_a._ ~Woningen onder 't veen.~
Het vinden van overblijfselen van voorhistorische woonplaatsen onder het
veen is, hoewel zeldzaam, niet ongewoon.
In de »Tegenwoordige Staat van Drenthe", stuk I, blz. 174 en 175, leest
men daaromtrent het volgende:
»De zandgronden, waarop deze wijd uitgestrekte Veenen ontstaan zijn,
schijnen in vroeger eeuwen, vóór de Veenwording zeer Boschrijk en door
Vee en menschen bewoond te zijn geweest. Want, van waar zoo veele
Overblijfselen? als bij voorbeeld: lederen Kolders, ruyge Mutsen,
Schoenen, Potten, geplaveide Vuursteden, Heggen, Sloten, Wegen, hoorns
van Ossen en Herten, Tanden van Dieren en andere Saacken, welke men
onder de Veengronden vindt."
Ook te Hoogeveen is de vondst, in het verhaal vermeld, niet de eenigste
van dien aard.
Nog in 't begin dezer eeuw werd er in tegenwoordigheid van den heer
Warner de Jonge, in leven vrederechter, eene oude haardstede opgedolven,
waarin nog asch en half verbrande houtskool was te onderkennen. Deze
haardstede lag in het midden van eene erve, die met zwaar geboomte was
omringd geweest, blijkens de nog aanwezige wortelen en boomstronken.
_b._ ~Stokleggingsbrief.~
De gerechtelijke overdracht van vaste goederen, geschiedde in die dagen,
met in tegenwoordigheid van Schout en Keurgenooten (getuigen) een stok
op den grond te doen leggen door den verkooper, die dan door den kooper
werd opgenomen. De acte, van deze handeling door den Schout opgemaakt,
heette »Stokleggingsbrief". (Zie hierover het Lantrecht van Drenthe 2de
Boek, Art. 52).
_c._ Een wonderschoon, maar ook een wondervreemd meisje.
Maijo 10 1696. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Wat sijne Dogter
aangaat, dat nu een Meysken sal wesen van 10 of 11 jaaren, men kan sigh
beswaarlijck yct lieffelijkers voorstellen en denken.
Noijt sagh ik sulke groote donkere ooghen, sulck luisterlijck krullend
Haar, sulcke fijn besneden en in allen dele schoon gevormde
Aengesightstrekken, sulck een tengere en dog veelbeloovende
vrouwengestalte.
Dit kind heeft bij haare schoonheijt ook wonderbaare talenten en die
haar als aangeboren schenen te sijn, want hoewel hij, die hem haar Vader
noempt, een Man schijnt te wesen, die niet sonder kennisse is, en haar
gewisselijk den aard der kruyden, en 't koocken van dranken en Tisanen
heeft konnen leeren, wie heeft haar onderwesen in 't snijderen van haar
eijgen kleedije, dat sij seer uijtnement doet?
En van wie leerde sij de konste van speelen op diverse Instrumenten en
daarbij te singen als sij 't verstaat?
Maijo 12 1702.
Mijne vrouwe bewonderde ook de fijne gestalte van dit vremde Kint; hare
wonder losse bewegingen, haare nobele trekken, maar vooral haare Oogen,
die--soals sij seijde, wel straelen schenen te schieten, en die alleen
wel aanleydinge konden gegeven hebben tot de tooverkragt die men haar
toeschreef, want sij ijder betooverde die zij er mede aansagh.
Ik was geheel van deselfde Opinie, en dagt bij mijn selve: komt dit Kint
tot de Jaaren van Jonckvrouwe--die sij nu nog niet gantselijck bereikt
heeft--sij sal gelijcken op de Armida van den Italiaansen Poeet Tasso,
en daar sal geen Man haar konnen naaderen, sonder door hare blicken te
worden geboeit.
(Notulen Mijner Daghen ofte Tijtsgetuijghenissen-Clapper van Arent
Calkoen, j. u. d., en Petrus Calkoen, j. u. d., 1661-1709.)
~Cilies geloof.~
Daar hare tante, Made. Desirée Louise de Cosse, bij haar huwelijk met
een Spaansch inwoner der colonie Suriname, tot het Catholicisme
terugkeerde, is het zeer natuurlijk dat de gebeden en gedachten van het
meisje een Roomsch tintje hadden verkregen.
_d._ ~Bloedregen.~
Ziehier wat Houttuin, in zijne bekende »Natuurlijk Historie, of
Uitvoerige Beschrijving der Dieren, Planten en Mineraalen enz." verder
over deze zaak schrijft.
Na gezegd te hebben, dat de vlinders, die zeer weinig voedsel gebruiken,
ook weinig uitwerpselen hebben, voegt hij er bij: »uitgenomen wanneer
zij zoo eerst uit de poppen gekomen zijn, of liever, zoodra zij in staat
zijn om te vliegen; want dan spuiten sommigen een groote veelheid van
een dik vocht uit, hetwelk aanmerkelijke Vlakken maakt op de Boomschors
en Bladen, inzonderheid op Hout en Papier zeer zigtbaar en bestendig.
Het Vogt, dat zij dus uitwerpen, is in velen bruin of witachtig, doch
hoogrood in eenige Dagkapellen, gelijk die van gedoornde Rupsen komen,
als de Aurelia, Nommervlinder, 't Pauwoog enz. De Bloedregen, die men
somtijds zig wijs maakt, dat hier of daar gevallen zou zijn, wort niet
ten onregte aan de Uitwerpselen van zoodanige Kapellen
toegeschreven.[32]
[32] Zie Journal das Scavans, Febr. 1767, Art. 8.
_e._ Het geloof aan, en de afschuw van heksen was in die dagen algemeen,
en dat niet alleen, als thans nog, onder de geringe klasse, maar ook
onder de zeer beschaafde en ontwikkelde menschen. En geen wonder ook!
want de geestelijkheid, destijds voor 't meerendeel behoorende tot de
steil orthodoxe richting, stond vooraan bij de verspreiding van dit
onzalig wanbegrip.
Het was nog niet zoo heel lang geleden, dat een geleerd Professor in de
Theologie, de vermaarde Gijsbertus Voetius, de verklaring had afgelegd:
»dat iemand, die aan den duivel geloofde--als hij van ganscher harte
deed--noodwendig moest gelooven aan tooverije!"
Hij noemde dan ook het verschrikkelijk boek van Sprenger »de
Heksenhamer" een voortreffelijk boek, en geloofde niet alleen aan
de mogelijkheid van het vliegen der heksen door de lucht, maar ook
aan het formeel sluiten van verbonden met den Booze. Schreef ook twee
verhandelingen om deze gevoelens te verdedigen, en die zijn opgenomen
in het 3de deel zijner »Disputationes Theologicae Selecta."
_f._ Uit eene korte aanteekening van den Clapper van de Heeren Calkoen
blijkt, dat hij zich in de gevangenis van het leven beroofde.
+----------------------------------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| De volgende correcties zijn in de tekst |
| aangebracht: |
| |
| Bron (B:) -- Correctie (C:) |
| |
| B: VAN CARRE TE ZEEN |
| C: VAN CARRÉ TE ZEEN |
| B: jonkman van voorbeldigen wandel, |
| C: jonkman van voorbeeldigen wandel, |
| B: steenen huis stond, Hier vereenigde |
| C: steenen huis stond. Hier vereenigde |
| B: algemeen, dat jonker Swaab onder |
| C: algemeen, dat jonker Swaap onder |
| B: toen 'Allard van Cilie |
| C: toen Allard van Cilie |
| B: aangetrokken. Zij was-niet alleen |
| C: aangetrokken. Zij was niet alleen |
| B: zou kunnen benminnen; dat Cilie, |
| C: zou kunnen beminnen; dat Cilie, |
| B: zwarten, omgekeerd een gulden. |
| C: zwarten, omgekeerd een gulden." |
| B: gloed van het weerlicht. dat |
| C: gloed van het weerlicht, dat |
| B: langzaam voortrollende donder volgde |
| C: langzaam voortrollende donder volgde. |
| B: huis van den Stroeve lag oostwaarts |
| C: huis van den ~Stroeve~ lag oostwaarts |
| B: uitzicht op de vlakte. die hem nog |
| C: uitzicht op de vlakte, die hem nog |
| B: het gezonken lichaaam weer naar boven, |
| C: het gezonken lichaam weer naar boven, |
| B: niet bedriegt?" vroege de ~Stroeve~ |
| C: niet bedriegt?" vroeg de ~Stroeve~ |
| B: het stilzwijgen deed bewarën. |
| C: het stilzwijgen deed bewaren. |
| B: wenkbrouwen op hem vestigde |
| C: wenkbrauwen op hem vestigde |
| B: Slavenmeester, |
| C: Slavenmeester. |
| B: mijn patroon--hij heettë de |
| C: mijn patroon--hij heette de |
| B: gezicht van den Stroeve (die echter |
| C: gezicht van den ~Stroeve~ (die echter |
| B: bij 't aanschouwen der dondere wolken, |
| C: bij 't aanschouwen der donkere wolken, |
| B: Cilie's geschiedenis is ontleend |
| C: Cilie's geschiedenis is ontleend. |
| B: zijde bezocht had. en die er |
| C: zijde bezocht had, en die er |
| B: vôcht, door kunstmatige opstuwing |
| C: vocht, door kunstmatige opstuwing |
| B: in korten tijd fortuin të |
| C: in korten tijd fortuin te |
| B: rein, haar aangebo en gevoel van |
| C: rein, haar aangeboren gevoel van |
| B: einde raad--be/sloot hij een brief |
| C: einde raad--besloot hij een brief |
| B: es fort in höhern Welt |
| C: es fort in höhern Welt. |
| B: singen als sij 't verstaat?" |
| C: singen als sij 't verstaat? |
| B: en Petrus Catkoen, j. u. d., |
| C: en Petrus Calkoen, j. u. d., |
| |
+----------------------------------------------+