L. S.

De uitgave van de brieven van mijn overleden vriend Rudolph kan ten

zegen zijn. Rudolph toch behoorde tot die mannen, van wie men in de

jaren van hun drukke leven betrekkelijk weinig, maar daarentegen in

de dagen van hun krankheid bijzonder veel hoorde. Rudolph's groote

beteekenis voor den lande ligt in zijn sterven. Niet alsof zijn leven

onnut ware voorbijgegaan. Integendeel. Hij was altoos een klare

belijder, een ijverig werker, een man, die de kunst verstond om door

eigen bezieling anderen te bezielen; maar in het centrum van onze

nationale worsteling zagen wij hem hoogst zelden optreden. Reeds als

student speurde men de stille kracht die in hem huisde, maar beide

tegelijk, theoloog en jurist willende zijn, bereikte hij noch in

het eene noch in het andere die rijpheid van studie, die voor een

vooraantreden in den strijd van het leven eisch is. Zijn vurig verlangen

om op politiek terrein zijn kracht te kunnen ontplooien, is dan ook niet

in vervulling gegaan. Hij bleef predikant te Leiden. Toch begon in de

laatste twee jaren een nieuw ideaal zich voor hem te ontsluieren, hij

koos een andere existentie, en vurig begeerde hij juist in die nieuwe

betrekking tot de volle ontplooiïng van zijn talent te kunnen geraken.

O, hij was voor dien keer in zijn leven zoo innig dankbaar. Het was hem

of hij een nieuwe toekomst tegenging, en alsof hij nu eerst met al hem

verleende gaven zijn Heer en Koning zou kunnen dienen. En toch juist op

dat oogenblik beschikte de Heere op geheel ongedachte wijze over hem, om

hem te maken tot een heel ander instrument voor Zijn glorie. De Heere

kwam Rudolph tegen op zijn nieuw ingeslagen weg en maakte hem krank.

Krank, niet door een gewone krankheid maar door den.... kanker. Ieder

voelt, hoe bang dit Rudolph aangreep. Nu juist was hij, waar hij nooit

meer gedacht had te zullen komen. Een nieuw zooveel rijker leven

ontsloot zich voor hem. Maar immers, dan kon die krankheid niet ten

doode zijn! En zoo scheen het dan ook te zullen loopen. Heidelberg

liet heel Europa door verluiden, dat het 't tegengif tegen den kanker

gevonden had. Rudolph was verrukt, toen hij het hoorde. Hij ging er

heen. Er kwam beterschap. Men gaf hem goede hope. Dankbaar kwam hij

terug, denkende nu zijn rijksten arbeid te kannen aanvangen. Doch weer

zette het kwaad op. Weer toog hij naar Heidelberg. En nog bleef hij

vol hope, dat hem redding beschoren zou zijn, tot het ten derdenmale

tegensloeg, en nu erger kwam opzetten, en zelfs het gebruik van keel en

tong hem werd ontnomen. En toen naderde het einde. Zelf mocht ik hem

nog even terugzien en mijn laatste bezoek brengen. Kort daarop was mijn

vriend Rudolph niet meer.

Maar, en dit is nu hier het wondere, als vrucht van dien bitteren kanker

heeft zich toen juist in die laatste weken in Rudolph een geloofskracht

en een geloofsmoed ontwikkeld, waarop een ieder die ervan hoorde met

deelnemende bewondering neerzag.

Als een held stond hij tot den einde toe in die doodelijke worsteling,

en zijn geloof bezweek niet, het overwon.

Hiervan heeft heel het land toen gehoord. Ten slotte was Rudolph een

lijder, met wien we allen, dag na dag meeleefden, en in het gebed

meêworstelden.

Het was de onverzettelijkheid van zijn geloof, die hem toen die brieven

aan zijn oude gemeente in de pen gaf.

Die brieven hebben toen al wie ze las verkwikt.

Moge het zoo ook na zijn sterven zijn.

Zij zijn een klaar getuigenis, waarvoor wij God danken, van wat het

geloof ook nu nog in de bangste ure vermag.

Van strak gespannen snaren · 第 5 / 56 题