"VRAAGBOEKJE TOT ONDERWIJZING IN DE CHRISTELIJKE LEER."
(Te Amsterdam, bij Mortier Covens en Zoon.)
Alles wat wij weten en geleerd hebben, weten wij uit den Bijbel;
p. 92. [8]
In den Bijbel kunnen geene dolingen voorkomen; want ook het oude
testament werd door Jezus als Goddelijke schrift bekrachtigd. De Bijbel
is eene verzameling van Goddelijke,--door God ingegevene--boeken,
waarin God zelf tot ons spreekt; p. 93 en 95.
Wij moeten den Bijbel als een uitmuntend geschenk der Goddelijke
liefde dankbaar erkennen en deszelfs leer als den eenigen regel van
ons geloof en wandel aannemen; p. 95.
Al hetgeen ik u nu leeren zal, is uit dezen Bijbel getrokken, die voor
ongeveer 1800 jaren te boek is gesteld en onveranderd is gebleven,
zoo als hij hier voor mij op de bank ligt.
God heeft al, wat is, geschapen. God is groot, wijs en goed; ik moet
hem eeren en liefhebben; p. 1.
God schiep twee eerste menschen, een man Adam en eene vrouw Eva, naar
zijn beeld; zij waren wijs, heilig, onsterfelijk en gelukkig; p. 2.
Maar zij werden ongehoorzaam aan het gebod van God; zij aten van de
vrucht van den verboden boom en nu werden zij veranderd in dwaze,
verdorvene en ellendige menschen, die aan den dood onderworpen
waren.--God gaf hun echter eene vertroostende belofte; p. 2 en 3.
Vervolgens vermaande hij de menschen; maar zij luisterden niet naar
hem, neen! de boosheid nam meer en meer toe, zoo dat aan God geen
ander middel overbleef, dan het geheele menschdom, behalve Noach en
zijn huisgezin, te verdelgen en door den zondvloed te verzuipen; p. 4.
Maar helaas! ook dit hielp niet, want de menschen werden, na den
zondvloed, niet wijzer, noch vromer dan de vorige waren; zij zondigden
noch erger en gaven zich over aan Afgoderij; p. 5.
God verliet hen echter niet en gaf hun van den berg Sinaï de tien
geboden: gij zult God alleen aanbidden en geene vreemde Goden
nevens hem hebben, gij zult zijnen naam niet ijdelijk aanroepen,
den Sabbatdag heiligen, uwen vader en moeder eeren, niet doodslaan,
geen overspel doen, niet stelen, geene valsche getuigenis afleggen,
uwes naasten huisvrouw, noch zijn overig eigendom begeeren; p. 10.
Maar ook dit hielp niet veel; de menschen gingen gedurig voort
zwaar tegen God te zondigen. Maar God troostte hen en herhaalde
zijne belofte; om hen eenen toekomstigen Verlosser te zenden. Later
openbaarde God aan David, dat de Verlosser uit zijn nageslacht zou
voortkomen, wiens koningrijk tot de eeuwigheid zou zijn; p. 13 en 16.
Intusschen maakten zich de menschen aan Beeldendienst, Afgoderij en
allerlei gruwelen schuldig. God liet hen telkens door buitengewone
leeraars, Profeten, waarschuwen en strafpredikatien doen, maar ook
dit had weinig nut; p. 17 en 18.
Toen verscheen eindelijk de beloofde Verlosser en werd te Bethlehem,
door de kracht des Heiligen Geestes, uit de onbevlekte maagd Maria
geboren. Op bevel van een engel werd hij Jezus, d. i. Zaligmaker
genoemd. Toen hij door Johannes den Dooper gedoopt werd, daalde de
Heilige Geest zigtbaar op hem neder en eene stem uit den hemel riep:
deze is mijn Zoon, mijn geliefde, in wien ik mijn welbehagen heb.--Wat
kunnen wij nu krachtiger bewijzen verlangen, dat Jezus, te Bethlehem
geboren, waarlijk de lang beloofde Verlosser, de Christus is!? p. 26
tot 29.
Hij had 12 discipelen, die naderhand als zijne Apostelen zijne
leer alom verkondigden. De Farizeën en Schriftgeleerden waren zijne
vijanden, maar hij was door Gods geest onderwezen en sprak gelijk "zijn
Vader" (God) hem had geleerd. De Goddelijkheid van zijne leer bleek
vooral uit de wonderwerken, waarmede hij ze bevestigde; p. 31 tot 34.
Door den haat der Farizeën en Schriftgeleerden werd hij valschelijk
beschuldigd, eindelijk ter dood veroordeeld en gekruisigd. Na zes
uren lijden, gaf hij den geest en werd door twee vrienden deftig en
eerlijk begraven. Dewijl hij heilig en onschuldig was, leed en stierf
hij tot vergeving der zonden; p. 36 tot 40.
Maar op den derden dag is hij uit de dooden opgestaan, gelijk hij te
voren gezegd had, en velen hebben hem gezien.--Dat was ten hoogste
noodig, want daardoor moest blijken dat hij waarlijk de Christus was,
die door lijden in heerlijkheid moest ingaan. Indien Jezus in den
dood gebleven was, had hij ons niet kunnen zalig maken; p. 40 tot 42.
Veertig dagen na zijne opstanding is hij, voor de oogen zijner
discipelen, van de aarde ten hemel gevaren. Daar is hij nu gezeten
aan Gods regterhand, van waar hij eens weder komen zal, om al
de zijnen volkomen zalig te maken.--En zijne discipelen werden,
onder de heerlijkste teekenen uit den hemel, allen vervuld met den
Heiligen geest en verkondigden nu aan alle volken zijne leer; p. 42
tot 45.--Deze leer luidt als volgt.
God is de Vader. Jezus Christus is Gods eenig geboren Zoon. De Heilige
geest is de geest der waarheid, die van den Vader uitgaat. Deze drie
Goden, Vader, Zoon en Heilige geest, zijn de eenige waarachtige God en
wij moeten hun eene gelijke goddelijke waardigheid toekennen.--Want
deze drie zijn een.--Dit begrijpen wij, wel is waar, niet, maar wij
moeten ons verheugen, dat wij God dus uit zijn woord tot zaligheid
hebben leeren kennen; p. 53 en 54.
God is het eenige volmaakte en allerhoogste wezen, een overal
tegenwoordige, alwetende, onveranderlijke en getrouwe, onafhankelijke
en almagtige, goedertierende, barmhartige, lankmoedige, heilige,
regtvaardige en eeuwige Geest.--Hij onderhoudt en bestuurt alles,
ook alle onze daden, door zijne voorzienigheid; p. 54 tot 57.
Behalve de Goddelijke Drieëenheid bestaan nog andere wezens, volkomener
dan wij, namelijk goede en booze engelen. De goede engelen zijn
voortreffelijke hemelgeesten, ten dienste der geloovigen. Maar de
kwade engelen verleiden gaarne de menschen; p. 61.
Wij zijn sedert de ongehoorzaamheid van den eersten mensch Adam
ellendige zondaren en worden uit onze ouders verdorven geboren. Door
de zonde is de dood in de wereld gekomen en zoo zijn aan den dood alle
menschen onderworpen geworden. Wij zijn van nature ten kwade geneigd en
uit het binnenste van ons hart komen voort kwade gedachten.--De zonde
is snoode ondankbaarheid tegen God en zal zwaar gestraft worden in een
onuitblusschelijk vuur, dat geen einde heeft.--Door de zonde worden wij
dus allerellendigst en zouden zonder Gods genade onherstelbaar verloren
geweest zijn; p. 61 tot 63.--Want God was boos op ons en toornig.
Maar Gods toorn bedaarde. Want hij is goed en barmhartig en zond ons
in zijne goedertierenheid een Zaligmaker, een vlekkeloozen heiligen
Verlosser; hij zond ons zijn eenigen Zoon!--Deze heeft door zijn
gehoorzaam lijden en sterven de straf onzer zonden gedragen, en door
dit lijden en sterven is God nu met ons zondaren verzoend en schenkt
ons genade, vergeving der zonden. Gods zoon heeft zich voor ons ten
offer gebragt aan den Vader; p. 64 tot 66.
Gods zoon is nu weder in den Hemel, waar hij voor onze belangen bij
den Vader zorgt. Hij is onze getrouwe voorspraak bij den Vader. Hij
brengt ons in den hemel, en hij is de eenige Zaligmaker, zonder wien
wij niet behouden kunnen worden; p. 66 en 68.
Maar die zaligheid zal eerst dan volkomen zijn, wanneer Jezus komen
zal, om de dooden op te wekken en het laatste oordeel te houden.--De
ure komt, in welke allen, die in de graven liggen, zijne stem zullen
hooren en zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben tot de Opstanding
des levens,--zij zullen zalig gesproken worden en eeuwig bij Christus
en al de Heiligen leven, en die het kwade gedaan hebben, zij zullen
uitgaan tot de Opstanding der verdoemenis! p. 67.
Om zalig te worden moeten wij in Jezus gelooven, ons bekeeren;
wij moeten hartelijk en ootmoedig bekennen, dat hij onze
eenige, algenoegzame en vrijwillige Zaligmaker is, op wien wij
vertrouwen. Zonder dit geloof is geene zaligheid; p. 69.
Wij moeten ons op Heiligmaking toeleggen en Jezus boven alles, zelfs
boven ouders en kinderen, liefhebben; p. 73 en 74.
Wij moeten alle menschen, zelfs onze vijanden liefhebben. Wij moeten
het kwaad en de beleediging ons aangedaan, aan onzen naaste altijd
gaarne vergeven; p. 74 en 75.
Wij moeten nederig zijn, ons zelven verootmoedigen, onze geringheid
en onwaardigheid gevoelen, ons zelven verloochenen en onzen naaste
liefhebben gelijk ons zelven; p. 76 tot 79.
Wij moeten veel gebruik maken van het gebed; p. 80.
Wij moeten God dikwerf danken en met volharding bidden, en wanneer
wij in Jezus naam bidden, dan zal God onze gebeden verhooren; p. 83.
De Hervormde kerk heeft zich van de Roomsche om derzelver dwalingen
afgescheiden; p. 80.
Gij moet u laten doopen om christen te worden.--In den Doop leert
en verzekert God ons de afwassching onzer zonden; maar zij alleen
worden zalig, die de belofte Gods, in den doop aan hen gedaan,
geloovig aannemen; maar die niet geloofd zal hebben, zal verdoemd
worden; p. 88.--De ontvangen Doop verpligt ons om christen te zijn,
zelfs indien wij nog jonge kinderen waren, toen wij gedoopt werden.
Gij moet dikwerf het avondmaal gebruiken.--Want het gebroken brood en
de geplengde wijn beteekent en verzekert ons, dat Christus ligchaam
gebroken en zijn bloed vergoten is tot vergeving der zonden, p. 90.
Elk der vermelde stellingen had Nacht nader toegelicht door er langere
of kortere verklaringen bij te voegen, die ik echter, even als de
bijbelplaatsen, welke hij voorlas, onnoodig heb geacht hier mede te
deelen. Hoe dienstig toch deze ophelderingen moesten beschouwd worden
voor Javasche toehoorders, even overtollig zou eene herhaling er van
hier in Nederland zijn, waar elk scholier met deze leer bekend is. Geen
enkele maal hadden de Javanen mijn broeder in zijne rede gestoord;
allen, zelfs de kinderen, hadden opmerkzaam toegeluisterd; hunne op
elkander gelegde handen rustten op hunnen schoot en velen verhieven
ze van tijd tot tijd en bragten de vingertoppen eerbiedig aan het
voorover gebogen voorhoofd (dat wil zeggen, zij maakten een Sembah),
zoo menigwerf de naam Toean Allah (God) werd genoemd.--Nadat Nacht
zijne rede had geëindigd, vroeg ik hem of hij mij wilde vergunnen
nog eenige woorden er bij te voegen; dit mij bereidwillig toegestaan
zijnde, sprak ik de Javanen op de navolgende wijze toe:
Geliefde Javasche Vrienden! Hetgeen mijn broeder Nacht u zoo even
heeft voorgedragen, is de leer der Christelijk Hervormde kerk,
gelijk zij in Negara-Wolanda (Holland) overal wordt geleerd en
gepredikt. Zij steunt op den Heidelbergschen Catechismus, die op zijne
beurt den bijbel tot grondslag heeft; ongeveer twee derde gedeelte
der bewoners van Holland belijden deze leer. Dewijl echter de bijbel
door de onderscheidene geloofsmannen, priesters, op zeer verschillende
wijze wordt uitgelegd, is niet slechts de Hervormde kerk in zeer vele
sekten verdeeld, maar er bestaat nog eene andere groote hoofdkerk,
welke de Katholieke of Roomsch-Katholieke kerk wordt geheeten en deze
telt het overige derde gedeelte der bewoners van Nederland tot hare
belijders.--Naar de wijsselijk gestelde bepalingen onzer grondwet
mag ieder gelooven, hetgeen hij als zoodanig wil aannemen; ditzelfde
is ook aan u vergund. Wenscht gij misschien Katholieke Christenen te
worden, dan moet gij gelooven: dat in het brood en den wijn bij het
avondmaal het werkelijke vleesch en bloed van Jezus wordt genuttigd,
die voor meer dan 1800 jaren is gestorven,--dat de Paus (zoo noemen
de Katholieken hunnen opperpriester, die te Rome, dat is ver van
Holland, woont) de stedehouder Gods op aarde is, wiens uitspraken
onfeilbaar zijn en wien gij onvoorwaardelijk moet gehoorzamen, ja,
die het regt heeft al uwe zonden te vergeven of te doen vergeven;--gij
moet vlijtig ter biecht gaan; vervolgens moet gij geloof hechten aan de
wonderdadige kracht der relikiën en de heiligen aanroepen, welke bij
God in den hemel uwe voorspraak zijn,--hoofdzakelijk echter moet gij,
behalve God den VADER en den Zoon, ook de heilige Maria aanbidden;
want zij was de--MOEDER--van--Gods--Zoon.
Ter naauwernood had ik deze woorden uitgesproken, of boven het lage
gordijn, dat op den achtergrond der hut was uitgespannen, verhief
zich een man, wiens hoofd met een witten tulband was omwonden. Wij
waren beide, zoowel Nacht als ik, zeer verwonderd in dit kleine
gehucht zulk eene verschijning te zien, maar loochenen konden wij
het niet,--zijne kleederdragt toonde zulks duidelijk aan,--het was
een Mohammedaansche priester. Hij hield eene Maleische overzetting
van koranteksten in zijne linkerhand en met oogen gloeijende van een
onheilspellend vuur en zijne regterhand dreigend opwaarts heffende,
zoo dikwerf een der alhier cursief gedrukte woorden zijn mond ontrolde,
riep hij met eene fanatiek luide, half zingende, half gillende stem:
Gelooft aan God en aan zijne gezanten, doch spreekt niet van eene
drieheid. Er is slechts een, eenige God.
(Koran, 4de soera.)
Maar hoe vele bewijzen er in den hemel en op de aarde ook mogen
gevonden worden voor de eenheid Gods, gij zult die uit het oog
verliezen en u steeds verder daarvan verwijderen.
De meesten, die aan God gelooven, aanbidden te gelijk afgoden.
(Koran, 12de soera.)
Zij zeggen: de Albarmhartige teelde eenen zoon; maar daarmede
spreken zij godslastering, en weinig verschilde het, dat de hemel werd
vaneengereten en de aarde zich opende, en de bergen instortten, dewijl
zij het durfden wagen den Albarmhartige kinderen toe te schrijven,
dien het niet voegzaam is kinderen te verwekken. Niemand in den hemel
en op de aarde mag den Albarmhartige naderen, dan slechts om zijn
dienaar te willen zijn.
(Koran, 19de soera.)
Na deze onverwachte slotrede verlieten wij zwijgend de hut; stil,
bijna beangst slopen de Javanen weg. Nacht verkeerde blijkbaar in
eene onaangename stemming en was met zich zelven in tweestrijd. Ik
was nog minder bevredigd dan hij, ja, ik was treurig gestemd en
gevoelde geene neiging om te slapen. Nacht trad onze hut binnen. Ik
begaf mij naar den rand der kloof, waar ik mij in den maneschijn
nederzette. Ik trachtte harmonie en rust voor mijne ziel te putten
uit de beschouwing der natuur, der levende schepping van den goeden
God en--vond die. Terwijl, op mijn verzoek, de Gamelan de toonen van
zachte melodiën in de verte deed hooren, die plegtig en droefgeestig
schoon door het eenzame dal weêrklonken,--terwijl elk geruisch in de
diepste nachtelijke stilte verzonken lag, viel ook ik eindelijk in
slaap. Mijne bedienden wekten mij niet, maar legerden zich, om mij
voor gevaren te hoeden, rondom mij en--zij sliepen nog, toen ik den
volgenden morgen op dezelfde plaats ontwaakte.
Gedurende den loop des daags hadden wij ons met kruidkundige en
geologische onderzoekingen onledig gehouden en waren nu weder
bijeenvergaderd in dezelfde hut, alwaar Nacht gisteren avond zijn
evangelie gepredikt had. Het was reeds 6 ure en nog was onze bode
niet teruggekeerd. Gisteren was ik een toehoorder van Nacht geweest,
nu zag ik hem in de rij mijner toehoorders en bemerkte insgelijks
den Mohammedaanschen priester, die zijn incognito nu had afgelegd,
onder de overige Javanen.--Ik deelde hierop den Javanen, deels bij
wijze van korte uittreksels, deels met uitvoerige verklaringen,
het navolgende mede.
Voor mij op eene bank had ik eene aard- en hemelglobe, een sextant en
kunstmatigen horizon, een verrekijker, een chronometer, een barometer,
een thermometer, een psychrometer, een kompas, een kunstmagneet,
een microscoop, een aräometer van Nicholson, een driezijdig prisma,
eene draagbare camera obscura, een daguerréotypetoestel, een kastje met
scheikundige reagentia en andere dergelijke werktuigen der toegepaste
wetenschap, als zinnebeelden van mijn geloof, ten toon gesteld.