„Noem mij Eumenia,” zeide nu, na de eerste kus, de lieftallige
verschijning tot prof. Leyden. „Want wij kiezen hier onze namen in
tegenstelling met het gebruik der aarde, waar men ze u geeft. En hoe
zal ik u voortaan noemen?”
„Verliest men hier zijn titels?” vroeg professor een weinig onzeker.
„Integendeel. Maar men behoudt een titel alleen, wanneer hij niet dag
aan dag tientallen malen herhaald wordt. Dan verslijt hij door ’t
gebruik.”
„Dan,” zei professor Leyden even nadenkend, „noem mij Horatio. Want ik
besef wel, dat ik nu mijn schoolwijsheid vaarwel heb te zeggen.”
„Inderdaad, mijn dierbare Horatio. Gij zult hier vreemde dingen
ontwaren.”
„Lieve Eumenia, zij kunnen niet zoo vreemd zijn of ik zal er nuchter
tegenover trachten te blijven staan. Trouwens, ik geloof niet, dat ik
na een vlindervleugel onder het microscoop te hebben bezien, verwachten
mag nog grootere wonderen in het heelal te mogen beschouwen.”
„Ja, Horatio, schooner kleuren zag ook ik ter aarde nooit.”
„Het was niet de kleur, die mijn bewondering zoozeer wekte. Maar ik
beschouwde de indeeling der dakpansgewijs liggende schubjes en ik vond
de formule van het schema dier ligging. En deze formule kwam overeen
met zekere interplanetaire berekeningen en vond ik ook vastgelegd in de
wiskundige verhoudingen van de pyramide van Cheops. Waarschijnlijk is
het den Hermetici reeds bekend geweest, dat er in het heelal eenheid
heerscht en er ook ten aanzien van de wiskundige formules, zuinigheid
is betracht.”
„Mijn teerbeminde Horatio, als gij zoo spreekt, troost mij alleen mijn
besef van het tijdelijke aller aardsche dingen erover, dat ik niet
altijd naast u heb mogen leven. Want zij, die vrouw van een dichter
zijn, leeren slechts de dichterlijke schoonheid van de dichterlijke
dingen zien, maar gij leerdet uwe vrouw de poëzie van de wiskundige
formule kennen.”
„Zoo weinig. Zoo weinig. Mijne Neeltje is der kinderen eene zorgzame
moeder geweest—maar zij heeft mij misschien wat te veel aan Scientia
afgestaan. En—ik hoop Eumenia, dat ik niet te onbescheiden ben—zou ik
Neeltje hier nu kunnen weerzien?”
„Uw dierbare gade leeft—leeft voort.”
„En mijn voor mij verscheiden collega’s, de lichten der wereldsche
wetenschap....?”
„Zij leven, zij leven allen voort.”
„En mijn leermeesters, de edele inwijders in....”
„Zij leven, zij leven allen voort....”
„En mijn vader, mijn moeder, mijn voorvaderen....”
„Zij leven, zij leven allen voort.”
„Waar? Hoe? Hoedanig.... o antwoord mij Eumenia dierbaarste leidster.”
„Meent gij, Horatio, dat ik u genaderd zoude zijn met al het onaardsche
vuur eener op aarde versmade liefde, indien ik niet van plan was
geweest u te helpen en te leiden. Luister. Voor zoover ik in het
stadium, waarin ik thans verkeer kan nagaan—hoeveel stadia er nog
zullen volgen en of er stadia zullen volgen is mij nog niet onthuld—is
ons aardsche leven slechts een schakel in een reeks.”
„Welke reeks? Kent gij de formule?”
„De formule blijft, zooals alle formules, voor ons nog altoos in
allerlaatste instantie X.”
„Geef mij dan slechts de betrekkelijke formule. Wellicht kan ik haar
synthetiseeren.”
„Ook dan blijft uw synthèse, een synthèse in X. Tracht nu eens goed
door te denken, Horatio. De infinitesimaal berekening hebt gij toe te
passen op de infinitesimaal dimensies. Gij hebt in verschillende
getalstelsels kunnen rekenen. Maar gij hebt nooit bedacht, dat het
aantal dimensies van tijd en ruimte ook in vele getalstelsels is
ingedeeld, benedenwaarts en opwaarts. Stel dat b.v. het getalstelsel
waarnaar het haft, de ééndagsvlinder, rekent, een honderdduizendste
deel tot maximum heeft van het getalstelsel, volgens hetwelk de olifant
rekent, waarmede ik meen, volgens hetwelk hem de tijd bewust wordt, dan
kunt gij ook er van afleiden, dat naar beneden en naar boven het aantal
dimensies van tijd en ruimte infinitesimaal berekend moet worden.”
„En nu te moeten bedenken, dat ik u, Eumenia, niet reeds op aarde aan
mijne zijde heb gehad! Vloek over mijn eerste jaar en alle eerste
jaarlingen bij elkaar.”
„Kalmeer u, geliefde.”
„Gevloekt, semper crescendo, gevloekt, de slempers van....”
„Zoo gij zoo voort gaat, zal ik u moeten verlaten.
In diesen heiligen Hallen,
Kennt man die Rache nicht.”
„Vergeef mij.... dat ik zwak was en tegenover de dronkenschap mijn
nuchterheid verloor.”
„Zoo heb ik u lief en herken ik u weder, Horatio. Welnu, de stadia van
het al-leven zijn door de Al-Macht verdeeld naar de dimensies. Daar
elke dimensie van tijd en ruimte zijn eigen wetten heeft, begrijpt gij
wel, dat er geen bewust onderling verband tusschen die dimensies kan
zijn—hoewel zij organisch en formulistisch in elkaar en aan elkaar
sluiten. Slechts u, in uwe dimensies verbrekenden of liever
ontspannenden toestand, is het gegeven, interdimensiaal te
verkeeren....”
„En te verkeeren met u, geestelijk beminde!”
„Toch is er een intrinsieke en inhaerente eenheid in alle stelsels. Als
gij in het zeventallig stelsel en in het vijftallig stelsel een
berekening uitvoert, is het u mogelijk beider quotiënten te herleiden
tot één quotiënt in het tientallig stelsel.”
„Dat is inderdaad zéér eenvoudig.”
„Niet anders is het met de dimensies. Evenwel, om de quotiënten van
twee lagere dimensies te herleiden tot een quotiënt van een hoogere
dimensie, moet gij die hoogere dimensie beheerschen. Vandaar dat op
aarde alle berekeningen boven de aardsche dimensies uitgaande,
vervallen tot het gebied der speculatieve of fantastische philosofie en
dus....”
„Van nul en geener waarde blijven zonder de correctie van het
empirisme....”
„Dit empirisme nu zal ik u verschaffen....”
„Dus zal ik eens de menschheid van haar waan verlossen?”
„Wilt gij mij in de toekomst weer verlaten, Horatio?”
Zij vroeg het hem met diepe smart in haar stem en prof. Leyden kreeg
dezelfde sensatie, welke hij eens gehad had, spelende de „flauto
secundo.”
„Nooit, niemals, jamais, never!....”
„Gij zegt het in vier talen. Hopen wij, dat ik eens kan zeggen, dat er
de tale der waarheid bij was. Welnu dan Horatio, daar naar beneden en
naar boven het Gebeuren onderscheiden is volgens de infinitesimaal
berekening, zoo mag het u niet verwonderen, wanneer ik u zeg, dat wat
in het oneindige is ingedeeld ook in het oneindige, oneindig bestaat.”
„Volkomen logisch.”
„En dat dus wat de menschen verleden of toekomst noemen, slechts een
poging is om van uit hun dimensie, van uit hun heden, bewust te worden.
Inderdaad bestaat er geen heden, geen verleden en geen toekomst op
zichzelf, doch zij bestaan slechts als voorstellingen, en dan nog wel
als voorstellingen bij een bepaalde groep van wezens. Zoo voelen de
dieren op aarde verleden, heden en toekomst reeds veel meer gelimiteerd
dan de menschen en de menschen zelf voelen het drietal ook al weder
beperkter of ruimer al naar hun geaardheid. Het dimensie begrip van
Christus was een ander dan het dimensie begrip van Herodes. De wilde
heeft een ander besef van verleden, heden en toekomst dan de mensch uit
beschaafd Europa.
„Welnu Horatio, mij is het gegeven, en onder mijne leiding zal het nu
ook u gegeven zijn, alles wat er ooit (zoogenaamd) in het verleden
gebeurd is en alles wat ooit (zoogenaamd) in de toekomst zal gebeuren,
te aanschouwen. Inderdaad is het noch gebeurd noch zal het gebeuren,
maar is het Gebeurende. Niet echter „gelijktijdig”, zooals gij wellicht
zoudt willen zeggen, want het gebeurt in verschillende dimensiale
verhoudingen, dus a-temporeel. Eerst indien gij in staat zoudt zijn,
Horatio, de verschillende quotiënten der infinitesimale dimensies te
herleiden tot het quotiënt der Al-Dimensie, dan zoudt gij u een
voorstelling kunnen maken van den werkelijken tijd. Maar die formule is
slechts Hem gegeven, Die De Formule is.”
„Arme collega’s. Als ik terugkeer en zij zullen mij naar de formule
vragen, zal ik hun niets hebben te geven dan deze:
(X)^X
„Dus gij wilt toch terug, Horatio?”
„Bij de fluitschool van Drouet.... nooit!”
„Welnu, kies dan uw keuze.”
„Ik kies u.... zooals ik u altijd had moeten gekozen hebben, beminde
Eumenia.”
„Ik bedoel, gij moogt kiezen, wat gij nu van verleden, heden of
toekomst der menschheid wenscht te zien.”
„Eenmaal heb ik mij vergist.... maar het was in het eerste jaar, toen
ik verzuimde het beste te kiezen. Doch het was slechts wijl ik u niet
kennend, niet kon weten, wat ik in u zou kiezen. Zou ik ditmaal in de
fout van mijn zoo betreurenswaardig eerste jaar vervallen? Zou ik
later, teruggekeerd op aarde, van mijn collega’s het verwijt moeten
hooren, dat ik mij ten aanzien van de keuze der dimensies,
gemésailleerd heb?”
„Altijd weder die pogingen om mij te verlaten voor uw collega’s,
Horatio....”
„Vergeef mij, ik spreek onbedachtzaam.”
„Is er onbedachtzaamheid in de liefde, Horatio?”
„Zij is niet anders dan dat, Eumenia. Leidt mij geliefde naar die
dimensiale oorden, waar gij meent, dat voor mij de meeste leering is te
putten, voor mijzelf en voor....”
„Wat meent gij.... voor wie.... weder voor die daar-ginds....”
„Neen, voor u.... voor u.... voor u alleen, Eumenia, gij geest van mijn
geest, gij geestelijke liefde van mijn liefde.”
„Dan zal ik u verhooren.... Kom, omhels mij, opdat wij ons zullen
voelen in tweeën één....”
En Eumenia en Horatio ervoeren in dezen heiligen oogenblik hetzelfde
als twee aardsche menschen, man en vrouw, die mond op monde en hand in
hand, het tweetallig stelsel herleiden tot het eentallig volgens de
streng wetenschappelijke formule: