EEN JAAR AAN KAAP HOORN.

Door Doctor Hijades.

Op verschillende internationale bijeenkomsten, die het eerst in 1879 te

Hamburg, vervolgens te Bern en te Sint-Petersburg werden gehouden, werd

een programma besproken en vastgesteld voor eene reeks van waarnemingen

en onderzoekingen, die te gelijker tijd, op daartoe aangewezen punten

van de poolstreken zouden geschieden, met het doel om gedurende

een geheel jaar de magnetische en meteorologische verschijnselen

te bestudeeren. Nadat de meeste regeeringen hare goedkeuring aan

dat programma hadden gehecht, werden veertien stations aangewezen,

waarvan twaalf rondom de Noordpool en de IJszee, en slechts twee zoo

dicht mogelijk bij de Zuidpool; en wel een in Nieuw-Zuid-Georgië,

dat van wege Duitschland zou worden bezet, en een aan Kaap Hoorn,

dat aan Frankrijk werd toegewezen.

De waarnemingen moesten een geheel jaar duren, van 1 September 1882

tot 1 September 1883. Al deze verschillende missiën hebben de haar

aangewezen taak volbracht; en hoe treurig ook de afloop mocht zijn

van de amerikaansche expeditie onder luitenant Greely, die haar

standplaats had op het fort Conger aan de Lady-Franklinbaai,

en die van de vijf-en-twintig personen er achttien door den

dood verloor,--toch werden alle dokumenten door deze ongelukkigen

opgesteld en bijeengebracht, behouden en ter beschikking gesteld van

de amerikaansche regeering.

Behalve de speciale studie van de meteorologie en van het

aardmagnetisme, was ook aan iedere missie een zeer uitgebreid programma

voorgeschreven van sterrekundige waarnemingen en van onderzoekingen op

het gebied der natuurlijke historie: zoölogie, botanie, geologie. De

vijf leden van de fransche missie wijdden verscheidene maanden aan

voorbereidende studiën , om zich geheel op de hoogte te stellen van

de taak, die aan ieder meer bijzonder was toevertrouwd. Er moest ook

voor woningen worden gezorgd, en men besloot, te Parijs houten hutten

of barakken te laten maken, volgens een bepaald plan gebouwd, en die

zonder moeite uit elkander genomen en weder opgezet konden worden.

Een rijksvaartuig, de _Romanche_ onder bevel van den kapitein ter zee

Martial, die tevens met de opperste leiding der expeditie was belast,

moest het personeel en het materieel der missie overbrengen. Gedurende

het jaar, dat de missie aan Kaap Hoorn heeft doorgebracht, hebben de

officieren van de _Romanche_, die voor dezen tocht bepaaldelijk waren

uitgekozen, zich onledig gehouden met het doen van hydrografische

waarnemingen en het in kaart brengen van de eilandengroepen ten zuiden

van Vuurland; bovendien heeft de _Romanche_ van alle door haar bezochte

streken belangrijke collectiën op het gebied der natuurlijke historie

medegebracht, en op haar terugkeer peilingen gedaan.

Het belang der wetenschap stond bij deze geheele expeditie natuurlijk

op den voorgrond: de romantische en pittoreske zijde der reis moest

noodwendig op den achtergrond treden. Het ligt dan ook niet in mijn

plan, de expeditie bij de vervulling harer taak dag voor dag te

volgen. Maar afgescheiden van zuiver wetenschappelijke kwesties,

waarvan de behandeling niet te dezer plaatse behoort, kwam het

mij voor, dat een beknopt verhaal van de lotgevallen der missie,

sedert haar vertrek uit Frankrijk tot haar terugkomst, ook voor niet

wetenschappelijk gevormde lezers eenig belang kon hebben. Ik zal mij

daarbij hoofdzakelijk bepalen tot ons verblijf onder de Vuurlanders.

De _Romanche_ vertrok van Cherbourg den zeventienden Juli 1882; den

vijfden September daaraanvolgende, des namiddags ten half vijf, voer

zij de straat van Lemaire binnen; in den namiddag van den volgenden

dag wierp zij het anker uit in de Oranjebaai, aan de oostkust van het

schiereiland Hardy, deel uitmakende van het eiland Hoste, ten zuiden

van Vuurland, op 55° 31' zuiderbreedte en 70° 25' oosterlengte.

I

De Oranjebaai, die in April 1830 door Robert Fitz-Roy, en in Februari

1839 door den Amerikaan Wilkes was bezocht en beschreven, scheen

eene geschikte gelegenheid aan te bieden voor de vestiging van onze

missie, en was dan ook als zoodanig aangewezen, tenzij onvoorziene

omstandigheden onze installatie daar ter plaatse onmogelijk mochten

maken: in dat geval moesten wij een geschikter plek opzoeken op het

in de nabijheid gelegen eiland Hermitte.

Zoodra de _Romanche_ het anker had uitgeworpen, was dan ook ons

eerste werk aan land te gaan, om eene geschikte plaats voor onze

nederzetting op te zoeken. Wij behoefden onze eischen niet hoog te

stellen: een vlak terrein, waarop wij onze barakken konden opslaan;

voorts de nabijheid van eene rivier of althans van drinkbaar water;

eindelijk eene geschikte aanlegplaats voor de sloepen die ons materieel

aan wal moesten brengen en later, bij den terugkeer van de _Romanche_,

onze gemeenschap met het schip moesten verzekeren. De eerste van

deze drie voorwaarden bleek niet voor vervulling vatbaar. Overal waar

zich een vlak terrein bevond, was de grond zoo drassig, dat het zeer

moeilijk viel daarop te loopen; wij moesten dus een hooger terrein

kiezen, waar wij de hutten boven elkander zouden kunnen plaatsen,

hetzij op natuurlijke terrassen, hetzij op kunstmatige platformen

van boomstammen. Wij aarzelden aanvankelijk in de keus tusschen een

landpunt, later Pointe Lephay genoemd, en een kleinen heuvel een weinig

ten noorden van die landpunt. Ten slotte kozen wij dit laatste punt,

vooral van wege de onmiddellijke nabijheid van eene rivier; en in

den vroegen morgen van den achtsten September begonnen de werklieden

der missie, bijgestaan door eene talrijke afdeeling matrozen van de

_Romanche_ het terrein te ontginnen: welke arbeid de volgende dagen

ijverig werd voortgezet.

Den zes-en-twintigsten September 1882 werden de eerste waarnemingen

gedaan, die gedurende een geheel jaar onafgebroken moesten worden

voortgezet. Eigenlijk hadden zij reeds op den eersten September

moeten beginnen; maar wij waren eerst op den zesden aangekomen, en

de sedert verloopen twintig dagen waren volstrekt noodig geweest voor

onze installatie. Het met dicht kreupelhout en struikgewas begroeide

terrein moest worden gezuiverd en geëffend, waarbij op sommige plaatsen

de rots moest worden afgehakt. Nadat de barakken waren opgeslagen,

moesten de wanden en de zoldering van binnen met een laag vilt, en

de vloer met linoleum worden bekleed, om zoo veel mogelijk de koude

en de vocht af te weren.

Met de onderzoekingen betreffende de natuurlijke historie was aanstonds

een aanvang gemaakt; evenzoo hadden wij al dadelijk kennis kunnen maken

met de inboorlingen. Reeds den volgenden dag na onze aankomst in de

Oranjebaai waren verschillende prauwen van boomschors naar het schip

gekomen; de inboorlingen vroegen om levensmiddelen en voornamelijk

scheepsbeschuit, en boden in ruil daarvoor eenige produkten hunner

kinderlijke nijverheid aan, zoo als halskettingen van beenderen of

schelpen, beenen punten van harpoenen en dergelijken. Deze Vuurlanders

schenen in het minst niet ongerust of verbaasd over onze verschijning:

veel meer trachtten zij zoo veel beschuit, brood of andere spijzen

te krijgen als maar mogelijk was. Zij vroegen noch om brandewijn,

noch om tabak, waarmede zij waarschijnlijk geheel onbekend waren;

oude kleeren namen zij ook gewillig aan, maar toch was het hun

hoofdzakelijk om eetwaren te doen.

Het is niet gemakkelijk, met juistheid den eersten indruk weer te

geven, dien de verschijning van deze inboorlingen op ons maakte. Naar

het scheen zonder eenig wantrouwen of vrees te koesteren, kwamen

zij ons bezoeken of liever om voedsel vragen, in hunne kano's van

boomschors, allen, mannen en vrouwen, ouden en jongen, geheel naakt of

hoogstens bekleed met een stuk otter- of zeehondenvel, dat over hunne

schouders was geworpen. Gedurende onzen overtocht hadden wij alles

gelezen wat vroegere zeevaarders, zoo als Weddell, Fitz-Roy, Darwin,

Wilkes, over de bewoners van Vuurland geschreven hadden; wij wisten

dus dat zij, naar de eenstemmige verklaring van al deze schrijvers,

ongeveer op den allerlaagsten trap van menschelijke ontwikkeling

staan. Zoodra wij de Vuurlanders zagen, meenden wij hen dan ook te

kennen, en zochten wij reeds naar de voornaamste karaktertrekken,

door de vroegere onderzoekers aangewezen. Onze verrassing was dus

minder groot dan zij anders geweest zou zijn; vooral verwonderde

het ons dat wij geen woord van hunne taal verstonden, hoewel wij

ijverig de woordenlijst van Fitz-Roy en de taalkundige mededeelingen

van andere schrijvers hadden bestudeerd. Het eenige woord dat wij

verstonden was het woord _beschuit_, dat zij _biskit_ of _biskir_

uitspraken en dat als in hun mond bestorven lag. Pogingen om uit te

maken met welken stam wij eigenlijk te doen hadden, waren aanvankelijk

ten eenemale vruchteloos.

Eerst den volgenden dag, nadat wij de inboorlingen bij herhaling in

hunne hutten hadden bezocht en nauwkeurig gelet op een zeker aantal

woorden, die zij telkens gebruikten, kwamen wij tot de zekerheid dat de

aan de Oranjebaai gevestigde stam dezelfde was, waaraan Fitz-Roy den

naam van Tekinika geeft. Onze eerste gesprekken met deze inboorlingen

werden grootelijks vergemakkelijkt omdat een hunner eenige woorden

engelsch verstond en sprak. Hij zeide Jack te heeten, had eene vrouw

en twee kinderen bij zich en had in zooverre iets voor boven zijne

stamgenooten, dat hij een mondvol engelsch verstond; voor het overige

verkeerde hij in even ellendigen toestand als alle anderen. Hij ontving

ons in zijne hut met de grootst mogelijke koelheid; hij antwoordde vrij

vlug op de eerste vragen die wij tot hem richtten, maar bleef weldra

hardnekkig zwijgen, hetzij uit vermoeidheid, hetzij uit wantrouwen,

of om welke reden ook. Over het algemeen was er een merkwaardig

verschil tusschen de manier van doen van deze Vuurlanders, als zij in

hunne prauwen langs de _Romanche_ dobberden, en als wij hen aan land

in hunne hutten bezochten. Op het water schenen zij in hun element;

zij waren dan vroolijk en opgewekt, praatziek en familiaar tot lastig

wordens toe; aan land daarentegen was hunne houding wel niet vijandig,

maar toch teruggetrokken, wantrouwend, gedwongen, als van lieden wien

het hindert door vreemden bespied te worden. Verschillende redenen

kunnen ter verklaring van deze handelwijze der Vuurlanders worden

aangewend. Op zee gevoelen zij zich veiliger; kwam er eene botsing,

dan konden zij zich dadelijk met hunne prauwen uit de voeten maken;

bovendien was bij hunne bezoeken aan de _Romanche_ hun eigenbelang

in het spel en deden zij zich zoo gunstig mogelijk voor, om spijzen

te krijgen, waarnaar zij zoo vurig verlangden. Toen zij zagen dat wij

ons aan land kwamen vestigen, zonder dat zij vermoeden konden wat ons

doel was, was het vrij natuurlijk dat zij zich over onze verschijning

op hun eigen grondgebied ongerust maakten en van onze tegenwoordigheid

niets dan overlast vreesden. Dit zijn echter slechts onderstellingen:

zij hebben hunne gevoelens nooit uitgesproken, en zij bezitten in

hooge mate het vermogen om hunne gewaarwordingen te verbergen en

daarvan niets op hun onbewegelijk gelaat te laten blijken.

Op Zondag, 1 October 1882, omstreeks vier uren in den namiddag,

liep een amerikaansche schoener de Oranjebaai binnen, en wierp

het anker uit tegenover de missie, naast de _Romanche_. Dit schip,

dat jaarlijks deze zeeën bezoekt om robben te vangen, verschijnt

dan in den regel in de Oranjebaai, om water in te nemen en zich van

brandhout te voorzien. De gezagvoerder had te Punta Arénas, in de

straat van Magelhaens, hooren spreken van de voorgenomen vestiging

eener fransche missie aan de Oranjebaai, en kwam nu de hulp van onzen

geneesheer inroepen voor een zijner matrozen, die ernstig ziek was.

De schoener heette de _Thomas Hunt_; in vijf dagen had de bemanning,

bij de Diego-Ramirez-eilanden en vooral op het eiland Ildefonso,

ongeveer driehonderd robben gedood; het hoogste cijfer der op een dag

gedoode dieren was ditmaal zeventig geweest. Een paar jaren geleden,

had men op een dag vijfhonderd robben gevangen. De robben worden,

als zij aan land zijn, omsingeld en dan doodgeschoten, somwijlen ook

doodgeslagen; de zeer jonge dieren blijven gespaard, maar alle anderen,

mannetjes en wijfjes zonder onderscheid, gedood. De bemanning van de

_Thomas Hunt_ bestond uit acht-en-twintig koppen, en er waren zeven

geweren aan boord. Men doodt de robben enkel om hun vel; zoodra zij

aan boord zijn gebracht, wordt hun het vel afgestroopt, waarna de

lichamen in zee worden geworpen. De huid wordt, na ingezouten te zijn,

naar Engeland verzonden om daar bewerkt te worden; zij levert eene

bekende en zeer gezochte soort van bont op.

De gezagvoerder van de _Thomas Hunt_ was nu reeds gedurende zeven

jaren ter robbenvangst gevaren. Hij verklaarde dat die vangst steeds

minder voordeelen opleverde en dat het getal dezer robben snel afnam:

hetgeen inderdaad niet te verwonderen is bij de ruwe, moorddadige

wijze waarop de jagers te werk gaan! Er behoort in waarheid eene

groote mate van avontuurlijken zin en liefhebberij voor het vak toe,

om het beroep van robbenjager te kiezen, dat tegenwoordig maar eene

zeer geringe winst oplevert. Het leven toch dezer robbenvangers

is alles behalve gemakkelijk of aangenaam. Hun voedsel bestaat,

voor het grootste gedeelte, uit het vleesch der pingouins, die

zij dooden of levend vangen; de kapitein van de _Thomas Hunt_,

die zich ook daarmede tevreden moest stellen, verklaarde mij echter

dat dit vleesch zeer goed smaakte. De robbenjagers brengen echter

niet hun geheelen tijd aan boord door. Op hun schip zijn zij aan

tallooze gevaren blootgesteld; maar nog veel erger is hun toestand,

wanneer zij, in het belang van de jacht, op een of ander onbewoond

eilandje moeten achterblijven en daar gedurende weken of maanden op

de terugkomst van hun schip wachten. Blijft dan het schip langer weg

dan waarop gerekend was, dan zijn de achtergeblevenen aan de grootste

ellende ter prooi. De kapitein van de _Thomas Hunt_ had, voor zijne

aankomst in de Oranjebaai, op het eiland Diego-Ramirez acht mannen

gevonden, die door eene amerikaansche goëlet daar waren achtergelaten

om robben te vangen en van levensmiddelen voor drie maanden voorzien,

maar die nu reeds sedert vier maanden op de terugkomst van hun

schip wachtten. Hun voorraad was geheel opgeteerd: zij hadden geen

ander voedsel dan de vogels, die het hun van tijd tot tijd gelukte

te vangen. De _Thomas Hunt_ had deze ongelukkigen opgenomen en hen

naar het Beagle-kanaal, naar Ooshooia, gebracht, waar zij aan de

verzorging van de protestantsche zendelingen waren overgelaten.

Weldra zouden wij zelven met deze zendelingen in aanraking komen:

tot onze groote verwondering zouden wij in dit wilde, onherbergzame

land, aan den uitersten uithoek der wereld, beschaafde mannen vinden,

sedert lange jaren hier gevestigd.

Een Jaar aan Kaap Hoorn De Aarde en haar Volken, 1886 · 第 2 / 6 题