Amersfoort, 30 Maart 1914.
_Geliefde gemeente!_
Sedert ik u de laatste maal uit Heidelberg schreef, is er zeer veel
geschied. De Heere heeft mij van dag tot dag zwaarder beproefd, maar
ook van dag tot dag krachtiger vertroost. Van slapen was in de laatste
weken geen sprake meer; overdag kon ik soms een weinig soezen. Toch
heb ik de radium-bestraling nog goed doorgemaakt. Daarna zouden de
Röntgen-bestralingen beginnen. Daarvoor was ik echter te zwak. De
doctoren raadden mij aan, naar huis te gaan. 21 Maart gingen we op
reis. Behouden kwamen we 's avonds aan. Mijn vrouw waakte na de lange
reis dienzelfden nacht nog bij mij. Dit kon echter zoo niet langer.
Zondagavond 22 Maart ben ik naar het St. Elisabethsgasthuis alhier
gegaan. Daar ben ik nu nog, en moet hier morgen een operatie ondergaan.
Na dien tijd zal ik te bed moeten liggen. Ondanks groote lichaamszwakte
poog ik u heden te schrijven, om u te doen weten, wat mijn hart vervult.
Ik heb telkens gedacht aan Job, tot wien ook bode na bode, ongeluk
meldend, kwam. Ik heb gedacht aan 't groote doel van 't lijden der
vromen, zooals dit in Job wordt voorgesteld. En ik ben zeer versterkt
geworden.
Ook het boek Job behandelt het probleem van 't lijden der vromen, en
beziet dit van een bepaalden kant. Het stelt als hoogste doeleinde van
het lijden der godzaligen: _de verheerlijking Gods en de beschaming des
Satans_.
Gaan we den inhoud van 't boek Job maar even na.
Satan verschijnt in de vergadering der kinderen Gods. Verwonderen we ons
daarover niet. Hij komt ook in de samenkomsten van Gods volk, waar de
gemeente met den Heere vergadert.
De Heere Zelf prijst Jobs godsvrucht, Satan dingt daarop af. Ook
daarover behoeven we ons niet te verbazen. Satan is de verklager der
broederen, de kritische geest, de geest, die graag zaken doet, en daarom
den ander den voet licht. Zoo doet Satan tegenover Job. Hij stelt Job
voor als iemand, die slechts uit loonzucht God dient. Natuurlijk. Satan
kent niet de zaligheid van Azaf, die te midden der zwaarste beproevingen
zingt: »Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets
op de aarde!" Er moet dus wat achter zitten, wanneer Job zoo getrouw God
dient, en dat is de zucht naar loon.
Hiermede beleedigt Satan Job. Bovenal tast Satan echter Gods eere aan.
Satan bedoelt te zeggen: »Gij, o God, zijt niet zoo vol van majesteit en
beminnelijkheid, dat Gij om Uzelven zoudt worden gediend. Kon ik, Satan,
maar één gulden meer geven dan Gij, o God, dan had ik Job en allen aan
mijn snoer. 't Blinkende goud, dat is de ware majesteit en
beminnelijkheid."
Nu volgt de ontwikkeling van 't ontzaglijkst drama.
Op één dag, van vee, van goed, van kinderen beroofd, zit Job op de
puinhoopen van zijn verwoest geluk. Valt hij van God af? Neen! Hij
spreekt de heerlijke woorden: »De Heere heeft gegeven, de Heere heeft
genomen, _de Naam des Heeren zij geloofd_."
Satan heeft derhalve zijn doel niet bereikt. Nogmaals komt hij in de
vergadering der kinderen Gods. Nogmaals randt hij Jobs eere en daarmede
Gods eere aan. »Job is in zijn lichaam nog ongedeerd gebleven; anders
zou hij Gods Naam wel hebben gevloekt", meent Satan.
Nu geeft de Heere Job een wijle over aan Satan. Hij mag met hem doen,
wat hij wil; alléén hij moet Jobs leven verschoonen.
Nu wordt Job met een vreeselijke melaatschheid geslagen. Hij heeft nacht
noch dag rust.
Jobs huisvrouw, in plaats van hem te troosten, port hem aan, om nu maar
een einde aan zijn leven te maken.
Voor Jobs vrouw heeft Job alléén beteekenis, zoolang hij groot en rijk
is. Zij gelijkt de vrouw van een Indisch ambtenaar, van wie 't volgende
wordt verhaald. Bij de landing te Priok, de havenplaats van Batavia,
valt haar man te water. »O, mijn traktement, mijn traktement!" schreeuwt
zij luid op den oever. Gelukkig werd de drenkeling weer op 't droge
gebracht en was haar traktement behouden.
Zoolang Job goed en rijk was, kleeft Jobs vrouw hem aan. Thans, nu hij
van de zonnige hoogten van 't geluk in de afgrondskolken der ellende is
neergestort, wil zij liever van hem af. Zij is een dienares van de
grootschheid des levens, de begeerlijkheid der oogen, de begeerlijkheid
des vleesches, een echt Satanskind. »Zegen God, en sterf!" zegt, zij tot
Job. »Zouden wij het goede van God ontvangen, en zouden wij het kwade
niet ontvangen?" zegt Job.
Wederom is Satan beschaamd.
Thans komt evenwel nog de zwaarste beproeving. Jobs drie vrienden,
Elifaz, Bildad en Zofar komen uit 't verre Oosten om hem in zijn lijden
te bezoeken. Ternauwernood hebben zij hem uit de verte gezien, of zij
verstommen van verschrikking; zeven dagen en zeven nachten zitten zij
neer om Jobs lijden te beweenen.
Niet één hunner staat echter op om hem de hand te gaan drukken. Het
staat immers wel bij hen vast, dat een verborgen kwaad Job moet
aankleven, en dat de Heere hem daarvoor nu komt ontmaskeren. Daarover
zullen zij eerst met hem spreken. En dat zal wel goed uitkomen. Job
vreest God, en zal wel in de schuld vallen. Maar dit moet dan ook
geschieden, zal er van vergeving en genezing voor hem sprake kunnen
zijn. En aangezien zij zijne vrienden zijn, zijn zij de aangewezen
personen om hem daarover ernstig te onderhouden.
Welk een beproeving voor Job!
Hij erkent zijne zonde en schuld. Hij belijdt, dat hij een onreine is.
Maar hij ontkent, dat eenig verborgen kwaad hem aankleeft, waardoor hij
zich dezer zware straffe heeft waandig gemaakt.
Diep in zijn eer aangerand, vervloekt Job nu den dag zijner geboorte.
De volgende hoofdstukken bevatten dan de twistgesprekken tusschen Job en
zijn vrienden, waarin hij zijn zakelijke gerechtigheid handhaaft.
In het 32e hoofdstuk treedt een ander spreker op. Elíhu, die een nieuw
licht werpt op de rampen der vromen. Hij ontwikkelt de waarheid, dat de
Heere zijn volk beproeft om hen te _louteren_.
Maar de eigenlijke oplossing van 't groote probleem van de rampen der
godvruchtigen geeft de Heere Zèlf. In de hoofdstukken 38 en 41 treedt
Hij Zelf op.[A] Hij verschijnt in een onweder, in al de verhevenheid
Zijner majesteit. Hij treedt met Job in gesprek over de wonderen
der schepping. En nu zinkt Job neer voor des Heeren Majesteit en
Beminnelijkheid. Nu spreekt Job de gedenkwaardige woorden: »Met het
gehoor des oors heb ik U gehoord; maar nu ziet U mijn oog; daarom
verfoei ik mij, en heb berouw in stof en asch." Job begrijpt Gods wegen
niet, maar ziet Gods heerlijkheid, en zinkt in aanbidding voor Zijn
Majesteit neder.
Nu is God verheerlijkt.
Nu is de Satan geheel vernederd.
Ziehier één der gewichtigste doeleinden van de rampen der godzaligen:
Tegenover heel de wereld moet blijken, dat de vromen vasthouden aan hun
God, door welke diepe wegen die God hen ook leidt!
Dit is ook voor mij thans de oplossing van den raadselachtigen weg, dien
de Heere met mij houdt.
Inderdaad, 't is een weg vol van vragen. Waarom dit? Waarom dat? Volgens
de Schrift is 't leven van wie God vreest, als een boom, geplant aan
waterbeken; maar de weg der goddeloozen als 't kaf, dat de wind
henendrijft. In de werkelijkheid zien we 't vaak zoo gansch anders.
David vlucht; Saul behoudt 't veld. Elia zwerft in de woestijn; Achab
zit op den troon. Johannes sterft in den kerker; Herodes zwelgt in
weelde. De één gaat arbeiden in 't Koninkrijk Gods, en onspoed is
slechts zijn deel. De ander onderneemt slechts een tijdelijke zaak, en
de zon van voorspoed beschijnt zijn weg. Hoevele vragen liggen in al
deze verschillende feiten!
Ook ik gevoel dit diep in mijn geval. Maar met het licht, dat het boek
van Job in mijne ziel doet vallen, is zij Gode niet alleen stil; neen,
zij jubelt hoog in God over de genade en de eere, geroepen te worden tot
de verheerlijking Gods in den weg des lijdens! Geroepen te worden tot
beschaming van Satan; door het midden van de zware beproevingen des
levens te jubelen in de zaligheid, die daar ligt in 't woord: »Wien heb
ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde!"
En nu ten slotte, ik dank den Heere, dat Hij mij de krachten gaf, dit
nog eens uit te spreken. Hij blijve mij de genade verleenen, Zijnen
grooten Naam te prijzen, hoe alles verder ook ga! Hij geve mij, dat mijn
wil lieflijk verslonden blijve in Zijn wil! Hij geve mij eindelijk,
zij 't ook na veel lijden, om den wille van Christus' lijden en
gehoorzaamheid, een ruimen ingang in de zaligheid en heerlijkheid. Welk
een vergoeding zal dit zijn! In de eeuwigheid is alles vervulling zonder
eenig gemis. Daar wordt de hoogste bestemming bereikt, en eerst recht
gevoeld, wat leven is, en wat 't is, beelddrager Gods te zijn!
Mocht dit mijn laatste brief aan u zijn, geliefde gemeente, dan tot
weerziens aan die zalige plaats!
Uw u liefhebbende oud-leeraar,