[De predikanten tegen Lucifer.] Evenals bij den Gysbreght trachtten
de predikanten ook bij Vondels Lucifer de opvoering te beletten. Toen
het stuk in 1654 gespeeld werd, wekte dit in den Kerkeraad zooveel
verontwaardiging, dat een deputatie naar 't gemeentebestuur gezonden
werd om verdere opvoeringen te verhinderen, wat gelukte. Eveneens werd
later het drukken en verkoopen tegengegaan. Het voornaamste argument
der predikanten bij Burgemeesteren was, dat de "Hooghe Matery",
de godheid zelve, op 't tooneel gebracht werd.
[Vondels verdediging.] Tegen deze bestrijding van zijn werk komt
Vondel op in 't "Berecht aen alle Kunstgenooten en Begunstigers
der Tooneelspelen", dat den Lucifer vooraf gaat. Hij wenscht te
spreken "tot onschult van tooneel en tooneeldichteren, die Bybelstof
voorstellen, naerdienze by wylen opspraeck onderworpen zyn", terwijl
hij iets later gewaagt van twee tooneelspelers, die "onder het spelen,
den Christenschen Godtsdienst willende beschimpen, overtuight wierden
van de waerheit, diese geleert hadden uit hun deftige speelrollen,
doorgaends beter gestoffeert met pit van wysheit dan laffe redenen,
uren lang in den wint gestroit, en eer verdrietigh dan leerzaem". Wie
denkt bij 't laatste gedeelte niet aan een uitval tegen de predikanten?
Vondel wijst in het "Berecht" vooral op de drie volgende punten:
1. De stof is door hem niet verzonnen, maar getrokken uit de
geschriften van Profeten of Heiligen, waarom de schrijver dan ook
gerechtigd is te zeggen: "Wy stuiten dan met deze goude spreucken, en
inzonderheid met Judas Thaddeus, leerling en afgezant des hemelschen
Leeraers, en Koning aller Koningen, gelyck op een diamanten schilt,
alle de pylen der ongeloovigen, die de zekerheit van der Geesten
afval zouden durven in twyfel trekken."
2. Heilige stof mag door den dichter niet willekeurig veranderd
worden: "we ontkennen geenszins dat heilige stof den tooneeldichter
nauwer verbint en intoomt dan weereltsche historien, of Heidensche
verziersels" (= verdichtsels). De enkele veranderingen, die Vondel
aangebracht heeft, steunen dan ook het gezag van sommige (niet
alle!) godgeleerden.
3. Bijbelstof mag op het tooneel gebracht worden; indien het op de
goede manier gedaan wordt, geeft het geen aanstoot en vooral deze stof
strekt tot leering: "Scholieren, en opluickende jongkheit wordt door
spelen, in talen, welsprekentheit, wysheit, tucht, en goede zeden en
manieren, geoefent, en dit zet in de teere gemoeden en zinnen, een
ploy van voeghlyckheit en geschiktheit, die hun, tot in den ouderdom
toe, byblyven en aenhangen: ja het gebeurt by wylen dat overvliegende
vernuften, by geene gemeine middelen te buigen, noch te verzetten,
door spitsvondigheden en hooghdravenden tooneelstijl geraekt, en
buiten eigen vermoeden, getrocken worden."
[Bouw van het stuk.] Thans willen we het werk zelf bespreken en
daarbij in 't bizonder nagaan, hoe 't volgende telkens voortvloeit
uit het voorafgaande, om zoodoende aan te toonen, dat de compositie
van den Lucifer in waarheid meesterlijk is.
[Oorzaak van de ontevredenheid.] De dichter schildert ons eerst
de jaloerschheid van de engelen: de mensch, die later geschapen is
dan zij, wordt thans in vele opzichten boven hen bevoorrecht. Om dit
goed te doen uitkomen, moet de schildering die Apollion van de eerste
menschen geeft, buitengewoon schoon zijn en niemand zal zeker kunnen
ontkennen dat Vondel hierin volkomen geslaagd is--juist deze verzen
behooren tot de beste uit het geheele treurspel.
In 't bizonder moet nog op het volgende gelet worden:
1. Apollion brengt vruchten mee, die door Belzebub verre gesteld
worden boven 't "hemelsch mann",--dat moet al jaloerschheid opwekken.
2. Het Paradijs is in vele opzichten schooner dan 't verblijf der
engelen, de edelgesteenten die men er vindt, "dooven den glans der
hemelsche starren."