R. J. W. RUDOLPH.

Amersfoort, 6 November 1913.

_Geliefde gemeente!_

Hoewel ik deze week weinig nieuws met betrekking tot mijn toestand te

schrijven heb, maak ik toch gaarne gebruik van de gelegenheid, die mij

de Kerkbode voortdurend verleent, omdat mij daardoor de gelegenheid

geboden wordt, Gods groote daden als in het midden der gemeente te

vertellen.

Ik ben nu veertien dagen thuis, en als ik terugzie op hetgeen achter mij

is, is 't mij als een droom. Maar geen droom is, wat God in die dagen

wrocht.

Laat ik 't u mogen verhalen.

Ik begin daartoe met een woord van Paulus. De heilige apostel schrijft

Fil. 1: 23 en 24: »Want ik word van deze twee gedrongen, hebbende

begeerte, om ontbonden te worden en met Christus te zijn; want dat is

zeer verre het beste; maar in het vleesch te blijven is noodiger om

uwentwil".

Ik heb deze gesteldheid van den apostel-pelgrim weleens vergeleken bij

die eener vrouw en moeder, wier man naar Amerika trok, maar die zelve

nog met haar kinderen in het vaderland is gebleven. Haar man schrijft

haar, dat zij over moet komen, maar haar kinderen voorloopig in

Nederland bij de familie moet achterlaten, opdat zij eerst een goede

Hollandsche opvoeding verkrijgen, voordat ook zij naar de nieuwe wereld

verhuizen.

Denkt deze vrouw aan haar man, dan begeert zij vleugelen, om naar 't

verre land te snellen. Ziet zij evenwel op haar kinderen, dan voelt zij

zich nog aan den vaderlandschen bodem als vastgenageld.

Zóó was 't ook met Paulus. Verhief hij zijn hart tot den Heere in den

hemel, dan begeerde hij niets liever dan den marteldood te sterven. Zag

hij op de gemeente, dan verlangde zijn ziel naar leven en vrijheid, om

haar het Evangelie te mogen verkondigen. En door des Heeren rijke en

vrije genade stemt ook mijne ziel hiermede ten volle overeen.

Ik was dezen zomer dan ook zoo dankbaar, toen ik meende, dat ik langzaam

vooruitging, en spoedig mijn heerlijken arbeid zou mogen hervatten,

of liever eigenlijk eerst recht zou beginnen, hoe zoet mij steeds de

gedachte der ontbinding en eeuwige verlossing ook ware. Ik voelde wel,

dat ik ernstig krank was; ik leed, vooral 's nachts, soms onnoemelijke

pijnen. Maar ik meende, dat dit een crisis was, die ik moest doormaken,

en dat ik daarna geheel herstellen zou. Ik had mijn hoop op de

Röntgen-bestraling gebouwd, en dacht niet anders, of ik zou daardoor

als door een van den Heere geschonken middel weldra geheel genezen,

hoewel mijn eigenlijke kwaal gaandeweg erger werd.

Dit duurde tot Donderdag 25 September. Dien dag vergeet ik nimmer! Ik

zou op dien datum naar Almelo gaan, om daar voor de Stichting te werken.

Vooraf ging ik echter even bij den dokter aan, die aan den hoogleeraar

om nader advies had geschreven, en dit had ontvangen. Op weg naar 't

station ging ik even bij den geneesheer aan, om dit advies te vernemen.

Toen deelde mij de dokter kort en goed mede, dat volgens den professor

en hemzelven de Röntgen-bestraling zooals deze in ons land werd

toegediend, mij niets verder zou brengen, en dat er voor mij nog maar

één weg van ontkoming was: in 't Instituut van prof. Czerny te

Heidelberg.

Daar stond ik. Het eenige middel, waarop ik mijn hope had gebouwd, was

mij ontnomen. Heidelberg leek mij onbereikbaar. In 't vaderland was ik

opgegeven. Het buitenland scheen voor mij gesloten.

Toch heb ik geen oogenblik gewankeld, de Heere heeft mij steeds bij

al mijne beproevingen een groote genade geschonken. Ik heb steeds

in toepassing mogen brengen, wat een cadet op een militair examen

anwoordde. Hem werd gevraagd, wat hij doen zou, wanneer zijn regiment,

in 't front door de infanterie, in den rug door de artillerie, links en

rechts door de cavalerie werd aangevallen. Ik zou commandeeren, zoo

luidde zijn antwoord: »Mannen, knielt, bidt!" Ditzelfde zeide ik steeds

tot mijne ziel in elken grooten nood. De zwaarste rampen brachten mij

altijd als in de onmiddellijke gemeenschap Gods, omdat ik mij vasthield

aan Hem als ziende den Onzienlijke, en in de grootste smarten had ik dan

de hoogste vreugde.

Zoo ging 't ook dezen dag.

Een oogenblik overwoog ik, wat mij te doen stond, naar huis te gaan, of

door te gaan. Ik besloot mijn reis voort te zetten, en onderweg den

Heere aan te roepen, om dan straks meer gesterkt thuis te komen.

Ge kunt u voorstellen, hoe ik op dien dag door de straten van Almelo

liep. Ik was als een schip zonder roer in den nood der baren, en gedurig

gingen mijne noodkreten op tot den Heere.

Het was markt in Almelo, en zeer druk op straat. Ik was midden in de

drukte. Een oogenblik was 't mij nu, alsof de Heere een kring om mij

hem trok. Ik zag niemand meer. Door 't geloof wonend in mijn hart,

openbaarde de Heere Zich in mij door Zijnen Heiligen Geest om mij met

kracht te versterken. Het was mij, of Hij mij van binnen in mijn hart

teeder de hand drukte, en tot mij zeide: »Nu alles is afgesneden, nu zal

Ik voor u zorgen!"

Ik kan niet beschrijven, hoe zalig, hoe veilig, hoe rustig ik mij nu

gevoelde. Op zulke oogenblikken is werkelijk van toepassing, wat Jean

Paul zoo schoon schreef:

»Wie auch die Zeit vor dir vorüber fliege, die Gegenwart ist deine

Ewigkeit!" »Hoe de tijd voor u ook voorbij snelle, het is heden uwe

eeuwigheid, en dit verlaat u nooit!"

Zulk een oogenblik, zulk een heden komt uit de eeuwigheid en geeft

eeuwigheids-gevoel in het hart. Het licht, dat dan in de ziel schijnt,

mag nu en dan door wolken worden verdonkerd, de zon blijft, de wolken

verdwijnen, die zon is een eeuwige zon. Welke zaligheid doorstroomde dan

ook in die oogenblikken mijne ziel! Wat voelde ik mij veilig en rustig

in de eeuwige armen van den Koning van 't heelal.

Op 't zelfde oogenblik, dat de Heere mij aldus in Almelo sterkte, was de

dokter bij mijn vrouw, om haar de gansche verschrikkende werkelijkheid

te onthullen. Door den Heere kennelijk gesterkt, droeg zij dien slag als

een heldin. Ziedaar reeds de eerste bevestiging van wat de Heere

beloofde!

Nadat ik in Almelo mijn zaken had afgedaan, ging ik naar huis, met de

bedoeling om mijn vrouw deelgenoot te maken van wat de dokter mij had

gezegd, en met haar verder te beramen, wat ons nu te doen stond. Ik had

reeds mijn plan gemaakt. Ik wil 't maar niet meedeelen. Het is niet

uitgevoerd, want de Heere had anders gezorgd.

Thuis gekomen vermoedde ik weinig, dat al mijn huisgenooten reeds meer

wisten dan ik kon mededeelen. Mijn vrouw hoorde mij aan zonder te

ontstellen. Ik had niet veel tijd hierover na te denken. Binnen weinige

minuten kwam een vriend binnen, die mij mededeelde, dat ik naar

Heidelberg moest, en dat hij voor alles zorgen zou. Wat was geschied?

Eenige dagen tevoren had hij mij met den dokter ontmoet. De dokter

begreep, dat hij belang in mij stelde, ontbood hem buiten mijn weten ten

zijnent, en in weinige dagen werden door hen samen de voorbereidende

maatregelen voor mijn vertrek getroffen. Zaterdag 27 September werd ook

mij nu de werkelijkheid mijner ziekte medegedeeld. Maandag 29 September

zaten wij reeds in den trein naar Heidelberg. Wat in ons land niet

verkregen kon worden, is daar bereikt; het uitwendig kankergezwel is

nagenoeg geheel verdwenen. Alleen de tong zit aan de achterzijde nog met

zweertjes. De bedoeling van de tweede kuur is, om dan vooral de tong aan

te vatten. Ook voor die tweede reis is alles al weer bijeen, of nagenoeg

bijeen. Heeft de Heere nu woord gehouden, of niet? Heeft de Heere

gezorgd, of heeft Hij niet gezorgd?

Geliefde gemeente, ik hoop met u nog eens te zingen:

Zalig hij, die in dit leven

Jakobs God ter hulpe heeft;

Hij, die door den nood gedreven,

Zich tot Hem om troost begeeft,

Die zijn hoop in 't hachlijkst lot

Vestigt op den Heer, zijn God!

Zoo is het!

Wat hoop ik nu voor de toekomst?

Ik heb tegenover den Heere geen enkel recht, en ik maak geen enkele

aanspraak op één seconde levens. Dit ligt in mijn oude natuur geheel

verbeurd. En wanneer de Heere mij heden nog wegnam, zou ik moeten

zeggen: »Heere, Gij hebt woord gehouden! Gij, die machtig zijt, om meer

dan overvloedig te doen, boven ons bidden en boven ons denken, Gij hebt

werkelijk boven bidden en denken aan mij welgedaan!"

Toch heb ik in hetgeen de Heere beloofde en deed, een krachtigen

pleitgrond om bij Hem aan te houden, en te zeggen: »Heere, Gij zijt de

Getrouwe".

Gedenk aan 't woord, gesproken tot uw knecht,

Waarop Gij mij verwachting hebt gegeven:

Dit is mijn troost, in druk mij toegelegd;

Dit leert mijn ziel U achteraan te kleven;

Al 'tgeen uw mond aan mij had toegezegd

Gaf aan mijn hart vertroosting, geest en leven.

Bij Gods troon pleit ik ook om genezing. Maar ik doe dit met volkomen

onderwerping van mijn wil aan des Heeren wil, die alleen goed, wijs en

heilig is.

Zoo blijf ik een volkomen troost genieten.

En waarom ik u dit nu mededeel?

Waarom anders dan om u aan te sporen, uw gansche lot in des Heeren

hand te bestellen. Niemand weet, wat hem boven 't hoofd hangt. Wie

zou voor een jaar gezegd hebben, dat dit dreigend kwaad boven mij zou

worden opgehangen? Maar wat ook gebeure, »die in de schuilplaats des

Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduwe des

Almachtigen". Niemand behoeft bij den Heere verontschuldiging te maken,

dat ook hij komt. Niemand behoeft te vreezen, dat hij zal worden

afgewezen. Het hartelijkst welkom, de grootste rijkdom van genade is van

tevoren zeker. Moge dit schrijven u opwekken u voor ziel en lichaam,

voor tijd en eeuwigheid, in Gods hand te bestellen; ik zal er geen spijt

van hebben, dat ik wat geleden heb, en het is u dan tot eeuwig heil

geweest.

Moge dit zoo zijn!

Van strak gespannen snaren · 第 15 / 56 题