[Poging tot verzoening.] De legers zijn gereed, de strijd tusschen de
broeders kan ieder oogenblik beginnen, maar thans verschijnt Rafaël,
de verzoenende engel, die een laatste poging waagt om het onheil te
voorkomen. Zijn doel is Lucifer te bewegen zijn rampzalig opzet te
laten varen en werkelijk gelukt het den goeden geest bijna het hart
van den afvallige te vermurwen. Rafaëls wijze van optreden is dan ook
zeer menschkundig. Eerst herinnert hij Lucifer aan diens vroegere
positie: hij was de schoonste en machtigste der engelen, door God
zelfs tot stedehouder aangesteld, niemand was zijns gelijke. Daarna
wijst Rafaël hem op de toekomst: wat zal zijn lot zijn, als hij
werkelijk zijn voornemen zal trachten ten uitvoer te brengen? Hij, de
schoonste onder de schoonen, zal herschapen worden in een wangedrocht
waarvan de schepping gruwt. Zal de stedehouder zelf tot een dergelijke
vernedering medewerken! Dat kan niet zijn. Daarom leg af die wapens,
buig het trotsche hoofd!
Lucifer wijst den goeden raad af: hij heeft zich niets te
verwijten. Hij strijdt immers vóor, niet tégen God!
Dat argument wordt hem echter door Rafaël uit de hand geslagen. Wat
tracht Lucifer zijn doel nog te verbergen? God is alziende: reeds
lang heeft Hij de geheimste gedachten van den eerzuchtige gelezen.
Ten slotte moet de stedehouder dan ook wel bezwijken, er is echter
één omstandigheid die hem belet aan Rafaëls roepstem gehoor te geven
en de wapens neder te leggen: er is geen genade mogelijk. Doch ook
deze laatste hindernis neemt de goede engel weg. Hij zal Lucifers
middelaar bij God zijn.
Eindelijk schijnt het dat Rafaël zal overwinnen; Lucifer staat in
twijfel. Hij ziet zelf in hoe slecht zijn handelwijze is, hij ziet
den afgrond die aan zijn voeten gaapt en is op 't punt terug te treden.
Ook Rafaël bemerkt dien tweestrijd en hoopt reeds op een goeden
uitslag, maar plotseling hoort Lucifer de schetterende trompetten
van Michaëls leger, Apollion roept hem op tot den strijd, de
bevelhebber kan niet meer terug, de wanhoop aan genade dwingt hem
vol te houden. Vol droefheid roept Rafaël uit:
1670. "Helaes, hy stont alreede in twyfel, en beraet:
Nu voert hem Wanhoop aan."
[De strijd.] In 't vijfde bedrijf vernemen we den uitslag van den
strijd. Vondel kon den slag moeilijk op 't tooneel brengen en laat
daarom alles door Uriël vertellen aan Gabriël.
Michaël had zijn leger den vorm van een driehoek laten aannemen
(de symbolische voorstelling der drieëenheid). Lucifer schaarde de
zijnen in een halve maan (het ongeloof).
De strijd zelf, die natuurlijk in de lucht gevoerd wordt, stelt
Vondel voor als een gevecht tusschen twee vogels: een valk en een
reiger. Wie 't hoogst stijgt, zal winnen. Aan Michaël gelukt dit,
maar Lucifer verdedigt zich met den moed der wanhoop. Twee dieren
voeren zijn strijdwagen, een leeuw en een draak, de symbolen van
hoogmoed en afgunst, en zelfs durft de vermetele opstandeling zijn
strijdbijl opheffen om Gods banier te vellen. Maar dat is juist zijn
val: op Michaëls diamanten schild springt de heirbijl in stukken en
door den bliksemstraal getroffen, stort Lucifer naar beneden. Wel
tracht Apollion, door allerlei monsters bijgestaan, de krijgskans te
doen keeren, maar zijn poging is vruchteloos.
Lucifers voorspelling komt uit: God ontneemt de verslagen engelen
het leven niet, ze blijven onsterfelijk. Maar ze worden herschapen,
veranderd in monsters. Lucifer zelf wordt in een "wanschapenheid"
veranderd, dat samengesteld is uit deelen van zeven monsters, die
de zeven hoofdzonden vertegenwoordigen. Zoo zijn de engelen geworden
tot duivels.
[Lucifers wraak.] Met Lucifers val kon het treurspel eindigen, maar
Vondel meende er nog iets aan te moeten toevoegen: de wraak van den
gevallen engel. Het geluk der menschen had hem tot opstand gebracht,
dezelfde menschen moesten het volle gewicht van zijn wraak ondervinden,
vandaar de zending van Belial en de val van 't eerste menschenpaar.
Aan 't slot wijst de rei op het verzoenende element: eens zal de
Redder opstaan, die
"'t Vervallen Menschdom eens van Adams errefschult"
zal verlossen.
[Politieke allegorie.] Nog één punt moeten we bespreken: Lucifer als
politieke allegorie. Jonckbloet en Van Lennep waren van meening dat
Vondel in zijn drama een deel uit onze geschiedenis op het tooneel
had gebracht nl. den opstand tegen Spanje. Hiertegen zijn anderen
in verzet gekomen o. a. Beets en ook zeer uitvoerig Dr. Cramer, die
den Lucifer in de Zwolsche Herdrukken heeft uitgegeven. Jonckbloet
en Van Lennep voerden als argumenten o. a. aan, het te menschelijk
voorstellen der engelen en meenden ook in vele regels toespelingen
op Nederlandsche toestanden te ontdekken, terwijl de tegenstanders
vooral op het volgende wijzen:
1o. Er is een hemelsbreed verschil in den afloop: Lucifer delft het
onderspit, Prins Willem overwint in zijn afstammelingen.
2o. Vondel was wel Katholiek, maar een te goed vaderlander om Prins
Willem als Lucifer te kunnen voorstellen. De allegorie zou als geheel
trouwens ook zwak zijn: Granvelle die de afgunst der Nederlandsche
grooten opwekte, kon in Adam voorgesteld zijn, maar Alva zou dan
geschilderd moeten zijn in Michaël en Filips II in God zelf.
3o. Vondels tijdgenooten hebben in den Lucifer geen allegorie gezien,
had Vondel dus een politieke strekking in zijn stuk willen leggen,
dan was hij al heel slecht geslaagd.
Bovendien kunnen de regels die zoogenaamd toespelingen op Nederlandsche
toestanden bevatten, heel goed uit het stuk zelf verklaard worden.
Wel legde Vondel een bepaalde strekking in zijn treurspel, maar
een algemeene, die niet op een bepaald land of een bepaald persoon
betrekking heeft. Lucifer, zegt Vondel in zijn opdracht aan Keizer
Ferdinand III, is "een spiegel van alle ondanckbare staetzuchtigen".