1. HET SUBJECT VAN INDIVIDUEEL BEWUSTZIJN.

Ik ga dus nu het „naief” object-realisme van ongeveer ieder van mijn

lezers weerleggen, door te bewijzen, dat het onbewust dogmaties is.

[38] En ik zeg hem erbij, als mij deze weerlegging niet lukt, ligt dat

alléén aan mij, niet aan de zaak zelve. [39]—Ook reken ik er op, dat ge

realisties en wetenschappelik genoeg gevoelt om een instinktieve afkeer

van, een hekel aan, deze Kantse leer te hebben, die u het tastbaarste,

het zekerste, uw eigen ervaring en die der hele natuurkunde, schijnt te

willen wegredeneren, om er iets geheel onervaarbaars, „buitenissigs”,

voor in de plaats te stellen. [40] Want het is waar, wij willen

aantonen, bewijzen, dat er zonder subject... evenmin vorm of grootte of

beweging, stof of kracht met heel de ruimte daarbij, bestaat, als kleur

of klank! Heel de natuur, en heel haar ruimte, heel de ruimtelike,

zinnelike wereld, dus het onmetelik heelal der astronomie... in de

letterlikste zin slechts een produkt van subjectiviteit, van waarnemen

en denken!—Is er iets absurders denkbaar? We zullen zien. Gij zijt,

hoop ik, genoeg natuurwetenschappelik „gevormd” om te weten, „dat er

geen kleuren of klanken bestaan”,... dat kleuren „eigenlik”

aethertrillingen „zijn” van bepaalde, precies berekende snelheid en

lengte,... en klanken niets dan luchttrillingen. [41]

Het is een feit, dat deze orakeltaal: kleur, licht „is”

aethertrilling... (of: is een „beeld” of „gevolg” van aethertrilling,

of deze „wordt waargenomen als” licht, kleur, enz.) al heel wat arme

pro- en contra-naturalistiese geesten van de wijs heeft gebracht. Laat

ons dan eens zien, wat we daarvan al of niet hebben te aanvaarden.

Wat een kleur-gewaarwording is, rood, wit, groen, weet gij allen

precies en volkomen uit onmiddellike ervaring... tenzij gij

ongelukkigerwijs „kleurzin” mist... en dan is geen nòg zo diep denken,

geen nòg zo scherpe definitie, geen nòg zo duidelike, beeldende

beschrijving, laat staan een aethertrilling-formule, in staat, u ook

maar een zweem van een voorstelling te geven van wat met „kleur”

bedoeld wordt.—Rood enz. is inhoud van een zgn. „gewaarwording”, iets

wat ervaren wordt,—iets „psychies”, iets „bewusts”. Met een

gewaarwording bedoelen wij eo ipso iemands („mijn” of „uw” of eens

anders) gewaarwording. Hij die gewaar wordt, die de gewaarwording

„krijgt” of „heeft”, heet het Subject der gewaarwording. Dus: geen

gewaarwording zonder Subject. Dat is wat wij bedoelen met het

„psychiese”, dat het de belevenissen van een „Subject” zijn: gedachten,

gemoedsaandoeningen, waarnemingen,—ze zijn absoluut zinledig zonder

denkend, lijdend of zichverheugend, waarnemend Subject. [42] Met

Subject vrijwel synoniem in deze zin is: geest, zelf, ziel, bewustzijn,

ik [43], maar daar deze alle in velerlei afwijkende zin worden

gebruikt, houd ik mij aan ’t woord Subject, daar dit uitsluitend en

afdoende de biezondere betrekking aanduidt van het bewuste, geestelike,

psychiese tot eigen „inhoud”. Dit subject nu heeft belevenissen,

ervaringen, [44] en deze zijn „psychies”, individueel en worden als

zodanig door niemand anders of ervaren of gekend, en door het Subject

onmiddellik zó gekend, zó ervaren als ze zijn, daar ze ex hypothesi,

per definitionem, niets zijn dàn deze z’n ervaringen. [45]

Dit zijn (of schijnen altans) allerelementairste waarheden, uit wier

miskenning, verwaarlozing of zelfs loochening niettemin enige der

belangrijkste filosofenrichtingen van onze tijd leven!

Wat kunnen we nu beleven, onmiddellik ervaren? Ieder subject

uitsluitend zijn eigen belevenissen. [46] Dit is het énig ons

„gegevene”, het uitgangspunt van alle wijsbegeerte, alle

wereldbeschouwing, alle wetenschap. Op het vervolg vooruitlopend zou ik

hier reeds kunnen inlassen, dat geen Subject ooit iets ànders ervaart

dan zijn eigen belevenissen,—dat wij kennistheoreties (wat nog niet wil

zeggen: ontologies) in de volste zin van ’t woord: vensterloze monaden

zijn. Dit geniale woord van Leibniz behoeft slechts uit het

metaphysiese, transcendente rijk van het Zijn in het kennistheoretiese,

immanente rijk van het Bewustzijn te worden overgebracht—om de kiem te

worden van heel de waarnemingskritiek; een kritiek, die negatief

neerkomt op deze grondgedachte: Waarneming is nimmer reproductief. [47]

2. DE „SECUNDAIRE” EN DE „PRIMAIRE” EIGENSCHAPPEN HEBBEN GELIJKE

SUBJECTIEVE OORSPRONG EN ZIJN GELIJKELIK OBJECTIEF.

Zijn dus eigen belevenissen het énige „gegevene”, evenwel beschouwt

ieder onzer, filosoof of niet, een gedeelte daarvan als doorgaans

veroorzaakt door iets ànders dan hij zelf is, door een niet-ik. [48]

Welk gedeelte? De gewaarwordingen, al wat onze zgn. „zinnen” ons

leveren: geluid-, licht-, kleur-, reuk-, tast-, smaakgewaarwordingen,

ja, het naieve denken beschouwt de zinnen als de „vensters”, waardoor

men onmiddellik uit kan kijken in de wereld rondom, in het niet-ik,

neemt aan, dat ons „waarnemen” een reproductie, een afbeelding is van

iets anders, dat onafhankelik van ’t waarnemend Subject bestaat.

De inhoud der gewaarwording (rood, rond, zoet, geurig) wordt als trouwe

reproductie, als welgelijkend portret, als kopie beschouwd van een

eigenschap, die tot het niet-ik, de „buitenwereld”, behoort—en waaraan

ons gewaarworden niets of zo weinig mogelik verandert.

Wat bedoelt nu de natuurkunde, als zij met Locke de zgn. secundaire

qualiteiten „subjectief” noemt in tegenstelling tot ’t „objectieve”?

Haar leer, dat er geen kleuren, geen licht of duister (11), geluid noch

stilte, geen zoet of bitter of warm of geurig bestaat buiten ons,

onafhankelik van het gewaarwordend Subject, wil dan zeggen, dat dit

alles uitsluitend gewaarwordingsinhoud is,—dus niet reproductie door

het Ik van wat reeds kleur of geur of klank enz. wàs, maar ... produkt

van de Geest, van het Subject;—dat het uitsluitend voor en door een

gewaarwordend Subject ontstaat en bestaat.

Men drukt dit vaak onnauwkeurig en verwarrend aldus uit: zonder oog

geen licht, zonder oor geen geluid, enz.—Die schijnbaar nietige, maar

echt naturalistiese, fout heeft al heel wat verwarring en onheil

aangericht. Immers, dat oog kijkt niet, een oor, dat zou moeten horen

heeft (in dubbele zin) geen zin,—zien, horen, proeven, in één woord:

„gewaarworden” is slechts eigen aan, een „functie”, een verrichting,

een belevenis van ... een Subject, dat weten we nu ééns en voor goed—al

waren er honderd ogen en geen ziend Subject,—er ware geen licht enz.

(12)—Dus: zonder Subject noch licht noch duister, klank noch kleur of

geur. Dit alles „weet” tegenwoordig iedereen, maar is ook ieder zich

daarvan bewust, doordrongen van de strekking en betekenis? Heeft men

wel ooit overwogen, dat dus het gezichtsvermogen alléén alle lichten

van hemel en aarde ontsteekt, dat alléén de gehoorzin al luisterend de

wereld vervult van geluid? Dat er in concreto, in werkelikheid, geen

ongezien licht bestaat? Was ik het eerstgeborene Subject, dan zou er

vóór mij noch duisternis noch licht, geen kleur noch toon ter wereld

hebben bestaan. [49] Maar—zo denkt de door natuurwetenschap verlichte

lezer ... zo er al geen „licht” was, er was toch de „oorzaak” aller

lichtgewaarwordingen,—er was toch trillende aether,—en zo al geen

klank, dan toch golvende lucht,—de „materie”, de stof, met haar

onvergankelike kleinste deeltjes wentelde, wervelde, wemelde van

eeuwigheid her in de eindeloze Ruimte.

Maar daar staat nu de kenniskritiek en spreekt: Gij hebt gehoord, dat

tot de ouden gezegd is—er is slechts stof en kracht in de ruimte, maar

ik zegge u: ook stof èn kracht èn ruimte zijn ganselik niet—dan binnen

in u!

Wederom dus: ons bewustzijn alléén heeft alle stof en alle kracht en de

ruimte met heel haar oneindigheid,—héél de zinnelike wereld geschapen.

Was ik het eerstgeboren Subject, dan zou er vóór mij evenmin stof of

beweging of ruimte bestaan hebben—als licht of duisternis. [50]

Ziedaar de geweldige leer der „phaenomenaliteit” van de materiële

wereld. Met één slag wordt het „naief realisme”, de physica-metaphysica

van kerk en volk en „wetenschap” geveld,—weggevaagd heel de wereld

waarop zij stonden ’t zij tot supra-naturalistiese „negatie”, ’t zij

tot naturalistiese „affirmatie”.

De geest is van de Natuur niet alleen de wetgever, zoals Kant zeide,

maar zelfs de „formele” schepper, de subjectieve bestaansgrond, de

conditio sine qua non, het Prius. En dit is de bescheidenste

formulering, die ooit van het wezen onzer waarneming kan worden

gegeven.

Stel u gerust, ontstelde lezer. De paradoxale schijn berust geheel op

een misverstand, en wel: uw realistiese opvatting van het begrip

„Natuur”. Onze geest is geen Zeus of Jahweh redivivus. Hij schept geen

nieuwe werkelikheden, geen „zelfstandige dingen” ... die kent hij zelfs

niet eens—het enige nieuwe, dat hij „schept” [51], „produceert”, „te

voorschijn brengt” („setzt” zegt de Duitse kennisleer),—is de wijze,

waarop hij zelf reageert op de werking der werkelikheid, zijn de

veranderingen, „modificaties”, die hij zelf ondergaat, ervaart,

beleeft.—Het waarnemend Subject kan nergens en nooit buiten zich zelven

treden of kijken, zich „te buiten gaan”,—het ervaart, aanschouwt nooit

iets anders dan eigen belevenis,—en niets anders, niets van enig

niet-ik kan ooit het Subject binnendringen. [52] Wij behoeven vooreerst

niets te doen, dan dezelfde gedachtengang, die de natuurwetenschap

sinds lang heeft aanvaard voor Locke’s zgn. „secundaire eigenschappen”,

konsekwent te volgen, ook voor de zgn. „primaire”,—ook voor massa,

gestalte, grootte, beweging (kracht), voor alle meetkundig-mechaniese

eigenschappen. [53] Wij zullen gaan aantonen, dat ze precies even

„secundair” zijn, even ... subjectief (of „objectief”) en op dezelfde

gronden als kleur en temperatuur en geluid. Op dit punt altans zijn

Kant en Berkeley het volkomen eens. [54]

Het enige, wat we ooit van enig niet-ik kunnen bemerken, zijn onze

„gewaarwordingen”, de enige belevenissen, die we op rekening stellen

van een niet-ik. De enige „eigenschap”, die we dus ooit aan enig

niet-ik door waarneming kunnen leren kennen,—is deze relatieve: het

vermogen, een subject zekere gewaarwordingen te verschaffen, dus tot

het produceren van bepaalde gewaarwordingen te dwingen. Als voorbeelden

zullen we nemen kleur en gestalte,—b.v. van „een rode bal”, van 1 dM.

middellijn, die vóór mij op tafel ligt. Wat bedoelt nu iedereen, als

hij zegt dat zulk een voorwerp „rood” is? Niets anders, dan dat elk

Subject (met normale kleurzin) onder bepaalde omstandigheden (als hij

er naar kijkt) een roodgewaarwording krijgt. Ook de kennisleer bedoelt

niets anders, en ontkent niet dat er in deze zin objectief „rode

dingen” zijn. [55] Wat zij ontkent en weerlegt is slechts dat deze

„dingen” of „objecten”, i.c. de rode bal, de oorzaak zouden zijn van

onze (rood-rond-)gewaarwordingen, en dus als zodanig, vóór en

onafhankelik van de gewaarwordingen, zouden bestaan of die

gewaarwordings-inhoud tot eigenschap hebben.

Het verschil tussen het realisme en de kritiek heeft betrekking op dat

„krijgen” der gewaarwording, op aard en wezen van de oorzaak

onafhankelik van ons, die ons die gewaarwording en haar bepaalde inhoud

„geeft”. Want aan elke gewaarwording valt een gewaarwordings-inhoud te

onderscheiden. Deze is hier: rood, het rode.—Hoe is nu deze inhoud te

verklaren? Hoe kom ik aan deze bewustzijnsinhoud?—Het „naief realisme”

van elk onbevangene, van elk, die nimmer van natuurkunde heeft

vernomen, antwoordt: doordat er een ding daarbuiten bestaat, dat een

eigenschap heeft (onverschillig of ’t wordt waargenomen of niet), gelijk

aan de inhoud mijner gewaarwording—zodat ik eenvoudig deze eigenschap,

dit „roodzijn”—waarneem, bemerk. Mijn gewaarwordingsinhoud „rood” is

een ongeveer volkomen gelijkend spiegelbeeld of portret van deze

eigenschap „rood”! (13)—De kritiek daarentegen antwoordt: Ik krijg die

bepaalde gewaarwordingsinhoud niet, doordat een ding („de rode bal”)

met reeds zinnelike eigenschappen (rood, rond, enz.) deze eigenschappen

in mij reproduceert, of hoe dan ook overbrengt,—maar doordat iets

niet-zinneliks (het „reale” van de rode bal—verklaring zie beneden pag.

75 ss.) die waarnemingsinhoud in mij produceert en door deze betrekking

tot mij en andere soortgelijke subjecten eerst zinnelike eigenschappen

krijgt.

Er is maar heel weinig nadenken en in ’t geheel geen

zintuig-physiologie voor nodig, om de onhoudbaarheid van eerstgenoemde

verdubbelende „reproductie”-, „kopie”- of „spiegel”-theorie in te zien

(14) en toch is het nog de algemene opvatting, voor de „secundaire”

eigenschappen van heel de massa, voor wie de natuurkunde niet bestaat,

en voor de „primaire” qualiteiten... zelfs van ongeveer alle

natuurkundigen en physiologen er bij—ja zelfs van kennistheoretici

[56]. Twee overwegingen, reeds in extenso gegeven door Berkeley [57],

weerleggen deze leer volkomen:

1°. Al had het niet-ik onafhankelik van de gewaarwording reeds een

eigenschap gelijk aan, of ook maar gelijkend op, overeenkomstig met, de

gewaarwordingsinhoud (kleur, beweging, gestalte) ... dan zou nog niet

één enkel subject daar ook maar ’t minste of geringste van kunnen te

weten komen—nooit is iets anders gegeven dan gewaarwording (ook bij ’t

„diepste”, „innerlikste” onderzoek, van scheikunde of mikroskopie)—en

met de werkelikheid onafhankelik van deze is dus elke vergelijking

absoluut uitgesloten [58]. (15) Wij hebben hier dus het voorbeeld van

een syntheties oordeel a priori zonder denkbare kennisbron—dus van een

als zodanig verwerpelik... „dogma”!

2°. Deze gelijkheid, die dus volgens de eerste overweging enkel

„dogmaties”, geheel willekeurig, zonder enige redelike grond, kan

worden aangenomen, en een wonderlike, onbegrijpelike harmonia

praestabilita benevens een geheel onnodige verdubbeling zou vergen,—is

bovendien nog onmogelik, ondenkbaar, een zinledigheid. Want wat ons

enkel bekend is als een psychiese waarde, als een aandoening,

belevenis, modificatie van een Subjekt, als Bewustzijnsbiezonderheid

(zie p. 27), hoe zou datzelfde „rood” b.v. denkbaar zijn ... zonder

Subjekt, zonder Bewustzijn! Men begrijpt dus zonder moeite, dat in deze

zin het Bewustzijn het prius is (natuurlik dus niet in tijdelike zin van

iets dat „voorafgaat”, maar in de logiese zin van iets dat

voorondersteld, noodwendig inbegrepen is, als mogelikheidsvoorwaarde)

[59] niet alleen van alle gewaarwordingen als zodanig, maar ook van

alle gewaarwordings- of zinnelike eigenschappen, dus ... van heel de

materie, daar deze, als zodanig, geen andere dan zinnelike, i.e. op de

zinnen, de waarneming betrokken, eigenschappen heeft.

Zoveel staat ons dus nu reeds vast: de inhoud der gewaarwording kan

niet een afbeelding, overname, zijn van eigenschappen van het niet-ik,

die onafhankelik van alle waarneming toch met die inhoud zouden

overéénkomen. Het niet-ik heeft dus al deze (zinnelike) eigenschappen,

de kleur, de vorm, uitsluitend aan mogelike waarneming te danken,

zonder deze kan het geen „kleur” hebben—maar evenmin vorm of grootte.

Het eerste geeft zelfs het naturalisme toe, het laatste niet.—Maar deze

algemene overwegingen zijn toch reeds voldoende om enige van de ergste

misvattingen van het phaenomenalisme uit de weg te ruimen.

Laten we dus tot goed begrip ons bij dat eerste bepalen. Vóór ons ligt

nog de rode bal. De kleur heeft hij te danken aan de kleurzin. Maar is

en blijft die bal dan niet rood, ook al wordt hij door geen sterveling

ooit gezien, evenals ’t een of ander rood gesteente, dat onontdekt

ergens in de aardkorst schuilt? Zeer zeker. Maar wat betekent dat „rood

zijn”? Niets anders dan dit: àls een subjekt met bepaald soort

(„normale”) kleurzin er naar kijkt, ondergaat het een verandering,

genaamd: het „krijgen” van een roodgewaarwording,—het wordt m.a.w.

genoopt, genoodzaakt, de gewaarwordingsinhoud „rood” te produceren

[60].

De subjectiviteit der kleuren wil dus noch voor de natuurwetenschap

(voor wie het An-sich, de „oorzaak” in het niet-ik, aethertrillingen

zijn, die ze onafhankelik van waarnemende Subjecten acht, evenals de

niet-natuurkundigen ’t doen met de kleuren!) noch voor Kant zeggen, dat

het van ons willen en believen of alleen van onze geest zou afhangen,

b.v. rood of blauw, donker of licht te zien, of dat er geen verschil

zou bestaan tussen kleur-, klank-, bewegings- enz. hallucinatie en

-waarneming. [61] Deze tegenwerping ligt toch zo voor de hand: voor de

naieve opvatting is de waarneming reproductie,—de hallucinatie

productie, en zo is ’t een aardige naief-gedachte formulering, als

Taine, tot het inzicht gekomen dat de waarneming nooit reproduceert,

haar een „ware hallucinatie” noemt!

3. DE OBJECTEN ALS „PHAENOMENA”, AFHANKELIK VAN HET SUBJECT DER NATUUR,

ZIJN ALS ZODANIG „IMMANENT” EN REIKEN NIET TOT HET „AN-SICH”, ZIJN NIET

OORZAKEN, MAAR DERIVATEN VAN GEWAARWORDING.

Wat betekent nu „objectief” (b.v. objectief wit krijt!) en wat is de

kennistheoretiese betekenis der objecten (de ruimtelike „dingen”,

„voorwerpen” als tafels, bergen, planten, mens- en dierlijven, dus de

objecten aller natuurwetenschappen, de natuur)? Te zeggen is het met

één enkel woord: ze zijn „Erscheinungen”, „Phaenomena” [62] (17). De

duidelike omschrijving, de nauwkeurige formulering is minder

gemakkelik. We kunnen zeggen: een object is een denkbeeldig (dus

abstract) (18) samenstel („systeem”, „synthese”) van mogelike

gewaarwordingsinhouden, mogelik (resp. noodwendig, bij vervulling der

waarnemingsvoorwaarden) voor een denkbeeldig universeel subject met

soortgelijke (doch ideaal ontwikkelde) zinnen als de onze, mogelik dus

ten dele (resp. noodwendig op bepaalde voorwaarden) voor elk subject

als gij en ik.

Het plasties zien [63] en de daarmee geassocieerde herinnering aan

eventuele tast- en bewegingsgewaarwordingen, helpen onze

verbeeldingskracht deze objecten, geheel abstracte systemen van

mogelikheden als zij zijn, hypostaseren, verzelfstandigen voor onze

geest tot de ruimtelike concreet „voorgestelde” zicht- en tastbare

„dingen”.

De (objectieve) „natuur” is niets anders dan het geheel dezer objecten

of ruimtedingen of phaenomena,—in hun onderling verband van samenzijn

en veranderen, gelijk dit als gevolg der werking van onderstelde

„natuurkrachten” begrijpbaar wordt gemaakt en wiskundig geformuleerd in

de zgn. „natuurwetten”; ook deze „krachten” en „wetten” zijn dus,

kennistheoreties gesproken, zuiver „immanent” of „phaenomenaal”, gelden

slechts ten aanzien van phaenomena, zijn dus afhankelik van

vooronderstelde waarnemingsmogelikheid oftewel subjectiviteit en staan

als zodanig tegenover Kant’s An-sich, tegenover de metaphysiese of

transcendente werkelikheid. (19)

Het is dus louter verbeelding (in dubbele zin) dat aanschouwing zonder

meer ons reeds objecten zou leveren (Schopenhauer) in plaats van

individuele waarnemingen. Het denken alleen echter (Cohen) brengt het

te minder tot objecten, waar het zelfs de simpele gewaarwording niet

verschaffen kan. Uit denken en waarnemen samen componeert de geest zijn

voorwerpen, gebonden aan, bepaald door, eigen wettelikheid („vormen”)

en door ervaring gegeven „inhoud”.

Uit de inhoud van onze werkelike gewaarwordingen componeren wij (van

„synthese” spreekt het Kantisme) zuiver hypotheties de voor ons ten

allen tijde en voor alle normale subjecten [64] geldige

gewaarwordingsmogelikheden, en onze geest beeldt heel zo’n eindeloze

reeks eventualiteiten met zijn taal door een enkel woord („een rode

bal”), een wonder van geniale ekonomie, als alleen de selectie der

aeonen kan voortbrengen. Zo „objectiveren” wij de inhouden onzer

gewaarwordingen, een gissen [65], waarbij altijd ver-gissen mogelik is

(hallucinaties, illusies, zgn. „zinsbedrog” in dromen, hypnose enz.),

maar wij blijven daarbij geheel binnen het gebied van mogelike

gewaarwordingen en waarnemingen, van „mogelike ervaring”, van

bewustzijnswaarden, van slechts voor (en door) een waarnemend Subject

bestaande werkelikheid, van het „Immanente”. Het Subjekt, de

subjectiviteit, het „Bewusstsein überhaupt” is het prius, de conditio

sine qua non, van heel deze „empiriese realiteit”.

Haar „eigenschappen” zijn louter betrekkingen tot dat Subject—denkt men

dit weg—dan is heel die wereld mee verdwenen (cum grano salis: „ohne

Gedanken kein Phosphor”). Wat de zon is voor de jaargetijden, dat is dus

de geest voor de stof. Denken wij ons nu, gelijk wij allen doen zonder

uitzondering, van kind tot Kant, en van Hegel tot Ziehen—(zelfs Fichte

of Berkeley dacht niet anders!) onze gewaarwordingen veroorzaakt door

een Niet-Ik,—dus als een verandering die ons Ik ondergaat, dank zij de

inwerking van iets anders, van de werkelikheid, van het van de geest

onafhankelik-gedacht bestaande of zijnde, van het „Ding-an-sich” [66],

dan is het dus ook duidelik, dat we door al onze „ervaring”, door alle

waarnemen, door welk nog zo diep of inwendig onderzoek ook (20), zij

het met behulp van mikrotoom en mikroskoop, met chemie, met

spectraalanalyse, nooit van dat An-sich, van enige eigenschap, die iets

„op zich zelf” heeft (onafhankelik van waarneming) ook maar een zweem

leren kennen,—zelfs van een naderen of benaderen van het An-sich (zoals

enige Kant’s „An-sich” verdonkeremanende „Neo-Kantianen”, als Cohen en

Windelband en vooral Natorp en König willen) kan dus voor Kant en voor

ons geen sprake zijn:

(K. d. r. V. p. 67) „Wenn wir diese unsere Anschauung auch zum höchsten

Grade der Deutlichkeit bringen könnten, so würden wir dadurch der

Beschaffenheit der Gegenstände an sich selbst nicht näher kommen. Denn

wir würden auf allen Fall doch nur unsere Art der Anschauung, d.i.

unsere Sinnlichkeit vollständig erkennen,... was die Gegenstände an

sich selbst sein mögen, würde uns durch die aufgeklärteste Erkenntniss

der Erscheinung derselben, die uns allein gegeben ist, doch niemals

bekannt werden.”

(p. 68)... „so dass wir durch die erstere [sc. die Sinnlichkeit = het

waarnemingsvermogen] die Beschaffenheit der Dinge an sich selbst... gar

nicht erkennen, und, sobald wir unsere subjective Beschaffenheit

wegnehmen, das vorgestellte Object mit den Eigenschaften, die ihm die

sinnliche Anschauung beilegte, überall [oud voor überhaupt] nirgends

anzutreffen ist, noch angetroffen werden kann”. [67]

Wat wij dus kunnen „waarnemen”, „kennen” van het niet-ik, van het

Zijnde onafhankelik van ons Zelf, zijn alleen de wijzigingen, die een

Subject bij ’t gewaarworden ondergaat, doordat het zijn zinnen

„afficirt” [68] en zover wij onze gewaarwordingen als door dat niet-ik

veroorzaakt beschouwen, levert hun inhoud dus niets van de werkelikheid

zelve, maar slechts een heterosubjectieve functie (in mathematiese zin)

van de werkelikheid. Heel de ruimtelike wereld, het objectief Heelal,

is dus niets dan een ondersteld, fictief, potentieel, abstract systeem

van subjectieve werkingen van het Zijnde, een „attribuut” der

„Substantie”, gelijk zij er oneindig, immers willekeurig, vele heeft,

grover gezegd: de vertolking van het Zijnde in de taal der zinnen [69]

(ik zeg hier overal opzettelik „zin” en niet „zintuig”, want dit

laatste is alweer „object”, lichaamsdeel, ruimteding, dus phaenomeen,

terwijl de zin als geestesvermogen, geestelike functie, tot het prius

aller objecten behoort, deze pas „mogelik maakt”) en wij weten zeker

dat dit Zijnde zelf, als transobjectieve, dus in die zin transcendente

oorzaak (21) onzer gewaarwordingen, op zichzelf geen enkele eigenschap,

aan de gewaarwordingsinhoud ontleend, kan hebben. (22)

4. HET TRANSOBJECTIEVE („AN-SICH”) ALS OORZAAK VAN GEWAARWORDING KAN

NIET GEKEND, MAAR MOET ALS WERKELIKHEID GEDACHT WORDEN.

Wel echter spreekt het vanzelf dat ook voor Kant de aard onzer

gewaarwordingen mede bepaald wordt door het transobjectief „afficirend”

An-sich (de bovengenoemde An-sich-loochenaars laten ons door de

immanente „objecten” affizieren, de objecten die als zodanig aan dat

Affizieren.... hun ontstaan te danken hebben!). Wat zou Kant zich

verbaasd hebben over de voortwoekering van het misverstand, als zou de

aanname van een Ding-an-sich een „inconsequentie” geweest zijn...

immers hij zelf had het transcendent „gebruik” der Kategorieën

„verboden”, onmogelik gemaakt, dus ook die der „werkelikheid” en

„causaliteit” bij ’t „Affizieren”. Zo Hartmann b.v. e tutti quanti! Ook

Windelband en heel ’t teleologies apriorisme (Rickert vooral)—bij ons

te lande wijlen Prof. Bellaar Spruyt en een enkele zijner

leerlingen—menen ’t An-sich te moeten laten vallen! Zij allen vergeten

het fundamentele verschil, door Kant gemaakt tussen waarnemen, beleven

(= „erkennen”) en denken (= „erwägen”). Denken kan ik zonder zweem van

de befaamde, door Maimon uitgevonden, contradictie (zolang ik maar

zonder contradictie blijf, „wenn ich mir nur nicht selbst widerspreche”

K. d. r. V. Vorr. z. 2. Ausg.), „was ich will”—zo goed het niet- als

het ongekend-bestaande, goden en duivels, het niets, het An-sich, eens

anders bewustzijn zo goed als het onbewuste, √-2, etc. etc. Maar

kennen, beleven, waarnemen (of weten als mogelike ervaring) kan ik

alléén het aan zinnen en verstand „gegevene”, de werkelike (of

mogelike) „Modificationen des Gemüts” (23). Een Ander-Ik b.v., een

geest, is wonderwel te denken, maar onmogelik waar te nemen (—wat

jammer is voor de clairvoyante geestenzieners als Leadbeater c.s.

[70]—). Ja zelfs noemt Kant de niet-kenbare dingen terecht slechts

denkbaar, „intelligibilia”, elders „Gegenstände des Denkens”.

Ieder uwer heeft zonder moeite een „Ander-ik” gedacht, nu ik het noemde

(b.v. een van zijn kennissen) en daarbij geenszins de zonderlinge waan

gehad, dat het bestaan van dit andere Subjekt afhankelik zou zijn

van... dit gedacht worden door u of mij!—’t Wordt waarlik tijd, dat die

diepzinnige Fichteaanse vraag, „of iets dat niet gedacht is, iets

anders dan een gedachte, gedacht kan worden”... uit de

kennisleerbetogen verdwijne.—Ze berust geheel op de dubbelzinnigheid

van „iets denken”... waar „iets” 1°. prolepties de gedachte zelf kan

betekenen, 2°. het in overweging genomen „bedoelde”, „voorgestelde”

„voorwerp” of „onderwerp” van ’t denken. Dit „bedoelen” of „meinen” is

dus volstrekt geen nieuwe vinding, die Kant „verbetert” (aldus Thiele

c.s.) maar zuiver Kants.—En wie ook de gewaarwordingen zelf, het

waarnemingsmateriaal, tot „gedachten” maakt en de waarnemingsvormen (de

ruimte b.v.) tot „kategorieën” (Cohen) heeft met dit Intellectualisme

Kant’s leer ten grondigste bedorven. [71]

Toegegeven dient, dat bij Kant de juiste opvatting, dat kategorieën,

als denk „vormen”, eo ipso moeten gelden ten aanzien van al wat gedacht

wordt, dus zin, betekenis houden ten aanzien van het transcendente, het

„intelligibele”, zodat dit kategorieel kan worden gedacht, gekruist

wordt door een andere leer, die de kategorieën, juist wijl zij, bij

Kant, geen zuivere denkvormen zijn in de hun toebedeelde objektvormende

functie, ten aanzien van het transcendente zinledig acht, hun èlk

„gebruik” (ook tot „denken”, niet slechts tot „kennen”), elke betekenis

dienaangaande ontzegt.

Naar eerstgenoemd redebeleid luidt § 22 (van de Transcendentale

Deduction der reinen Verstandesbegriffe): „Die Kategorie hat keinen

andern Gebrauch zum Erkenntnisse der Dinge, als ihre Anwendung auf

Gegenstände der Erfahrung.” en waarschuwt Kant uitdrukkelik bij § 27,

als hij zijn resultaat aldus formuleert: „Folglich ist uns keine

Erkenntniss a priori möglich als lediglich von Gegenständen möglicher

Erfahrung.” in een noot: „Damit man sich nicht voreiliger Weise an den

besorglichen nachtheiligen Folgen dieses Satzes stosse, will ich nur in

Erinnerung bringen, dass die Kategorien im Denken durch die Bedingungen

unserer sinnlichen Anschauung nicht eingeschränkt sind, sondern ein

unbegrenztes Feld haben, und nur das Erkennen dessen, was wir uns

denken, das Bestimmen des Objects, Anschauung bedürfe, wo, beim Mangel

der letzteren, der Gedanke vom Objecte übrigens noch immer seine wahren

und nützlichen Folgen auf den Vernunftgebrauch des Subjects haben

kann”... In dezelfde sfeer ontwikkelt zich dan heel zijn „intelligibele

Causalität”, met haar „praktiese” uitwassen, en haar zuivere

theoretiese kiem, te vinden in het hoofdstuk over de onderscheiding van

Phainomena en Nooemena [72] (p. 226): „Vom Begriffe der Ursache würde

ich, (wenn ich die Zeit weglasse, in der etwas auf etwas Anderes nach

einer Regel folgt) in der reinen Kategorie nichts weiter finden, als

dass es so etwas sei, woraus sich auf das Dasein eines Andern

schliessen lässt”.

De tweede opvatting vindt men in hetzelfde hoofdstuk in de 2e druk

aldus geformuleerd: „Wo diese Zeiteinheit nicht angetroffen werden

kann, mithin beim Noumenon, da hört der ganze Gebrauch, ja selbst alle

Bedeutung der Kategorien völlig auf” (p. 685). [73]

Wij kunnen ons echter met Kant’s kategorieënleer hier niet langer

ophouden, [74] maar hebben, nu wij weten, hoe het transobjectieve

krities denkbaar is, nog op deze twee vragen te antwoorden:

Moogt gij met Kant het An-sich, toegegeven dat het zonder

zelfweerspreking wordt gedàcht, ook als werkelik aannemen, als

transobjectieve oorzaak onzer gewaarwordingen? Is dit niet in strijd

met Kant’s causaliteitsleer—en afgezien van deze meer historiese

kwestie—hebt gij kenniskrities het recht, met het causaliteitsbeginsel

alle grenzen van mogelike ervaring te overschrijden, door een

transobjectief niet-ik voor onze gewaarwordingen verantwoordelik te

stellen?

Deze laatste vraag is natuurlik belangrijker dan die omtrent Kant. Maar

wij behoeven er in deze verhandeling slechts tweeërlei op te

antwoorden:

1°. Ieder, filosoof of niet, hij zij Berkeley of Hegel, Hume of Fichte,

elk positivist en elk scepticus, ook de felste, principieelste

anti-metaphysicus, ja zelfs elk zgn. „solipsist” als v.

Schubert-Soldern, hoe „immanent” hij zich ook wane, ieder is

klaar-blijkelik overtuigd, dat de inhoud van zijn gewaarwordingen niet

uitsluitend door hemzelf wordt bepaald, zo min van zijn denken of

gevoelen als van zijn willen alleen afhankelik is—en ieder acht

mitsdien zijn gewaarwordingen mede veroorzaakt door een niet-ik.

Verschil en strijd blijkt metterdaad slechts hierover te bestaan: moet

dit niet-gegeven, ondersteld, oorzakelik niet-ik objectief, materieel,

ruimtelik, dan wel transobjectief, immaterieel, onruimtelik worden

gedacht. „Assepoes”! denkt Dr. Dèr Mouw. Ten onrechte. Immers:

2°. Het goed recht, de logiese rechtvaardiging van deze causale,

ik-overschrijdende overtuiging, met haar aanname van een werkelik

niet-ik als concrete oorzaak onzer gewaarwordingen,—is een uitgemaakte

zaak. Ik acht het verspilde moeite, weer als kwestie te behandelen, wat

een Heymans m.i. „endgültig erledigt” heeft. Ik verwijs dus naar zijn

„Einführung in die Metaphysik” § 30 („Die Berechtigung zur Annahme

einer Aussenwelt”) en zijn „Gesetze und Elemente des wissenschaftlichen

Denkens” § 99.

En daar nu de objecten, als phaenomena, naar boven is betoogd en nog

nader zal worden uitgewerkt en toegelicht, die concrete oorzaak niet

kunnen zijn, zo moet iets transobjectiefs als werkelik en oorzakelik

worden aanvaard. Hoe en in welke zin het daarbij tevens zijn functie

als reale of substratum der „phaenomena” krijgt, als „dasjenige was den

Erscheinungen zu Grunde liegt”, zullen wij straks zien, in hoofdstuk

IV.

Wat nu die eerste vraag betreft, aangaande Kant, ook hieromtrent zij

tweeërlei opgemerkt (gericht tot wie die vraag stellen!):

1°. Ook al zou Kant’s „immanente”, „empiriese” causaliteit het

transobjectieve niet kunnen bereiken, wij voor ons zijn noch aan Kant’s

kategorieënleer in ’t algemeen, noch aan zijn causaliteitsleer in ’t

biezonder gebonden. Zijn „Beweis” of wel bewijzen voor zijn tweede

„Analogie der Erfahrung” acht ook ik een mislukking, evenwel niet

geheel Kant „onwaardig”, integendeel, ook in haar schijnbare

ongerijmdheid geheel liggend in de lijn van Kant’s denken: Het door

Kant weerlegd dogmaties realisme maakt de objekten tot oorzaak der

gewaarwordingen, objectieve volgorde tot oorzaak van noodwendige

waarnemingsvolgorde. Nu is omgekeerd het objekt produkt, afhankelik van

gewaarwording, gewaarwording prius van objekt,—evenzo, redeneert Kant,

is noodwendige waarnemingsvolgorde prius van objectieve volgorde in

plaats van omgekeerd. Ergo, concludeert Kant, zonder causaliteit geen

objectieve tijdverhoudingen. De conclusie nochtans berust op de

onjuiste vereenzelviging der noodwendigheid (Nötigung; onafhankelikheid

van individuele willekeur; Succession „nach einer Regel”, die bindt)

van bepaalde waarnemingsvolgorde, en daaruit afgeleide objectiviteit

van opeenvolging, met causaalverband, een begrip veel rijker van

inhoud, zodat objectief tijdverschil tussen 2 gebeurtenissen „nach

einer Regel” mogelik en kenbaar is, zonder onderling causaalverband

(b.v. twee horloges, zo geregeld, dat zij 5 minuten of zo weinig men

wil blijven verschillen), zonder dat het volgende „uit” het voorgaande

hoeft te volgen, of „aequivalent” met zijn oorzaak hoeft te zijn enz.,

en zonder samenhang met de geldigheid van het causaliteitsbeginsel

zelf, dat elke verandering haar oorzaak moet hebben, waaruit zij

noodwendig volgt. Hoeveel intuïtieve wijsheid er moge schuilen in

Kant’s aanduiding, dat er tussen ons apriories weten omtrent de tijd en

ons apriories weten omtrent de causaliteit verband moet zijn,—zo min

als objectief ruimte-verschil causaalverband onderstelt, trots alle van

willekeur onafhankelike noodwendigheid en „Regelmässigkeit” der

ruimtebepaling, evenmin het objectief tijdverschil. En al zou beiderlei

objectivering, zover zij berust op inductie, op het

causaliteitsbeginsel steunen, zij zou nog geenszins de geldigheid van

het causaliteitsbeginsel bewijzen.

Ook hier zij verder verwezen naar de Kantweerlegging ter zake door

Heymans in zijn „Schets eener kritische Geschiedenis van het

Causaliteitsbegrip in de nieuwere wijsbegeerte”, 1890.

2°. Zelfs met aanvaarding van Kant’s causaliteitsleer is een

transobjectieve, transmateriële gewaarwordingsoorzaak niet in strijd.

Want zijn „immanente” causaliteit geldt geenszins, als naar Hartmann’s

misvatting (af te handelen in hoofdstuk V), slechts individueel

(„subjectief”), zelfs niet uitsluitend physies, voor het veld der

„äussere Erfahrung”, maar voor heel het gebied van Kant’s „Erfahrung”,

heel zijn „natuur”, die àl het tijdelike, het terrein van physica èn

psychologie (Kant’s „Physiologie der Seele”) omvat, zodat het

transobjectieve in de zin van het transphysiese, transmateriële,

causaal (tijdelik) kan zijn, ons „afficiren” kan bij het „geven” der

gewaarwording, zonder enige zelfweerspreking van Kant. Kant noemt nu

zowel dit transphysiese, tijdelike, van mogelike (uitwendige)

waarneming onafhankelike, als het transpsychiese, transtijdelike, van

mogelik bewustzijn onafhankelike, „An-sich”. Deze onderscheiding van

tweeërlei „An-sich” bij Kant, die heel wat misverstand en schijnbare

zelfweerspreking uit de weg ruimt, zal ik nader bespreken bij de

behandeling van het Transobjectieve, dus in hoofdstuk IV. Als nu deze

wat lange § en z’n belang de geduldige lezer niet volkomen duidelik

mocht zijn geworden, dan beloof ik, dat de volgende hoofdstukken er het

nodige licht wel op zullen werpen.

Kennisleer contra Materie-Realisme: Bijdrage tot "Kritiek" en Kantbegrip · 第 18 / 36 题