1451 "Wij zweeren te gelyck by Godt, en Lucifer."

[Poging tot verzoening.] De legers zijn gereed, de strijd tusschen de

broeders kan ieder oogenblik beginnen, maar thans verschijnt Rafaël,

de verzoenende engel, die een laatste poging waagt om het onheil te

voorkomen. Zijn doel is Lucifer te bewegen zijn rampzalig opzet te

laten varen en werkelijk gelukt het den goeden geest bijna het hart

van den afvallige te vermurwen. Rafaëls wijze van optreden is dan ook

zeer menschkundig. Eerst herinnert hij Lucifer aan diens vroegere

positie: hij was de schoonste en machtigste der engelen, door God

zelfs tot stedehouder aangesteld, niemand was zijns gelijke. Daarna

wijst Rafaël hem op de toekomst: wat zal zijn lot zijn, als hij

werkelijk zijn voornemen zal trachten ten uitvoer te brengen? Hij, de

schoonste onder de schoonen, zal herschapen worden in een wangedrocht

waarvan de schepping gruwt. Zal de stedehouder zelf tot een dergelijke

vernedering medewerken! Dat kan niet zijn. Daarom leg af die wapens,

buig het trotsche hoofd!

Lucifer wijst den goeden raad af: hij heeft zich niets te

verwijten. Hij strijdt immers vóor, niet tégen God!

Dat argument wordt hem echter door Rafaël uit de hand geslagen. Wat

tracht Lucifer zijn doel nog te verbergen? God is alziende: reeds

lang heeft Hij de geheimste gedachten van den eerzuchtige gelezen.

Ten slotte moet de stedehouder dan ook wel bezwijken, er is echter

één omstandigheid die hem belet aan Rafaëls roepstem gehoor te geven

en de wapens neder te leggen: er is geen genade mogelijk. Doch ook

deze laatste hindernis neemt de goede engel weg. Hij zal Lucifers

middelaar bij God zijn.

Eindelijk schijnt het dat Rafaël zal overwinnen; Lucifer staat in

twijfel. Hij ziet zelf in hoe slecht zijn handelwijze is, hij ziet

den afgrond die aan zijn voeten gaapt en is op 't punt terug te treden.

Ook Rafaël bemerkt dien tweestrijd en hoopt reeds op een goeden

uitslag, maar plotseling hoort Lucifer de schetterende trompetten

van Michaëls leger, Apollion roept hem op tot den strijd, de

bevelhebber kan niet meer terug, de wanhoop aan genade dwingt hem

vol te houden. Vol droefheid roept Rafaël uit:

1670. "Helaes, hy stont alreede in twyfel, en beraet:

Nu voert hem Wanhoop aan."

[De strijd.] In 't vijfde bedrijf vernemen we den uitslag van den

strijd. Vondel kon den slag moeilijk op 't tooneel brengen en laat

daarom alles door Uriël vertellen aan Gabriël.

Michaël had zijn leger den vorm van een driehoek laten aannemen

(de symbolische voorstelling der drieëenheid). Lucifer schaarde de

zijnen in een halve maan (het ongeloof).

De strijd zelf, die natuurlijk in de lucht gevoerd wordt, stelt

Vondel voor als een gevecht tusschen twee vogels: een valk en een

reiger. Wie 't hoogst stijgt, zal winnen. Aan Michaël gelukt dit,

maar Lucifer verdedigt zich met den moed der wanhoop. Twee dieren

voeren zijn strijdwagen, een leeuw en een draak, de symbolen van

hoogmoed en afgunst, en zelfs durft de vermetele opstandeling zijn

strijdbijl opheffen om Gods banier te vellen. Maar dat is juist zijn

val: op Michaëls diamanten schild springt de heirbijl in stukken en

door den bliksemstraal getroffen, stort Lucifer naar beneden. Wel

tracht Apollion, door allerlei monsters bijgestaan, de krijgskans te

doen keeren, maar zijn poging is vruchteloos.

Lucifers voorspelling komt uit: God ontneemt de verslagen engelen

het leven niet, ze blijven onsterfelijk. Maar ze worden herschapen,

veranderd in monsters. Lucifer zelf wordt in een "wanschapenheid"

veranderd, dat samengesteld is uit deelen van zeven monsters, die

de zeven hoofdzonden vertegenwoordigen. Zoo zijn de engelen geworden

tot duivels.

[Lucifers wraak.] Met Lucifers val kon het treurspel eindigen, maar

Vondel meende er nog iets aan te moeten toevoegen: de wraak van den

gevallen engel. Het geluk der menschen had hem tot opstand gebracht,

dezelfde menschen moesten het volle gewicht van zijn wraak ondervinden,

vandaar de zending van Belial en de val van 't eerste menschenpaar.

Aan 't slot wijst de rei op het verzoenende element: eens zal de

Redder opstaan, die

"'t Vervallen Menschdom eens van Adams errefschult"

zal verlossen.

[Politieke allegorie.] Nog één punt moeten we bespreken: Lucifer als

politieke allegorie. Jonckbloet en Van Lennep waren van meening dat

Vondel in zijn drama een deel uit onze geschiedenis op het tooneel

had gebracht nl. den opstand tegen Spanje. Hiertegen zijn anderen

in verzet gekomen o. a. Beets en ook zeer uitvoerig Dr. Cramer, die

den Lucifer in de Zwolsche Herdrukken heeft uitgegeven. Jonckbloet

en Van Lennep voerden als argumenten o. a. aan, het te menschelijk

voorstellen der engelen en meenden ook in vele regels toespelingen

op Nederlandsche toestanden te ontdekken, terwijl de tegenstanders

vooral op het volgende wijzen:

1o. Er is een hemelsbreed verschil in den afloop: Lucifer delft het

onderspit, Prins Willem overwint in zijn afstammelingen.

2o. Vondel was wel Katholiek, maar een te goed vaderlander om Prins

Willem als Lucifer te kunnen voorstellen. De allegorie zou als geheel

trouwens ook zwak zijn: Granvelle die de afgunst der Nederlandsche

grooten opwekte, kon in Adam voorgesteld zijn, maar Alva zou dan

geschilderd moeten zijn in Michaël en Filips II in God zelf.

3o. Vondels tijdgenooten hebben in den Lucifer geen allegorie gezien,

had Vondel dus een politieke strekking in zijn stuk willen leggen,

dan was hij al heel slecht geslaagd.

Bovendien kunnen de regels die zoogenaamd toespelingen op Nederlandsche

toestanden bevatten, heel goed uit het stuk zelf verklaard worden.

Wel legde Vondel een bepaalde strekking in zijn treurspel, maar

een algemeene, die niet op een bepaald land of een bepaald persoon

betrekking heeft. Lucifer, zegt Vondel in zijn opdracht aan Keizer

Ferdinand III, is "een spiegel van alle ondanckbare staetzuchtigen".

Gids bij de studie der Nederlandsche letterkunde Voor leerlingen der gymnasia, H. B. scholen en studeerenden voor de hoofdacte · 第 28 / 83 题