Gewis was Allard van plan, om den volgenden dag, zoo vroeg mogelijk, aan
eene uitnoodiging te voldoen, die maar al te zeer strookte met zijne
wenschen. En toch verliepen er verscheiden dagen voor Cilie hem
wederzag.
Verscheiden dagen, die hij doorbracht in gestadige onrust, in pijnlijke
zelfkwelling, in een voortdurenden strijd, tusschen zijne levendige
begeerte, en--hetgeen hij achtte zijn plicht te zijn.
En wat was er dan voorgevallen, dat hem tot dit zonderlinge gedrag
noopte; dat er hem toebracht, te handelen in strijd met zijne beloften,
en de hoogste wensch van zijn hart?
Het manuscript, waaraan deze geschiedenis ontleend is, gewaagt van een
visioen, dat zich op zijn terugkeer naar de kolonie aan zijne oogen
vertoonde, en dat een zoo geweldigen indruk op zijn gemoed maakte, dat
hij besloot ~voorshands~ alle verkeering met Cilie af te breken, en,
zoodra 't hem maar mogelijk was, naar Holland terug te keeren.
Ik wil de getuigenis van mijn oorkunde niet volstrekt wraken.
Allard Bentinck was iemand, die, hoewel in menig opzicht van een
verlichte denkwijze, ook op godsdienstig gebied, niet te min wel een
weinig besmet was met het »bevindelijke geloof", in die dagen door
zoovele, overigens heldere koppen aangekleefd.[22]
[22] Men denke aan van Beuningen en Swammerdam en, hoewel in mindere
mate, aan Defoe.
Hij geloofde--en later zal dat overtuigend blijken, hoe dit geloof van
invloed was op zijne handelingen--dat de Godheid dikwijls, hetzij door
uitwendige teekenen, hetzij door geheime intuitie, den mensch het pad
aanwees, dat hij moest bewandelen, om tot de bestemming te komen, die
hem was gezet, en dat het dus plicht was op deze teekenen te letten, en
de stemmen, die zoo vaak wonderbaar in 't gemoed weerklonken, niet te
smoren.
Had hij dus werkelijk in de meening verkeerd, zulk een visioen te hebben
aanschouwd; het plotseling afbreken van zijne aangeknoopte betrekking
met Cilie, zou volstrekt niet in strijd geweest zijn met zijne
denkwijze, maar ik meen toch (en mijne opvatting wordt gewettigd door
den verderen loop der gebeurtenissen), dat hier niets dergelijks in
't spel was en dat zijn vreemd gedrag, niets dan een gevolg was van
redeneering--eene levendige voorstelling van wat noodwendig moest
volgen, ging hij voort op den ingeslagen weg.
Een weg gansch en al een anderen, dan men had gehoopt, dat hij zou
inslaan, en een handelwijze geheel in strijd met beloften, die
hij--ofschoon gedwongen--had afgelegd.
Een kleine terugtred naar zijn verleden, en 't geen er was voorgevallen,
voor hij het ouderlijke huis verliet, zal noodig zijn om 't een en ander
in 't ware licht te stellen.
Er bestond zekere spanning tusschen hem en zijne bloedverwanten, of meer
bepaald tusschen hem en zijn vader en zuster, want zijne moeder deelde
niet in alle opzichten, de zienswijze van echtgenoot en dochter.
Zijn vader, die een aanzienlijk ambt bij de Thesaurie bekleedde, was een
man »ganschelijk gevangen" in den kring van hoogheid en voornaamheid,
dien hij begreep, dat tot zijn stand in de maatschappij behoorde.
Trotsch op zijn geld, zijne betrekking, en voornamelijk zijn adel, zag
hij met minachting neer op al wat burgerlijk was, en kende geen grooter
vergrijp, dan wat hij noemde »deroger a la noblesse".[23]
[23] Te kort doen aan den adeldom.
De Hofstad met haar leven »au grand ton",[24] en hare thans meer en
meer buitenlandsche, of meer bepaald op Fransche leest geschoeide
vermakelijkheden, was zijn lust en ofschoon de jaren der jeugd al lang
voorbij--hij ontbrak nooit er een levendig deel aan te nemen.
[24] Op voornamen voet.
Zijn zoon daarentegen was van gansch andere natuur. Hij had de oude
vaderlandsche manieren en zeden lief; noemde de gestadig veldwinnende
buitenlandsche levenswijze en levensbeschouwingen een ondergang van 't
land; had alleen eerbied voor adel, verkregen door verdienste, en zou,
had zijne moeder vooral, het niet tegengehouden, de Hofstad al lang
vaarwel gezegd hebben, om ergens in een vergeten hoek van 't land te
gaan wonen, en zich aan de studie te wijden, aan de zijde van eene
vrouw, die hij lief had, en die, evenals hij, haar geluk zocht in een
stil huiselijk leven.
Maar zijne moeder had steeds de opkomende stormen bezworen, en door haar
invloed den huisvrede zooveel mogelijk gehandhaafd.
Allard beminde zij als haar oogappel, en zij kon het denkbeeld niet
verdragen, verre verwijderd van hem te moeten leven.
Intusschen had ook zij hare grieven tegen hem. Haar Alceste, als zij hem
schertsenderwijze noemde--naar den held van Molières beroemde comedie,
die destijds in den Haag werd opgevoerd--haar Alceste, anders zoo gereed
aan hare minste wenschen toe te geven, bleef weigeren haar wil te
volgen, in één, en wel een kardinaal punt.
Zij kon hem niet bewegen, zich te verloven met het meisje, dat zij hem
tot vrouw had toegedacht, en wel van zijn vroegste jeugd af.
En dit huwelijk was de wensch van haar hart!
Niet alleen toch, zou het de kroon zetten op een door haar aangegane
verbintenis met de liefste vriendin harer jeugd, maar het beantwoordde
tevens aan alle eischen van stand en familie-belangen.
Daarbij geloofde zij vast, dat freule Elisabeth Dubois eene uitmuntende
vrouw voor haar zoon zou wezen, en volkomen geschikt tevens, om
hem te genezen van zijne ~mesquine~[25] begrippen betrekkelijk de
samenleving, die hem zelven, zoowel als zijne familie, steeds zooveel
onaangenaamheden hadden berokkend, en gewis nog verder zouden
berokkenen.
[25] Minder voorname.
Maar het waren juist deze ~mesquine~ begrippen, die hem terughielden,
aan de wenschen van zijne teederbeminde moeder--althans, voor als
nog--toe te geven, want of hij niet eindigen zou, met te handelen
naar hare begeerte, het tegendeel stond allesbehalve bij hem vast.
In menig opzicht toch voelde hij zich door Elisabeth Dubois
aangetrokken. Zij was niet alleen schoon en lieftallig, maar
onderscheidde zich ook door haar verstand en geest van de meeste harer
Haagsche zusteren, en men mocht haar niet rekenen onder de »Jofferschap,
die den tijd met »caerte en taerling" zoek bracht."
Maar..... voor 't overige ging zij zoo goed als alle anderen, geheel in
't leven der Hofstad op, bezocht geregeld den Franschen schouwburg, en
ontbrak nooit op de bals in 't Mauritshuis, waar de dames van 't corps
diplomatique, als Coenraad Droste zegt:
»Te zamen om den prijs der grootste schoonheid stonden".
Werd hij de echtgenoot van freule Dubois, hij zou genoodzaakt zijn
in den Haag te blijven wonen niet alleen, maar ook om met haar deel
te nemen aan vermakelijkheden, en eene levenswijze, die niets
aantrekkelijks voor hem hadden, en hem op den duur zouden walgen.
En daar de laatste overwegingen, de eersten geregeld overwogen, bleef de
kwestie hangende.
Maar zijne moeder rustte niet, en maakte alle omstandigheden cijnsbaar
aan haar doel.
Zelfs huiselijke twisten!
Vader en zoon hadden geruimen tijd in tamelijk goede harmonie geleefd,
maar eene aanmerking, die de laatste zich veroorloofd had te maken,
op het gedrag van zeker hooggeplaatst, maar naar ziel en lichaam zeer
wormstekig bezoeker zijner salons, deed diens toorn ontbranden, en gaf
aanleiding tot nieuwe onaangenaamheden.
Er werd nu besloten, dat Allard een poosje op reis zou gaan, en zijne
moeder maakte van deze gelegenheid gebruik, om hem nogmaals, en met
grooten aandrang, haar beschermelinge aan te prijzen, en zijne
argumenten tegen eene verbintenis met haar te weerleggen.
En zij deed dit met zooveel warmte, en zoo overtuigend, dat zij er in
slaagde, Allard over te halen, om voor zijn vertrek afscheid van haar
te nemen, en wel in hare tegenwoordigheid en die van de moeder van het
jonge meisje.
Deze afscheidsvisite--behoorlijk door de beide moeders gearrangeerd--had
plaats gevonden, en was naar 't oordeel der geallieerden zeer wel
geslaagd.
Freule Elisabeth--door Allard gewoonlijk zijne Celimène genoemd--had
haar bijnaam bij deze gelegenheid doen vergeten.
Ze was natuurlijk aanminnig geweest, ja was zelfs zoo ver gegaan het
leven op het land--altijd onder zekere voorwaarden--te prijzen, en had,
zoowel door 't een als 't andere, een zoo gunstigen indruk op het gemoed
van den nog altijd weerbarstigen Alceste gemaakt, dat hij onder 't
huiswaarts keeren aan zijne moeder beloofde, na zijn uitstapje ernstig
het hof te zullen maken aan haar lieveling, thans fraaitjes op weg ook
de zijne te zullen worden.
Haar beeld toch had hem gestadig vergezeld op zijne reis, en was nog
sterker op den voorgrond getreden na de kennismaking met zijne nichten,
de freules Alida en Coosje.
Maar thans was dat geheel anders geworden.
Het liefelijke wezen van Cilie, vervulde zijn gemoed zoo geheel, dat hij
aan niets anders denken kon.
Evenals Romeo, die na het ontmoeten van Julia, zich plotseling bewust
wierd, dat zijne liefde voor Rosalinde niets was dan zelfbedrog, had
zich ook in zijne ziel de overtuiging gevestigd, dat hij niemand dan
Cilie zou kunnen beminnen; dat Cilie, en zij alleen, beantwoordde aan
het ideaal, dat hij zoo lang in zijn hart had gekoesterd, maar zonder
hoop, het ooit anders dan in droomen te zullen aanschouwen.
En thans, hij had het aanschouwd, hij had in werkelijkheid gezien een
wezen, dat hooger stond dan het beeld zijner phantasie.
En--wilde hij--hij zou haar de zijne mogen noemen.
Maar!......
En de herinnering van wat er gebeurd was, en dat nog zoo kort geleden,
rees op als een spook en stelde zich tusschen hem en zijne wenschen.
Mocht hij alleen met de begeerte van zijn hart te rade gaan?
Kon hij het voor God en zijn geweten verantwoorden, wanneer hij geheel
buiten zijne ouders om, zich verbond aan het meisje zijner keuze?
Zou het niet zijne moeder het harte breken, wanneer hij tot haar kwam
met de verklaring--dat hij niet alleen de hem toegedachte bruid van
onberispelijke geboorte en stand verwierp, maar in plaats van haar, eene
voorstelde--zonder geboorte, zonder opvoeding, zonder fortuin en--zonder
godsdienst: een kind gekomen van wie weet waar, en eene dochter van wie
weet wie?
Neen! dat kon hij niet, en daarom wilde hij zijn hart geweld aandoen, en
zich wachten onmiddellijk eene verbindtenis te sluiten, die de
noodlottigste gevolgen na zich zoude kunnen slepen.
En daarom wilde hij Cilie niet wederzien voor hij alles had aangewend,
om zijne keuze door zijne ouders, of althans door zijne moeder te doen
billijken.
Want, naderde hij haar nogmaals, hij zou zich zelven niet meester kunnen
blijven.
Waagde hij het nog eenmaal naar de liefelijke klanken van deze volle
betooverende stem te luisteren, nog eenmaal in deze donkere oogen te
staren, nog eenmaal zich te verlustigen in de uitingen van dit zoo rein,
kinderlijk, en van alle onoprechtheid vervreemd gemoed--de teerling zou
voor goed zijn geworpen.
Hij zou moeten spreken.... aan zijn hart drukken wat hem met zoo
onweerstaanbare macht tot zich trok.
En tot terugtreden of liever om stil te blijven staan op den ingeslagen
weg--daartoe was het nog niet te laat.
Er was geen woord van liefde tusschen hem en het meisje gewisseld, er
was geene belofte gedaan, ja zelfs geen wensch anders dan tot wederzien
uitgesproken, en keerde hij dus niet terug, Cilie kon hem ontrouw, noch
misleiding verwijten; een oogenblik aangenomen, dat zijn wezen op haar
gemoed een indruk gemaakt had, groot genoeg, om anders dan met een
voorbijgaand gevoel van belangstelling aan hem te denken.
Neen! het was besloten!
Hij wilde zoo schielijk mogelijk naar den Haag wederkeeren, en er
beproeven of hij de vooroordeelen zijner ouders zou kunnen overwinnen.
En eenig uitzicht daarop bleef er.
Voorondersteld eens--dat Cilie een spruit was van even goede familie als
de zijne, zou dat niet al zeer veel gewonnen wezen?
Hare herinneringen pleiten levendig voor deze opvatting.
Schitterde het verleden niet in hare verbeelding als een gouden droom?
Had ze niet in een groot landhuis gewoond, en klonk niet nog in hare
ooren, het woord van haar vader: »petite marquise?"[26]
[26] Kleine markiezin.
En bleek trok het tegendeel eens waar te wezen, zouden zijne ouders,
en vooral zijne moeder, zich op den duur kunnen verzetten tegen het
huwelijk huns eenigen zoons, met de vrouw zijner keuze?
En zouden zij, leerden zij Cilie kennen, die keuze niet moeten
billijken, in weerwil van hunne vooroordeelen, en tevens niet moeten
erkennen, dat het een vreemde weg geweest was, die hem tot haar geleid
had, en geen gewone drang, die hem genoopt had, haar te naderen?
En--maar genoeg--hij wilde geen middel onbeproefd laten, om tot zijn
doel te geraken, en--faalden al zijne pogingen; waren zijne ouders
onredelijk genoeg, de hoogste wensch van zijn hart te weerstreven, hij
zou... maar hij huiverde het uit te spreken, wat hem bij dit rampzalig
uiterste te doen zou staan.
En na deze lange uitweiding--noodig niettemin--om het vreemde gedrag van
den jongen man tegenover Cilie op natuurlijke wijze te verklaren, kan ik
den draad van het verhaal weder opvatten.
* * * * *
Dat Allard zoo schielijk mogelijk de kolonie trachtte te verlaten,
zal ik na het aangevoerde, wel niet behoeven te verzekeren; maar wèl,
dat hij niet terstond een geschikt voorwendsel vond, om dit gansch
onverwacht vertrek bij zijne bloedverwanten te bewimpelen. Overigens
noopten hem de gebrekkige reisgelegenheden nog eenige dagen te
vertoeven, en om gedurende dat tijdsverloop alle verzoekingen af
te snijden, elke weifeling te voorkomen, droeg hij de zorg voor
zijne patiente op aan den dorpschirurgijn, wien hij eene ruime
schadeloosstelling voor zijne diensten ter hand stelde, en tevens eenig
geld voor de zieke en hare ouders, met verzoek dit ten huize van den
sluiswachter te overreiken, met de boodschap, dat hij vroeger dan hij
dacht naar Holland moest terugkeeren, maar eerlang dacht weder te komen.
En na al deze beschikkingen te hebben gemaakt, dacht hij verre te zullen
blijven van wat hij 't liefst wenschte te naderen.
Zoo dacht hij, maar hoe gansch anders zou het uitkomen!
»De mensch, dus zegt men--
Is Schepper van zijn eigen noodlot; zelf
Weeft hij aan 't weefgetouw des tijds, het weefsel
Van zijn lotgevallen.
Voor een deel is 't waar:
De mensch weeft eigen toekomst, maar verborgen hand,
Schiet somtijds vreemde draden door het weefsel,
En knoopt aan gulden draad een zwarten vast,
Of, aan een zwarten, omgekeerd een gulden."
Er zijn oogenblikken in het leven, waarin de omstandigheden met al onze
berekeningen den spot drijvende, ons dwingen te gaan, waar wij niet
wenschen te wezen; oogenblikken waarin een dusgenaamde toevalligheid
eene gansche omkeering in onze beschouwingen te weeg brengt, en een
golfslag doet ontstaan, die voortrolt tot, en mogelijk--verre over het
graf!
»Zij is dood!" dus klonk het Allard in de ooren, toen hij, van eene
wandeling teruggekeerd, thuis kwam,--»de arme Marrije is dood!"
't Was kort voor zijn vertrek naar Holland was bepaald, en de
barbier, die op zijn verzoek de zieke behandelde, bracht hem deze
tijding--trouwens niet geheel onverwacht.
Haar toestand was verergerd in de laatste dagen.
Wel stond de wonde niet slecht, maar de patient had gestadig
hartkloppingen, en de koorts was in hevigheid toegenomen.
Het meisje had nooit tot de sterksten behoord en het bleek nu, dat
hare krachten niet toereikend geweest waren, de door de werking van
het venijn voortgebrachte ziekte te wederstaan.
Den laatsten nacht had zij ijlende doorgebracht, en in dien
toestand--als haar moeder zeide--dingen geopenbaard, die zeer bezwarend
waren voor den ~Stroeve~ en zijn pupil, en eene algemeene verontwaardiging
onder het volk hadden verwekt, niet verminderd door de toespraak, die de
catechiseermeester Greve tot de omstanders had gehouden, even voor haar
dood.
't Werd Allard droef te moede bij het ontvangen van dat bericht, en
hij maakte zich in hooge mate ongerust over de gevolgen, die dit
overlijden, onder dergelijke omstandigheden, voor de arme Cilie kon
hebben.
De vreeselijke bedreigingen van de moeder van Marrije klonken hem nog
schril in de ooren, en hoewel de ~Stroeve~ zich volstrekt niet ongerust
betoond had, toen hij ze hem mededeelde, en lachend had aangemerkt: dat
deze lieden gewoon waren geweldig te blaffen, maar niet te bijten, en
dat hij, ook wanneer zij dit mochten willen doen, volstrekt niet voor
hen vervaard was, bleef hij van een heel ander gevoelen.
Eene niet te miskennen dweepzucht bezielde de oude vrouw, en maakte van
hare droefheid en toorn vreeselijke wapens.
En was zij ook al onmachtig om daarmede den sluiswachter te treffen, hoe
licht was het weerlooze kind er door te bereiken!
Hij begreep niet beter te kunnen doen, dan aan den Schout mede te
deelen, wat hij gehoord had, en hem aan te bevelen, den sluiswachter op
het gevaar, dat hem en zijne pupil dreigde, opmerkzaam te maken.
Maar deze was geen vriend van den ~Stroeve~, en wat het meisje aanging,
hij begreep dat zij schrander genoeg was, om zich niet binnen het bereik
van hare vijandin te wagen. Intusschen beloofde hij toch haar
persoonlijk te gaan waarschuwen, en dat binnenkort.
Allard bleef echter de drie dagen, die er nog moesten verloopen, voor
hij met den Coevordschen postwagen naar Zwartsluis zou vertrekken,
onrustig en gejaagd, ja zóó, dat zijne nichtjes, die--ik vergat het
te zeggen--verre waren van hem met onverschillige oogen aan te zien,
begrepen, dat hier meer in 't spel was, dan verdriet over den dood van
Marrije, en allerlei pogingen aanwendden om achter het fijne van de mis
te komen.
* * * * *
In den nacht, die den dag voorging, waarop zijn vertrek was bepaald,
sliep hij zoo onrustig, dat hij bij 't aanbreken van den morgen zijn
leger verliet, om in de buurt rond te zwerven.
Haast zonder het zelf te weten, waar hij zich bevond, had hij het pad
langs de vaart ingeslagen dat naar de Riegshoogte geleidde.
Een paar zwaar geladen vaartuigen, nog vochtig van den nachtdauw, en met
moeite voortgesleept door een drietal vrouwen, kwam het kanaal langzaam
afzakken.
Vol medelijden met deze arme schepsels, aldus gedoemd tot een werk,
geheel ongeschikt voor hare sekse en verre hare krachten te boven
gaande[27], stapte Allard haastig voorbij, maar vertraagde zijne
schreden aldra opnieuw, bij het aanschouwen van wat deze vaartuigen
onmiddellijk volgde.
[27] Nog in onze dagen kan men getuige zijn van dit onhebbelijk
misbruik.
't Was een klein schuitje, langzaam voortgetrokken door twee mannen.
Daarin stond een doodkist, en op deze zat, in voorover gebogen houding,
en geheel gedoken in zwarte faliën, een viertal vrouwen.
Van hare gelaatstrekken was niets te zien, want evenals de Grieksche
treurvrouwen, hielden zij met hare mantels het hoofd bedekt; maar de
hooge statuur, en de eigenaardige vormen van eene van haar, maakte
gissing naar haar persoon overbodig.
Het was de moeder van Marrije, en de kist bevatte het lijk van het arme
meisje.
Een lange sleep van donker uitziende mannen en vrouwen volgde het
schuitje, en het geheel van deze aan de begrafenisplechtigheden der oude
Egyptenaren herinnerende lijkstaatsie, maakte een zoo diepen indruk op
het bewogen gemoed van Allard, dat hij met ontbloot hoofd bleef staan,
nog lang nadat de laatste der lijkvolgers hem waren voorbijgegaan.
Toen hij een uur daarna in de kolonie terugkeerde, hoorde hij, dat
de gansche gemeente in rep en roer was geweest, en dat ds. Curtenius
op het kerkhof eene rede had gehouden, die meer getuigde van zijne
bekrompenheid en onverdraagzaamheid, dan van Christelijke liefde.
Algemeen voorspelde men nu, dat het ginds wel niet rustig zou blijven,
en dat de schutbaas en zijne pupil het hard zouden te verantwoorden
hebben tegenover het volk.
* * * * *
Op den avond van dienzelfden dag, was Allard opnieuw uitgegaan, om
in de eenzaamheid te overwegen, wat hem nu te doen stond, en, bewogen
door de meest strijdige gedachten en plannen, bleef hij besluiteloos
rondstappen, toen een ongewoon gedruisch in de lucht boven hem, hem in
zijne overpeinzingen stoorde en verschrikt deed opzien.
Eene witte duif, waarop een sperwer een mislukten raam had gedaan, deed
haar best om aan diens verdere vervolgingen te ontkomen, en stortte, na
twee- of driemalen dicht over 't hoofd van Allard te zijn gevlogen, voor
zijne voeten neder, als wilde zij zijne bescherming inroepen.
Zonderling getroffen, nam hij het dier op, dat, als zich bewust, hier
niets te vreezen te hebben, zich gewillig liet vangen.
Er was niets ongewoons in dit geval.
Blijkbaar was het duifje afkomstig van een til, dat door vriendelijke
menschenhanden wierd verzorgd, en welker bewoners, hunne gewone
schuwheid hebbende afgelegd, het gezelschap van den mensch eer zochten,
dan vermeden.
Maar Allard zag daarin iets geheel anders, en de stemming, waarin hij
verkeerde, was maar al te geschikt, om hem zijne opvatting aldra als
zekerheid te doen aannemen:
De witte duif was Cilie; Cilie, die, aldus door een vijand vervolgd, een
beschermer zocht, maar..... niet zoo gelukkig als het duifje--dien niet
zou vinden!
Niet zou vinden?.....
En was hij er dan niet?
Was hij er dan niet? en had hij niet begrepen wààrom de witte duif bij
hem haar toevlucht had gezocht, en...... was dit gansche geval niet een
vingerwijzing van Hooger Hand?
Vertoonde het hem niet--klaar als in een spiegel--wat het lot der arme
duive ginds zou worden, wanneer hij, in zijne onmannelijke berusting
volhardende, haar overliet aan hare vijanden?
Had hij dan zoo weinig zelfbeheersching, eene zoo geringe gedachte van
zijn wil, dat hij meende zich niet te kunnen vrijwaren voor het aangaan
eener overijlde verbindtenis, dan door het zich volstrekt onthouden van
alle bijeenzijn met het voorwerp zijner min?
Neen! het was besloten! de witte duif zou hem niet te vergeefs zijn
toegezonden!
Hij wilde Cilie opzoeken, en dat onmiddellijk, want wie wist, hoe zeer
ze zijne hulp behoefde!
Lang was de sperwer verdwenen, toen Allard nog met de duif aan zijne
borst gedrukt voortschreedt.
Eindelijk liet hij haar vrij.
Hoog steeg zij op in de lucht, zeker om de plaats te verkennen waar zij
zich bevond en vloog toen met snelle vaart oostwaarts.
Oostwaarts lag het Riegmeer.... was het niet een nieuwe wenk?
* * * * *
Het begon reeds te schemeren, toen Allard het veld bereikte, gelegen
tusschen Alberts-Holtien en het groote Riegmeer.
In 't zuiden broeide een onweer, en het bruine water van den grooten
plas, die kalm en bewegingloos tusschen zijne donkere oevers lag,
weerspiegelde van tijd tot tijd de rosse gloed van het weerlicht, dat
tusschen de samenpakkende wolken speelde, terwijl eenige oogenblikken
later, eene doffe, langzaam voortrollende donder volgde.
Het huis van den ~Stroeve~ lag oostwaarts verscholen achter de
boschaadiën, die het omringden, en de vlucht witte duiven die er boven
zweefde, deed zijn hart sneller kloppen, daar ze hem levendig herinnerde
aan hetgeen pas was geschied.
Juist stond hij gereed het pad, dat er heen leidde in te slaan, toen een
zonderling geluid, dat van de zijde van het meer kwam, zijne ooren trof.
In 't eerst dacht hij, dat het veroorzaakt wierd, door een vlucht
eendvogels, die, beducht wellicht voor het naderend onweer, eene
schuilplaats zocht, maar weldra overtuigde hij zich, dat het noodkreten
waren, en wel van een menschelijk wezen.
Een kind of vrouw scheen in doodsangst te verkeeren en riep dan eens met
gesmoorde stem, dan eens met een luid gegil om hulp.
In een oogenblik had Allard het kreupelbosch, dat zich tusschen hem en
de plaats vanwaar de kreten klonken, bevond, omgetrokken.
Niets belemmerde thans zijn uitzicht op de vlakte, die hem nog van het
meer scheidde, en zoo zag hij dan ook, dat niet ver van den dijk, die
het aan deze zijde beteugelde, eene donkere gestalte iets onder zich
uitgestrekt hield, dat zich aan haar poogde te ontworstelen.
Door een, met al de kracht zijner longen voortgebrachten kreet, kondigde
hij zijne tegenwoordigheid en aanstaande tusschenkomst aan, en dat deze
niet onopgemerkt gebleven was, bleek uit de gevolgen.
Want, de donkere gestalte, die nu duidelijk bleek van eene vrouw te
zijn, en wel van niemand anders dan van de moeder van Marrije, rees op,
en balde de vuist naar de zijde van den snel naderenden, maar zich nog
altijd op een tamelijken afstand bevindenden Allard.
Maar in plaats van te vluchten, greep zij plotseling op, wat zij onder
haar hield neergestrekt, wrong het vast in hare armen, en rende er mee
naar den dijk.
Opnieuw stiet Allard een geweldigen kreet uit, terwijl hij zijn vaart
verdubbelde, want het witte gewaad der aldus weggevoerde, en de klank
van hare stem liet hem geen twijfel over, of het was Cilie die zich in
de macht harer vijandin bevond en die door haar naar het meer werd
gesleept, met een licht te bevroeden, afgrijselijk doel.
En dit laatste--meestal zoo kalm, en als sluimerende, vertoonde op dit
oogenblik een gansch ander karakter.
Een felle bliksemstraal, gevolgd door een ratelenden donderslag, scheen
den stormwind te hebben ontketend.
Met wilde vaart vloog hij over het water en joeg het met geweldige
golven tegen den dijk.
De moeder van Marrije, eene met buitengewone lichaamskracht begaafde
vrouw, was het kinderspel geweest met een zoo lichten last als Cilie
was, den dijk op te schrijden, en lang voor het Allard gelukt was, dien
te bereiken, stond zij daarop, met den eenen arm het nog altijd kermende
en gillende meisje tegen zich aanklemmende, en met den anderen allerlei
bewegingen makende, terwijl zij al krijschende de afschuwelijkste
verwenschingen uitbraakte.
»Moed, Cilie! moed!" riep Allard, terwijl hij niet ver van de plaats,
waar het wijf stond, den dijk opsprong.
Maar het arme kind had geen tijd om te antwoorden, want op hetzelfde
oogenblik, omvatte de reuzin met de eene hand haar den nek, met de
andere de enkels, hief haar hoog boven haar hoofd, en wierp haar daarop
in de bruischende diepte!
Wel woelde het water het gezonken lichaam weer naar boven, en zag Allard
het vlak aan den dijk, maar in 't volgende oogenblik was het verdwenen.
Er was geen tijd te verliezen--hij sprong het meisje na in de diepte.
Nog eenmaal, maar al veel verder weg, zag hij haar witte gewaad
schemeren, en met forsche slagen zwom hij naar die plaats.
Maar de golfslag van het hier, gelukkig! niet zeer diepe meer, had
haar al weer naar den dijk teruggevoerd, en na een paar vruchtelooze
pogingen, gelukte het hem de drenkelinge te grijpen, en op een met riet
en gagel begroeide plek, die glooiend van den dijk in 't meer afdaalde,
vasten voet te krijgen.
De krampachtig om zijn hals geslagen arm van het meisje overtuigde hem,
dat zijne hulp nog niet te laat gekomen was, en dit bewustzijn schonk
hem nieuwe krachten tot de worsteling met de elementen, die nu nog
overbleef, om weer op den dijk te geraken.
De plek toch, waarop hij stond, was niet alleen met allerlei struikgewas
begroeid, maar zij werd ook gestadig overstroomd door het water, dat,
door den meer en meer aanwakkerenden stormwind voortgezweept, met hooge
golven er over kwam rollen.
Tweemalen struikelde hij dan ook, en was op het punt neer te storten,
maar eindelijk kreeg hij vasten voet, en stond, met de geredde in zijne
armen, op den dijk, niet verre van de plaats, waar de veroorzaakster van
al dat leed nog toefde, om allerlei verwenschingen uit te braken, en den
redder zoo goed als de geredde te vervloeken.
Allard was echter veel te ijverig bezig met zijne pogingen, om Cilie het
ingezwolgen water te doen overgeven, en haar tot bewustzijn te brengen,
om veel op haar te letten.
Alleen toen hij zag, dat de enkels van het arme meisje door een breeden
band van russchen waren saamgebonden, kon hij eenige woorden van toorn
niet bedwingen, terwijl hij haar met de vuist dreigde.
Een onbeschaamd gebaar, en een nieuwe stroom van vuile scheldwoorden,
was haar antwoord.
Kort daarop verwijderde zij zich echter.
Het onweer was intusschen in hevigheid toegenomen.
Rusteloos flitste de bliksem door de lucht, en ratelde de donder,
terwijl de regen, die in stroomen neerdaalde, het oog weldra belette
zelfs de meest nabijzijnde voorwerpen te onderscheiden.
En wat nu te doen?
Gedaald van het gestadig door de golven overspoelde dijkje, zocht hij
naar een plek, waar hij eenigermate beschutting kon vinden voor wind en
regen, want om naar eene meer afdoende schuilplaats om te zien, was
onder de tegenwoordige omstandigheden onmogelijk.
Met het meisje in zijn eenen arm, tastte hij met de andere rond, en vond
eindelijk een kreupelboschje, waarachter hij zich met haar kon
nederzetten.
Pas was hij daar gezeten, toen hij opnieuw een noodkreet meende te
hooren. Het kletteren van den regen en het gedruisch van donder en wind
beletten hem echter, waar te nemen, van welke zijde het geroep kwam, en
daarbij was hij te bekommerd over den toestand van Cilie, om er
bijzonder op te letten.
Want nog altoos lag zij bewusteloos in zijne armen, en licht te denken
was het, dat er geene beterschap kon worden verwacht, bleven dezelfde
ongunstige omstandigheden voortduren.
En dit was het geval. De regen stroomde met voortdurend geweld neder, en
al werd hij ook minder, wat dan nog te beginnen? Want het was zoo donker
geworden, dat er geen denken aan was, een pad te zoeken door het drassig
geworden terrein.
Maar hoor! nogmaals het geroep van daareven!
Het klonk nu echter dichter bij, en 't werd Allard dra duidelijk, dat
het niet was van iemand die hulp zocht, maar van een die hulp zocht te
verleenen.
Mogelijk was het wel de ~Stroeve~, die--Cilie missende--haar kwam zoeken.
Hij stond dus op, en, zijne stem met alle kracht verheffende, riep hij
eenige malen achter elkander: »Hier!"
En niet zonder gevolg!
Weldra schemerde het licht van een lantaarn in de nabijheid, en
verscheen er een man, die inderdaad bleek de ~Stroeve~ te zijn, en die
niet weinig verrast scheen, toen hij haar, die hij zocht, in de armen
van Allard zag rusten.
Met een enkel woord verklaarde deze de toedracht der zaak, en drukte den
man tevens op 't hart, geen oogenblik te zuimen, wilde hij het meisje in
het leven behouden.
De ~Stroeve~ ging nu met den lantaarn voor, en wees Allard, die Cilie
droeg, den weg naar een arbeidershut in de nabijheid, en die men--echter
niet zonder veel moeite en struikelingen--weldra bereikte.
Er was, als licht te denken is, weinig gemak in dit berookt verblijf,
maar de lieden, die het bewoonden, waren gul en dienstvaardig.
Terwijl de ~Stroeve~ naar huis liep, om brandewijn en de noodige
kleedingstukken te gaan halen, stak Allard zich onder een afdak in
't Zondagspak van den arbeider. De vrouw hield zich met Cilie bezig,
kleedde haar uit, rolde haar in de eenige deken die zij bezat, en
bereidde haar daarna een leger, vlak bij het inmiddels levendig
opflikkerende vuur.
Weldra begon de warmte weldadig te werken en tot innige vreugde van
Allard sloeg het meisje de oogen op.
Een teug brandewijn, haar door haar pleegvader ingegeven, bracht haar
langzamerhand tot bewustzijn, en na het gebruik van de andere voor haar
medegebrachte middelen, look zij weldra zóó op, dat men het wagen kon,
haar, in warme dekens en mantels gewikkeld, op eene burrie te leggen, en
naar huis te brengen.
Toen Allard zich onder 't voortgaan over haar heenboog, om haar te
vragen hoe 't haar ging, fluisterde zij hem toe: »Zoo gij weggaan van
mij--ik sterven!"
Een welsprekende handdruk was zijn antwoord.