Heidelberg, 4 Februari 1914.
_Geliefde gemeente!_
Van 9 Januari tot heden, 4 Februari, heb ik wederom in Heidelberg
vertoefd; terwijl ik mij gereed maak om te vertrekken, zie ik terug op
de dagen, die achter mij liggen, en dankbaarheid aan den Heere doet mijn
hart met snelle vreugdeslagen kloppen.
Het is vandaag een schoone dag hier; een lentedag in den winter; er
is een heldere lucht, een vriendelijk zonnetje. Er waait geen windje.
»Ueber allen Gipfeln ist Ruh!" Boven op de bergen, overal is 't
heerlijke stilte in de natuur. Heerlijk symbool van wat op dezen dag
mijn hart vervult.
De Heere heeft alles wederom zoo wel gemaakt. Hij heeft mij beloofd,
voor mij te zullen zorgen, en geen tittel of jota van dat woord is ter
aarde gevallen. Integendeel, de uitkomst heeft een klemtoonteeken
geplaatst boven de rijke belofte Gods. Hij heeft vriendelijke handen
gegeven, die voor ons wilden zorgen, en die ik in gedachte zegen. Hij
heeft mij thans weer gesterkt gedurende een sterk aangrijpende kuur.
Behalve de dagelijksche inspuitingen heb ik 14 Röntgen-bestralingen
gehad; dit is zelfs één boven 't maximum, dat hier wordt toegediend.
Daarbij heb ik zes radium-bestralingen ontvangen, elk van vijf uren.
Reeds de dagelijksche inspuitingen grijpen 't gestel zóó aan, dat alle
patiënten er tegen opzien. Nochtans heb ik alles zonder eenig bezwaar
mogen doorstaan. In geen maanden hebben zich bloedingen vertoond. Mijn
gewicht bleef gedurende de kuur hetzelfde, mijn krachten zijn weer
aanmerkelijk toegenomen. En terwijl wij vertrekken, gloort de hope op
een algeheele genezing mij als 't licht van een nieuwen levensmorgen
tegen. Het is een lentedag in den winter, en al wat in mij is, jubelt
den Gever van alle goede gaven tegemoet, om Hem te danken voor zooveel
gunst aan een onwaardige en ellendige bewezen.
Hoeveel de Heere ook geeft, ik heb evenwel nog meer te vragen. En vooral
twee wenschen kiemen thans op in mijn hart, één voor 't »Jenseit", één
voor 't »Diesseit", één voor 't geestelijke, één voor 't tijdelijke
leven.
De Heere geeft mij een langzaam, een gestadig herstel. Behaagt 't Hem
mij volkomen te genezen, dan heb ik voor 't geestelijke leven den
innigen wensch, dat de Heere mij en mijn huis steeds nader tot Hem
brenge. Alleen de ware levensheiliging geeft ware levensvreugde; waar de
heiligmaking is, bloeit de hoogste vreugde, zelfs in dagen van zware
krankheid, zelfs in kerkerholen, zelfs in de zevenmaal heeter gestookte
ovens.
Met de oude mystieken ging ik te rade, wat de beste middelen zijn om de
vervulling van dezen wensch te verkrijgen, en met hen kwam ik tot 't
besluit, dat de _meditatie_ of de _overdenking_, de _oratie_ of 't
_gebed_, de _contemplatie_ of de _inwendige geestelijke aanschouwing_
de voortreffelijkste wegen zijn, die leiden tot 't voorgestelde doel.
Tweemaal lezen wij in Lukas 2 van Maria, dat zij de dingen, die haar
omtrent Jezus gezegd werden, bewaarde in haar hart; éénmaal, dat zij die
tezamen bij zichzelve overlegde. Maria _mediteerde_ over hetgeen de
herders, een Simeon, een Hanna haar zeiden. We kunnen veilig aannemen,
dat vooral 't woord van Simeon haar als lood op de ziel heeft gewogen,
en dat zij er veel en zwaar over heeft nagedacht. Wat was de vrucht
daarvan? Dat haar in de donkerste ure van haar leven, toen zij bij 't
Kruis stond, 't licht daarover opging, en juist dit licht behoedde haar
toen voor algeheele vertwijfeling. Het mediteeren over 't Woord Gods, de
wegen Gods, de leidingen Gods, is als de hamerslag, die de nagelen van
het Woord steeds vaster slaat in onze ziel. Dit mediteeren ontsteekt de
witte vlam der heilige wijsheid in onzen geest; deze wijsheid is als 't
oog der ziel; dit oog ziet 't perspectief der hope, waar anderen in
dikke duisternis rondtasten.
Aan dit rustig mediteeren hebben we vooral tegenwoordig zulk een groote
behoefte. De zaken, die wij dagelijks moeten doen, zijn zoo groot en zoo
vele, en de dagen zijn zoo kort. We hebben altijd zulk een haast. Dit
is niet goed. Op deze wijze loopt onze geest ledig, en wij moeten hem
vullen. Wij nemen er den tijd af voor allerlei dingen. Laten wij er ook
den tijd afnemen voor de godvruchtige meditatie. Deze doet ons als Mozes
te midden van de vele drukten van 't leven nabij den Heere leven, en
verhoogt 't gewicht en de kracht van ons bestaan.
In de tweede plaats noemde ik als middel om nabij den Heere te leven de
_oratie_ of 't _gebed_.
Te mogen bidden, te mogen spreken met den Koning der koningen, welk een
eere! Te kunnen bidden, welk een verlichting in de ure der benauwdheid!
Het klagend hart heeft zoo gaarne een luisterend oor. Welk een troost,
wanneer wij in tijden van diepe droefenis met de psalmisten 't
boordevolle hart mogen uitstorten voor Hem, die Zich wendt tot het gebed
desgenen, die gansch ontbloot is. Van den troost en de kracht van 't
gebed staat zooveel in 't Woord van God geschreven, dat ik er niet breed
over wil uitweiden.
Alleen op één sprekend voorbeeld wil ik nog wijzen. Jeruzalem wordt door
Sanherib belegerd, en ongeveer op dienzelfden tijd is Hiskia doodelijk
krank. En 't ergste is, het volk is door zijn zondig verleden rijp voor
't gericht. Welk een hachelijke toestand! Hiskia wendt zich in dezen
hoogen nood weenend tot den Heere. De Heere hoort. De koning wordt door
een wonder genezen. Het Assyrisch leger van honderd vijf en tachtig
duizend man wordt in één nacht geveld. De stad wordt verlost. De
ongerechtigheid wordt vergeven. Welk een overweldigende rijkdom van
zegen op 't gebed van één man! Broeders en zusters, laat 't gebed de
kracht van ons leven zijn, zoo zal er zeker kracht van ons uitgaan.
Als derde hulpmiddel voor de bevordering van 't gemeenschapsleven met
den Heere, noemde ik de _contemplatie_ of de _innerlijke geestelijke
aanschouwing_.
Wanneer een onzer verwanten een ongeluk treft, bij een spoorwegongeval
omkomt, of te water valt en verdrinkt, stellen wij ons telkens de ramp
voor oogen. Het is, of wij den geliefde door de rails zien verbrijzelen,
of wij hem in de golven zien wegzinken. Het is ons, of wij zijn laatste
angstkreten hooren. Een oogenblik staan wij op om hem ter hulp te
snellen. Zóó krachtig werkt 't voorstellingsvermogen in den mensch. Het
werkt in zulke gevallen zoo krachtig door de liefde, die wij voor den
getroffene gevoelen.
Alzoo is de liefde ook de drijfkracht in de innerlijke, geestelijke
aanschouwing. Zij dringt ons, om ons den Heiland voor oogen te stellen,
zooals Hij lag in de kribbe, zooals Hij rondwandelde door Kanaän, zooals
Hij worstelde in Gethsémané, zooals Hij leed voor Kájafas, Pilatus,
Herodes en aan het kruis, zooals Hij na Zijn opstanding verscheen aan
Zijn jongeren, zooals Hij opvoer ten hemel, en zooals Hij nu naar de
heerlijke beschrijving van Johannes is gezeten ter rechterhand van den
Vader. Zijn wij recht levendig in deze aanschouwing werkzaam, dan is 't
ons, of zij ons een wijle buiten ons zelven brengt.
Heerlijk is de vrucht dezer contemplatie.
Zij vereenigt ons op 't allernauwst met den Heere, zij doodt den
zinnelijken lust, zij vervult de ziel met 't hemelsch ideaal, zij doet
ons als Henoch wandelen met God, zij brengt een heerlijken glans op ons
leven. Blonk het aangezicht van Mozes, toen hij van den berg kwam, waar
hij met den Heere had verkeerd, ook op ons gansche zijn komt de gouden
glans van den hemel.
Alzoo beleven wij waarlijk, wat Paulus schrijft, 2 Cor. 3: 18: »Wij dan,
de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar
hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot
heerlijkheid, als van des Heeren Geest."
O heerlijk, o gelukkig, o gezegend leven!
Behaagt 't den Heere nog jaren tot mijn levensdagen toe te voegen, 't
behage Hem dan ook, dit leven mij te schenken, opdat ik reeds op aarde
den hemel mag beginnen, en volkomen mag zijn voor de taak, die mij
wacht.
Over mijn tweeden wensch hoop ik U een volgende maal te schrijven.
't Bovenstaande schreef ik 's morgens vóór mijn vertrek uit Heidelberg.
2.19 stapten we te Heidelberg in den trein. We hadden een voorspoedige
reis; precies op tijd liep 's avonds even over tien onze trein 't
station te Amersfoort binnen. Onze beide jongens waren aan den trein, en
ge begrijpt de vreugde van 't wederzien. Den Heere zij lof en dank voor
alles.
Ontvangt van mijn vrouw en huisgenooten de hartelijke groeten.