Amersfoort, 22 April 1914.
_Geliefde gemeente!_
Het is nu bijna drie weken geleden, dat ik geopereerd werd, en nog
steeds blijft mijn toestand stationair. Wat zal de toekomst brengen?
Zal de verdikking der tong toenemen, of zal haar dikte terugloopen? Zal
ik nu spoedig worden weggenomen, of zal de Heere nog jaren tot mijne
levensdagen toevoegen? Ik weet het niet, en onderwerp mij geheel en al
aan des Heeren souverein, alléén-wijs, heilig, en--goed bestel.
Gelukkig leven!.... Gelukkig leven, dat leven der onderwerping aan des
Heeren souvereinen wil.
De volstrekte souvereiniteit Gods, zij is de grootste aller gedachten.
Door Zijn volstrekte souvereiniteit is God alleen waarachtig God.
Diep is deze gedachte aan de gemeente ingeprent door Israëls profeten.
»Mijn raad zal bestaan, Ik zal al Mijn welbehagen doen," is 't woord,
dat de Heere door de profeten predikt. Toen Job de gedachte dezer
volstrekte souvereiniteit Gods vatte, riep hij met vreugde uit: »Met
het gehoor des oors heb ik U gehoord; _maar nu ziet U mijn oog!_"
Paulus heeft deze gedachte steeds in zijn brieven ontwikkeld. »Hij
is de pottebakker, en wij zijn het leem," is de grondgedachte van zijn
geheiligd denken. En 't is de groote genade en eere der Gereformeerde
Theologie, dat zij deze grootste aller gedachten steeds op den voorgrond
heeft gesteld.
Wij hebben dan ook nooit iets anders te doen, dan ons ter beschikking
van Gods souverein welbehagen te stellen. Roept Hij ons tot een hooge
plaats, dan hebben wij te volgen, al is 't, dat er doornen zijn in den
krans, dien Hij om de slapen vlecht. Roept Hij ons midden uit onzen
arbeid, en werpt Hij ons op 't bed der smarten neer, ook daar hebben wij
ons ter beschikking van Zijn volstrekte souvereiniteit te stellen.
O gelukkig leven, wanneer wij dit mogen doen. Dan zijn wij ook geheel en
al voor des Heeren rekening. Hij zorgt voor Zijne Daniels. Hij beschaamt
nooit, wie Hem verwachten; maar verrast hen zoo, dat zij in 't midden
der zwaarste beproevingen met David mogen zingen:
»De Heere is mijn Herder,
Mij zal niets ontbreken.
Hij doet mij nederliggen
In grazige weiden;
Hij voert mij zachtkens
Aan zeer stille wateren.
Hij verkwikt mijne ziele;
Hij leidt mij
In 't spoor der gerechtigheid
Om Zijns Naams wil.
Al ging ik ook
In een dal der schaduwe des doods,
Ik zoude geen kwaad vreezen;
Want Gij zijt met mij;
Uw stok en Uw staf,
Die vertroosten mij.
Gij richt de tafel toe
Voor mijn aangezicht,
Gij maakt mijn hoofd vet met olie,
Tegenover mijn tegenpartijders;
Mijn beker is overvloeiende!
Immers zullen mij
Het goede en de weldadigheid volgen
Alle dagen mijns levens;
En ik zal in het Huis des Heeren blijven
Tot in lengte van dagen."
O, wonder van vertroosting!
Is 't leven van buiten een woestijn, van binnen is 't een paradijs.
Gaat het hoofd toch een wijle onder kommer en zorg gebogen, dan
fluistert de Heere ons in, wat in onderstaand vers zoo liefelijk staat
uitgedrukt.
Kind, dat ik liefheb, leun óp Mij, leun sterk!
Laat meer het wicht der zorgen, die u kwellen,
Mij voelen; 'k weet uw last, want kind Mijn werk,
Mijn maaksel zijn de smarten, die u kwellen;
Ik telde ze af, en heb met eigen hand,
Die naar ùw kracht en naar Mijn macht gewogen.
Toen Mijne hand ze u toezond uit den hooge,
Sprak Ik: Ik zal als Helper bij hem zijn;
Naar mate hij Mij deel geeft in zijn pijn
Zal ik, niet hij, het wicht zijns kruises dragen.
Zóó wil ik u, Mijn kind, als gij gelooft,
Omsluiten met Mijn arm. O leg uw hoofd
Aan Mijne borst, gij moogt stoutmoedig vragen.
Of zou Mijn arm, die de eeuwen schiep en schraagt,
Te kort zijn, waar Mijn uitverkoorne klaagt?
Leun sterker steeds! Hoe meer gij aan Mijn schoot
De smart vertrouwt van uwer zorgen nood,
Hoe meer uw hart zelf binnen u zal roemen:
»Te leunen op mijn God, is Hem mijn Helper noemen".
Geliefden, laat die God ook uw toevlucht en sterkte zijn. Nooit kan
eenig kwaad u dan werkelijk kwaad doen.