3. Weerlegging van alle „Empirisme” en „Rationalisme”.

II. De grondvesting en verklaring (in beginsel altans) van de axioma’s,

de grondbeginselen der wetenschappen, speciaal van de „exakte”: de

wiskunde zowel als de natuurkunde.

III. De kennistheoretiese begrenzing van „Natuur” en „Natuurwetenschap”

en mitsdien:

De mogelikheid, later door Wundt, Heymans, Riehl en Eisler

verwezenlikt, der „verzoening” van Geestes- en Natuurwetenschappen,

door enerzijds de bevrijding dus der Psychologie en Sociologie van alle

Naturalisme (biologie, „organiese” theorieën, hersenphysiologie) en

anderzijds de verlossing der Natuurwetenschappen (de physiologie

vooral!) van alle Psychisme (dualisties ingrijpen van „ziel”,

teleologies vitalisme, etc.) [30]

Ziedaar het „Ergebnis” van Kant’s wijsbegeerte, Kant’s „Bedeutung für

die Gegenwart” (8)... en voor de Toekomst!—Ziedaar het „Acquisit der

Philosophie”, dank zij Kant. De rest is voor een te groot deel niet

waarheidsdienst, maar apologie, met al de slangekronkelingen waartoe

deze helaas de Rede zelfs van de besten verlaagt.

Ik durf gerust beweren, dat Kant z’n roem grotendeels aan z’n fouten

heeft te danken.

Niet aan z’n kritiek, z’n Bathos der „Ervaring” [31], maar aan z’n

dogma, z’n Pathos der „Ideeën”, zijn „Praktiese Postulaten”, zijn

„Primaat” der „Praktiese Rede” waardoor en de zedeleer en het

theoreties geweten, vooral in Duitsland, nu reeds een eeuw lang

bezoedeld en vergiftigd zijn. O wondere ironie der waarheid! Het was

Kant inderdaad eigenlik niet om de rechtvaardiging der synthetiese

oordelen a priori in de wetenschappen te doen, maar om die biezondere

synthetiese oordelen a priori, welke de dogmatiese zgn. Metaphysica,

„het Geloof”, vergt... welke nodig zijn om de alle ervaringsmogelikheid

overschrijdende (dus aprioriese) oordelen over „God, vrijheid en

onsterfelikheid”... te „redden”.—Quo semel est imbuta recens servabit

odorem Testa diu.

Maar zie—voor de mogelikheid van alle synthetiese oordelen a priori gaf

Kant’s ontdekking, Kant’s revolutie, de grondvesting, de oplossing...

behalve juist voor die der Metaphysica [32]. Ja, zij bewees zelfs eens

en vooral, de principiële onmogelikheid van „wetenschap” omtrent die

naar hij waande onontbeerlike Geloofsartikelen! Chronos had z’n eigen

kinderen verslonden.

Het gaat er dus nu om, Kant’s begrip „vorm” te begrijpen. Voor ons

onderwerp behoeven we ons in hoofdzaak slechts met de eerste zijner

beide zgn. „Anschauungsformen”, Ruimte en Tijd, bezig te houden, al

blijkt deze in werkelikheid niet, gelijk Kant meende, de „vorm” aller

zinnen, maar waarschijnlik de vorm van slechts één enkele „zin” [33],

terwijl de tweede het best de „vorm” van alle bewustzijn genoemd wordt.

Ik zal dus een deel van Kant’s „Transcendentale Aesthetik” behandelen,

inderdaad „die best fundierte von Kants Aufstellungen”. Ik ben het met

Schopenhauer eens, dat deze alleen voldoende was geweest, om Kant

onsterfelik te maken, ja Kant was er mij niet minder om geweest, hadde

hij àl wat daarna van hem verschenen is nooit geschreven. De sofismen

van zijn „transcendentale Analytik”, de fantasmen van zijn

„Schematismus”, z’n moraal-theologiserende „Ideeën” leer, de

systeemmakerij en parodiërende analogiezoekerij van zijn andere

„Kritik” en.... hij was dan tenminste vrij gebleven van meer dan één

zonde tegen de Heilige Geest der Waarheid.

Deze „Aesthetik” (n.b. = leer der waarneming, αἴσθησις) alleen en

daarvan weer alléén Kant’s ruimteleer [34] is voldoende, maar ook

nodig... om alle ruimtedogmatiek, daarmee alle object-realisme, daarmee

alle kerkelik dualisme („spiritualisme” noemen het de franse

anti-materialisten) zowel als alle materialisme te fnuiken,—daarmee

salva scientia naturali, met volkomen eerbiediging van natuurwetenschap

en natuur, zonder enige dualistiese en anti-mechanistiese inmenging, de

geest te bevrijden van de „natuur”, van de „stof”, die te voren reeds

alles onwrikbaar beschikt en beslist heeft—over ons, in ons,.... maar

zonder ons!—wij de ziende, de willende marionetten dier blinde willoze

macht—, aldus de geesteswetenschap te verlossen van het naturalisme, en

daarmee ook het Recht, en speciaal het Strafrecht [35], mogelik te

maken!

En dat alles uit de simpele leer der zintuigelike, beter zinnelike,

waarneming, uit de elementaire kenniskritiek! Lijkt het niet een

sprookje, wonderlike fantasterij?

Niet alleen dus de mogelikheid der meetkunde, maar zelfs de mogelikheid

van het recht... afhankelik, hoe middellik dan ook, van... de „vorm”

leer van gewaarwordingen?

Het antwoord luidt nu eenmaal: Inderdaad—we moeten de ruimte

opheffen—om voor de geest... ruimte te krijgen! [36]

En ik wilde, dat ik mijn lezers, zover ze nog ruimte-dogmatici zijn,

dus bijna allen,—maar iets kon geven, kon doen voelen, van die heerlike

vrijheid, waarin het Ik, het willende, denkende subjekt, met zijn

instinkten en hartstochten, zijn beginselen en overtuigingen, zijn

aandoeningen en ontroeringen, zijn haat en zijn geestdrift zich

hervindt en herwint als een werkelike, invloedrijke, doelstellende en

verantwoordelike macht.

Maar—al genoeg, of te veel, tot lof van de waarheid. Want het is de

waarheid.

Laat ons na deze inleiding nu de gang van ons werk overzien.

De strekking der kritiek is in heel haar wezen anti-dogmaties: Elk

syntheties oordeel dat a priori wil gelden, moet rekenschap geven van

zijn „mogelikheid”, zijn goed recht, zijn kennisbron.

Anti-dogmaties mitsdien in tweeërlei zin:

1. Elk syntheties oordeel a priori, dat „onmogelik”, zonder mogelike

kennisbron, blijkt, wordt als „dogma” afgewezen en verworpen.

2. Elk syntheties oordeel a priori, waarvoor de mogelike kennisbron

wordt aangewezen, houdt op „dogma” te zijn.

Het eerste deel van dit werk der kritiek is dus zuiver negatief, het

tweede deel positief, zover het de s. o. a pr. der „ervaring”, der

objectieve wetenschappen, en daardoor deze zelf, grondvest. Het heeft

echter tevens middellik weer een niet minder belangrijke negatieve

strekking, die wij zo aanstonds zullen aanwijzen. Kant heeft namelik

een principieel mogelike kennisbron voor s. o. a pr. ontdekt in de

kennisvorm, de geesteswettelikheid van het kennisvermogen zelf, die

alle „kennen”, berustend op waarnemen en denken, dus alle „Erfahrung”

(= „ervaringswetenschap”) eerst mogelik maakt. De daarop steunende

synthetiese oordelen gelden dan echter eo ipso wel a priori, bij

voorbaat, maar uitsluitend ten aanzien van alle betrokken kennisinhoud,

van „mögliche Erfahrung”. [37] Indirekt verkrijgt dan dit positieve

deel, dat als grondvesting der wetenschappen van eminent

kennistheoreties belang is, weer deze voor de metaphysica

allergewichtigste strekking, als „formeel” of „transcendentaal”

idealisme de afwijzing mee te brengen van dogmaties-verdubbelend

vorm-realisme, daardoor de weerlegging te leveren van het

„transcendentaal realisme”.

Dit alles zal u in de loop van mijn betoog volkomen duidelik worden.

In hoofdstuk II zullen wij nu eerst ten aanzien van de

waarnemingsinhoud doen zien, hoe synthetiese oordelen a priori niet

mogelik zijn; heeft men eenmaal de realistiese transcendente

verdubbeling van die inhoud als dogmaties leren zien en verwerpen, dan

zal het begrijpen van hoofdstuk III te gemakkeliker vallen, waar nu

eerst positief wordt aangewezen, hoe synth. oordelen a priori wel

mogelik zijn,—om dan onmiddellik daaruit te besluiten, dat een

kennistheoretiese „vorm” transcendentaal (= a priori ten aanzien van

alle mogelike betrokken inhoud) moet, maar transcendent niet kan

gelden, dat dus de transcendente verdubbeling van zulk een „vorm” zowel

zinledig als dogmaties is en mitsdien te verwerpen.

In hoofdstuk IV zullen wij dan de metaphysiese resultaten der

waarnemingskritiek nader in ogenschouw nemen, speciaal ten aanzien van

het Transobjectieve, in zijn kennistheoretiese verhouding tot natuur en

bewustzijn, waarbij wij zullen aantonen dat en waarom Kant’s „An-sich”

een noodzakelik complement is van zijn krities Phaenomenalisme.

Aldus voorbereid en toegerust, handhaven wij in hoofdstuk V Kant’s

waarnemingsleer en zijn „krities idealisme” tegen de moderne

bestrijding, waardoor wij de gelegenheid krijgen, heel wat realisties

misverstand en dogmatisme uit de weg te ruimen.

Een slothoofdstuk vergewist zich in een samenvattend overzicht van de

voornaamste gewonnen resultaten.

Kennisleer contra Materie-Realisme: Bijdrage tot "Kritiek" en Kantbegrip · 第 15 / 36 题