterven; en hoe

wij allen moeten sterven, ongelukkig zelfs in de City, hoe rijk wij ook

zijn. Maar hoe het geld ons geëerd, gevreesd, geacht, gediend en

gevierd deed worden, en ons in de oogen van alle menschen machtig en

aanzienlijk maakte, en hoe het zelfs dikwijls den dood zeer lang kon

weghouden. Hoe het, bij voorbeeld, zijne mama de diensten van mijnheer

Pilkins had verschaft, waarvan Paul zelf ook dikwijls nut had gehad;

zoo mede van den grooten dokter Parker Peps, dien hij nooit gekend had.

Hoe het alles kon doen wat maar te doen was. Dit alles, en nog meer van

dien aard, prentte Dombey zijn zoon in den geest, die aandachtig

luisterde en het meeste van hetgeen hem gezegd werd zeer wel scheen te

verstaan.

“Het kan mij ook niet sterk en heelemaal gezond maken, niet waar papa;

kan het wel?” zeide Paul na eene korte poos van stilte, zijne magere

handjes wrijvende.—“Wel, gij zijt immers sterk en geheel gezond,”

antwoordde Dombey. “Zijt ge niet?”

O, hoe oud was het gezichtje dat naar hem opzag, en met eene

uitdrukking half van treurigheid, half van slimheid daarin!

“Ge zijt immers zoo sterk en gezond als zulke kleine jongens gewoonlijk

zijn? He?” zeide Dombey.—“Florence is ouder dan ik, maar ik ben niet

zoo gezond en sterk als Florence, dat weet ik wel,” antwoordde het

kind; “en ik geloof, dat, toen Florence zoo klein was als ik, zij veel

langer achtereen kon spelen zonder moe te worden. Ik ben somtijds zoo

moe,” zeide kleine Paul, zijne handjes warmende, en tusschen de traliën

van den haard kijkende, alsof daar een spookachtig poppenspel werd

vertoond, “en mijn gebeente doet dan zoo zeer (jufvrouw Wickam zegt,

dat het mijn gebeente is) dat ik niet weet wat ik doen zal.”—“Ja, maar

dat is ’s avonds,” zeide Dombey, zijn stoel dichter bij dien van zijn

zoon schuivende, en hem de hand zacht op den rug leggende, “kleine

jongens moeten ’s avonds moe zijn, want dan slapen zij goed.”—“O, het

is niet ’s avonds, papa,” antwoordde het kind; “het is overdag; en dan

ga ik op Florence’s schoot liggen, en dan zingt zij voor mij. En des

nachts droom ik van zulke won-der-lijke dingen.”

En hij bleef zijne handjes zitten warmen en peinzen, gelijk een oud

manneke of een jong kaboutertje.

Dombey was zoo verbaasd, en zoo slecht op zijn gemak, en zoo verlegen

hoe hij het gesprek zou voortzetten, dat hij niets kon doen dan zijn

zoon in het schijnsel van het vuur te blijven aanzien, met de hand nog

op zijn rug, alsof die daar door eene magnetische aantrekking werd

vastgehouden. Eens stak hij zijne andere hand uit en lichtte hij even

het peinzende gezichtje naar het zijne op. Maar zoodra hij het losliet,

zocht het wederom het vuur; en zoo bleef Paul zitten, naar de

flikkerende vlam gekeerd, tot zijne oppasster kwam om hem naar bed te

halen.

“Ik wil dat Florence mij komt halen,” zeide Paul.—“Wilt ge dan niet met

uwe goede jufvrouw Wickam meegaan, jonge heer Paul?” zeide deze

jufvrouw zeer aandoenlijk,—“Neen, ik wil niet,” antwoordde Paul, en

zette zich weder te recht op zijn stoeltje, alsof hij in huis heer en

meester was.

Met eene zegenspraak over zijne onnoozelheid, ging jufvrouw Wickam

heen, en kort daarop verscheen Florence. Paul sprong terstond vlug en

gewillig overeind, en hief, om zijn vader goedennacht te zeggen, een

gezichtje op, zooveel helderder, zooveel jonger, over het geheel

zooveel kinderlijker, dat Dombey door die verandering in groote mate

gerustgesteld, er tevens zeer verbaasd over was.

Toen zij te zamen de kamer uit waren, meende hij eene zachte stem te

hooren zingen: en zich herinnerende hoe Paul gezegd had dat zijne

zuster voor hem zong, had hij de nieuwsgierigheid om de deur te openen,

hen na te zien en te luisteren. Zij zwoegde de breede holle trap op,

met Paul in hare armen; zijn hoofdje lag op haar schouder, en een van

zijne armpjes was om haar hals geslagen. Zoo tobden zij voort, zij den

geheelen weg over zingende, en Paul somtijds flauw neuriënde om met

haar mee te doen. Dombey zag hen na tot zij boven aan de trap waren

gekomen—niet zonder onderweg eens te staan rusten—en uit zijne oogen

verdwenen. Toen bleef hij nog naar boven staan kijken, tot de bleeke

stralen der maan, die met eene treurige schemering door de traplantaarn

vielen, hem weder naar zijne kamer deden gaan.

Mevrouw Chick en jufvrouw Tox werden des anderen daags tot eene

raadsvergadering aan het diner geroepen; en toen de tafel was

afgenomen, opende Dombey de handelingen door te verzoeken, dat men hem

zonder eenige terughouding of bewimpeling zou onderrichten, of Paul

iets scheelde en wat mijnheer Pilkins van hem zeide.

“Want het kind is wel niet zoo stevig,” zeide Dombey, “als ik kon

wenschen.”—“Met uwe gewone scherpzinnigheid, mijn beste Paul,”

antwoordde mevrouw Chick, “hebt gij het in eens juist getroffen. Onze

lieveling is niet geheel zoo stevig als wij konden wenschen. De zaak is

dat zijn geest hem te sterk is. Zijne ziel is veel te groot voor zijn

lichaam. Inderdaad, de manier waarop dat lieve kind praat,” vervolgde

zij, haar hoofd schuddende, “zou niemand gelooven. Zijne uitdrukkingen,

Lucretia, gisteren nog, over begrafenissen!—”—“Ik vrees,” viel Dombey

haar netelig in de rede, “dat sommige van die lieden boven het kind op

ongepaste onderwerpen brengen. Hij sprak mij gisteravond van—van zijn

gebeente,” zeide Dombey, een gramstorigen nadruk op dat woord leggende.

“Wat op de wereld heeft iemand te maken met—met het gebeente van mijn

zoon? Hij is toch geen levend geraamte, zou ik denken.”—“Verre van

daar,” zeide mevrouw Chick, met onbeschrijfelijke kracht.—“Dat hoop ik

ook,” hervatte haar broeder. “Dan weer—begrafenissen. Wie praat het

kind van begrafenissen? Wij zijn toch geen aansprekers of doodgravers

naar mij dunkt.”—“Verre van daar,” zeide mevrouw Chick op denzelfden

toon als te voren.—“Wie brengt hem dan toch zulke dingen in het hoofd?”

zeide Dombey. “Ik was er gisteravond waarlijk van ontzet. Wie brengt

hem toch zulke dingen in het hoofd, Louise?”—“Mijn lieve Paul,” zeide

mevrouw Chick, na een oogenblik van stilte, “dat behoeft eigenlijk niet

gevraagd te worden. Ik denk niet, dat moet ik u oprecht zeggen, dat

jufvrouw Wickam een heel opgeruimd mensch is, niet wat men zoo zou

noemen...”—“Eene dochter van Momus,” gaf jufvrouw Tox haar zachtjes in

bedenking.—“Juist zoo,” zeide mevrouw Chick. “Maar zij is heel

oplettend en gewillig, en geheel niet eigenwijs; ik heb waarlijk nooit

gezeggelijker mensch gezien. Als het lieve kind,” vervolgde mevrouw

Chick, op een toon alsof zij de slotsom opmaakte uit iets waarover men

het te voren geheel eens was geworden, in plaats van het alles voor de

eerste maal te zeggen, “door dien laatsten stoot wat verzwakt is, en

geene zoo krachtige gezondheid heeft als wij wel konden wenschen; en

als zijn gestel tegenwoordig wat zwak is, alsof hij nu en dan eene

zekere lamheid schijnt te hebben in zijne....”

Mevrouw Chick was bang om beentjes te zeggen, daar Dombey pas getoond

had zooveel tegen gebeente te hebben, en wachtte dus naar eene

influistering van jufvrouw Tox, die, getrouw aan haar post, het woord

“leedjes” waagde.

“Leedjes?” herhaalde Dombey.—“Mij dunkt dat de dokter van morgen zijne

beentjes noemde, deed hij niet, Louise?” zeide jufvrouw Tox.—“Wel zeker

deed hij dat, lieve,” antwoordde mevrouw Chick, met zacht verwijt. “Hoe

kunt ge mij dat vragen? Gij hebt het immers gehoord. Ik zeg, als onze

lieve Paul nu en dan eene lamheid in zijne beentjes schijnt te hebben,

dan zijn dat kleinigheden die vele kinderen op zijn ouderdom krijgen,

en door geene zorg of voorzichtigheid zijn voor te komen. Hoe eer gij

dat begrijpt en toestemt, beste Paul, des te beter.”—“Gij moet toch wel

weten,” merkte Dombey aan, “dat ik uwe natuurlijke gehechtheid voor het

toekomstig hoofd van mijn huis volstrekt niet betwijfel. Mijnheer

Pilkins heeft Paul van morgen nog gezien, naar ik meen?”—“Ja,”

antwoordde zijne zuster, “en jufvrouw Tox en ik zijn er bij geweest.

Jufvrouw Tox en ik zijn er altijd bij. Wij maken daar eene wet van.

Mijnheer Pilkins heeft hem al eene poos iederen dag gezien, en ik houd

hem voor een heel knap man. Hij zegt dat het niets van beduiden is; en

dat ik ook bevestigen kan, als dat eene gerustheid is; maar vandaag

heeft hij de zeelucht aangeraden. Zeer verstandig, Paul, daarvan ben ik

overtuigd.”—“De zeelucht,” herhaalde Dombey, zijne zuster

aanziende.—“Daar is niets in om u ongerust te maken,” zeide mevrouw

Chick. “Voor mijn George en Frederik is ook de zeelucht aangeraden toen

zij zoo oud waren; en mij zelve is zij heel dikwijls aangeraden. Ik

geef u volkomen toe, Paul, dat er boven misschien onvoorzichtig voor

hem gesproken wordt van dingen, waarmede zijn kleine geest zich liever

niet moest bezig houden; maar ik zie waarlijk niet hoe dat bij een kind

van zijne schranderheid te verhelpen is. Als hij een gewoon kind was,

zou er niets in steken. Ik moet zeggen, ik denk, met jufvrouw Tox, dat

eene korte afwezigheid van huis, de lucht van Brighton, en het

lichamelijk en geestelijk toezicht van zulk een zoo ervaren mensch als

mevrouw Pipchin bij voorbeeld....”—“Wie is mevrouw Pipchin, Louise?”

vroeg Dombey, versteld over deze gemeenzame vermelding van een naam,

dien hij nog nooit gehoord had.—“Mevrouw Pipchin, mijn beste Paul,”

antwoordde zijne zuster, “is eene bejaarde dame—jufvrouw Tox kent hare

geheele geschiedenis—die een tijd lang al de vermogens van haar geest,

met het beste gevolg, aan de studie en de behandeling der kindsheid

heeft gewijd, en zeer aanzienlijke relatiën heeft gehad. Haar man

stierf van hartzeer over—waardoor hebt ge ook gezegd dat haar man van

hartzeer gestorven is, lieve? De juiste omstandigheden zijn mij

ontschoten.”—“Door het waterpompen uit de mijnen van Peru,” antwoordde

jufvrouw Tox.—“Niet dat hij zelf pomper is geweest, natuurlijk,” zeide

mevrouw Chick, zich weder naar haar broeder keerende; en waarlijk

scheen deze opheldering niet overbodig, want jufvrouw Tox sprak alsof

hij met de hand aan den pompslinger was gestorven, “maar omdat hij geld

in die speculatie had gestoken, die geheel en al mislukte. Ik geloof

dat mevrouw Pipchin met kinderen verbazende dingen weet te doen. Ik heb

haar hooren prijzen—Heere, hoe hoog!” Hare oogen zwierven naar de buste

van Pitt op de boekenkast, die omtrent tien voet van den grond

was.—“Misschien moet ik van mevrouw Pipchin zeggen, mijnheer,” liet

jufvrouw Tox, met een zedig blosje, hierop volgen, “daar men zich zoo

uitdrukkelijk op mij heeft beroepen, dat de lof, dien uwe lieve zuster

haar gegeven heeft, welverdiend is. Vele heeren en dames, die nu tot

interessante leden der maatschappij zijn opgegroeid, hebben veel aan

hare zorgen te danken gehad. De nederige persoon, die nu met u spreekt,

was eens onder hare hoede. Ik geloof zelfs dat de jeugdige adel haar

etablissement niet vreemd is.”—“Moet ik dan begrijpen dat die

achtenswaardige dame een etablissement houdt, jufvrouw Tox?” vroeg

Dombey goedgunstig.—“Wel, ik weet waarlijk niet of ik het wel zoo

behoor te noemen,” antwoordde de dame. “Het is geene

bewaarschool—geheel niet. Ik zou mijne meening best uitdrukken,” zeide

jufvrouw Tox, met bijzondere lieftalligheid, “als ik het een

boarding-house voor kinderen noemde, van zeer uitgelezene soort.”—“Voor

een zeer beperkten kring en op een kostbaren voet ingericht,” zeide

mevrouw Chick, met een blik naar haar broeder.—“O ja, zeer exclusief,”

zeide jufvrouw Tox.

Dit was iets van belang. Dat mevrouw Pipchin’s echtgenoot van hartzeer

over de mijnen van Peru was gestorven was goed. Het had een rijken

klank. Bovendien ijsde Dombey van de gedachte om Paul nog een uur lang

te laten blijven waar hij was, nadat een geneeskundig persoon had

aanbevolen hem te doen verhuizen. Dit was een stilstaan en dralen op

den weg, dien het kind nog moest afleggen eer het doel bereikt werd,

dat toch nog ver genoeg af was. Dat de twee dames mevrouw Pipchin zoo

roemden, rekende hij van veel gewicht; want hij wist dat zij

ijverzuchtig waren op elke vreemde bemoeiing met het kind, en hij dacht

er niet aan, dat zij misschien verlangend waren om eene

verantwoordelijkheid waaromtrent hij zijne eigene vaste begrippen had,

met iemand anders te deelen. “Van hartzeer over de mijnen van Peru

gestorven,” peinsde Dombey. “Wel! eene zeer fatsoenlijke manier van

sterven.”

“Als wij nu, na morgen navraag te hebben gedaan, besloten om Paul naar

Brighton bij die dame te zenden, wie zou dan met hem meegaan?” vroeg

Dombey na eenig bedenken.—“Ik geloof niet dat gij het kind tegenwoordig

ergens heen zoudt kunnen zenden zonder Florence, mijn beste Paul,”

zeide zijne zuster aarzelend. “Hij is geheel verzot op haar. Hij is nog

heel jong, weet ge, en heeft zijne kuurtjes.”

Dombey keerde zijn hoofd om, ging langzaam naar de boekenkast, opende

die en haalde een boek om te lezen.

“Iemand anders, Louise?” zeide hij, zonder op te zien, en terwijl hij

de bladen omsloeg.—“Jufvrouw Wickam natuurlijk. Die is volkomen

voldoende, zou ik denken,” antwoordde zijne zuster. “Daar Paul in zulke

handen komt, als die van jufvrouw Pipchin, kunt gij bezwaarlijk iemand

zenden, die haar eenigszins de wet zou stellen. Gij zoudt zelf ten

minste eens in de week daarheen gaan, natuurlijk.”—“Natuurlijk,” zeide

Dombey, en zat daarna een uur lang op een blad te kijken, zonder een

woord te lezen.

Deze vermaarde mevrouw Pipchin was eene verbazend leelijke oude vrouw,

met een krommen rug, een geplekt gezicht, gelijk slecht marmer, een

haviksneus, en harde grijze oogen, die er uitzagen alsof zij op een

aanbeeld konden gehamerd worden zonder eenige schade te lijden. Veertig

jaren, ten minste, waren verloopen, sedert de mijnen van Peru den heer

Pipchin den dood hadden berokkend; maar zijne weduwe droeg nog zwart

merinos, van zulk eene doffe, doodsche tint, dat des avonds het gas

zelfs haar niet kon verlichten. Men zeide algemeen dat zij bijzonder

goed met kinderen wist om te gaan; en het geheim harer behandeling was,

hun alles te geven dat hun niet beviel en niets dat hun wel

beviel—hetgeen bevonden werd dat hen veel zoeter maakte. Zij was zoo

bitter, boos en hatelijk, dat men in verzoeking kwam om te gelooven,

dat de machinerie der Peruaansche pompen eigenlijk verkeerd had

gewerkt, en alle menschelijkheid en vroolijkheid uit haar gemoed had

gepompt, in plaats van het water uit de mijnen.

Het Kasteel van deze wildevrouw en kinderentemster stond in eene steile

achterstraat van Brighton; waar de grond meer dan gewoonlijk

kalkachtig, steenachtig en dor was, en de huizen meer dan gewoonlijk

dun en wrak gebouwd waren; waar de tuintjes daar voor de onverklaarbare

eigenschap hadden om niets anders dan paardenbloemen voort te brengen,

wat er ook in mocht gezaaid worden, en waar men gedurig slakken aan de

straatdeuren zag kleven. In den winter kon men de lucht niet uit het

Kasteel krijgen, en in den zomer er niet in. Er was zulk een gedurig

gesuis van den wind in, dat het eveneens klonk als een groote zeehoorn,

en de bewoners nacht en dag de ooren moesten dicht houden. Van zelf had

het huis geen frisschen reuk, en voor het venster der voorkamer, dat

nooit werd opengezet, hield mevrouw Pipchin eene verzameling van

planten in potten, waardoor het etablissement eene eigenaardige lucht

kreeg. Deze planten, hoe keurig ook in hare soort, waren bijzonder

uitgekozen om eene vrouw als mevrouw Pipchin tot verlustiging te

strekken. Een half dozijn daarvan waren cactussen, die zich als harige

slangen om een stokje kronkelden; eene andere soort schoot klauwen uit,

gelijk eene groene kreeft; verscheidene kruipende planten, die

kleverige bladeren hadden, welke zich aan alles vastplakten; en één

hatelijke bloempot, die aan den zolder hing en scheen over te koken om

de menschen daaronder met de lange groene einden te kriewelen, welke

hen aan spinnekoppen deden denken—waarvan de woning van mevrouw Pipchin

ongemeen rijkelijk voorzien was, hoewel zij zich misschien, in het

rechte seizoen, nog meer op een buitengewonen overvloed van oorwormen

kon beroemen.

Daar mevrouw Pipchin echter een hoog kostgeld eischte, en de

gelijkmatige zuurheid van haar humeur zeer zelden voor iemand

verzachtte, werd zij voor eene oude dame van een bijzonder vast

karakter gehouden, die eene wetenschappelijke kennis van het gestel en

den aard van kinderen bezat. Deze naam en het hartzeer waaraan mijnheer

Pipchin gestorven was, hadden haar geholpen sedert den dood van haar

man, het eene jaar door het ander gerekend, een vrij ruim bestaan te

verkrijgen. Binnen de drie dagen nadat mevrouw Chick voor het eerst van

haar had gesproken, had deze brave oude vrouw het genoegen om eene

aanmerkelijke vermeerdering harer loopende ontvangsten uit den zak van

Dombey te gemoet te zien, en Florence en haar broertje Paul als

bewoners van haar kasteel te ontvangen.

Mevrouw Chick en jufvrouw Tox, welke de kinderen den vorigen avond

hadden gebracht (des nachts hadden zij in een logement geslapen) waren

juist van de deur gereden, en mevrouw Pipchin stond, met den rug naar

het vuur, gelijk een oud officier de recruten te inspecteeren. Mevrouw

Pipchin’s nicht, eene juffer van middelbare jaren, hare welwillende en

getrouwe slavin, maar stroef en strak van uitzicht en zeer geplaagd met

zwellingen van den neus, ontdeed den jongen heer Bitherstone van den

schoonen kraag, dien hij op de parade had gedragen. Jonge jufvrouw

Pankey, op het oogenblik het eenige andere logeetje, was juist naar den

kerker gebracht (eene ledige kamer achter in huis, eene plaats van

tuchtiging en boete) omdat zij in het bijzijn der vreemde dames

driemaal gesnuffeld had.

“Wel, jonge heer,” zeide mevrouw Pipchin tot Paul, “hoe denkt ge dat ik

u bevallen zal?”—“Ik denk, dat ge mij geheel niet zult bevallen,”

antwoordde Paul. “Ik wil weg. Dit is mijn huis niet.”—“Neen. Het is

mijn huis,” zeide mevrouw Pipchin hierop.—“Een heel leelijk huis,”

antwoordde Paul.—“Maar er is toch eene kamer nog leelijker dan deze,”

zeide mevrouw Pipchin. “waar wij stoute jongens opsluiten.”—“Is hij

daar wel geweest?” vroeg Paul, naar den kleinen Bitherstone wijzende.

Mevrouw Pipchin knikte toestemmend; en Paul had het overige van den dag

genoeg te doen om den kleinen Bitherstone van het hoofd tot de voeten

te bekijken en op al de veranderingen van zijn gezicht te letten, met

de belangstelling welke een kleine jongen moest opwekken, die

ondervinding van schrikkelijke en geheimzinnige dingen had.

Tegen één ure ging men aan den maaltijd, die voornamelijk uit meelkost

en groenten bestond, als wanneer jonge jufvrouw Pankey (een nietig

klein meisje, met blauwe oogen, dat elken morgen “geshampood” werd en

gevaar scheen te loopen om geheel te worden weggewreven) door de

wildevrouw zelve uit hare gevangenis gehaald en onderricht werd dat

kinderen, die snuffelden als er menschen waren, nooit in den hemel

kwamen. Toen deze groote waarheid haar wel was ingeprent, werd zij op

rijst vergast, en daarna moest zij een dankgebedje opzeggen, dat in het

Kasteel was voorgeschreven en waarin bijzondere melding werd gemaakt

van dankbaarheid aan mevrouw Pipchin voor den goeden maaltijd. Mevrouw

Pipchin’s nicht, Berinthia, at koud spek. Mevrouw Pipchin zelve, wier

gestel warm voedsel vereischte, had voor zich alleen lamskarbonaden,

die snikheet tusschen twee borden werden binnengebracht en zeer lekker

roken.

Daar het na den eten regende en zij niet op het strand konden gaan

wandelen, en mevrouw Pipchin’s gestel na de lamskarbonaden rust

vereischte, gingen zij met Berry (anders gezegd Berinthia) naar den

kerker, eene ledige kamer, die op een blinden muur en eene waterton

uitzag, en iets spookachtig akeligs had door een schoorsteen zonder

haard er in. Door gezelschap verlevendigd, was deze kamer toch de

pleizierigste; want Berry speelde hier met de kinderen en scheen met

evenveel lust te stoeien als zij, totdat mevrouw Pipchin gramstorig

tegen den muur klopte; toen hielden zij op en vertelde Berry hun

sprookjes tot het begon te schemeren.

Bij de thee had men overvloed van water en melk en brood met boter,

benevens een zwart trekpotje voor mevrouw Pipchin en Berry, en

geboterden toast voor mevrouw Pipchin alleen, wie deze versnapering,

evenals de karbonaden, snikheet werd gebracht. Hoewel mevrouw Pipchin

onder het gebruik dier lekkernij van buiten zeer vettig werd, scheen

zij haar van binnen geheel niet te smeren, want zij bleef even stroef,

en de harde grijze oogen bleven even droog.

Na de thee kreeg Berry een naaikistje, met het koninklijke paviljoen op

het deksel, en ging ijverig aan het naaien; terwijl mevrouw Pipchin, na

haar bril opgezet en een groot boek, met groene stof bekleed,

opgeslagen te hebben, begon te knikken. En wanneer mevrouw Pipchin

bijna voorover in het vuur viel en met een schrik wakker werd, gaf zij

den kleinen Bitherstone een knip op den neus omdat hij ook knikte.

Eindelijk was het voor de kinderen tijd om naar bed te gaan, en na

gebeden te hebben, werden zij weggebracht. Daar de jonge jufvrouw

Pankey bang was om alleen in den donker te slapen, maakte mevrouw

Pipchin er eene wet van om haar zelve als een schaap naar boven te

drijven; en het was vervroolijkend te hooren hoe het meisje, nog lang

naderhand, in de naargeestigste kamer van het huis lag te huilen, en

mevrouw Pipchin nu en dan daarheen ging om haar te stompen. Tegen half

tien kwam de geur van warm krentenbrood (mevrouw Pipchin’s gestel kon

zonder dat niet in slaap komen) eene afwisseling brengen in den

heerschenden reuk van het huis, dien jufvrouw Wickam zeide dat een

“bouwlucht” was, en kort daarop lag het geheele kasteel in slaap

gedompeld.

Het ontbijt van den volgenden morgen geleek naar de thee van den

vorigen avond, behalve dat mevrouw Pipchin een geraspt broodje, in

plaats van toast gebruikte, en daarna nog wat neteliger scheen dan

anders. De kleine Bitherstone las hardop een geslachtregister uit

Genesis (met oordeel door mevrouw Pipchin uitgekozen) en werkte zich

door de namen heen met de vlugheid en het gemak van iemand, die tegen

een tredmolen opstrompelt. Dit gedaan zijnde, werd jonge jufvrouw

Pankey weggebracht om “geshampood” te worden, en de kleine Bitherstone

om zich iets anders met zeewater te laten doen, waarvan hij altijd zeer

blauw en neerslachtig terug kwam. Paul en Florence gingen intusschen

met jufvrouw Wickam (die gedurig in tranen was) op het strand wandelen;

en tegen den middag liet mevrouw Pipchin de kinderen bij zich lezen.

Daar het tot haar stelsel behoorde den geest van een kind niet aan te

moedigen om zich te ontwikkelen en te ontsluiten als eene jonge bloem,

maar om dien veeleer als een oester met geweld open te breken, was de

moraal van die leeslessen doorgaans van zeer forschen aard; daar de

held—een stoute jongen—zelden (ook als het nog genadig met hem afliep)

door iets geringers dan een leeuw of beer om hals werd geholpen.

Dit was het leven bij mevrouw Pipchin. Des zaterdags kwam Dombey over

en gingen Florence en Paul naar zijn logement op de thee. Zij sleten

den geheelen zondag met hem, en gingen gewoonlijk voor den maaltijd uit

rijden, en onder zulk een toertje scheen hij nog veel stijver en

stroever te zijn dan anders. De zondagavond was de akeligste avond van

de week, want mevrouw Pipchin scheen er eene wet van gemaakt te hebben

om dan altijd bijzonder knorrig te zijn. De jonge jufvrouw Pankey werd

doorgaans diep bedroefd van eene tante te Rottendean teruggebracht; en

de kleine Bitherstone, wiens bloedverwanten allen in Indië waren, en

die tusschen de kerktijden stijf rechtop met zijn hoofd tegen den muur

in de voorkamer moest zitten, zonder hand of voet te bewegen, vond dit

zoo onuitstaanbaar, dat hij Florence op een zondagavond eens vroeg, of

zij hem niet den weg kon wijzen om weer naar Bengalen te komen.

Men zeide echter algemeen, dat mevrouw Pipchin wel met kinderen te

recht wist te komen, en dit was in zekeren zin ook waar. De wildste

kinderen gingen, nadat zij eenige maanden onder haar gastvrij dak

hadden vertoefd, mak genoeg naar huis. Men zeide ook algemeen dat het

mevrouw Pipchin zeer tot eer strekte, dat zij zich aan deze levenswijs

had gewijd, en haar gevoel zoo had weten te overwinnen en hare rampen

zoo standvastig onder de oogen had gezien, toen haar man van hartzeer

over de mijnen van Peru was gestorven.

Naar deze voorbeeldige oude dame kon Paul in zijn leuningstoeltje bij

het vuur blijven zitten staren, hoelang het ook duurde. Terwijl hij

mevrouw Pipchin zoo strak aankeek, scheen hij niet te weten wat

verveling was. Hij hield niet van haar; hij was niet bang voor haar;

maar als hij in zulk eene stemming was, scheen zij eene groteske

aantrekkingskracht voor hem te hebben. Daar zat hij dan haar aan te

kijken, tot hij mevrouw Pipchin, wildevrouw als zij was, somtijds

verlegen maakte. Eens vroeg zij hem, toen zij alleen waren, waar hij

over dacht.

“Over u,” zeide Paul, zonder de minste achterhoudendheid.—“En wat denkt

gij over mij?” vroeg zij.—“Ik denk hoe oud gij moet wezen,” zeide

Paul.—“Gij moet zulke dingen niet zeggen, jonge heer,” liet zij hierop

volgen. “Dat behoort niet.”—“Waarom niet?” vroeg Paul.—“Omdat het niet

beleefd is,” antwoordde mevrouw Pipchin snibbig.—“Niet beleefd?” zeide

Paul.—“Neen.”—“Het is niet beleefd,” zeide Paul, geheel argeloos, “al

de lamskarbonaden en toast op te eten, zegt jufvrouw Wickam.”—“Jufvrouw

Wickam,” viel mevrouw Pipchin uit, eene kleur krijgende, “is eene

onbeschaamde prij.”—“Wat is dat?” vroeg Paul alweer.—“Dat is buiten u,

jonge heer,” antwoordde mevrouw Pipchin. “Denk maar aan de historie van

den kleinen jongen die door een dollen stier werd dood gestooten omdat

hij te veel vroeg.”—“Als de stier dol was,” zeide Paul, “hoe wist hij

dan dat de jongen te veel gevraagd had? Niemand kan een dollen stier

geheimen gaan influisteren. Ik geloof niet aan die historie.”—“Gelooft

gij er niet aan?” riep mevrouw Pipchin met verbazing uit.—“Neen,” zeide

Paul.—“Ook niet, als het nu eens een makke stier was geweest?” zeide

mevrouw Pipchin.

Daar Paul de zaak nog niet uit dit oogpunt had bezien, en zijne

besluiten op de beweerde dolheid van den stier had gebouwd, liet hij

zich daarmede vooreerst tot zwijgen brengen. Maar hij bleef er over

zitten peinzen, met zulk een blijkbaar voornemen om mevrouw Pipchin zoo

met een vast te zetten, dat zelfs deze geharde oude dame het

voorzichtig achtte heen te gaan tot hij het geval vergeten had.

Van dien tijd af scheen kleine Paul dezelfde zonderlinge

aantrekkingskracht op mevrouw Pipchin uit te oefenen, als zij op hem

deed. Zij liet hem zijn stoeltje aan denzelfden kant van het vuur

zetten, in plaats van tegen haar over, en daar zat hij dan, in een

hoekje tusschen mevrouw Pipchin en den haard, elke rimpel van haar

gezicht te bestudeeren en in hare harde grijze oogen te turen, tot zij

die somtijds liever maar dicht deed, en zich hield alsof zij was

ingedut. Mevrouw Pipchin had eene oude zwarte kat, welke doorgaans voor

den haard ineengerold, egoïstisch lag te spinnen, en naar het vuur te

knipoogen, tot hare versmalde oogappels naar twee uitroepteekenen

geleken. De goede vrouw had—het zij zonder oneerbiedigheid gezegd—wel

eene heks kunnen zijn, en Paul en de kat hare twee gedienstige geesten,

gelijk zij daar te zamen bij het vuur zaten. Het zou volmaakt met het

voorkomen van dit gezelschapje gestrookt hebben, als zij allen eens op

een avond bij een harden wind den schoorsteen waren ingevlogen, en men

nooit weder iets van hen gehoord had.

Dit gebeurde echter niet. De kat, Paul en mevrouw Pipchin waren na den

donker bestendig op hunne gewone plaatsen te vinden; en Paul, het

kameraadschap van den kleinen Bitherstone schuwende, bleef avond aan

avond mevrouw Pipchin, de kat en het vuur bestudeeren, alsof zij een

tooverboek in drie deelen waren.

Jufvrouw Wickam verklaarde Paul’s zonderlingheden op hare eigene

manier; en in hare zwaarmoedigheid bevestigd door het uitzicht op

eenige zwarte schoorsteenen, het aanhoudende geloei van den wind, in de

kamer waar zij gewoonlijk zat, en de eentonigheid (narigheid was hare

krachtige uitdrukking) van haar tegenwoordig leven, leidde zij uit de

vermelde gegevens de akeligste gevolgen af. Mevrouw Pipchin was er zeer

op uit om allen vertrouwelijken omgang tusschen hare meid en jufvrouw

Wickam af te snijden, en besteedde dientengevolge veel tijd om achter

eene deur verborgen op de wacht te staan, en dan eensklaps uit te

schieten, als die ongelukkige meid zich naar jufvrouw Wickam’s kamer

wilde begeven. Berry daarentegen mocht daar zoo dikwijls komen en

zoolang blijven, als dit door de menigvuldige plichten, waaraan zij

zich van den ochtend tot den avond afsloofde, werd veroorloofd, en het

was voor Berry dat jufvrouw Wickam haar gemoed ontlastte.

“Welk een aardig jongetje is hij als hij slaapt!” zeide Berry, en bleef

staan om naar Paul in bed te kijken, toen zij jufvrouw Wickam eens haar

avondeten bracht.—“Och ja,” zuchtte jufvrouw Wickam. “En dat mag hij

ook wel!”—“Wel, als hij wakker is, is hij toch ook niet leelijk,”

merkte Berry aan.—“Neen, jufvrouw. O neen. En mijn ooms Betsey Jane ook

niet,” zeide jufvrouw Wickam.

Berry keek alsof zij naar het verband tusschen Paul Dombey en jufvrouw

Wickam’s ooms Betsey Jane zocht.

“Mijn ooms vrouw,” vervolgde jufvrouw Wickam, “stierf evenzoo als zijne

mama. En met zijn dochtertje ging het eveneens als met jongen heer

Paul. Dat kind deed iemand somtijds het bloed stollen, dat deed

zij!”—“Hoe zoo?” vroeg Berry.—“Ik had ’s nachts niet alleen bij Betsey

Jane willen opblijven,” zeide jufvrouw Wickam, “al hadt gij Wickam den

anderen ochtend zelf in eene zaak willen zetten. Ik had het niet kunnen

doen, jufvrouw Berry.”

Berry vroeg natuurlijk, waarom niet; maar jufvrouw Wickam praatte,

volgens het gebruik van sommige dames van haar stand, op hare eigene

manier voort.

“Betsey Jane,” vervolgde zij, “was zulk een lief kind als iemand kon

verlangen. Ik denk nooit liever kind te zullen zien. Door alle ziekten,

die een kind krijgen kan, was zij allerliefst heen gekomen. Maar Betsey

Jane,” vervolgde zij, hare stem latende dalen en naar Paul in zijn

bedje omkijkende, “was in haar wiegje door hare doode moeder bewaakt.

Ik zou niet kunnen zeggen hoe, of wanneer, en zou ook niet kunnen

zeggen of het lieve kind het wist of niet, maar Betsey Jane was door

hare moeder bewaakt, jufvrouw Berry! Gij moogt zeggen dat dit gekheid

is, en ik zal het u niet kwalijk nemen, jufvrouw. Ik hoop zelfs dat gij

het met uw geweten overeen kunt brengen om te denken, dat het maar

gekheid is; gij zult er des te vroolijker door blijven; neem mij niet

kwalijk dat ik zoo vrij ben—in dit akelige, grafachtige huis, dat mij

den dood zal doen. Paul is wat onrustig in zijn slaap. Klop hem eens op

den rug, als het u belieft.”—“Gij denkt natuurlijk,” zeide Berry,

zachtjes doende wat haar gevraagd was, “dat hij ook door zijne moeder

bewaakt is?”—“Met Betsey Jane,” zeide jufvrouw Wickam op haar

allerplechtigsten toon, “is het eveneens gegaan als het met dat kind

gegaan is. Zij is eveneens veranderd als dat kind veranderd is. Ik heb

haar dikwijls en dikwijls zoo zien zitten denken—denken—denken, evenals

hij. Ik heb haar dikwijls even zoo oudachtig zien kijken als hij. Ik

heb haar dikwijls eveneens hooren praten als hij doet. Ik houd het er

voor dat het met dat kind en Betsey Jane volmaakt eveneens is, jufvrouw

Berry.”—“Is dat kind van uw oom nog in leven?” vroeg Berry.—“Ja,

jufvrouw Berry, nog in leven,” antwoordde jufvrouw Wickam, met iets

zegevierends in haar toon, want blijkbaar had Berry het tegendeel

verwacht, “en zij is met een zilversmid getrouwd. O ja, jufvrouw, zij

is nog in leven,” zeide jufvrouw Wickam, met bijzonderen nadruk op het

voornaamwoord.

Daar het duidelijk genoeg was dat iemand anders dood moest wezen, vroeg

mevrouw Pipchin’s nicht wie dat was.

“Ik zou u niet gaarne ongerust willen maken,” antwoordde jufvrouw

Wickam, aan haar avondeten beginnende. “Vraag het mij maar niet.”

Dit was het zekerste middel om nog meer gevraagd te worden. Berry deed

dit dus ook, en na nog wat tegensporrelen legde jufvrouw Wickam haar

mes neer, en naar Paul in zijn bedje omziende, antwoordde zij:

“Zij hechtte zich bijzonder aan sommige menschen. Somtijds was het

onverklaarbaar waarom; somtijds was het eene gehechtheid, die men

natuurlijk had kunnen verwachten, maar sterker dan gewoonlijk. Al die

menschen stierven.”

Dit was zoo onverwacht en ontzettend, dat Berry stijf op den harden

rand van het ledikant bleef zitten en, kort ademhalende, hare

berichtgeefster met on verholen angst aanstaarde.

Jufvrouw Wickam wees tersluiks met haar voorvinger naar het bedje, waar

Florence lag te slapen en toen even nadrukkelijk naar den grond. Vlak

daaronder was de kamer waar mevrouw Pipchin gewoonlijk haar souper

gebruikte.

“Onthoud wat ik zeg, jufvrouw Berry,” zeide jufvrouw Wickam, “en wees

dankbaar dat jonge heer Paul niet van u houdt. Ik ben het, dat hij niet

van mij houdt, dat verzeker ik u; al hebt ge niet veel om voor te

leven—neem mij niet kwalijk, dat ik zoo vrij ben—in zulk eene

gevangenis van een huis.”

Misschien deed Berry’s ontroering haar Paul wat al te hard op den rug

kloppen, of wel geheel daarmede ophouden, maar hij keerde zich nu in

het bed om, werd daarop wakker, kwam overeind, ontsteld door een

benauwden droom, en vroeg naar Florence.

Op het eerste geluid van zijne stem, was zij uit haar bed; en terstond

over zijne peluw buigende, zong zij hem weder in slaap. Jufvrouw Wickam

schudde haar hoofd, en liet eenige tranen vallen, terwijl zij deze

groep aan Berry wees.

“Goeden nacht, jufvrouw, goeden nacht,” zeide jufvrouw Wickam zacht.

“Uwe tante is eene oude vrouw, en het is dus iets dat ge toch al

dikwijls moet verwacht hebben.”

Jufvrouw Wickam vergezelde dit troostende vaarwel met een blik van

diepe zielesmart, en toen zij met de twee kinderen alleen was gebleven,

gaf zij zich aan hare zwaarmoedigheid over, tot zij ook door den slaap

werd overweldigd.

Hoewel de nicht van mevrouw Pipchin deze voorbeeldige vrouw juist niet

dood op het haardkleedje dacht te vinden, toen zij naar beneden ging,

was het toch eene verademing voor haar toen zij haar buitengemeen

knorrig en lastig vond, en zij alle blijken gaf dat zij voornemens was

om nog lang, tot vreugde van allen die haar kenden, te blijven leven.

Ook in de volgende week vertoonden zich nog geene verschijnselen van

tering, maar verdwenen de voedingsmiddelen, die haar gestel vereischte,

even geregeld als gewoonlijk, hoewel kleine Paul haar zoo onvermoeid

als ooit bestudeerde, en op zijne gewone plaats tusschen haar zwarten

rok en den haard bleef zitten.

Maar dewijl Paul na verloop van dien tijd niet sterker was dan bij

zijne komst, hoewel zijn gezichtje er veel gezonder uitzag, werd er een

wagentje voor hem gekocht, waarin hij op zijn gemak kon liggen, met een

A B boek en eenige prentenboekjes bij zich, en zich naar den zeekant

laten rijden. Overeenkomstig met zijn zonderlingen smaak, wilde het

kind niets weten van een frisschen blozenden knaap, die voorgesteld

werd om zijn wagentje te trekken, en koos, in zijne plaats, zijn

grootvader, een oud, afgeleefd man, met een allerzuurst gezicht en een

pak van oud wasdoek, dat een reuk verspreidde gelijk een met wier

overdekt strand.

Met dezen fraaien bediende om hem voort te trekken, en Florence altijd

naast hem, terwijl de neerslachtige jufvrouw Wickam achteraankwam, werd

hij dagelijks naar het strand gereden, en zat of lag hij daar uren

achtereen in zijn wagentje, terwijl niets hem zoo onaangenaam was als

het gezelschap van kinderen—Florence alleen altijd uitgenomen.

“Ga maar heen, als het u belieft,” zeide hij gewoonlijk tot een kind,

dat hem gezelschap wilde komen houden. “Ik dank u wel, maar ik heb u

niet noodig.”

Een kinderstemmetje aan zijn oor vroeg hem wel eens hoe het hem ging.

“Ik ben heel wel—dank u,” antwoordde hij dan; “maar gij moest liever

maar gaan spelen, als het u belieft.”

Dan keerde hij zijn hoofd om, wachtte tot het kind weg was, en zeide

tot Florence: “Wij hebben niemand anders noodig, niet waar? Geef mij

maar een kus, Flore.”

Hij had op zulk een tijd zelfs een hekel aan het gezelschap van

jufvrouw Wickam, en was weltevreden als zij opkuierde, gelijk zij

meestal deed, om schelpen en kennissen te zoeken. Zijn geliefkoosd

plekje was eene eenzame plaats ver van de gewone wandeling; en als

Florence daar bij hem zat te werken, of hem voorlas, of met hem

praatte, en de wind hem langs het voorhoofd blies, en het water tot aan

de wielen van zijn wagentje opkwam, verlangde hij niets meer.

“Flore,” zeide hij eens, “waar is Oost-Indië, waar de familie van dien

jongen woont?”—“O, dat is heel ver weg,” zeide Florence, hare oogen van

haar werk opslaande.—“Weken ver?” vroeg Paul.—“Ja; men zou vele weken

dag en nacht moeten reizen om er te komen.”—“Als gij in Oost-Indië

waart, Flore,” zeide Paul, na eene poos te hebben gezwegen, “dan zou

ik—wat was het dat mama deed? Dat ontschiet mij daar.”—“Mij

liefhebben,” antwoordde Florence.—“Neen, neen. Heb ik u dan nu niet

lief, Flore? Wat is het?—Sterven. Als gij in Oost-Indië waart, zou ik

sterven, Flore.”

Zij legde haastig haar werk neer, liet haar hoofdje op zijn kussen

rusten en liefkoosde hem. En dat zou zij ook, zeide zij, als hij daar

was. Hij zou wel gauw beter worden.

“O, ik ben nu al veel beter,” antwoordde hij. “Dat meen ik niet. Ik

meen dat ik zou sterven, omdat ik zoo bedroefd en zoo alleen zou zijn,

Flore.”

Een andermaal viel hij op dezelfde plaats in slaap en bleef een langen

tijd gerust slapen. Toen hij wakker werd, kwam hij met zekeren schrik

overeind en bleef zitten luisteren.

Florence vroeg hem wat hij dacht te hooren.

“Ik wilde weten wat zij zegt,” antwoordde hij, haar strak aanziende.

“De zee, Flore, wat zegt zij toch zoo gedurig?”

Zij zeide hem dat het alleen het gerucht der rollende golven was.

“Ja, ja,” zeide hij. “Maar ik weet dat zij altijd iets zeggen. Altijd

hetzelfde. Wat ligt daar aan den overkant?” Hij richtte zich nog meer

op en tuurde met verlangen naar den gezichteinder.

Zij zeide hem dat daar aan den overkant een ander land lag, maar hij

zeide dat hij dit niet meende; hij meende verder weg—verder weg!

Zeer dikwijls brak hij naderhand midden in hun gesprek af en poogde te

verstaan wat het was dat de golven gedurig zeiden, en kwam hij in zijn

bedje overeind om naar dat onzichtbare gewest—ver aan den overkant—te

staren.

Dombey en Zoon · 第 16 / 125 题