Amersfoort, 15 April 1914.
_Geliefde gemeente!_
Het is met eenige moeite, dat ik thans de pen gebruik. De dagen van
31 Maart, den dag mijner operatie, tot heden, waren eenerzijds dagen
van groote verkwikking; maar ook aan den anderen kant dagen van veel
lijden. Ik ben thans een dubbele invalide. Ik werd om den anderen dag
verbonden; dit veroorzaakte mij telkens veel pijn. Daarbij komt de
dagelijksche kwelling mijner kwaal. Dit alles heeft mij zeer verzwakt.
Gelukkig vielen in dezen moeilijken tijd de plechtige stille week en de
heerlijke Paaschdagen.
In de stille week volgde ik in mijne gedachten 't lijden van den
Heiland.
Vooral op den Goeden Vrijdag was ik daarmede bezig. Ik stelde mij voor
oogen, hoe het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt, door de
moordenaren op de slachtbank werd geworpen, hoe zij de knie op zijn
borst zetten, om Hem aan 't vloekhout vast te binden. Ik hoorde in
den geest de hamerslagen. Ik zag als voor oogen, dat 't kruis werd
opgericht. Mijn ziel trilde van diepe ontroering, toen ik daarna dacht
aan 't eerste kruiswoord: »Vader, vergeef het hun, want zij weten niet
wat zij doen". Ik dacht aan Zijn verder lijden. Aan Zijn zielelijden,
door de uitbarstingen van haat tegenover zooveel liefde, door het dragen
van den last onzer zonden en den toorn van God, door de verlating Gods.
Eindelijk is 't lijden volleden. De Heere spreekt Zijn laatste woorden:
»Het is volbracht!" Het hoofd buigende geeft Hij den geest. En bij
vernieuwing zinkt mijne ziel met al haar zonde en schuld op dit
heerlijke volbrachte werk van Christus. In mijn binnenste jubelt 't,
wat Paulus schreef:
»Dien die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt,
_opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem!_"
Daarop volgden de heerlijke Paaschdagen met hun blijde klanken.
Hoe rijk is de beteekenis van 't Paaschfeest voor den lijder, die in
Christus een erfdeel heeft gekregen onder de geheiligden in 't licht.
Rondom hem zingt alles van ontwakend natuurleven; zijn lijden is
daarmede in schril contrast. Treffende bevestiging van 't woord der
Schrift:
»Alle vleesch is als gras en alle heerlijkheid des menschen is als een
bloem van het gras. Het gras verdort. De bloem valt af."
Telkens en telkens wordt dit weer gezien. Een wandelaar komt in een
heerlijk lustoord. Liefelijke bosschaadjes wisselen af met blinkende
watervallen; slingerpaden voeren langs sierlijke perken. In 't midden
van dit schoon geheel staat een kasteel, dat een tooverpaleis schijnt.
Vol bewondering laat de wandelaar zijn oog over dit alles gaan. Daar
wordt de deur van 't kasteel geopend. Een dame, zwaar in den rouw,
treedt naar buiten, en wandelt met gebogen hoofd op 't terras op en
neer. Zij heeft een zwaar verlies geleden, en al haar heerlijkheid heeft
haar waarde voor haar verloren.
Zóó zit ieder in dit tranendal éénmaal op de puinhoopen van zijn
verwoest geluk. Ieder menschenleven wordt eenmaal weggenomen door den
dood. Ach, hoe treurig is 't dan met hem, die zijn deel alleen in dit
leven heeft gezocht. Alles is voor hem voorbij. Het gericht wacht.
Hoe geheel anders is 't echter met dengene, die Jezus kent! Al sterft
heel de wereld voor hem weg, hij houdt Jezus over; Jezus, Die dood is
geweest, maar Die eeuwig leeft; Jezus, de geestelijke mensch, de Heere
der heerlijkheid, die den Zijnen de welgegronde hope der zaligheid en
heerlijkheid schenkt in de onzienlijke wereld.
Er is tweeërlei wereld; een zienlijke en een onzienlijke. De zienlijke
wereld gaat voorbij; de onzienlijke blijft. Ook de zienlijke wereld
heeft hare beteekenis. Al 't vergankelijke is gelijkenis; en al de
heerlijkheid der zienlijke wereld wijst naar die der onzienlijke wereld
heen, waar de palmen wuiven en de kristallijnen wateren stroomen.
Mogen wij ons verzekerd houden van de wezenlijkheid dezer onzienlijke
wereld?
Daarop geeft de Paaschdag het antwoord. Jezus heeft _het leven en de
onverderfelijkheid aan het licht gebracht_.
Wij hebben geen dooden, maar een levenden Zaligmaker, die den Zijnen dit
zalige, heerlijke, eeuwige leven schenkt.
Zietdaar, geliefden, mijne Paaschoverdenking.
Zij bracht mij rijke vertroosting.
Zij deed mij stille zijn in mijn beproeving.
Zij deed mij innerlijk juichen bij de gedachte van sterven.
O, hoe goed is de Heere voor mij!