Amersfoort, 10 Maart 1914.
_Geliefde gemeente!_
Terwijl ik u dezen brief schrijf, maak ik mij gereed om wederom naar
Heidelberg te gaan, om mij daar voor de vierde maal onder behandeling te
stellen.
Was 't verloop van de derde kuur prachtig, de nawerking daarvan heeft
niet beantwoord aan de verwachting, die ik ervan koesterde. De dikte in
den mond blijft, nu en dan heb ik nog hevige pijn, en in de laatste
veertien dagen heb ik 's nachts slecht geslapen.
Ik wil echter allerminst klagen. Integendeel, wanneer de vreeselijke
pijn mijn mond doorsnijdt, buig ik mij vol aanbidding voor de heiligheid
des Heeren Heeren. Ik beschouw dezen kanker als een vruchtgevolg der
zonde. Maar hij is voor mij ook een vuur Gods, dat mij doorloutert. Hij
is voor mij ook een middel in Gods Hand, waardoor Hij mij brengt op de
aller-, allerliefste plek, op de vlakke velden, waar onze Koning en Borg
Zich in al Zijn schoonheid aan de ziel vertoont.
Dan heb ik innerlijke vreugde in 't midden van de diepe smart, en stem
ik in met wat de dichter zingt:
Maar, 't vrome volk, in U verheugd,
Zal huppelen van zielevreugd,
Daar zij hun wensch verkrijgen;
Hun blijdschap zal dan onbepaald,
Door 't licht dat van Zijn Aanzicht straalt,
Ten hoogsten toppunt stijgen.
Heft Gode blijde psalmen aan;
Verhoogt, verhoogt voor Hem de baan;
Laat al wat leeft, Hem eeren!
Bereidt den weg, in Hem verblijd,
Die door de vlakke velden rijdt;
Zijn Naam is Heer der Heeren.
In dien Naam ga ik dan ook vol goeden moed weer naar Heidelberg. En zou
ik niet? Hij heeft mij derwaarts den weg gewezen en gebaand. Ik kan
niet anders doen dan Zijn goedheid daarin bewonderen. Voor de vierde
maal heeft Hij de beide lieve broeders, die zich zoo sterk voor mij
interesseeren, in staat gesteld de noodige middelen te vinden. Van 't
oogenblik af, dat ik in Heidelberg kwam, heeft de Heere de middelen als
wonderdadig willen zegenen. Zoude ik dan geen moed houden, en voortgaan
op hope tegen hope, mij vasthoudende aan den Heere als ziende den
Onzienlijke?
Maar terwijl ik alzoo vol moed den geliefden vaderlandschen bodem weer
voor eenige weken ga verlaten, is mijn hart vol van ernstige gedachten
over de toekomst van ons volk, waaronder in de laatste jaren zulke
gewichtige omkeeringen hebben plaats gegrepen, en inzonderheid over de
toekomst van ons Gereformeerd volk.
Kort geleden sprak ik met een Duitsch predikant. Met grooten ophef sprak
hij van den wederopbloei van 't Calvinisme in ons Vaderland. Ons land is
anders voor het buitenland geen stad op een berg; maar dit weet men daar
dan toch, vooral in Duitschland, dat »der Calvinismus" alhier zulk een
grooten »Aufschwung" gemaakt heeft.
Later over dit gesprek nadenkende, vatte de vrees bij mij post, dat in
de laatste jaren de machtige ontwikkeling van het Calvinisme eenigszins
tot stilstand is gekomen.
Dit stemde mij droevig, vooral met het oog op de jongste evoluties op
politiek gebied.
Wie had een jaar geleden ook maar eenigszins kunnen denken, dat
geschieden zou, wat wij thans voor onze oogen zien afspelen?
Cort v. d. Linden is de eerste Minister, en schrijft algemeen kiesrecht
als punt één op zijn program. Verbeeld u, Cort van der Linden! In zijn
staatkundigen brief van December herinnert Van Houten nog aan 't
volgende feit: »Tegenover Cort van der Linden stond ik een dertigtal
jaren geleden in het politiek strijdperk te Groningen, waar hij toen
hoogleeraar was. Het toenmalige _comité voor algemeen kiesrecht_ had er
een meeting belegd, die sterk was bezocht. Mr. W. Heineken trad als zijn
woordvoerder op en werd hevig bestreden door B. D. H. Tellegen en Cort
van der Linden. Ik schaarde mij aan de zijde van Heineken en verzocht
den kiezers bij mijn aanstaande aftreding partij te kiezen. De uitdaging
werd aangenomen door candidaatstelling van Cort van der Linden." En
dezelfde Cort van der Linden, overigens een man van een vast karakter,
is thans opgetreden als Minister om algemeen kiesrecht daadwerkelijk in
te voeren!
Daar is in de tweede plaats de heer Treub, evenals Cort van der Linden
een man uit één stuk. Vóór de verkiezing van 't vorige jaar bedankte
hij voor een hernieuwing van zijn mandaat als lid van de Kamer,
omdat hij niet kon meegaan in de actie der linker-partijen voor
staatspensionneering. Ook is dezelfde Minister zoo fel mogelijk gekant
tegen de liefdadigheid. »De liefdadigheid," zoo schrijft hij in zijn
»Sociale Verzekering", »is per slot van rekening niet voor den gever,
maar voor den ontvanger; voor den gever moge zij zalig zijn, voor den
ontvanger is zij, omdat hij er geen aanspraak op heeft, die hij met
opgeheven hoofde kan doen gelden, maar er om bedelen moet en er door
vernederd wordt, een _pest_." Na de verkiezing wordt de heer Treub
Minister, en wat is nu zijn eerste regeeringsdaad? Een voorstel van een
staatspensioentje, een voorstel tot oefening van staatsliefdadigheid
jegens behoeftige ouden van dagen.
O tuimeling der geesten!
En wanneer nu aan deze verantwoordelijke Ministers rekenschap van deze
regeeringsdaden wordt gevraagd, wijzen zij eenvoudig naar den wil van 't
souvereine volk. Zij huldigen de leer van koning Leopold I, die met een
kniebuiging de kroon uit de hand van 't souvereine volk ontving. Zóó
vragen ook deze Ministers niet: wat zegt mijn staatsrechtelijk geweten,
maar: wat zegt de volkswil? En wat is die volkswil? Hoe wordt hij
saamgesteld? Wie spreek hem uit?
Voor ons land is het antwoord daarop gemakkelijk te geven!
Van 't eerste optreden der sociaal-democratische partij heeft haar
leider, Mr. P. J. Troelstra, het algemeen kiesrecht op den voorgrond
geschoven. Met dien eisch heeft hij de linkerzijde eerst verdeeld, en
daarna over haar geheerscht. Daarna is hij nog gekomen met den eisch
van staatspensioen. Wilden de vrijzinnigen tegen de sociaal-democraten
opbieden, en wilden ze bij de herstemmingen op hun hulp en steun
rekenen, dan waren zij verplicht, deze beide, algemeen kiesrecht en
staatspensionneering, in hun programma's te schrijven. Alzoo geschiedde.
De vereenigde linkerzijde triumfeerde. Nu heet 't dat algemeen kiesrecht
en staatspensionneering door den volkswil zijn uitgesproken. 't Is
eigenlijk de wil van Troelstra. Feitelijk doen Cort van der Linden en
Treub niet anders dan dat zij buigen voor Troelstra. Snorkend, maar niet
zonder grond, noemde Troelstra dan ook dit Kabinet zijn zaakwaarnemer.
Kan 't erger?
Gelukkig is er in Nederland nog een volk, dat nooit ofte nimmer voor den
schepter van Mr. Pieter Jelles' volkswil bukt. En dat is 't
Calvinistische volk.
Maar tegen dit volk heeft zich zijn haat en die zijner partij dan
ook 't felst gekeerd. Duidelijk kwam dit wederom uit bij de
Kiesrechtmanifestatie op 1 Maart te Amsterdam in het Paleis voor
Volksvlijt. Door de beide sprekers, Oudegeest en Troelstra, werd
daar vooral op de lachspieren gewerkt. En wanneer brulde 't
instemmingsgeroep? Wanneer er gespot werd! Zooals door Oudegeest:
»Minister Rambonnet zendt niet den Bijbel, niet Bunyans Christenreize
naar de eeuwigheid op de vloot, maar Treubs boek tegen 't Marxisme!"
En door Troelstra, toen hij de Eerste-Kamerleden belachelijk maakte,
en hen aanraadde, wat meer zorg te hebben voor het heil hunner
onsterfelijke ziel.
In den grond is heel de strijd der sociaal-democratie evenals die der
vrijzinnigheid niets anders dan een anti-christelijke strijd. Op den
bodem van elke wetenschap ligt de Theologie, ook van de sociologische
wetenschap. Het ongeloof is de wortel, waarop vrijzinnigheid en
sociaal-democratie stoelen; revolutie, opstand tegen God en Zijn
Gezalfde, is beider vrucht.
Daarom is de haat dan ook zoo fel van 't socialisme tegen den levenden
God. Op treffende wijze is dit verklaard door Sertillanges in zijn
werkje »Nos luttes", »Onze worstelingen". Hij spreekt daarin over den
politieken strijd, den klassenstrijd en den Godsdienststrijd. Er is
niets, zegt hij, wat de hartstochten zoo in beweging brengt als de
politiek. De klassenstrijd kweekt daarbij haat. Nu zou men denken, dat
de Godsdienst vrede zou brengen. Maar neen, zij brengt olie in 't vuur.
Christus heeft gezegd, dat Hij gekomen is, om 't zwaard te brengen op
de aarde, en de tegenpartij voelt in de partij van den levenden God de
scherpte van Christus' zwaard. (Sertillanges, Nos luttes, bladz. 137 en
138).
Onwillekeurig komen de scherpste partijen 't meest tegenover elkander te
staan. De middenpartijen vallen weg. Het scherp gekleurde komt op den
voorgrond.
Alzoo is dan ook nu reeds vervuld, wat ik reeds voor jaren in mijn
»Calvinisme en Socialisme" opperde, dat in Nederland de groote strijd om
de leiding der geesten in de toekomst zou gestreden worden tusschen
Calvinisme en Socialisme.
Wie zal in die worsteling triomfeeren? O zoo gemakkelijk kon 't
Calvinisme overwinnen, wanneer 't één was!
Maar helaas, hoeveel soorten van gereformeerden zijn er niet! Er zijn
Gereformeerden A en B, Christelijk-Gereformeerden, oud-Gereformeerden,
de mannen van den Gereformeerden Bond, voorts die van de Confessioneele
Vereeniging.
Welk een kracht zou er van 't Calvinisme in ons vaderland uitgaan,
wanneer al deze Gereformeerden eens werkelijk één waren!
Maar dit worden ze toch nooit, hoor ik zeggen. Ziet maar eens, hoe
scherp ze tegenover elkander staan! De één wil nog gereformeerder zijn
dan de ander; dezen worden nooit één.
Wie durft dat beweren?
Gelooven wij dan niet meer in den Heiligen Geest?
Werkt Gods Geest niet meer in Gods volk?
Werkt Hij de gemeenschap der heiligen niet meer?
Wie dat wilde beweren, randde daarmede de eere en het werk des Heiligen
Geestes aan!
Vereeniging van de partijen in de Ned. Herv. Kerk is een onmogelijkheid.
Vereeniging van alle Gereformeerden is mogelijk, en noodzakelijk. Gods
eere eischt, de nood der tijden vordert 't.
O wat zou 't Calvinisme ten onzent in ontwikkeling voortschrijden,
wanneer deze vereeniging eens tot stand kwam! Dan werd ons land waarlijk
als een stad op een berg!
Komt, Geliefden, sturen we dan daarop aan, in gebed, in omgang, in
arbeid!
Maar ik moet eindigen. Mijn brief is reeds veel te lang. Het is ook een
onderwerp, dat mij reeds lang bezighield. Ik verheug mij, dat ik, wat
mij vervult, nog eens heb mogen uitspreken.