Kleine Paul, die uit het bloed der Toodle’s geene smetstof opnam, werd
van dag tot dag grooter en sterker. Van dag tot dag werd hij ook
vuriger door jufvrouw Tox geliefkoosd, wier hartelijkheid in zooverre
door Dombey werd gewaardeerd, dat hij haar voor eene zeer verstandige
vrouw begon te houden, wier gevoel haar tot eer strekte en aanmoediging
verdiende. Hij was zoo mild met zijne nederbuigende goedheid, dat hij
niet alleen bij verschillende gelegenheden in het bijzonder voor haar
boog, maar ook zijne zuster nu en dan een statig compliment voor haar
opdroeg, zooals: “Zeg uwe vriendin, Louise, dat zij zeer goed is,” of
“zeg jufvrouw Tox, Louise, dat ik haar verplicht ben;”
onderscheidingen, welke op de aldus vereerde dame een diepen indruk
maakten.
Jufvrouw Tox was gewoon mevrouw Chick dikwijls te verzekeren, dat niets
hare belangstelling kon te boven gaan in alles wat maar met de
ontwikkeling van dat lieve kind in betrekking stond; en iemand die haar
gedrag waarnam had dit ook zonder zulk eene verklaring wel kunnen
begrijpen. Zij woonde de onschuldige maaltijden van den jeugdigen
erfgenaam met onuitsprekelijk genoegen bij, bijna met een gezicht alsof
zij evenveel deel had aan het onthaal als Richards. Bij de kleine
ceremoniën van het bad en toilet was zij met geestdrift behulpzaam. Het
toedienen van kinderlijke medicijnen deed al de levendige sympathie van
haar gemoed ontwaken; en toen zij bij zekere gelegenheid in eene kast
was verscholen (waarin zij uit zedigheid de vlucht had genomen) toen
Dombey door zijne zuster in de kinderkamer werd gebracht, om zijn zoon,
die naar bed geholpen werd, in een kort en luchtig linnen japonnetje,
eene kleine wandeling, tegen den heuvel van Richard’s japon op, te zien
doen, was jufvrouw Tox zoo verrukt dat zij niet nalaten kon uit te
roepen: “Is hij niet lekker, mijnheer Dombey! Is hij geen Cupidootje,
mijnheer!” en toen bijna achter de kastdeur neerzonk van verlegenheid
en schaamte.
“Louise,” zeide Dombey eens tot zijne zuster, “ik denk waarlijk, dat ik
uwe vriendin eene kleine gedachtenis moet vereeren bij gelegenheid als
Paul gedoopt wordt. Zij heeft van den eersten af zooveel hartelijkheid
voor het kind getoond, en schijnt hare positie zoo wel te begrijpen
(eene zeer zeldzame verdienste in deze wereld, moet ik met leedwezen
zeggen) dat het mij waarlijk aangenaam zou zijn haar een blijk van
onderscheiding te geven.”
Laat het de verdiensten van jufvrouw Tox niet verkleinen, als hier
wordt aangestipt, dat in de oogen van Dombey, gelijk in sommige anderen
die wel eens het licht zien, diegenen alleen zulk een toppunt van
kennis bereikt hadden, dat zij hunne eigene positie begrepen, die een
gepasten eerbied voor de zijne toonden. Hunne verdienste was niet
zoozeer daarin gelegen, dat zij zich zelven kenden, als dat zij hem
kenden en laag voor hem bogen.
“Mijn beste Paul,” antwoordde zijne zuster, “gij laat jufvrouw Tox niet
meer dan recht wedervaren, gelijk ik wel wist dat een man van uw
doorzicht doen zou. Ik geloof, als er drie woorden in de taal zijn,
waarvoor zij eene achting heeft, die bijna tot eerbied gaat, het de
woorden zijn: Dombey en Zoon.”—“Wel,” zeide Dombey, “ik wil het
gelooven. Het strekt jufvrouw Tox tot eer.”—“En wat een gedachtenisje
betreft, beste Paul,” vervolgde zijne zuster, “kan ik niets anders
zeggen, dan dat alles wat ge jufvrouw Tox maar geven kunt, als eene
reliquie bewaard en vereerd zal worden. Maar er is een middel, mijn
beste Paul, om uw gevoel voor de vriendelijkheid van jufvrouw Tox op
eene nog vleiender manier te toonen, als ge daartoe genegen mocht
zijn.”—“Hoe zoo?” vroeg Dombey.—“Het is natuurlijk een punt van belang,
wat connectie en invloed betreft, welke peten een kind krijgt,”
hervatte mevrouw Chick.—“Ik weet niet waarom zij dat voor mijn zoon
zouden wezen,” zeide Dombey koel.—“Heel waar, beste Paul,” hervatte
mevrouw Chick, met eene buitengewone vertooning van levendigheid, “en
heel juist uitgedrukt. Ik had niet anders van u kunnen verwachten. Ik
had wel kunnen weten dat dit uw gevoelen zou zijn. Misschien,” hier
haperde mevrouw Chick weder, als niet gerust of zij wel op den rechten
weg was, “misschien is dat wel eene reden waarom gij er minder bezwaar
in zoudt hebben om jufvrouw Tox tot meter van den lieven kleine te
nemen, al was het maar als plaatsvervangster van iemand anders. Dat dit
als eene groote eer en onderscheiding zou worden opgenomen, Paul,
behoef ik niet te zeggen.”—“Louise,” zeide Dombey na eene korte poos
van stilte, “het is niet te vooronderstellen...”—“Zeker niet,” riep
mevrouw Chick, zich haastende om eene weigering vooruit te loopen; “ik
heb het ook nooit gedacht.”
Dombey zag haar ongeduldig aan.
“Laat mij niet schrikken, lieve Paul,” zeide zijne zuster, “want daar
kan ik niet tegen. Ik ben lang niet sterk. Ik ben, sedert die arme
lieve Fanny stierf, nog niet recht op mijn verhaal gekomen.”
Dombey keek eens naar den zakdoek, dien zijne zuster voor hare oogen
hield, en hervatte:
“Het is niet te vooronderstellen, zeg ik...”—“En ik zeg,” prevelde
mevrouw Chick, “dat ik het ook nooit gedacht heb.”—“Goede hemel,
Louise!” zeide Dombey.—“Neen; mijn lieve Paul,” bracht zij met tranen
en deftigheid hiertegen in, “ik moet waarlijk mogen spreken. Ik ben
niet zoo knap, of zoo beredeneerd, of zoo welsprekend, of zoo iets
anders als gij zijt. Dat weet ik heel wel. Zooveel te erger voor mij.
Maar al waren het de laatste woorden die ik spreken moest—en laatste
woorden moeten voor u en mij iets heel ernstigs wezen, Paul, na die
arme lieve Fanny—dan zou ik nog zeggen, dat ik het nooit gedacht had.
En wat meer is,” voegde mevrouw Chick er met nog grootere deftigheid
bij, alsof zij haar verpletterend argument tot nog toe had
teruggehouden, “ik heb het ook nooit gedacht.”
Dombey ging eens naar het venster en kwam weder terug.
“Het is niet te vooronderstellen, Louise,” zeide hij (mevrouw Chick had
hare vlag aan den mast gespijkerd, en herhaalde “dat weet ik wel,” maar
hij lette er niet op) “of er zijn velen die, vooronderstellende dat ik
in zulk een geval eenige aanspraken erkende, hoogere aanspraken op mij
zouden hebben dan jufvrouw Tox. Maar dat doe ik niet. Ik erken zoo iets
niet. Paul en ik zullen in staat zijn, als die tijd komt, om pal te
staan—het kantoor, met andere woorden, zal in staat wezen om pal te
staan, en zich te handhaven, en zich voort te planten, alleen en van
zelf, zonder zulke alledaagsche hulpmiddelen. De soort van vreemde hulp
welke de menschen gewoonlijk voor hunne kinderen zoeken, ben ik in
staat te verachten, ben ik boven verheven, hoop ik. Als Paul’s
kindsheid maar gelukkig verloopt, en ik hem zonder tijdverzuim geschikt
zie worden voor de loopbaan, waarvoor hij bestemd is, ben ik tevreden.
Hij zal zich vermogende vrienden maken zooveel hij wil, in later tijd,
als hij werkzaam is om het aanzien en crediet der firma te
handhaven,—en uit te breiden, als dat mogelijk is—tot zoolang ben ik
genoeg voor hem, misschien, en alles in alles. Ik wil veel liever mijne
gevoeligheid toonen voor de verplichtende handelwijs van een
verdienstelijk persoon gelijk uwe vriendin. Laat het dus zoo zijn; en
uw man en ik zullen kunnen volstaan voor de andere getuigen, durf ik
zeggen.”
Door deze gezegden, met groote statigheid uitgesproken, had Dombey
waarlijk de geheime gewaarwordingen van zijn hart geopenbaard. Een
onbeschrijfelijk wantrouwen dat zich iemand tusschen hem en zijn zoon
zou plaatsen; eene trotsche vrees dat hij in den eerbied en de
onderdanigheid van den knaap een mededinger of deelgenoot zou krijgen;
een pijnlijke twijfel, pas bij hem opgekomen, dat hij niet onfeilbaar
was in zijne macht om den wil van andere menschen te buigen en te
dwingen; eene even pijnlijke benauwdheid voor eene tweede
teleurstelling of belemmering; dit waren toen de heerschende
aandoeningen zijner ziel. In al zijn leven had hij nooit een vriend
gehad. Zijn koud en stug gemoed had er evenmin een gezocht als
gevonden. En thans, nu dat gemoed zijne geheele kracht verzamelde om ze
op een partijdig plan van vaderlijke baatzucht en eerzucht te richten,
was het alsof de bevrozen stroom, in plaats van door dien invloed vrij
te worden en helder voort te vloeien, slechts voor een oogenblik was
ontdooid om zijn last op te nemen, en toen daarmede tot een enkel
onbewegelijk blok was bevrozen.
Aldus om hare onbeduidendheid tot het meterschap van den kleinen Paul
verheven, was jufvrouw Tox van dat uur af tot dien post gekozen en
benoemd; en Dombey gaf verder zijn welbehagen te kennen dat de
plechtigheid, reeds lang vertraagd, zonder verder uitstel zou plaats
hebben. Zijne zuster, die zulk een uitstekend gelukkigen afloop niet
had durven verwachten, verwijderde zich zoodra zij maar kon, om dien
aan hare beste vriendin mede te deelen, en Dombey bleef alleen in zijne
bibliotheek.
In de kinderkamer heerschte alles behalve eenzaamheid; want daar
genoten mevrouw Chick en jufvrouw Tox een gezelligen avond, tot zoo
groot misnoegen van Susanna Nipper, dat die jonge jufvrouw elke
gelegenheid waarnam om achter de deur leelijke gezichten te trekken.
Haar gevoel was bij deze gelegenheid zoodanig opgewonden, dat zij het
onmisbaar vond zich deze verlichting te geven, zonder zelfs het
genoegen van toeschouwers of deelneming te hebben. Gelijk de dolende
ridders van den ouden tijd hun gemoed verlichtten door de namen hunner
meesteressen in woestijnen en andere eenzame plaatsen te snijden of te
graveeren, waar geene waarschijnlijkheid was dat ooit iemand zou komen
om ze te lezen, zoo trok Susanna Nipper haar mopneusje schimpend in
latafels en kleerkassen op, zoo schoot zij blikken van minachting in
een buffet, en spottend schele lonken in eene steenen kan: zoo zond zij
tegenspraak en scheldwoorden buiten de deur den gang in.
De twee indringsters, die in eene zalige onbewustheid van de gevoelens
der jonge juffer verkeerden, bleven echter gerust zitten terwijl kleine
Paul werd uitgekleed, zijne luchtige wandeling deed, nog eens de borst
nam en naar bed werd geholpen, en zetten zich toen bij het vuur om thee
te drinken. De twee kinderen sliepen nu, door de goede diensten van
Polly, in deze kamer; en het was niet voordat de dames aan hare
theetafel waren gevestigd, dat zij toevallig naar de bedjes ziende, om
Florence dachten.
“Wat slaapt zij gerust,” zeide jufvrouw Tox. “Wel, ge weet, melieve,
zij heeft tegenwoordig veel beweging over dag,” antwoordde mevrouw
Chick, “nu zij zoo druk met kleinen Paul speelt.”—“Zij is een
wonderlijk kind,” zeide jufvrouw Tox.—“Melieve,” antwoordde mevrouw
Chick zeer zacht. “Hare mama, heel en al.”—“Waarlijk!” zeide jufvrouw
Tox. “Och Heere!”
Jufvrouw Tox zeide dit op een toon van het diepste medelijden, schoon
zij niet wist waarom, behalve dat dit van haar verwacht werd.
“Florence zal nooit, nooit, nooit een Dombey worden,” zeide mevrouw
Chick, “niet al wordt zij duizend jaar oud.”
Jufvrouw Tox trok hare wenkbrauwen op en was wederom vol medelijden.
“Ik kwel en pijnig mij zelve over haar,” zeide mevrouw Chick, met een
zuchtje van bescheidene verdienste. “Ik weet waarlijk niet wat er van
haar worden moet als zij ouder wordt, of wat hare positie zal moeten
zijn. Zij neemt haar papa in het minste niet voor zich in. Hoe kan men
ook denken dat zij dat zou doen, daar zij zoo weinig naar een Dombey
gelijkt?”
Mevrouw Tox keek alsof zij tegen zulk eene bondige redeneering niets
zag in te brengen.
“En het kind, ziet ge,” zeide mevrouw Chick in diep vertrouwen, “heeft
heel en al het karakter van die arme lieve Fanny. Zij zal zich in later
tijd nooit eene inspanning vergen, durf ik wel zeggen. Nooit! Zij zal
zich nooit om haar vaders hart slingeren en winden gelijk...”—“Gelijk
het klimop?” gaf jufvrouw Tox in bedenking.—“Gelijk het klimop,” stemde
mevrouw Chick toe... “Nooit! Nooit zal zij zich in haar papa’s boezem
verschuilen, en in zijne genegenheid sluipen gelijk—de...”—“Gelijk de
schichtige ree,” zeide mevrouw Tox.—“Gelijk de schichtige ree,” zeide
mevrouw Chick. “Nooit! Arme Fanny! En hoeveel heb ik toch van haar
gehouden!”—“Gij moet u maar niet bedroeven, lieve vriendin,” zeide
jufvrouw Tox met eene troostende stem. “Kom, kom, waarlijk niet! Gij
hebt al te veel gevoel.”—“Wij hebben allen onze gebreken,” zeide
mevrouw Chick schreiende en haar hoofd schuddende. “Dat durf ik wel
zeggen. Ik ben nooit blind voor de hare geweest. Dat heb ik nooit
gezegd. Verre van daar. Maar hoeveel heb ik toch van haar gehouden!”
Welk eene voldoening was het voor mevrouw Chick—eene tamelijk
alledaagsche zottin, bij welke vergeleken, hare schoonzuster een engel
van vrouwelijk verstand en zachtaardigheid was geweest—de nagedachtenis
dier dame met zulke verschoonende zachtheid te behandelen—evenals zij
haar zelve in haar leven had gedaan—en zoo geheel in zich zelve te
gelooven, zich zelve te foppen, en zich zoo ongemeen te streelen met de
kracht harer verdraagzaamheid! Welk eene aangename deugd moet de
verdraagzaamheid wezen als wij gelijk hebben, wanneer zij reeds zoo
aangenaam is als wij ongelijk hebben en geheel buiten staat zijn om aan
te toonen hoe wij met het voorrecht bekleed komen om haar te mogen
uitoefenen!
Mevrouw Chick zat nog hare oogen af te drogen en haar hoofd te
schudden, toen Richards de vrijheid nam om haar te waarschuwen dat
jonge jufvrouw Florence wakker was en overeind zat. Zij was overeind
gekomen, gelijk de min zeide, en hare oogleden waren nat van tranen.
Maar niemand zag ze glinsteren behalve Polly. Niemand anders boog zich
over haar heen en fluisterde haar troostende woorden toe, of was
dichtbij genoeg om het onstuimig kloppen van haar hartje te hooren.
“O lieve min,” zeide het kind, haar ernstig aanziende. “Laat ik bij
mijn broertje liggen.”—“Waarom, liefje?” zeide Richards.—“Och, ik denk
dat hij mij wel liefheeft,” riep het kind verwilderd uit. “Laat ik bij
hem liggen. Och toe!”
Mevrouw Chick kwam nu met eenige moederlijke woorden tusschen beiden om
haar te beduiden dat zij als een zoet kind moest gaan slapen, maar
Florence herhaalde haar smeekend verzoek met een angstig gezichtje en
eene door snikken afgebroken stem.
“Ik zal hem niet wakker maken,” zeide zij, met een hangend hoofd de
handjes voor de oogen houdende. “Ik zal hem maar even met mijne hand
aanraken en dan gaan slapen. Och, laat ik van nacht maar bij mijn
broertje liggen, want ik geloof dat hij veel van mij houdt.”
Richards nam haar zonder een woord te spreken op, droeg haar naar het
bedje waarin het kind sliep en legde haar naast het wichtje neer.
Florence kroop zoo dicht bij hem als zij kon doen zonder zijne rust te
storen; strekte schroomvallig een arm uit, zoodat hij om den hals van
haar broertje kwam, verborg haar gezichtje op den anderen arm, waarover
hare vochtige losgeraakte haren heenvielen, en bleef toen roerloos
liggen.
“Arme kleine,” zeide jufvrouw Tox. “Zij heeft gedroomd, denk ik zeker.”
Dit geringe voorval had den loop van het gesprek zoodanig gestoord, dat
het moeielijk weder op te vatten was; en bovendien was mevrouw Chick
zoodanig ontroerd door de beschouwing van haar eigen verdraagzaam
karakter, dat zij geen lust meer had om te praten. De twee vriendinnen
maakten dus spoedig een eind aan haar theedrinken, en er werd een
knecht gezonden, om voor jufvrouw Tox eene vigilante te halen. Jufvrouw
Tox had groote ondervinding van vigilantes, en als zij met eene zou
wegrijden, was dit doorgaans een werk dat tijd kostte, daar zij zeer
stelselmatig in de toebereidselen daartoe was.
“Wees zoo goed, als het u belieft, Towlinson,” zeide jufvrouw Tox, “om
eerst met pen en inkt naar buiten te gaan en zijn nommer duidelijk op
te schrijven.”—“Ja, jufvrouw!” zeide Towlinson.—“En dan, als het u
belieft, Towlinson,” zeide jufvrouw Tox, “wees zoo goed om het kussen
om te keeren.—Dat is doorgaans vochtig, melieve,” voegde zij er ter
zijde tot mevrouw Chick bij.—“Ja, jufvrouw,” zeide Towlinson.—“En dan
moet ik u, als het u belieft, Towlinson,” hervatte jufvrouw Tox, “nog
met dit kaartje en dezen schelling lastig vallen. Hij moet mij op dit
kaartje brengen, en wel verstaan dat hij om geene reden meer dan dien
schelling zal krijgen.”—“Neen, jufvrouw,” zeide Towlinson.—“En—het
spijt me dat ik u zooveel moeite geef, Towlinson,” zeide jufvrouw Tox
peinzend.—“Geheel niet, jufvrouw,” zeide Towlinson.—“Zeg den man dan,
als het u belieft, Towlinson,” zeide jufvrouw Tox, “dat een oom van de
dame een rechter is, en dat hij, als hij haar eenige impertinentie
toont, schrikkelijk gestraft zal worden. Gij kunt u wel houden, als het
u belieft, Towlinson, alsof ge hem dat maar vriendschappelijk zegt, en
omdat gij weet dat dit met een ander man gebeurde, die nu al dood
is.”—“Zekerlijk, jufvrouw,” zeide Towlinson.—“En nu goeden nacht, mijn
lief, lief petekindje,” zeide jufvrouw Tox, met een zacht regentje van
kussen bij elke herhaling van het woord “lief.” “En Louise, beste
vriendin, beloof me dat ge wat warms zult gebruiken eer ge naar bed
gaat, en dat gij u niet bedroefd zult maken.”
Het was met groote moeite dat Susanna Nipper, met de zwarte oogen, die
strak stond te kijken, zich bij deze crisis en tot aan het kort daarop
volgend vertrek van mevrouw Chick in bedwang hield. Maar toen de
kinderkamer eindelijk van de dames was bevrijd, verschafte zij zich
eenige vergoeding voor het geweld dat zij zich had aangedaan.
“Ge zoudt me zes weken lang in een dwangjak kunnen zetten,” zeide zij,
“en als het uitging zou ik nog maar nijdiger wezen. Wie heeft ooit van
twee zulke draken gehoord, Richards?”—“En dan te zeggen dat zij
gedroomd had, arm kind!” zeide Polly.—“O, gij lievertjes!” riep
Susanna, en neeg voor de deur waardoor de dames waren heengegaan.
“Nooit eene Dombey worden zal ze; het is wel te hopen dat ze niet zal;
wij hebben er niet meer zoo noodig; een is al genoeg.”—“Maak de
kinderen niet wakker, lieve Suze,” zeide Polly.—“Ik ben u wel zeer
verplicht, jufvrouw Richards,” zeide Susanna, die in hare gramschap
weinig onderscheid tusschen vriend en vijand kende; “ik gevoel mij
waarlijk vereerd dat ik bevelen van u ontvang, want ik ben toch maar
eene zwarte slavin en mesties. Jufvrouw Richards, als gij mij nog meer
orders geven kunt, zeg ze dan maar.”—“Gekheid! Orders!” zeide Polly.—“O
lieve deugd, jufvrouw Richards,” riep Susanna, “die maar kort blijft
mag de anderen, die voor vast geplaatst zijn, altijd orders geven. Wist
ge dat niet? Wel, waar zijt ge dan geboren, jufvrouw Richards? Maar
waar gij ook geboren moogt wezen, jufvrouw Richards,” hierbij schudde
zij geweldig haar hoofd, “en wanneer en hoe (dat ge zelve best weten
zult), gij moogt toch wel onthouden, als het u belieft, dat het één
ding is orders te geven, en geheel iets anders ze aan te nemen. Iemand
mag een ander zeggen om hals over kop van eene brug te springen in vijf
en veertig voet water, jufvrouw Richards, maar de ander kan wel geen
lust hebben om te duiken.”—“Zie daar nu,” zeide Polly, “ge zijt boos
omdat gij een goedhartig schepsel zijt en veel van jonge jufvrouw
Florence houdt; en toch valt ge mij op het lijf, omdat er niemand
anders is.”—“Het is heel gemakkelijk voor sommige menschen om in een
goed humeur te blijven, jufvrouw Richards,” antwoordde Suze, eenigszins
verzacht, “als van hun kind zooveel werk wordt gemaakt als een prins,
en het gestreeld wordt tot het zijne vrienden ik weet niet waar zou
wenschen; maar als een lief, mooi, onschuldig dingetje, dat nooit een
kwaad woord hooren moest, achteraf wordt gezet, dan is het een heel
ander geval. Wel heere mijn tijd, jonge jufvrouw Flore, gij goddeloos
ondeugend kind, als gij uwe oogen niet dadelijk toedoet, zal ik de
bietebauwen roepen die op de vliering wonen om u levend te komen
opeten.”
Daarop maakte zij een gruwelijk gebulk, dat van een bietebauw uit het
rundergeslacht moest komen, ongeduldig om zijn strengen plicht te
vervullen. Nadat zij het meisje verder had gerustgesteld door haar het
dek over het hoofd te slaan en het kussen drie of vier nijdige stompen
te geven, sloeg zij hare armen over elkander, kneep zij haar mond dicht
en bleef zij het overige van den avond naar het vuur zitten kijken.
Schoon men in kinderkamertaal van kleinen Paul zeide, dat hij voor zijn
ouderdom heel kennelijk was, lette hij toch op dat alles even weinig
als op de toebereidselen tot zijn doopen op den tweeden dag
daaraanvolgende, die evenwel—zoover de zorg voor zijn opschik, en die
van zijn zusje, de min en de kindermeid betrof—met veel drukte in zijne
tegenwoordigheid plaats hadden. Even weinig toonde hij op den bepaalden
morgen eenig gevoel van het gewichtige daarvan; hij was integendeel
buitengewoon genegen om te slapen en het zijne oppassters kwalijk te
nemen dat zij hem kleedden om uit te gaan.
Het was juist een ijzergrauwe najaarsdag, met een guren oostenwind—een
dag geheel in overeenstemming met de plechtigheid. Dombey
representeerde in zich zelven den wind, de duisternis en het
najaarsachtige van dit doopfeest. Hij stond in zijne bibliotheek om het
gezelschap te ontvangen, even koud en guur als het weder, en als hij
door de glazen kamer naar de boomen in het tuintje keek, kwamen hunne
bruine en gele bladeren naar omlaag dwarrelen, alsof zijn blik ze deed
verdorren.
Bah! Het waren zwarte, koude kamers; zij schenen, evenals de bewoners
van het huis, in den rouw te zijn. De boeken, nauwkeurig volgens de
grootte gerangschikt en als soldaten in gelid geschaard, schenen in
hunne koude, harde, gladde monteeringen, met hun allen slechts één
denkbeeld te hebben, en dat was bevriezend. De boekenkast, met
geslotene glazen deuren, weerde alle familiariteiten af. De heer Pitt,
in het brons, bovenop, zonder eenig spoor van zijne hemelsche afkomst
over zich, bewaarde dien ontoegankelijken schat gelijk een betooverde
moor. Eene stofferige urne, uit eene oude grafstede opgedolven, op
elken hoogen hoek, predikte rouw en vergankelijkheid, als van twee
preekstoelen; en de spiegel in den schoorsteenmantel, welke Dombey en
zijn portret in éénen terugkaatste, scheen vol zwaarmoedig gepeins.
Het stijve, hoekerige haardgereedschap scheen nauwer verwantschap dan
iets anders daar op Dombey te kunnen doen gelden, met zijn
dichtgeknoopten rok, zijne witte das, zijn zwaren gouden horlogeketting
en zijne krakende laarzen. Maar dit was voor de komst van mijnheer en
mevrouw Chick, die zich weldra vertoonden.
“Mijn beste Paul,” prevelde mevrouw Chick, terwijl zij hem omhelsde,
“het begin, hoop ik, van vele blijde dagen.”—“Dank u, Louise,” zeide
Dombey stroef. “Hoe vaart ge, mijnheer John?”—“Hoe vaart gij,
mijnheer?” zeide Chick.
Hij gaf Dombey de hand, alsof hij vreesde dat die hem zou
electriseeren. Dombey nam ze aan alsof zij een visch of eene zeeplant
of eene dergelijke klamme zelfstandigheid was, en gaf ze hem terstond
met statige beleefdheid weder terug.
“Misschien, Louise,” zeide Dombey, zijn hoofd eenigszins in zijne das
omdraaiende, alsof het op eene spil stond, “zoudt ge liever vuur gehad
hebben?”—“O mijn lieve Paul,” zeide mevrouw Chick, die veel moeite had
om hare tanden het klapperen te beletten, “voor mij niet.”—“Mijnheer
John,” zeide Dombey, “gij voelt toch geene kilheid?”
Mijnheer John, die zijne handen reeds tot over de polsen in zijne
broekzakken had gestoken, betuigde dat hij het warm genoeg vond.
Hij voegde er zachtjes bij, “met mijn tiere liere la,” toen hij
gelukkig door Towlinson werd gestuit, die jufvrouw Tox aandiende.
En nu trad deze schoone binnen, met een blauwen neus en een
onbeschrijfelijk koudbont gezicht, daaraan te wijten dat zij zich, om
de plechtigheid eer aan te doen, zeer dun in een warhoop van
fladderende lapjes en strookjes had gekleed.
“Hoe vaart gij, jufvrouw Tox?” zeide Dombey.
Te midden harer uitspreidende gazen strooken zonk jufvrouw Tox geheel
in elkander, evenals een tooneelkijker die ingeschoven wordt; zij neeg
zoo laag uit erkentelijkheid dat Dombey haar een paar stappen te gemoet
kwam.
“Ik kan deze gelegenheid nooit vergeten, mijnheer,” zeide jufvrouw Tox
zachtjes. “Dat is onmogelijk. Mijne lieve Louise, ik kan haast het
getuigenis van mijne zinnen niet gelooven.”
Indien jufvrouw Tox het getuigenis van een harer zinnen gelooven kon,
was het een zeer koude dag. Dit was volkomen duidelijk. Zij nam de
eerste gelegenheid waar om den bloedsomloop in het tipje van haar neus
te bevorderen door dit heimelijk met haar zakdoek te wrijven, opdat het
door deszelfs bijzonder lage temperatuur het wichtje niet op eene
onaangename wijs zou verbazen, als zij het een kus zou komen geven.
Weldra verscheen dit wichtje, in groote staatsie door Richards
gedragen, terwijl Florence, in bewaring van Susanna Nipper, als dienaar
van politie, achteraankwam. Hoewel het gezelschapje uit de kinderkamer
thans in lichter rouw was gekleed dan in het eerst, had het voorkomen
der moederlooze kinderen toch iets, niet geschikt om den dag helderder
te doen schijnen. Ook begon het wichtje—misschien was het wel om den
neus van jufvrouw Tox—te schreeuwen, en verhinderde daardoor mijnheer
Chick in de ongepaste volvoering van een zeer welgemeend voornemen dat
hij had, namelijk om bijzonder werk van Florence te maken. Want deze
heer, ongevoelig voor de hoogere aanspraken van een volmaakten Dombey
(misschien wel omdat hij zelf de eer had van met eene Dombey vereenigd
te zijn, en aan dat uitmuntende gewoon was geworden) had waarlijk veel
schik in haar, toonde dit ook, en was nu gereed om dit op zijne manier
weder te toonen, toen Paul begon te schreien, en zijne wederhelft hem
stuitte.
“Kom, Florence, kind!” zeide hare tante levendig. “Wat doet ge nu toch,
liefje? Laat u aan hem kijken. Houd hem wat bezig!”
De lucht in het rond werd al kouder en kouder, of had dit wel kunnen
worden, terwijl Dombey stijf en stil naar zijn dochtertje stond te
kijken, dat in hare handjes klappende voor den troon van zijn zoon en
erfgenaam op de teenen ging staan en hem verlokte van zijne hooge
waardigheid op haar neer te zien. Eene welgemeende beweging van
Richards mag daartoe hebben geholpen, maar hij keek naar omlaag en
hield zich stil. Als zijn zusje zich achter de min verschool, volgde
hij haar met de oogen; en als zij met een dartelen kreet naar hem kwam
uitkijken, sprong hij op en kraaide—hardop lachende als zij op hem kwam
toeloopen, en terwijl zij hem met zoentjes smoorde, scheen hij met
zijne kleine handjes hare krullen te liefkoozen.
Behaagde het Dombey toen hij dit zag? Hij toonde geen genoegen door het
ontspannen van een enkelen trek; maar uitwendige blijken van eenigerlei
gevoel waren bij hem iets buitengewoons. Als er een zonnestraal in de
kamer sloop om de kinderen onder hun spel te beschijnen, bereikte hij
zijn gezicht toch niet. Hij bleef zoo strak en koel toekijken, dat het
warme licht zelfs uit de lachende oogen der kleine Florence verdween,
toen zij eindelijk toevallig de zijnen ontmoette.
Het was wel een donkere grauwe najaarsdag, en in de korte poos van
stilte, die hierop volgde, vielen de bladeren treurig neer.
“Mijnheer John,” zeide Dombey, op zijn horloge ziende, en daarna hoed
en handschoenen opnemende. “Neem mijne zuster, als het u belieft; mijn
arm is vandaag voor jufvrouw Tox. Gij moest liever met jongen heer Paul
vooruitgaan, Richards. Wees heel voorzichtig.”
In Dombey’s koets zaten Dombey en Zoon, jufvrouw Tox, mevrouw Chick,
Richards en Florence; in een ander rijtuigje volgden Susanna Nipper en
de eigenaar, mijnheer Chick. Susanna keek aanhoudend uit het portier,
om niet verlegen te worden, dat zij het groote gezicht van dien heer
zoo vlak over zich had, en dacht telkens als er iets rammelde, dat hij
eene voegzame vereering voor haar in een papiertje deed.
Eens op weg naar de kerk, klapte Dombey tot vermaak van zijn zoon in de
handen; bij welk voorbeeld van vaderlijke geestvervoering jufvrouw Tox
verrukt was. Doch met uitsluiting van dit voorval, bestond het
voornaamste verschil tusschen dit naar een doop rijdend gezelschap en
een gezelschap in eene rouwkoets, in de kleur van de koets en de
paarden.
Aan de deur der kerk werden zij door een geduchten kerkeknecht
ontvangen. Dombey, die het eerst afsteeg om de dames te helpen, en
naast hem bij het portier bleef staan, scheen wel een tweede
kerkeknecht te zijn. Een minder prachtig maar veel geduchter
tuchtmeester; de tuchtmeester van den huiselijken kring en het
dagelijksche leven.
De hand van jufvrouw Tox beefde, toen zij die door Dombey’s arm stak,
en zich, door een steekhoed en een bont gekleurden kraag voorafgegaan,
de trappen voelde opleiden. Voor een oogenblik scheen het naar die
andere plechtigheid te gelijken.—“Wilt gij dezen man hebben,
Lucretia?”—“Ja, ik wil.”—“Breng het kind maar gauw hier uit de lucht,”
fluisterde de kerkeknecht, de binnendeur der kerk open houdende.
Kleine Paul had wel met Hamlet mogen vragen: “In mijn graf?” zoo kil en
dompig was het daar. De hooge met donkere stof bekleede preekstoel en
leeslessenaar, het akelige verschiet van ledige banken, die zich onder
de galerijen uitstrekten en tot aan het dak opstegen, waar zij zich in
de schaduw van het groote sombere orgel verloren; de stofferige matten
en koude steenen zerken; de smerige vrije banken in de zijgangen; en de
vochtige hoek bij het klokkentouw, waar de zwarte schragen, bij
begrafenissen gebezigd, waren weggeborgen, benevens eenige schoppen en
manden en een paar ringen grafachtig touw; de vreemde, onaangename reuk
en het lijkachtige licht, alles strookte met elkander. Het was een koud
en akelig tooneel.
“Er wordt juist getrouwd, mijnheer,” zeide de kerkeknecht; “maar het
zal zoo meteen gedaan zijn, als gij hier maar even in de kerkekamer
wilt gaan.”
Eer hij zich weder omkeerde om vooruit te gaan, maakte hij voor Dombey
eene buiging met een half glimlachje van herkenning, om aan te duiden
dat het hem (den kerkeknecht) nog wel heugde het genoegen te hebben
gehad van op hem te wachten toen hij zijne vrouw kwam begraven, en
hoopte dat hij sedert wel in zijn schik was geweest.
Zelfs de trouwplechtigheid, die zij zagen toen zij het altaar
voorbijgingen, had iets akeligs. De bruid was te oud en de bruidegom te
jong, en een oud maar zeer pronkerig gekleed heertje met één oog en een
lorgnet voor de andere ledige holte, was bruidsvader, en de vrienden
stonden te huiveren. In de kerkekamer rookte het; en een bejaarde,
overwerkte en karig betaalde procureursklerk, die “iets moest
nazoeken,” liep met zijn voorvinger langs de perkamenten bladen van een
ontzaglijk register (een van eene lange reeks dergelijke boeken)
propvol aanteekeningen van begrafenissen. Boven den schoorsteen was
eene grondteekening van de grafgewelven onder de kerk; en mijnheer
Chick, die om het gezelschap te vervroolijken de bijgeschreven
verklaring overluid voorlas, had de aanwijzing van mevrouw Dombey’s
graf voluit gelezen, eer hij zich kon bedenken.
Na nog eene koude poos wachtens, riep eene aamborstige stoelenzetster,
met een kuch, die aan het kerkhof, niet aan de kerk, moest doen denken,
hen naar de doopvont. Hier wachtte men nog een poosje terwijl de pas
getrouwden en hun gezelschap in de kerkekamer draalden; en
ondertusschen liep de aamborstige stoelenzetster, nog harder
hoestende,—gedeeltelijk omdat zij dit niet laten kon, gedeeltelijk
opdat het aftrekkende gezelschap haar niet zou vergeten—door de kerk
rond.
Weldra kwam de klerk (de eenige die er eenigszins vroolijk uitzag—en
hij was een aanspreker) met eene kan warm water aan, en terwijl hij dit
in de doopvont goot, zeide hij iets van de kilheid weg te nemen,
hetgeen millioenen emmers kokend heet water niet hadden kunnen doen.
Toen verscheen de geestelijke, een jong hulpprediker, met een zacht en
vriendelijk gezicht, maar blijkbaar bang voor het kind, gelijk de
hoofdpersoon in eene spookhistorie, “eene lange gedaante geheel in ’t
wit;” op wiens gezicht Paul de kerk met zijn geschreeuw vervulde, niet
ophoudende voordat hij met een leiblauw gezichtje werd weggebracht.
Zelfs toen dit, tot verademing van alle aanwezigen geschied was, hoorde
men hem nog zoolang de plechtigheid verder duurde, in het portaal, nu
flauwer dan harder, dan bijna stil, dan weder met een onbedwingbaar
gevoel van zijne grieven uitbarstende. Dit trok de aandacht der twee
dames zoodanig af, dat mevrouw Chick gedurig den middelgang instapte om
boodschappen met de stoelenzetster te zenden, terwijl jufvrouw Tox haar
gebedenboek bij het buskruitverraad openhield, en nu en dan de
antwoorden uit dat formulier oplas.
Onder dit alles bleef Dombey zoo stijf en statig als ooit, en droeg er
misschien toe bij om het zoo koud te maken, dat den jongen hulpprediker
onder het lezen eene dampwolk uit den mond vloog. De eenige maal dat
hij zijn gezicht eenigszins ontspande, was toen de geestelijke, bij het
lezen der toespraak aan het slot (hetgeen hij zeer eenvoudig en zonder
eenige gemaaktheid deed) aangaande de toekomstige ondervraging van het
kind door de doopgetuigen, toevallig mijnheer Chick aanzag; en toen had
men Dombey door een blik vol majesteit kunnen zien uitdrukken, dat hij
zijn schoonbroeder wel eens daarop wilde betrappen.
Het zou misschien goed voor Dombey zijn geweest als hij wat minder aan
zijne eigene waardigheid had gedacht, en wat meer aan den grooten
oorsprong en het gewichtige doel der plechtigheid, waaraan hij zoo
stijf en statig deel nam. Zijne verwaandheid stond in een vreemd
contrast met de geschiedenis dier instelling.
Toen alles voorbij was, gaf hij zijn arm weder aan jufvrouw Tox en
leidde haar naar de kerkekamer, waar hij den geestelijke onderrichtte
hoeveel genoegen het hem zou verschaft hebben de eer van zijn
gezelschap aan den maaltijd te verzoeken, indien zijne ongelukkige
huiselijke omstandigheden dit niet hadden verhinderd. Toen het register
geteekend, het doopgeld betaald, de stoelenzetster (die weer zeer erg
hoestte) bedacht, de kerkeknecht bevredigd, en de doodgraver (die
toevallig in het portaal stond en met groote belangstelling naar het
weder keek) niet vergeten was, stapte men weder in de koetsen en reed
in dezelfde kille gezelligheid naar huis.
Daar vonden zij den ouden heer Pitt, zijn neus ophalende voor een koud
collation, in koude pracht van glas- en zilverwerk opgezet, en dat meer
naar een diner op een paradebed dan naar een gezellig onthaal geleek.
Bij hunne aankomst bracht jufvrouw Tox een kroesje voor haar petekind
te voorschijn, en mijnheer Chick een mes, vork en lepel in een doosje.
Dombey haalde een armband voor jufvrouw Tox voor den dag; en bij het
ontvangen dezer gedachtenis was jufvrouw Tox teeder aangedaan.
“Mijnheer John,” zeide Dombey, “wilt gij aan het eind van de tafel
plaats nemen, als het u belieft. Wat hebt gij daar, mijnheer John?”—“Ik
heb hier eene koude kalfsschijf, mijnheer,” antwoordde Chick, zeer hard
zijne handen wrijvende. “Wat hebt gij daar, mijnheer?”—“Dit,”
antwoordde Dombey, “is eene toebereiding van kouden kalfskop, geloof
ik. Ik zie ook koude kippen—ham—kreeften—sla—jufvrouw Tox, wilt ge mij
de eer bewijzen om eens te drinken? Champagne voor jufvrouw Tox.”
Er stak kiespijn in alles. De wijn was zoo bitter en koud, dat hij
jufvrouw Tox een gilletje afdwong, hetwelk zij met groote moeite in een
lachje veranderde. Het kalfsvleesch kwam uit zulk eene luchtige
vliegenkast, dat het eerste proefje er van mijnheer Chick een gevoel
als van koud lood tot in de teenen zond. Dombey alleen bleef onbewogen.
Hij had op eene Russische kermis te koop gehangen kunnen worden als een
staaltje van een bevrozen gentleman.
De heerschende invloed was zelfs zijne zuster te erg. Zij deed geene
poging tot vleierij of beuzelpraatjes, maar alleen haar best om er zoo
warm uit te zien als zij kon.
“Wel, mijnheer,” zeide Chick, na eene lange stilte een wanhopigen
sprong doende, en een glas sherry inschenkende; “ik zal dit, mijnheer,
als ge mij permitteert, op het welzijn van den kleinen Paul
drinken.”—“Zegen hem!” prevelde jufvrouw Tox, een teugje
nemende.—“Lieve kleine Dombey!” fluisterde mevrouw Chick.—“Mijnheer
John,” zeide Dombey met strengen ernst, “mijn zoon zou zonder twijfel
zijne verplichting aan u gevoelen en uitdrukken, als hij reeds in staat
was om de gunst, die gij hem bewezen hebt, te waardeeren. Hij zal in
vervolg van tijd, vertrouw ik, bewijzen berekend te zijn voor alle
verantwoordelijkheid, welke de verplichtende welwillendheid van
vrienden en betrekkingen in het bijzondere leven, of de gewichtige
plichten van onze openbare positie hem kunnen opleggen.”
De toon waarop dit gezegd werd liet geen wederantwoord toe, en Chick
verzonk dus nogmaals in neerslachtigheid en stilzwijgen. Niet zoo
jufvrouw Tox, die met nog meer opgetogene aandacht en nog meer
uitdrukking in het overhangen van haar hoofd dan gewoonlijk naar Dombey
geluisterd had, en nu over de tafel leunde en zachtjes tot mevrouw
Chick zeide:
“Louise!”—“Lieve vriendin,” zeide mevrouw Chick.—“Gewichtige plichten
van onze openbare positie hem mag—ik heb de juiste uitdrukking
vergeten.”—“Hem mogen blootstellen,” zeide mevrouw Chick.—“Neem mij
niet kwalijk, lieve,” hervatte jufvrouw Tox, “ik geloof van neen. Het
was meer welluidend en vloeiend. De verplichtende welwillendheid van
vrienden en betrekkingen in het bijzondere leven, of de gewichtige
plichten van onze openbare positie hem—kunnen—opleggen?”—“Opleggen—o
wel zeker,” zeide mevrouw Chick.
Jufvrouw Tox klapte zegevierend in hare kleine handjes en zeide, in
verrukking hare oogen opslaande: “Dat is welsprekend!”
Dombey had ondertusschen last gegeven dat Richards zou geroepen worden.
Deze trad nu nijgende binnen, maar zonder kind, daar Paul, na de
vermoeienis van dien morgen, in slaap geraakt was. Nadat Dombey aan
deze onderhoorige een glas wijn had gegeven, sprak hij haar met deze
woorden aan: vooraf zette jufvrouw Tox haar hoofd reeds op zijde en
maakte andere kleine schikkingen om ze in haar hart te graveeren.
“In de zes maanden of daaromtrent, Richards, die gij hier in huis hebt
gewoond, hebt gij uw plicht gedaan. Verlangende om u bij deze
gelegenheid een geringen dienst te bewijzen, heb ik nagedacht hoe ik
best dat oogmerk zou kunnen bereiken, en ben ik ook te rade gegaan met
mijne zuster, mevrouw...”—“Chick,” viel de heer van dien naam er op
in.—“O, stil toch, als ’t u blieft!” zeide jufvrouw Tox.—“Ik wilde u
zeggen, Richards,” hervatte Dombey, met een ontzettenden blik naar
mijnheer John, “dat ik bij het nemen van mijn besluit verder bestuurd
werd door de herinnering van een gesprek, dat ik in deze kamer met uw
man heb gehouden, bij gelegenheid dat gij gehuurd werdt, en waarbij hij
mij de treurige omstandigheid mededeelde, dat uwe familie, hij zelf aan
het hoofd, in onwetendheid was gedompeld en verzonken.”
Richards sloeg onder de deftigheid dezer bestraffing de oogen neer.
“Ik ben verre van datgene toegedaan te zijn,” vervolgde Dombey, “wat
menschen, die overdreven liberale gevoelens hebben, algemeene opvoeding
noemen. Maar het is noodzakelijk dat de mindere klassen onderricht
blijven ontvangen om hunne positie te kennen en zich behoorlijk te
gedragen. In zooverre geef ik mijne goedkeuring aan scholen. Daar ik
macht heb om een kind te plaatsen in de fondatie eener oude instelling,
die naar een achtbaar gilde, de Liefdadige Slijpers wordt genoemd, waar
niet alleen den scholieren eene heilzame opvoeding wordt gegeven, maar
zij insgelijks van eene bovenkleeding en een onderscheidingsteeken
worden voorzien, heb ik (vooraf door mevrouw Chick met uwe familie in
overleg getreden) uw oudsten zoon tot de opengevallene plaats benoemd,
en heeft hij vandaag, naar ik onderricht ben, de kleeding aangenomen.
Het nommer van haar zoon is, geloof ik,” vervolgde hij, zich naar zijne
zuster keerende, en sprekende alsof het kind eene huurkoets was,
“honderd zeven en veertig. Louise, dat kunt gij haar zeggen.”—“Honderd
zeven en veertig,” zeide mevrouw Chick. “De kleeding, Richards, is een
mooie, warme, blauwe saaien rok met lange panden, en eene pet van
dezelfde stof, met oranje uitgemonsterd, roode wollen kousen, en eene
korte leeren broek, heel sterk. Men zou zulk goed zelf kunnen dragen,”
zeide mevrouw Chick, met geestvervoering, “en er dankbaar voor
zijn.”—“Wel, Richards!” zeide jufvrouw Tox. “Nu moogt ge wel trotsch
wezen. De Liefdadige Slijpers!”—“Ik ben u zeker wel zeer verplicht,
mijnheer,” antwoordde Richards flauw, “en houd het voor eene groote
goedheid dat gij om mijne kleintjes denkt.” Te gelijker tijd rees eene
verschijning van Biler als een Liefdadig Slijpertje, met zijne korte
beentjes in de door mevrouw Chick beschrevene, onverslijtelijke broek
gepakt, voor Richards’ oogen op, en deed ze wateren.—“Het verheugt mij
wel te zien, dat ge zooveel gevoel hebt, Richards,” zeide jufvrouw
Tox.—“Het doet iemand bijna hopen, dat doet het waarlijk,” zeide
mevrouw Chick, die er zich op beroemde dat zij altijd het beste van de
menschen vertrouwde, “dat er nog een vonkje van dankbaarheid en
rechtschapenheid in de wereld is.”
Richards beantwoordde deze complimenten door te nijgen en eene
dankbetuiging te prevelen; maar het geheel onmogelijk vindende om zich
te herstellen van de ontroering, welke het beeld van haar zoon met zijn
kort lederen broekje haar veroorzaakt had, ging zij langzamerhand naar
de deur, en was hartelijk blijde toen zij daaruit ontsnapt was.
De tijdelijke teekenen van een gedeeltelijken dooi, die met haar
verschenen waren, verdwenen ook met haar; en de vorst viel weder in,
zoo koud en hard als ooit. Men hoorde mijnheer Chick aan het eind van
de tafel tweemaal een wijsje brommen, maar beide keeren was het een
brok van den doodenmarsch in Saul. Het gezelschap scheen al kouder en
kouder te worden en langzamerhand in een geheel bevrozen toestand over
te gaan, gelijk het collation waarom het verzameld was. Eindelijk zag
mevrouw Chick jufvrouw Tox aan en zond jufvrouw Tox dien blik terug;
beiden stonden op en zeiden dat het waarlijk tijd was om te gaan. Daar
Dombey dit bericht met volmaakte gelijkmoedigheid ontving, namen zij
afscheid van dezen heer en vertrokken weldra onder de hoede van
mijnheer Chick, die, toen zij het huis den rug hadden gekeerd en den
meester in zijne gewone eenzame grootheid gelaten, zijne handen in
zijne zakken stak, zich in het rijtuig achterover liet zakken, en een
van zijne lijfdeuntjes geheel uitfloot, waarbij hij zulk een dreigend
en somber uitdagend gezicht zette, dat mevrouw Chick niet durfde
protesteeren of hem op eenigerlei manieren hinderlijk zijn.
Richards kon, hoewel zij den kleinen Paul op haar schoot had, haar
eigen eerstgeborene niet vergeten. Zij gevoelde dat dit ondankbaar was;
maar de invloed van den dag strekte zich zelfs tot de Liefdadige
Slijpers uit, en zij kon niet nalaten zijn tinnen plaatje op de mouw,
met nommer honderd zeven en veertig, voor iets te houden dat ook heel
streng en hard was. Zij sprak ook in de kinderkamer van zijne kleine
beentjes, en werd nogmaals gekweld door zijne schim in uniform.
“Ik weet niet wat ik wel geven wou,” zeide Polly, “om het arme lieve
kind nog eens te zien eer hij er aan gewoon wordt.”—“Wel, zal ik u eens
wat zeggen, jufvrouw Richards,” zeide Suze, die zij in haar vertrouwen
had genomen, “ga hem zien en stel zoo uw gemoed gerust.”—“Mijnheer
Dombey zal het niet willen hebben,” zeide Polly.—“Niet, jufvrouw
Richards!” liet Suze hierop volgen. “Hij zou het wel graag willen
hebben, denk ik, als men het hem vroeg.”—“Gij zoudt het hem geheel niet
vragen, geloof ik?” zeide Polly.—“Neen, jufvrouw Richards, wel ten
contrarie,” antwoordde Suze; “en daar die twee inspecteurs, Tox en
Chick, morgen niet op de wacht denken te zijn, zooals ik ze heb hooren
zeggen, zullen jonge jufvrouw Flore en ik morgenochtend met u meegaan,
en als ge dan wilt, jufvrouw Richards, kunnen we daar evengoed een
straatje op en neer kuieren als ergens anders—nog beter zelfs.”
Polly verwierp dit denkbeeld in het eerst met vrij veel drift; maar
langzamerhand begon zij het toch te begunstigen, toen de verbodene
schilderijen van hare kinderen en haar eigen huis haar al duidelijker
voor de oogen kwamen. Eindelijk beredeneerende dat er toch geen groot
kwaad in kon steken als zij eens even aan de deur aanging, nam zij
Suze’s voorslag aan.
Toen de zaak aldus was afgesproken, begon kleine Paul jammerlijk te
schreeuwen, alsof hij een voorgevoel had dat er geen goed van zou
komen.
“Wat scheelt het kind toch?” vroeg Suze.—“Hij is koud, denk ik,” zeide
Polly, met den kleine heen en weer wandelende en hem sussende.
Het was waarlijk een gure najaarsavond; en toen zij wandelde en suste,
en door de beslagene vensters uitkijkende, den kleine dichter aan hare
borst drukte, vielen de verdorde bladeren bij geheele vlagen af.