R. J. W. RUDOLPH.

Heidelberg, 17 Maart 1914.

_Geliefde gemeente!_

Zoo zijn wij dan Woensdag den 11en Maart wederom gegaan naar Heidelberg,

de oude hoofdstad van 't oude keurvorstendom de Paltz; thans een

stad van den tweeden rang in 't groothertogdom Baden, maar als

universiteitsstad en als een der centra van de hedendaagsche cultuur

geenszins de minste onder de dochteren van Duitschland.

Voor mij is Heidelberg de stad van Czerny en Werner, van 't

Samariterhaus, van 't kankerinstituut.

Hoe gaarne ik anders steeds naar Heidelberg ga, ditmaal had ik zeer

tegen de reis opgezien.

De laatste veertien dagen had ik thuis bijna niet geslapen, en ieder die

weet wat slapelooze nachten zijn, kent ook hunne verschrikkingen, en

weet hoe ze doen afnemen in krachten.

Toch waren niet alle slapelooze nachten even donker en bang. Wanneer

de Heere 't mij gaf, mij in de stilte van den nacht diep onder Zijne

kastijdende hand te verootmoedigen;--wanneer Hij 't mij gaf dan aldus in

mijn binnenste te spreken:

»Heere, Gij zijt rechtvaardig en heilig, ik ben boos en onrein! Gij doet

geen onrecht, Uwe zware kastijding is zoo volkomen rechtvaardig! Maar

bij U, Heere, is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt! Dit hebt Gij

getoond in de overgave van Uwen lieven Zoon, opdat Hij onze zonden zou

dragen, en onze krankheden op Zich zou nemen! Ach, Heere, neem dan om 't

lijden en de gehoorzaamheid van Uwen lieven Zoon deze krankheid weg, en

laat Uwe genade bij mij blijven. Ach Heere, ontferm U om Jezus' wille

over mijn arme vrouw, over mijn arme kinderen, over mijn ouden vader,

over allen, die mij lief en dierbaar zijn! Heere, wees mij genadig en

genees mij! Gij hebt mij beloofd, voor mij te zullen zorgen. Gij hebt

tot hiertoe deze belofte zoo lieflijk vervuld. Ach, wil Gij nu Uwe

weldadigheid en trouw verheerlijken in de zorg voor mijn volkomen

genezing! Ik vraag niet te veel, Heere! Gij zijt de Machtige, die

spreekt en het is er. Gij hebt de middelen reeds geschonken. Nu hangt

alles nog aan Uwen zegen. Ach Heere, spreekt het genadewoord, het

wonderwoord, het machtwoord van zegen over de middelen, en ik zal

genezen! Maar hebt Gij in Uw Raad vastgesteld, mij nu door den dood weg

te nemen, ach geef mij dan genade, dat mijn wil lieflijk verslonden zij

in Uwen wil, en geef mij dan door 't geloof een ruimen ingang in de

zaligheid en heerlijkheid. Behaagt 't U nog jaren tot mijne levensdagen

toe te voegen, geef mij dan in een Christelijk leven en in Christelijken

arbeid hier op aarde reeds te blinken als een parel aan de

Middelaarskroon van Jezus!"

Zie, wanneer ik zóó in de stilte van den nacht mijn gebed mag opheffen

tot den Heere, dan rijst in den slapeloozen nacht de ééne ster der hope

na de andere aan den hemel, de hope op de eeuwige goederen, de hope op

aardsche zegeningen. De slapelooze nachten zijn dan niet lang en donker

meer, maar nachten vol van sterren, die mij 't woord bij Jesaja in de

herinnering roepen, 't machtige, 't aangrijpende, 't bezielende woord in

Jesaja 40, waar de Heere tot Israël spreekt:

»Heft uwe oogen op omhoog, en ziet, Wie deze dingen geschapen heeft; Die

in getal hun heir voortbrengt; Die ze allen bij name roept, vanwege de

grootheid Zijner krachten, en omdat Hij sterk van vermogen is; er wordt

er niet één gemist.

»Waarom zegt gij dan, o Jakob! en spreekt, o Israël: Mijn weg is voor

den Heere verborgen, en mijn recht gaat van mijnen God voorbij?

»Weet gij het niet? Hebt gij niet gehoord, dat de eeuwige God, de

Schepper van de einden der aarde, noch moede noch mat wordt? Er is geen

doorgronding van Zijn verstand. Hij geeft den moede kracht, en Hij

vermenigvuldigt de sterkte dien, die geene krachten heeft.

»De jongen zullen moede en mat worden, en de jongelingen zullen

gewisselijk vallen;

»Maar die den Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen

opvaren met vleugelen, gelijk de arenden; zij zullen loopen, en niet

moede, zij zullen wandelen en niet mat worden."

Zulke nachtelijke bezoeken van den Heere vielen dan wel als een

verkwikkende dauw op de ziel; maar mijn kracht is geen steenen kracht,

en door de slapeloosheid verminderde ik zeer, zoodat ik meer dan anders

tegen de lange reis opzag.

Hoe zwaar de Heere echter ook kastijdt, Hij doet 't altijd op een

vaderlijke wijze, en doet in 't midden der beproeving Zijne trouwe

goedheid aan de ziel merken. Zóó deed Hij ook aan mij. Wonder, den

nacht vóór mijn vertrek, sliep ik bijna den geheelen nacht rustig door.

Door dit blijk van Gods lieve goedheid verrast, ging ik nu vol moed

op reis, en nooit heb ik haar zoo gemakkelijk volbracht als ditmaal.

Zelfs 't eind tusschen Nijmegen en Keulen, dat lange eind zonder eenig

natuur-décor, viel mij niet zoo lang als anders. Van Keulen gingen we

weer voort, den Rijn langs. Ontslagen van zijn winterboei, stroomde de

Rijn ditmaal niet _langs_, maar ver _buiten_ zijn boorden. Overal

stonden heele strooken land diep onder water, en vele villa's moesten

met de schuit benaderd worden.

Schier even frisch als toen we op reis gingen, kwamen we 's avonds te

acht ure behouden te Heidelberg aan.

Den volgenden morgen ging ik natuurlijk dadelijk weer naar 't

Samariterhaus. Prof. Werner was met vacantie afwezig. Z.Exc. Czerny

onderzocht mij derhalve alleen, en deed 't zeer nauwkeurig. Ook nu weer

constateerde hij grooten uitwendigen vooruitgang, maar moest er helaas

bijvoegen, dat de tong nog steeds dik blijft. Hij bepaalde, dat ik

twee heele en twee halve dagen met radium moest worden bestraald.

Zaterdag had de eerste bestraling plaats. Maar wie beschrijft onze

teleurstelling, onmiddellijk na de eerste bestraling: in den nacht van

Zaterdag op Zondag, werd mijn tong nog dikker. Dit was de pijnlijkste

tegenslag, dien ik gedurende deze zware krankheid heb gehad. Mijn vrouw

en ik hadden den ganschen nacht bijna niet geslapen. Hoe vermoeid we 's

morgens ook waren, toch besloten we naar de kerk te gaan, en troost in

Gods huis te gaan zoeken. En we deden 't niet tevergeefs!

Hoe heerlijk hebben we gekerkt!

Dat begon al met 't lieflijk gezang:

Lasset uns mit Jesu ziehen,

Seinem Vorbild folgen nach,

In der Welt, der Welt entfliehen,

Auf der Bahn, die Er uns brach,

Immerfort zum Himmel reisen,

Irdisch noch, schon himmlisch sein.

Glauben recht, und leben rein

In der Lieb' den Glauben weisen!

Treuer Jesu, bleib bei mir;

Geh voran, ich folge dir!

Lasset uns mit Jesu leiden,

Seinem Vorbild werden gleich!

Nach dem Leide folgen Freuden,

Armut hier macht droben reich,

Tränensaat die erntet Wonne,

Hoffnung tröstet mit Geduld,

Denn es scheint durch Gottes Huld

Nach dem Regen bald die Sonne.

Jesu, hier leid ich mit dir

Dar teil deine Freud mit mir!

Dat is:

Laat ons met Jezus trekken,

Zijn voorbeeld gelijkvormig worden,

In de wereld, de wereld ontvluchten;

Op de baan, die Hij ons brak,

Altijd voort ten hemel reizen,

Schoon aardsch, toch reeds hemelsch zijn.

Recht gelooven, zuiver leven,

In de liefde 't geloof bewijzen!

Trouwe Jezus, blijf bij mij;

Ga mij voor, opdat 'k U volg.

Laat ons met Jezus lijden,

Zijn voorbeeld gelijkvormig worden!

Na het leed volgt de vreugde,

Armoe hier, maakt boven rijk,

Tranenzaad oogst hemelblijdschap,

Hoop troost ons met geduld,

Want door Gods goedheid

Schijnt na den regen weêr de zon.

Jezus, hier lijd ik met u,

Deel boven mij Uw vreugde mede!

Daarna hoorden we een kostelijke preek over Jezus' verhoor bij Annas,

uit Johannes 18: 12-24.

Wat hebben wij dien morgen gehoord? Zijn onze zinnen door een

welsprekende rede betooverd? Neen! Is ons denken verdiept, onze kennis

vermeerderd? Neen! Wij hoorden een eenvoudige Evangelieprediking; maar

konden zeggen: »Wij hebben Jezus gezien!"

De prediker schetste eerst kort maar oordeelkundig 't lijden voor

Annas. Daarna sprak hij over de kenosis of de zelfontlediging van den

Heiland, die de legioenen engelen in den hemel liet, en deze bende niet

wegvaagde; maar alles leed om onze zonde. Zoo baande hij zich den weg

om Jezus in Zijn zoete beminnelijkheid als Heilborg van zondaren voor

te stellen. Aan de enkele personen, die den Heere hier deden lijden,

ontleende hij dan ook de stof om aan te wijzen, voor welke zonden Jezus

hier betaalde.

Ten slotte zongen wij nog:

Eines wünsch' ich mir vor allem andern,

Eine Speise früh und spät;

Selig läszts im Tranental sich wandern,

Wenn dies Eine mit uns geht:

Unverrückt auf einen Mann zu schauen,

Der mit blut'gem Schweisz und Todesgrauen

Auf sein Antlitz niedersank

Und den Kelch des Vaters trank.

Dat is:

Eén ding wensch ik mij boven alle andere,

Eéne spijze vroeg en laat;

Zalig kan men door 't tranendal wandelen,

Wanneer dit ééne met ons gaat:

Onverwrikt op éénen Man te zien,

Die met bloedig zweet en doodsbenauwdheid

Op Zijn aangezicht nederzonk,

En den kelk des Vaders dronk.

Als geheel andere menschen verlieten we de kerk. We hadden den Heere

ontmoet, en waren in Hem gesterkt.

Vol moed ging ik dan ook Maandagmorgen weer naar 't Samariterhaus,

Dinsdag eveneens. Het is nu Dinsdagavond, terwijl ik dit schrijf, en ik

heb nu twee dagen achtereen een bestraling gehad van negen uren daags.

Zegene de Heere deze middelen! Geve Hij ons bovenal een hart, dat

volkomen berust in Zijn heiligen wil. Hoe 't ook ga. Hij maakt 't immers

met de Zijnen altijd goed.

Van strak gespannen snaren · 第 43 / 56 题