R. J. W. RUDOLPH.

Amersfoort, 18 December 1913.

_Geliefde gemeente!_

Zoo gingen wij dan Woensdag 10 December des namiddags te 2.19 uit

Heidelberg naar het vaderland terug. Wij hadden dezen trein gekozen,

omdat we dan nergens behoefden over te stappen; in Heidelberg stapten

we in, in Amersfoort uit den trein.

Spoedig waren we in Mainz, en hadden we wederom den oever van den Rijn

bereikt. Dit was nu de vierde maal, dat ik op mijn reizen naar en van

Heidelberg langs »den grootvorst van Europa's stroomen" spoorde.

Het was nu een kille, vochtige December dag; de herfstbetoovering was

geheel geweken; en toch was de Rijn nog schoon! Helder blonk zijn water

in de schemering. Wat verschilt 't rivierwater toch van 't zeenat! De

zee kan zoo loodkleurig getint zijn; door de bries in beweging gebracht,

en wit gekuifd lijken hare wateren zoo recht »wateren des doods". Heel

anders 't rivierwater, inzonderheid 't Rijnwater, dat schier altijd als

levend water schittert. Aan weerskanten sprongen de bergen als zwarte,

natte reuzen in de invallende duisternis op. Op geregelde afstanden

vertoonde zich een Rijndorp of stad, tooverachtig flonkerend in 't

electrische licht.

Mijn vrouw bleef in haar coupé. Ik ging naar den spijswagen; ik was er

de eenige gast; en ging rustig in een hoekje zitten mijmeren.

Ik dacht aan de dagen mijner jeugd. De Rijn is de eerste rivier, dien ik

leerde kennen. Levendig herinner ik mij, hoe ik als kind met mijn moeder

menigmalen van Elst naar Arnhem reed. Vóór de brug spanden we uit; en

hoe verheugd liep ik dan aan de hand mijner moeder over de schipbrug bij

Arnhem! Hoe gelukkig is de jeugdige mensch, wanneer hij nog aan de hand

zijner moeder door 't leven huppelt! En wat heb ik recht veel van de

liefde mijner moeder, wier eenige zoon ik was, mogen genieten! In latere

donkere dagen, toen mijn verdwaasde hart omdoolde in de afgronden van

't atheïsme, is de gedachte van de liefde mijner moeder één der eerste

lichtstralen geweest, waarbij ik uit die duisternis geraakte. »Neen,"

zoo dacht ik, »die moederliefde is geen gevolg van de verbinding van

atomen en moleculen; waar zulke moederliefde is daar moet de Eeuwige

Geest zijn, die Eeuwige Liefde is; deze is noodig om iets dergelijks

als de moederliefde uit te denken en te scheppen!" Volkomen versta ik

dan ook, wat Napoleon antwoordde op de vraag, wat noodig is voor de

verhooging van een volk. »Geef ons moeders!" zeide de scherpziende

staats- en krijgsman, die eenmaal helaas zoo menig moederhart in rouw

heeft gedompeld.

Van mijn eigen verleden bracht de Rijn mijn voortwiegelenden

gedachtengang op 't prilst verleden van ons volk.

Op platboomde vaartuigen voeren eenmaal de Nederduitsche stammen langs

den Rijn naar de lage, Nederlandsche gewesten. En zij hadden een goed

deel gekozen. Vooral in dat tijdperk der historie, had 't vlakke land

meer waarde dan 't gebergte; 't loonde steeds den noesten vlijt van den

land- en veeman. Bovendien bouwden onze vaderen de zee. Zij werden de

vrachtvaarders van Europa. Een eeuw lang stond ons kleine volk aan de

spits der Europeesche cultuur, en was alle andere volken meer dan een

eeuw vooruit. Thans is 't anders geworden. Toch kan ook ons volk weer

groot worden. Het kan weer groot worden in alles, waarin een klein

volk groot kan zijn, wanneer 't moeders heeft, die waarlijk moeder

zijn; moeders, als onze koningin-moeder, aan wie ons volk zooveel is

verschuldigd. Het kan weer groot worden, bovenal, wanneer 't weer

terugkeert tot den God der vaderen. Want dat volk staat waarlijk hoog,

hetwelk dicht staat bij God. Laat dit door alle dienaren des Woords,

door alle politieke en sociale reformatoren toch diep bij ons volk

worden ingeprent! Laten ze den tijd uitkoopen, dewijl de dagen boos

zijn! Vooral van dezen arbeid geldt, wat 't latijnsche spreekwoord zegt:

»Vita brevis, ars longa", het leven is kort, de kunst is lang. Zoo

spoedig, zoo onverwacht kunnen we aan 't einde van onze loopbaan zijn,

en er is zooveel, zoo langdurige arbeid noodig, om goede gedachten bij

het volk ingang te doen vinden. Zoo snel kan daartegenover een groot

volk zinken.

Dit heb ik thans om mij heen gezien onder 't Duitsche volk. Het is een

groot volk, dit volk van »denkers en dichters". En onwillekeurig deed de

Rijn mij ook een lange wijle peinzen over dit cultuurvolk onzer eeuw.

De Rijn en 't Duitsche volk zijn één.

De Rijn is bovenal een Duitsche rivier.

Als grootvorst van Europa's stroomen vertoont hij zich vooral in 't

Duitsche rijk.

En elke Duitscher dweept dan ook met den Rijn.

In 't voorjaar ziet de Noordelijke Duitscher al met verlangen heen

naar de oevers van den Rijn. De Rijn is zijn waranda, waar hij zijn

»Sommerfrische" wil genieten, en nieuwe krachten verzamelen voor den

arbeid van heel een jaar.

Van Mainz tot Bonn staan boven op de bergen de ruïnen der oude trotsche

kasteelen van de vroegere roofridders, die tollen hieven van de

schippers van den Rijn. Ieder dezer ruïnen vertegenwoordigt een legende.

Op honderdvoudige manier zijn deze legenden en sagen in de Duitsche

letterkunde verwerkt. De Rijn is 't bezielend middelpunt der Duitsche

literatuur.

De Rijn maakt de scheiding tusschen de Germaansche en Romaansche volken.

Steeds hebben de Romaansche Franken en Gallen getracht de oevers van den

Rijn te bemachtigen. Een korten tijd is dit den Franschen gelukt, onder

Lodewijk XIV. De Duitsche vorsten waren na den reformatietijd onderling

zeer verdeeld. De Roomsche Duitsche vorstjes zochten hulp bij Lodewijk

XIV. Deze maakte daarvan gebruik om Elzas-Lotharingen te annexeeren.

Maar steeds heeft de Duitsche geest er op gevlast, deze gewesten terug

te krijgen, en daarmede de oevers van den Rijn in zijn bezit te houden.

In 1870 is deze wensch vervuld. »Die Wacht am Rhein" was 't volkslied,

dat de Duitsche soldaten bezielde. Dit lied is sindsdien het volkslied

bij uitnemendheid van de Duitsche natie gebleven. Ook nu nog gaat de

geheime strijd tusschen de beide erfvijanden, Duitschland en Frankrijk,

over de oevers van den Rijn. De Rijn is de polsaderstroom der

tegenwoordige Duitsche geschiedenis. En nog staat de Duitsche wacht

aan den Rijn sterk. Nog is 't Duitsche volk innerlijk sterker dan 't

zichzelf verterend Fransche volk. Maar laten de Duitschers voorzichtig

zijn! Laten ze geen Farizeesche blikken over den Rijn werpen, en op 't

Fransche volk uit de hoogte nederzien! Want helaas, ook in 't Duitsche

volk woekeren de symptonen der verwording, ongeloof, godverzaking en

wellust, krachtig voort.

Ten slotte richtten zich mijne gedachten op de uitmonding van den Rijn

in de wateren der Noordzee. Vermoeid sleept de reus zich voort tusschen

de duinen van Katwijk. Door sluizen moet hij geholpen worden om zijn

einde te vinden in de wateren der zee. Ook op den Rijn is van

toepassing: »Sic transit gloria mundi!" Zoo vergaat de heerlijkheid

dezer wereld!

Maar vlak vóór zijn uitmonding is de Rijn toch nog schoon. In 't

bijzonder dacht ik aan den vredehof »Rijnzicht", die even buiten Leiden

wordt gevonden. Ik dacht aan de velen, die ik mede derwaarts heb

uitgedragen naar de rustplaats der dooden. Ik dacht aan de velen, die

mij lief en dierbaar blijven, en die daar eenmaal zullen rusten. En de

wensch kwam in mij op, hetzij vroeg of laat, daar ook eenmaal mijn graf

te mogen vinden.

Inmiddels was de trein als voortgevlogen, en bemerkte ik, dat metterdaad

de afstanden verdwijnen. Ik zocht mijn coupé weer op, en vond er mijn

vrouw in druk gesprek. Binnen enkele uren waren we in Amersfoort, en

werden we door onze kinderen en de familie Teerink afgehaald.

Welk een vreugde van 't wederzien!

En nu? Wat zal 't nu verder zijn?

Voordat ik Heidelberg verliet, vroeg ik Prof. Werner naar 't resultaat

van de tweede kuur. Hij antwoordde mij: »Wir haben einen guten Erfolg!"

Wij hebben een goed resultaat! In Amersfoort liet ik mij dadelijk

onderzoeken door mijn huisdokter, dokter Groneman. Deze constateerde een

tendenz tot genezing. Beiden verklaarden echter, dat de genezing van de

tong zeer langzaam zou gaan.

Welnu, alles is in des Heeren Hand. Ik wacht, en volg.

Hoezeer verheug ik mij, dat mijn wachttijd nu valt in den tijd van 't

heerlijk Kerstfeest. O, als ik dien naam maar noem, begint mijn hart al

te branden. Het Kerstfeest is het feest van het wonder der wonderen.

Het eeuwige Woord, de Openbaring des Vaders, het Afschijnsel Zijner

heerlijkheid, het uitgedrukte Beeld Zijner Zelfstandigheid, vleesch,

eindig, tijdelijk, broos menschelijk vleesch geworden! Welk verstand

zal dit wonder ooit vatten? Wat wonder, dat dit geheel eenig feit het

levenwekkend middelpunt, niet alleen van onze Christelijke religie, maar

ook van kunst en literatuur is geworden! Wat wonder, dat dit feit de

grensstroom werd tusschen twee soorten van menschen: 1e. die uit dit

wonder leven, en 2e. die dit wonder verwerpen!

En waarom en voor wie werd het Woord vleesch! Neen, al ware de aarde

papier, de zee inkt, de grashalmen pennen, en alle engelen vaardige

schrijvers, zoo zouden zij 't wonder der eeuwige liefde in de

vleeschwording des Woords geschonken, niet kunnen beschrijven!

En dan, hoe zalig, hoe heerlijk, in dit wonder der liefde te mogen

deelen!

O, wat is de moederliefde bij deze liefde van Jezus?

Zij is _een beeld_ van Zijn liefde.

De moederliefde heeft iets _souvereins_.

De moeder heeft haar kind lief, vóór 't is geboren. Zij omhelst 't

straks, hoe 't er ook uit zie. Zij heeft 't te meer lief, wanneer 't

zich als een gebrekkig kind openbaart.

Ziehier een zwak beeld van Jezus' liefde! Zijne liefde is in waarheid

_souverein_. Hij wist, hoe mismaakt en doemschuldig wij waren. Nochtans

heeft Hij ons zóó liefgehad, dat Hij vleesch werd om onze zonde en

schuld te dragen en te boeten.

De moederlijke liefde is een _trouwe_ en _onveranderlijke liefde_. Zij

houdt niet op, ook al is 't kind niet zoo, als 't behoort te wezen.

Wederom een zwak beeld van Jezus' liefde! Hij keert niet op Zijn

schreden terug, wanneer duidelijk uitkomt, wie de mensch is. Jezus'

_liefde is onveranderlijk en getrouw tot in den dood_.

De moeder _offert zich gaarne_ voor haar kind. Zij springt 't na in den

vloed. Zij grijpt 't weg voor den klauw van 't wilde dier. Wederom, welk

een zwak beeld nog slechts van Jezus' opofferende liefde, die vleesch

werd met 't bepaalde doel om Zich voor onze zonde te offeren aan 't

Kruis!

En deze Jezus is gisteren en heden Dezelfde. Zijne hand, Zijne trouwe

liefdehand grijp ik vast. Meer dan een moeder troosten kan, zal Hij mij

troosten. Meer dan een moeder zorgen kan, zal Hij voor mij zorgen. O, 't

is mij goed, nabij den Heere te zijn, ik zet mijn betrouwen op den Heere

Heere, om al Zijn werken te vertellen. Hij zal mij nooit beschamen, maar

hoe 't ga, mij door Zijne liefde verblijden. Heere, maak Gij 't dan maar

wel, opdat mijn vrouw en ik met Uw volk nog in dit leven U mogen

prijzen.

Van strak gespannen snaren · 第 25 / 56 题