4. De beschrijving van 't eerste menschenpaar, waardoor de
jaloerschheid der engelen nog grooter wordt; de menschen immers,
en vooral Eva, zijn schooner dan een der hemelsche geesten:
"Bejegent Engelen, hoe schoonze uw oogh behaeghden;
Het zyn wanschapenheên bij 't morgenlicht der maeghden."
Apollion kon slechts noode scheiden van 't schoone dat hij in 't
Paradijs had aanschouwd.
5. Eén troost blijft de engelen nog over: zij zijn onsterfelijk,
terwijl de mensch dit voorrecht niet heeft gekregen. Maar ook deze
laatste illusie wordt door Apollion weggenomen; in Eden groeit de
wonderbare levensboom:
181. ".......... zijn aert is onbederflyck.
Hierdoor geniet de mensch het eeuwigh en onsterflyck,
En wort den Engelen, zijn' broederen, gelyck,
Ja overtreftze in 't eindt."
Door deze analyse blijkt duidelijk, hoe treffend Vondel de oorzaken
van de steeds aangroeiende jaloezie der engelen heeft geteekend; hunne
stemming wordt uitstekend weergegeven door de woorden van Belzebub: