Op een schrale Februari-dag, een dag van lichte vorst, felle wind en
weinig zon, moest hij 't warme ziekenhuis uit.
Veel lust en moed had hij er niet in, maar vormelijk aangezegd,
dat-ie als genezene kon gaan, werd hem geen keus gelaten,--z'n bed
gelijk al door 'n ander ingenomen.
Daar stond-ie nou in 't ruwe weer, in de groote stad, op de harde
keien. Hij was wel zoowat genezen, doch nog uiterst zwak, veel te zwak,
te hulpbehoevend, om 't leven aan te kunnen vatten.
Straat-gewoel en kargehos, geschreeuw en gerel, 't daverde hem van
overal in zijn ooren. Zijn beenen wankelden, zijn oogen schemerden
van 't menschgedwarrel, dat voortjachtte naar alle kanten. Veel te
voorbarig hadden ze hem uit 't ziekenhuis gedreven! Waar moest hij
naar toe?
De vlijme wind joeg snijdend op hem toe, schrijnde door zijn dunne
kleeren, en 't ijle hoofd leek hem bij al het tumult weg te zijn,
ergens naast zijn schouders te zweven. In die drukke straten hield
hij 't heelemaal niet vol. Zou hij naar de Hesselaars gaan? Nee,
die had-ie zelf afgewezen, ze zoûen niet vriendelijk wezen, zeker
over zijn vrouw spreken en daar wilde hij niets van weten.
Hij moest eens naar z'n huisboeltje kijken. Z'n huisboeltje...? Ja,
daar had hij wat 'an. 't Beste was dadelijk een jood mee te nemen! Hij
bezat geen rooie cent, geen halve zelfs, had z'n laatste geld die
verschrikkelijke Zondag uitgegeven. Eten moest hij hebben en voor
van avond onderdak. Niets, niets stak er in z'n zak, als een mes,
een paar spijkers, een paar knoopen. Dus maar naar de timmertuin,
dan schoot hij op en was 't gauw afgedaan!
De eerste rommelkoopman die hij zag klampte hij aan en nam hem mee.
't Armelijke boeltje onder 'n afdak opgestapeld, doorvocht,
verschimmeld, uitgeslagen, het ijzer roestig en vervuild, leek eêr
inelkaar getrapt dan neergelegd; 't lag er als een saamgeworpen rommel
zonder eenige orde of waarde.
Met tranen in de keel liep Baller er omheen. Dan vroeg hij hoeveel
hij ervoor zou kunnen krijgen.
De koopman, een gladde sjacherjood die snel takseerde, zei smalend:
--Nah... 't is niet waard om 't voor niks weg te hale, dat zie je
me zoo!
Gelijk deed hij of-ie wegging, bleef weer aarzelen, zei dan, bij
wijze van gratie:
--Weet je wat... 'k geef je drie honderd cente!
De opzichter van de stadstimmertuin die deze streken kende, joeg de
rommeljood van 't erf. Hij vond dat al te kras.
Baller ging op zoek naar een ander.
En die kwam. Door de eerste koopman er op afgestuurd, beneusde,
besnuffelde, betastte hij 't boeltje, trok een gezicht en bood nog
minder. Meer dan een daalder kon hij er niet van maken!
Ook deze ging van de werf.
Een derde sjacherde aan, maar de opzichter liet hem niet toe, snauwde
al van verre:
--Ruk uit, leelijke smauzen. Aasvogels benne jullie, anders niet!!
Hij wist nog wel 'n ander, stuurde een jongen op hem af,--en Baller zat
nu, de handen onder 't leeg-aanvoelend hoofd, van ellende te bibberen
in de Februari-kou. Drie gulden, wat moest-ie daarmee beginnen? Hij
begon de wrakke spullen uit elkaar te halen, om 't overschot van z'n
kleeren voor zich te houden.
De bestelde koopman kwam, bekeek met vies gezicht de roestige kachel,
betastte de tafel, wrikte aan de stoelpooten, zei kermend:
--'t Hêt veel geleje... met recht erg gerampeneerd... 'k krijg heel wat
koste. Meer dan 'n tientje kan ik onmogelik geve! Wat vraag je ervoor?
Dan wroetten z'n handen weer in 't boeltje, terwijl hij hard-op
herhaalde:
--Ik kan niet meer geve!!
Tien gulden. 't Klonk al beter, in elk geval meer dan drie, maar
't was toch nog niets. Baller aarzelde, vroeg toen nuchter-weg
vijf-en-twintig.
De koopman keek spottend en zei:
--Nou, dan mot ik je groete...
--Maak er twintig van, kwam de opzichter tusschenbeide.
--Twintig, waar mot ik 't uithale? ik doe tweehonderd cente erbij,
dat zijn twaalf volle guldes! Ja of nee? Een ander biedt het niet!
Baller moest wel toeslaan. In vergelijking met de anderen leek 't
zelfs een kapitale som. Hij ooge-vroeg de opzichter om z'n meening,
maar die keerde zich om, trok de schouders op.
--Geef op dan maar! zei hij kort ademig en hield zijn hand al op.
Twaalf blanke stukken vischte de koopman uit 'n grauw zakje, tikkelde
ze één voor één in z'n hand, van koû krom en bibberend.
Zie zoo, dat was afgedaan!
Baller bood de opzichter een guldenstuk aan voor z'n moeite, doch de
man weigerde, zei welwillend:
--Welnee, je kunt ze zelf beter gebruiken... geef alleen de jonge
'n dubbeltje, dan is 't in orde!
't Handje vol geld nu in zijn zak voelde hij zich rijk en armer dan
ooit. Dat was de laatste uitzet, het laatste anker, nou stond-ie
voor goed op straat, zou nooit eigen spullen meer hebben! 't Ging
scherp door hem heen, beet zich dadelijk in hem vast. Dan haalde hij
de schouders op, keerde zich om en strompelde dankend en nogeens
dankend, 't erf af, de stad weer in. Waar moest hij naar toe? wat
zou-ie beginnen? Zijn maag liet zich al gelden.
Hij kon ergens 'n kosthuis zoeken, maar met zijn geld rekte hij
't dan niet lang. 't Duurde voor twee, hoogstens drie weken en wat dan?
Tot regelmatig werk deugde hij niet. Niemand zou zoo'n uitgepieterde
als hij in dienst nemen, dat kon-ie op z'n fikken natellen. Nee,
hij moest met dat drupje geld een negocie beginnen en daarmee de
boer op, er zou niets anders opzitten. Eerst nachtlogies zoeken,
voor één nacht en daarna verder zien.
De onzekerheid van 't bestaan, 't zonder werk-zijn loerde op hem aan,
en 't dakloos rondzwerven, dat z'n vrouw afschrikte, haar naar huis
terug joeg, zag hij voor zich heel klaar. Hij ontkwam 't niet, moest
nu van dag tot dag 't leven bergen. Hij werd een zwerver.