82. "Wie zou ons Engelsdom voor 't menschdom willen wenschen?"

4. De beschrijving van 't eerste menschenpaar, waardoor de

jaloerschheid der engelen nog grooter wordt; de menschen immers,

en vooral Eva, zijn schooner dan een der hemelsche geesten:

"Bejegent Engelen, hoe schoonze uw oogh behaeghden;

Het zyn wanschapenheên bij 't morgenlicht der maeghden."

Apollion kon slechts noode scheiden van 't schoone dat hij in 't

Paradijs had aanschouwd.

5. Eén troost blijft de engelen nog over: zij zijn onsterfelijk,

terwijl de mensch dit voorrecht niet heeft gekregen. Maar ook deze

laatste illusie wordt door Apollion weggenomen; in Eden groeit de

wonderbare levensboom:

181. ".......... zijn aert is onbederflyck.

Hierdoor geniet de mensch het eeuwigh en onsterflyck,

En wort den Engelen, zijn' broederen, gelyck,

Ja overtreftze in 't eindt."

Door deze analyse blijkt duidelijk, hoe treffend Vondel de oorzaken

van de steeds aangroeiende jaloezie der engelen heeft geteekend; hunne

stemming wordt uitstekend weergegeven door de woorden van Belzebub:

Gids bij de studie der Nederlandsche letterkunde Voor leerlingen der gymnasia, H. B. scholen en studeerenden voor de hoofdacte · 第 16 / 83 题