Hoewel het kantoor van Dombey en Zoon binnen het rechtsgebied van
Londen stond, zelfs binnen het gehoor der Bow klokken, als hare luide
stemmen niet door het straatrumoer verdoofd werden, kon men echter in
sommige nabijzijnde voorwerpen sporen van romaneske en avontuurlijke
dingen opmerken. Gog en Magog hielden hun hof op tien minuten gaans
afstand; de beurs was dichtbij; de bank van Engeland met hare gewelven
vol goud en zilver, “onder den grond, tusschen de dooden,” was een
trotsche nabuur. Even om den hoek stond het rijke Oost-Indische Huis,
dat aan kostbare stoffen en steenen, aan tijgers, olifanten, howda’s,
hoeka’s, zonneschermen en palankijns deed denken, en aan statige bruine
prinsen op tapijten zittende, met muilen met omgekrulde teenen aan de
voeten. Overal in den naasten omtrek zag men afbeeldingen van schepen,
die met volle zeilen naar alle werelddeelen heenspoedden; magazijnen
van uitrusting, gereed om iemand binnen een half uur, van alles
voorzien, weg te zenden, waarheen het ook wezen mocht, en kleine houten
adelborsten met ouderwetsche uniformen, die zich buiten de deuren der
zeevaartkundige instrumentmakers eeuwiglijk bezig hielden met het doen
van waarnemingen op voorbijrijdende huurkoetsen.
Eenig heer en eigenaar van een dezer beelden—van dat, hetwelk men wel
het houtigste van allen had kunnen noemen—dat met de meest
onuitstaanbare vriendelijkheid met het rechterbeen vooruit naar de
straat scheen te komen, het ongerijmdste vest met panden en de
onredelijkste schoengespen droeg en den onevenredigsten octant voor
zijn rechteroog hield—eenig heer eigenaar van dien adelborst, en
trotsch op hem ook, had een bejaard man, met een gepoeierde pruik,
reeds meer jaren lang huishuur en belastingen voor zijn winkel betaald
dan menig volwassen adelborst van vleesch en bloed er in zijn leven
geteld heeft; en aan adelborsten die al op jaren beginnen te komen
heeft men op de Engelsche vloot geen gebrek.
De winkelvoorraad van dezen ouden heer bestond uit chronometers,
barometers, verrekijkers, kompassen, kaarten, octanten, quadranten, en
allerlei soorten van instrumenten, die gebezigd worden tot het besturen
en berekenen van den koers van een schip. Dingen van koper en glas
lagen op zijne planken en in zijne laden, waaraan niemand, behalve een
ingewijde, kon ontdekken wat onder of boven was, of kon raden waartoe
ze dienen moesten, of ze, na ze bekeken te hebben, zonder hulp weder in
hunne mahoniehouten kistjes pakken. Alles was in de nauwste doosjes
gepast en ingeklemd, achter en tusschen stijve kussentjes, en in
scherpe hoeken geschroefd, om te verhinderen dat de mathematische rust
door het woelen der zee verstoord werd. Zooveel vernuft was er toe
gebezigd om ruimte te winnen en te sparen, en zooveel practicale
zeevaartkunde was in elk kistje opgeschroefd en ingepast, dat de winkel
zelf, als ware het door iets aanstekends, een schipachtig voorkomen had
aangenomen, en slechts naar een gunstigen wind scheen te wachten, om
naar een of ander onbewoond eiland te varen.
Vele geringe bijzonderheden in het huiselijk leven van den
scheepsinstrumentmaker, die trotsch op zijn adelborstje was, konden
deze inbeelding versterken. Daar zijne meeste kennissen
proviandmeesters enz. waren, had hij altijd een overvloed van echte
scheepsbeschuit op zijne tafel, waarop ook naar teer ruikend gedroogd
vleesch en tong een gewoon verschijnsel was. Augurkjes werden in groote
steenen potten, met het adres van een handelaar in victualiën voorzien,
opgezet—brandewijn in vierkante kelderflesschen zonder hals. Oude
prenten van schepen, met alphabetische verklaringen van al hunne
geheimen, hingen in lijsten aan de muren; het fregat de Tartaar, onder
zeil, stond op de borden; buitenlandsche horens, schelpen en
zeegewassen, versierden den schoorsteenmantel, en het met eikenhout
beschoten achterkamertje kreeg licht door eene lantaarn, evenals eene
kajuit.
Hier woonde hij ook met schipperachtige deftigheid, en geheel alleen
met zijn neef Walter, een knaap van veertien jaren, die in zijn
voorkomen genoeg van een adelborst had, om den algemeenen zweem van het
geheel nog te versterken. Maar verder ging die zweem ook niet, want
Samuel Gills zelf—doorgaans werd hij oude Sam genoemd—was ver van het
voorkomen van een zeeman te hebben. Om niet te spreken van zijne
gepoeierde pruik, zulk eene stijve pruik als iemand ooit droeg, en
waarmede hij er nooit zeemanachtig uitzag, was hij een langzaam, zacht
sprekend, nadenkend oud man, met oogen zoo rood, als waren het kleine
zonnen, die u door een mist tegenblonken, en hij keek zoo nuchter, als
had hij eenige dagen achtereen door al de optische instrumenten van
zijn winkel getuurd, en als was hij zoo pas naar de wereld
teruggekomen, om zich te verwonderen, dat ze groen was. De eenige
verandering, die men ooit in zijn uitwendigen mensch had opgemerkt, was
van een compleet koffiebruin pak met sterk glimmende knoopen, tot
hetzelfde pak, met uitzondering van de broek, die toen bleek nankin was
geworden. Hij droeg eene zeer net geplooide jabot, en een uitmuntenden
bril op zijn voorhoofd. In zijn horlogezakje had hij een ontzaglijken
chronometer, en liever dan aan dat kostbaar instrument te twijfelen,
zou hij geloofd hebben, dat al de klokken en horloges in de stad, ja de
zon zelve, er tegen hadden saamgezworen. Zooals hij nu was, had men hem
jaren achtereen in den winkel en het achterkamertje achter den houten
adelborst gezien; elken avond geregeld naar bed gaande op een tochtigen
zolder, ver van al de andere bewoners van het huis, waar het, wanneer
zij, die lager woonden, weinig of geheel niet dachten wat voor weder
het buiten was, dikwijls waaide om er bang van te worden.
Het is half zes op een namiddag in den herfst, dat de lezer en Samuel
Gills kennis maken. Hij ziet juist op zijn onfeilbaren chronometer hoe
laat het is. Reeds voor een uur of langer is in de City de gewone
verhuizing begonnen, en de menschenstroom golft nog steeds westwaarts
heen. “De straten zijn al zeer gedund,” zooals Gills het uitdrukt. Het
dreigt een regenachtige avond te worden. Al de weerglazen in den winkel
zijn gezakt, en de regen blinkt reeds op het steekje van den houten
adelborst.
“Het verwondert mij waar Walter blijft!” zeide Gills, nadat hij den
chronometer zorgvuldig weder opgestoken had. “Het eten heeft al een
half uur klaargestaan, en nog geen Walter.”
Zich omdraaiende op zijn stoeltje achter de toonbank, keek hij uit
tusschen de instrumenten voor het venster, om te zien of zijn neef ook
aankwam. Neen: hij was niet tusschen de wiegende parapluen te
ontdekken, en zeker was hij ook de courantenjongen niet, die bezig was
met op het koperen plaatje aan de deur zijn eigen naam met zijn
voorvinger over dien van den heer Gills te schrijven.
“Als ik niet wist, dat hij te veel van mij houdt om weg te loopen, en
tegen mijn zin aan boord van een schip te gaan, zou ik ongerust
beginnen te worden,” zeide Gills, met zijne knokkels tegen een paar
weerglazen tikkende. “Dat zou ik inderdaad. He, wat regent het! Nu, het
is wel noodig.—Ik geloof,” vervolgde hij, terwijl hij het stof van een
kompas afblies, “dat gij niet rechter en trouwer naar de achterkamer
wijst, dan de lust van den jongen naar de zee. En de achterkamer kan
ook niet vlakker liggen. Vlak noord, geen twintigste van een streek op
zijde.”—“Holla, oom Sam!”—“Holla, mijn jongen!” riep de
instrumentmaker, zich driftig omkeerende. “Zoo, zijt ge daar?”
Een vroolijke, gezonde knaap, met een blank gezicht, heldere oogen en
krullende haren, opgefrischt van door den regen naar huis te loopen,
stond voor hem.
“Wel oom, hoe hebt ge het den geheelen dag zonder mij gesteld? Is het
eten klaar? Ik heb zoo’n honger!”—“Wat stellen betreft,” antwoordde
Gills schertsend, “het zou vreemd wezen als ik het niet veel beter kon
stellen zonder een jongen rekel zooals gij, dan ik het met hem kan. Wat
het eten betreft, dat staat al een half uur naar u te wachten. Wat
honger aangaat, ik heb ook honger.”—“Kom dan voort, oom!” riep de
knaap. “Hoezee voor den admiraal!”—“Wat admiraal?” zeide Gills hierop.
“Gij meent den Lord Mayor.”—“Neen, dien meen ik niet!” riep de knaap.
“Hoezee voor den admiraal! Voorwaarts!”
Op dit commando werden pruik en pruikdrager, zonder tegenstand te
bieden, naar het achterkamertje geduwd, als aan het hoofd van een
entertroep van vijf honderd man, en oom Sam en zijn neef zaten spoedig
aan gebakken tongen, met het vooruitzicht op beefsteak daarna.
“De Lord Mayor, Walter,” zeide Gills. “Geen admiralen meer. De Lord
Mayor is uw admiraal. Maar, luister eens, Walter, kijk eens naar den
schoorsteenmantel.”—“Heer, wie heeft mijn zilveren kroes daar aan een
spijker opgehangen?” riep de knaap uit.—“Ik,” antwoordde zijn oom.
“Geen kroezen nu meer. Vandaag moeten wij uit glazen beginnen te
drinken, Walter. Wij zijn mannen van zaken. Wij behooren tot den
koopmansstand. Van morgen hebben wij onze intrede gedaan.”—“Wel oom,”
zeide de knaap. “Ik wil alles uitdrinken wat ge verkiest, zoolang ik u
kan toedrinken. Dit is op uwe gezondheid, oom, en hoezee voor...”—“Den
Lord Mayor!” viel de oude man er op in.—“Voor den Lord Mayor, de
Sheriffs en al de anderen!” zeide de knaap. “Lang mogen zij leven!”
Oom knikte weltevreden en zeide: “Laat ons nu iets van het kantoor
hooren.”—“O, van het kantoor is niet veel te vertellen,” antwoordde de
knaap, druk bezig met mes en vork. “Het is eene rij donkere kamers, en
in de kamer waar ik zit, is een hoog vuurscherm, en eene ijzeren kist,
en eenige biljetten van schepen, die uitzeilen, en een almanak en
eenige lessenaren en kantoorstoelen, en eene inktflesch, en eenige
boeken en doozen, en een heele boel spinnewebben, en in een daarvan,
vlak boven mijn hoofd, eene verschrompelde blauwe vlieg, die er
uitziet, alsof zij daar wie weet hoelang gehangen had.”—“Anders niet?”
vroeg de oom.—“Neen, anders niet, behalve een vogelkooitje,—het
verwondert mij, hoe dat daar ooit gekomen is,—een kolenemmer.”—“Geen
boeken, papieren, wissels, of andere teekenen van schatten, die
dagelijks worden omgezet?” vroeg zijn oom met een vriendelijken nadruk
op ieder woord.—“O ja, daarvan zal wel overvloed wezen, denk ik,”
antwoordde de neef onverschillig, “maar al die soort van dingen zijn in
mijnheer Carker’s kamer, of in mijnheer Morfin’s kamer, of in mijnheer
Dombey’s kamer.”—“Is mijnheer Dombey er vandaag geweest?”—“O ja, hij
loopt den geheelen dag in en uit.”—“Hij zal zich niet met u bemoeid
hebben, denk ik?”—“Ja wel; hij kwam achter mijn stoel—ik wou wel dat
hij niet zoo statig en stijf was, oom!—en zeide: “Zoo, zijt gij de zoon
van Gills den instrumentmaker?”—“Neef, mijnheer!” zeide ik. “Ik heb ook
neef gezegd, jongen!” zeide hij. Maar ik kan er op zweren, oom, dat hij
zoon zeide.”—“Gij zult u vergist hebben, maar dat doet er niet
toe.”—“Neen, het doet er niet toe; maar hij behoeft toch zoo scherp
niet te wezen, dacht ik. Er stak geen kwaad in, al had hij zoon gezegd.
Toen zeide hij mij, dat gij met hem over mij hadt gesproken, en hij mij
daarom werk op zijn kantoor had gegeven, en dat ik zeer oplettend en
stipt moest zijn, en toen ging hij heen. Ik dacht dat hij niet veel zin
in mij had.”—“Gij meent, denk ik,” zeide de instrumentmaker, “dat gij
niet veel zin in hem hadt?”—“Wel mogelijk oom!” antwoordde de knaap
lachende; “maar daaraan heb ik niet gedacht.”
Gills’ gezicht stond wat ernstiger, terwijl hij een eind maakte aan
zijn maaltijd, en van tijd tot tijd een blik wierp op het heldere
gezicht van den knaap. Toen de tafel was afgenomen—het maal was van een
naburigen gaarkok gehaald—stak hij eene kaars aan, en ging beneden in
een keldertje, terwijl zijn neef, op de vochtig uitslaande trap
staande, hem gedienstig lichtte. Na eene poos rondgetast te hebben,
kwam hij terug met eene flesch, die er zeer goed uitzag en met eene
laag van stof en vuil was bedekt.
“Wel, oom, wat gaat ge doen?” zeide de knaap. “Dat is die wonderbare
Madera. Er is nog maar ééne flesch meer van.”
Oom knikte, ten teeken dat hij zeer wel wist wat hij deed; en nadat hij
in plechtige stilte de kurk had afgetrokken, schonk hij twee glazen in,
en zette de flesch en nog een schoon glas op de tafel.
“De andere flesch zult gij drinken, Walter,” zeide hij, “als gij tot
fortuin zijt gekomen; als gij een geacht, welvarend en gelukkig man
zijt; als de intrede, die gij vandaag hebt gedaan, u, zooals ik hoop en
bid, zal gebracht hebben op een effen gedeelte van den weg, dien gij te
bewandelen hebt. Op uw welzijn!” Zijne stem was eenigszins heesch, en
zijne hand beefde, toen hij met zijn neef de glazen liet klinken. Maar
toen hij eens den wijn had geproefd, dronk hij zijn glas ledig als een
man, en smakte daarna smakelijk met zijne lippen.—“Beste oom,” zeide de
knaap, zich houdende alsof hij er licht over dacht, hoewel de tranen
hem in de oogen stonden, “voor de bewezene eer, en al wat er dan volgt!
Nu verzoek ik u te mogen instellen, Mijnheer Samuel Gills! En gij zult
bedanken, oom, als wij de laatste flesch te zamen drinken, niet waar?”
Zij klonken nog eens met hunne glazen, en Walter, die zuinig was op
zijn wijn, nam er een teugje van, en hield toen zijn glas voor zijn
oog, waarbij hij het gezicht van een kenner trachtte te zetten.
Zijn oom zat hem eene poos stilzwijgend aan te zien. Toen hunne oogen
elkander eindelijk ontmoetten, vervolgde hij overluid zijne gedachten
over het onderwerp, dat hem bezig hield, alsof hij er al dien tijd over
had gesproken.
“Gij weet wel, Walter,” zeide hij, “dat deze winkel eigenlijk maar eene
gewoonte van mij is. Ik ben er zoo aan gewend, dat ik niet zou kunnen
leven, als ik er van afstapte; maar er is niets in te doen, niets in te
doen. Toen die uniform gedragen werd,” naar den houten adelborst
wijzende, “toen was er nog fortuin te maken, en werd er ook fortuin
gemaakt. Maar concurrentie, nieuwe uitvindingen—de wereld is mij
voorbijgeloopen. Ik weet nauwelijks waar ik zelf ben, veel minder waar
mijne klanten zijn.”—“Laat hen maar loopen, oom!”—“Sedert gij van de
school te Peckham thuis zijt gekomen, bij voorbeeld, en dat is tien
dagen geleden, herinner ik mij niet dat er meer dan één mensch in den
winkel is gekomen.”—“Twee, oom, weet ge niet meer? Die man, die een
souverein wilde wisselen....”—“Dat is die eene.”—“Wel oom, en telt gij
dan die vrouw niet, die den weg vroeg naar Mile-End Turnpike?”—“O, dat
is waar, die had ik vergeten. Twee menschen.”—“Zij kochten wel niets,”
zeide de knaap.—“Neen, zij kochten niets,” herhaalde Gills zonder
ontevredenheid.—“En zij hadden ook niets noodig.”—“Neen, als zij iets
noodig gehad hadden, zouden zij naar een anderen winkel zijn gegaan,”
zeide Gills, even bedaard.—“Maar er waren er toch twee, oom,” riep de
knaap, als ware dit eene groote reden tot blijdschap; “en gij hebt er
maar één gezegd.”—“Nu, Walter,” hervatte Gills na eene korte poos van
stilte, “daar wij niet gelijken naar de wilden, die op Robinson’s
eiland kwamen, kunnen wij niet leven van een man, die een souverein wil
wisselen, en eene vrouw, die naar den weg vraagt. Gelijk ik zoo even
zeide, de wereld is mij voorbijgeloopen. Ik ben er niet ontevreden op,
maar ik begrijp haar niet meer. Werkbazen zijn dezelfde niet meer als
voorheen, leerjongens ook niet, zeelieden ook niet, en wat zij noodig
hebben ook niet. Zeven achtste van mijn voorraad is ouderwetsch; ik ben
een ouderwetsch man, in een ouderwetschen winkel; in eene straat, die
niet meer zoo is als ik haar mij herinner. Ik ben ten achter geraakt
bij mijn tijd, en ben te oud om hem in te halen. Zelfs het gerucht dat
hij maakt, ver vooruit, verbijstert mij.”
Walter wilde spreken, maar zijn oom hief zijne hand op.
“Daarom, Walter,” vervolgde hij, “daarom ben ik zoo verlangend, dat gij
vroeg de wereld intreedt en de wereld op het spoor komt. Ik ben nog
maar eene schim van mijn beroep—de zelfstandigheid is lang verdwenen,
en als ik sterf, verdwijnt de schim ook. Daar mijn winkel dus eigenlijk
geene erfenis voor u is, heb ik het best geacht tot uw voordeel gebruik
te maken van het bijna eenige overschot van mijne oude klanten, dat uit
lange gewoonte nog bij mij blijft. Sommige menschen denken, dat ik rijk
ben. Ik wenschte om uwentwil, dat zij gelijk hadden. Maar wat ik ook na
te laten heb, of wat ik u geven kan, in zulk een huis als bij Dombey
zijt gij op weg om het goed te leeren gebruiken. Wees vlijtig, doe uw
best om er lust in te krijgen, goede jongen, werk om een onafhankelijk
bestaan te bekomen, en wees gelukkig.”—“Ik wil alles doen, wat ik kan,
om uwe genegenheid te verdienen, oom! Dat wil ik waarlijk,” zeide de
knaap met ernst.—“Dat weet ik,” hervatte Gills. “Daarvan ben ik zeker.”
En nu dronk hij met smaak een tweede glas oude madera. “Wat de zee
betreft,” vervolgde hij, “dat is mooi genoeg in verbeelding, Walter,
maar in de werkelijkheid gaat het niet aan. Het is natuurlijk, dat gij
er om denkt, uit gewoonte aan de dingen die gij hier ziet; maar het
gaat niet aan, het gaat niet aan.”
De oude man wreef echter met heimelijk genoegen in zijne handen,
terwijl hij van de zee sprak, en overzag met genot de voorwerpen om hem
heen, die met de zeevaart in betrekking stonden.
“Denk eens aan dezen wijn, bij voorbeeld,” hervatte hij, “die naar de
Oost-Indiën en terug is geweest, ik weet niet hoe dikwijls, en eens om
de wereld. Denk aan de pikdonkere nachten, de bulderende winden en
rollende golven.”—“De donder, de bliksem, de hagel, de regen, en
allerlei stormen,” zeide de knaap.—“Juist,” hervatte Gills, “al wat
deze wijn heeft doorgestaan. Denk eens hoe de masten en rondhouten
buigen en kraken, hoe de wind door het want en de touwen huilt.”—“En
hoe het volk omhoog klautert, wedijverend wie het eerst op de ra’s zal
liggen om de natte zeilen te reven, terwijl het schip slingert en
stampt, alsof het dol was,” riep de neef uit.—“Juist,” zeide Gills,
“zoo is het gegaan met het oude vat, waar deze wijn in was. Wel, toen
de Bekoorlijke Sally zonk in de....”—“In de Oostzee, in het holle van
den nacht, op den veertienden Februari, zeventienhonderd negen en
veertig,” riep Walter met groote beweging.—“Juist, juist,” zeide Gills.
“Toen waren er vijfhonderd vaten zulken wijn aan boord, en het volk
(behalve de bootsman, de eerste luitenant, twee matrozen en eene dame,
in eene lekke boot) sloeg de bodems in, dronk zich dronken, en zong
“Rule Britannia” met een ontzaglijken schreeuw aan het slot, toen het
schip zonk.”—“Maar, oom! toen de George de Tweede strandde op de kust
van Cornwall, twee uren voor den dageraad, den zevenden Maart van het
jaar een en zeventig, had men bijna tweehonderd paarden aan boord, en
in het begin van den storm braken de paarden beneden los, renden op en
neer, trapten elkander dood, en maakten zulk een geweld en schreeuwden
zoo vreeselijk, dat het volk geloofde, dat het schip vol duivels was,
en sommige van de beste matrozen, geheel verbijsterd en wanhopig, over
boord sprongen, en maar twee bleven eindelijk in leven, die het geval
konden vertellen.”—“En toen de Polyphemus in brand raakte,” zeide
Gills, “vier dagen na zijn vertrek van Jamaica, midden in den
nacht...”—“Toen waren er twee broeders aan boord,” viel zijn neef er op
in, snel en hard sprekende, “en omdat er geen plaats voor beiden was in
de eenige boot, die nog niet overladen en gezonken was, wilden geen van
beiden er in gaan, tot de oudste den jongste om het lijf pakte en hem
er in smeet. En toen riep de jongste, in de boot opstaande: “Edward!
denk aan uwe verloofde thuis. Ik ben maar een jongen. Niemand wacht
thuis op mij. Spring in mijne plaats.” En toen wierp hij zich in zee.”
De fonkelende oogen en gloeiende kleur van den knaap, die in het vuur
van zijn spreken en zijn gevoel was opgestaan, schenen den ouden man
aan iets te herinneren, dat hij vergeten had. In plaats van nog meer
anekdoten op te halen, gelijk hij een oogenblik vroeger blijkbaar
voornemens was geweest, knikte hij droogjes, en zeide: “Als wij nu eens
over wat anders gingen spreken!”
De waarheid was, dat de eenvoudige oom, in zijne geheime neiging voor
het wonderbare en avontuurlijke, waarmede hij door zijn beroep, als het
ware, in de verte verwant was, dezelfde neiging bij zijn neef had
aangemoedigd, en dat alles, wat den knaap werd voorgehouden om hem van
een avontuurlijk leven af te schrikken, de gewone onverklaarbare
uitwerking had van hem er meer smaak in te doen krijgen. Dat is altijd
zoo. Het zou schijnen, dat er nooit een boek geschreven of eene
geschiedenis verteld wordt met het opzettelijke oogmerk om de jongens
aan land te houden, of het spreekt van zelf, dat zij er door naar de
zee gelokt worden.
Het gezelschap kreeg thans echter eene vermeerdering door de komst van
een man in eene wijde blauwe jas, met een haak, in plaats van eene
hand, aan zijn rechterarm, zeer donkere zwarte wenkbrauwen, en een
dikken stok, die (evenals zijn neus) met knobbels bedekt was, in zijne
linkerhand. Hij droeg een zwarten zijden doek los om zijn hals, en zulk
een breed grof hemdsboord, dat het wel een klein zeil geleek. Hij was
blijkbaar de persoon, voor wien het derde glas bestemd was, en scheen
dit ook te weten; want nadat hij zijne ruige jas had uitgetrokken, en
zijn blinkenden hoed—zoo hard dat iemand van fijne zenuwen door het
gezicht alleen hoofdpijn kon krijgen, en die ook eene roode streep over
zijn voorhoofd naliet alsof hij een klemmenden ijzeren pot had
gedragen—aan eene bijzondere pen achter de deur had opgehangen, zette
hij een stoel voor het schoone glas neder, en ging er zelf bij zitten.
De bezoeker werd doorgaans met den naam “kapitein” aangesproken, en was
stuurman, koopvaardij- of kaperkapitein, of misschien alle drie
geweest; hij zag er inderdaad zeer zoutwaterachtig uit.
Zijn stroef bruin gezicht helderde op, toen hij oom en neef de hand
gaf, maar hij scheen laconisch van aard te wezen, en zeide niets anders
dan: “Hoe gaat het?”—“Alles wel,” antwoordde Gills, hem de flesch
toeschuivende. Hij nam ze op, bekeek ze, rook er aan, en zeide met
buitengewonen nadruk: “De?”—“De!” was het antwoord van den
instrumentmaker.
De kapitein floot, terwijl hij zijn glas inschonk, en scheen te denken
dat het een bijzondere feestdag moest wezen.
“Walter,” zeide hij, terwijl hij zijn haar, dat dun was, met zijn haak
gladstreek, en toen naar den instrumentmaker wees. “Zie hem aan.
Liefhebben, eeren en gehoorzamen. Lees uw catechismus na, tot gij dat
vindt, en leg er dan een vouwtje bij. Geluk mijn jongen!”
Hij was zoo in zijn schik met zijne aanhaling en toepassing, dat hij
niet kon nalaten de woorden nog eens zacht te herhalen, zeggende dat
hij er in geen veertig jaren om had gedacht.
“Maar nooit in mijn leven heb ik een woord of drie noodig, Gills!”
merkte hij aan, “of ik weet waar ik ze vinden kan. Dat komt er van, dat
ik geene woorden verspil, zooals sommige menschen doen.”
Misschien bedacht hij nu, dat hij er ook verder zuinig op moest zijn;
ten minste hij zweeg en bleef zwijgen, totdat Gills naar den winkel
ging, om licht aan te steken; toen keerde hij zich tot Walter, en zeide
zonder eenige inleiding:
“Ik denk, dat hij wel eene klok zou kunnen maken, als hij het
beproefde.”—“Het zou mij niet verwonderen, kapitein Cuttle!” antwoordde
de knaap.—“En wat zou die loopen!” zeide de kapitein, met zijn haak een
zwier door de lucht makende. “Wat zou die klok loopen!”
Een oogenblik scheen hij verzonken in de beschouwing van zijn
denkbeeldig uurwerk, en keek Walter aan, alsof diens gezicht de
wijzerplaat was.
“Hij is propvol geleerdheid,” merkte hij eindelijk aan, zijn haak naar
de instrumenten zwaaiende. “Zie maar eens! Daar is eene verzameling.
Aarde, lucht of water, alles eveneens. Zeg maar wat gij gedaan wilt
hebben. Omhoog met een luchtbol? Daar! Naar beneden met eene
duikerklok? Daar! Wilt gij de noordstar in eene schaal gelegd en
gewogen hebben? Hij zal het voor u doen.”
Men kan hieruit opmaken, dat de kapitein een diepen eerbied voor de
instrumenten koesterde, en dat hij weinig of geen onderscheid maakte
tusschen het verkoopen en het uitvinden daarvan.
“Ja!” zeide hij, met een zucht: “Het is iets moois, dat alles te
verstaan. Maar het is ook iets moois, het niet te verstaan. Ik weet
haast niet wat het beste is. Het is zoo genoeglijk, hier te zitten, en
te gevoelen, dat men u zou kunnen wegen, meten, magnetiseeren,
electriseeren, polariseeren, den drommel met u spelen, zonder dat ge
ooit zoudt weten hoe.”
Er was niets minder noodig geweest dan de wonderbare madera, vereenigd
met de gelegenheid (die het wenschelijk maakte om Walter een lesje te
geven) om zijne tong zoo los te maken, dat hij zulk eene verbazend
lange redevoering uitsprak. Hij scheen zelf verwonderd dat hij de bron
had ontdekt van het stille genot, waarmede hij tien jaren lang alle
zondagen in dat achterkamertje was komen eten, en zweeg peinzend stil.
“Kom!” zeide Gills, uit den winkel terugkomende, “eer gij uw glas grog
neemt, Edward, moeten wij de flesch leegmaken.”—“Sta bij,” zeide
Edward, inschenkende. “Schenk den jongen ook nog eens in.”—“Niet meer,
oom! dankje.”—“Ja, ja,” zeide Gills, “nog een beetje. Wij zullen de
flesch uitdrinken op het kantoor. Walter’s kantoor! Het kan toch wel
eens gedeeltelijk zijn kantoor worden; wie weet het! Richard
Whittington trouwde zijn meesters dochter, hoewel mijnheer Dombey geene
dochter heeft...”—“Ja, ja, hij heeft er eene, oom!” zeide de knaap
blozende en lachende.—“Heeft hij?” riep de oude man uit. “Ja, nu geloof
ik het ook.”—“Ik weet het zeker,” zeide Walter. “Eenigen van hen
spraken er vandaag over in het kantoor. En zij zeggen, oom en kapitein
Cuttle!” hier liet hij zijne stem dalen, “dat hij een hekel aan haar
heeft, en dat zij onder de boden blijft, zonder dat hij acht op haar
geeft, en dat zijn geest er zoo vol van is, dat zijn zoon in het
kantoor zal komen, hoewel die zoon nog een bakerkindje is, dat hij
meermalen dan te voren eene balans laat opmaken, en de boeken stipter
naziet, en dat men zelfs gezien heeft, toen hij dacht dat men het niet
zag, dat hij naar de dokken ging en zijne schepen en goederen
bezichtigde, alsof hij zich er mede streelde, dat hij en zijn zoon die
nu te zamen zullen bezitten. Zoo zeggen zij. Ik weet het natuurlijk
niet.”—“Gij ziet, dat hij reeds alles van haar weet,” zeide de
instrumentmaker.—“Gekheid, oom!” zeide de knaap, nog jongensachtig
blozende en lachende. “Hoe kan ik helpen, dat ik hoor wat zij mij
vertellen.”—“De zoon is ons nu een beetje in den weg, naar ik vrees,
Edward!” zeide de oude man schertsende.—“Erg,” antwoordde de
kapitein.—“Evenwel, wij zullen zijne gezondheid drinken,” hervatte
Gills. “Dat is op Dombey en Zoon!”—“Goed, oom!” riep de knaap vroolijk.
“Maar nu gij van haar gesproken hebt, en er bijgevoegd, dat ik alles
van haar wist, zal ik zoo vrij zijn om den toast te verbeteren. Daarom
op Dombey—en zoon—en dochter!”