[1] Te Oxford, dus genaamd naar den stichter, Sir T. Bodley (N.v.d.v.).
[2] Het voorkomen van het donkere type onder de bewoners. (N.v.d.v.).
[3] Met betrekking tot den naam "Freeman" voegt de heer Nicholson er
nog bij: "Niemand was meer hartgrondig "Engelsch" in zijn sympathieën
dan de groote historicus van dien naam en vermoedelijk zou niemand zich
hardnekkiger hebben verzet tegen de onderstelling dat hij misschien
uit Wales afstamde; toch heb ik zijn bijna physiek evenbeeld ontmoet
in een pachter uit Wales (Evans geheeten), die op een paar minuten
afstands van Pwllheli woonde."
[4] Hij maakt gewag van "Nyrax, een Keltische stad" en van "Massalia
(Marseille), een stad van Liguria in het land der Kelten" ("Fragmenta
Hist. Graec.")
[5] In zijn "Premiers Habitants de l'Europe," deel II.
[6] "Caesars Verovering van Gallië", blz. 251-327.
[7] De ouden waren geen nauwkeurige waarnemers van physieke
karaktertrekken. Zij beschrijven de Kelten in bijna dezelfde
bewoordingen, die zij voor de Germaansche rassen gebruiken. Rice Holmes
is van meening, dat het eenige verschil uit een physiek oogpunt in
het feit gelegen was, dat de lichte haarkleur der Germanen blond,
doch die der Kelten rood was. In een belangrijk gedeelte van het
reeds aangehaalde boek (blz. 315) maakt hij de volgende opmerking:
"Al houden wij ook zooveel mogelijk rekening met het feit, dat ander
bloed er mede vermengd is, waardoor het type der oorsponkelijke
Keltische of Gallische overweldigers van dit eiland aanzienlijk is
gewijzigd, worden wij toch getroffen door het feit, dat er onder alle
Keltisch sprekende landgenooten een aantal exemplaren gevonden worden
van een type, dat ook bestaat in die gedeelten van Brittannië, die
gekoloniseerd werden door Britsche indringers, en in die gedeelten van
Gallië waarin de Gallische indringers zich in grooten getale schijnen
te hebben neergezet, zoowel als in Noord-Italië, waar eertijds de
Keltische indringers de overhand hadden; en evenzoo treft ons het feit,
dat dit type, _zelfs onder zijn meer blonde vertegenwoordigers, zoowel
voor den oppervlakkigen als voor den wetenschappelijken waarnemer
duidelijk verschilt van dat der zuiverste vertegenwoordigers der
oude Germanen_. De welbekende schilderij van Sir David Wilkie, "Het
lezen der Waterloo Courant", doet, zooals Daniel Wilson opmerkte, het
verschil tusschen beide typen duidelijk uitkomen. Zet een Hooglander
uit Perthshire naast een uit Sussex. Beiden hebben licht haar, maar
het roode haar en de roode baard van den Schot zal duidelijk afwijken
van het lichte haar van den Engelschman, en hun gelaatstrekken zullen
nog sterker verschillen. Ik herinner mij eens in den trein tusschen
Inverness en Lairey gezeten te hebben met twee boschwachters. Zij
waren beiden lang, forsch gebouwd en blond, en behoorden blijkbaar
tot het Scandinavische type, dat zooals Dr. Beddoe zegt, in het
hooge noorden van Schotland zoo veelvuldig wordt aangetroffen, maar
zoowel in de kleur van hun haar als in hun uiterlijk in het algemeen
verschilden zij volkomen van de lange, lichtharige Hooglanders,
die ik in Perthshire had ontmoet. Er was geen spoor van rood in
hun haar, en hun lange baarden waren absoluut geel. Het overwicht
van rood onder de Keltisch sprekende bevolking is naar mijn meening
een treffend kenmerk. Niet alleen dat wij op iedere honderd man elf
vinden, wier haar absoluut rood is, maar op den ondergrond der zwart-
en donkerbruin gekleurden kan dezelfde tint worden ontdekt."
[8] Men zie de kaart ter vergelijking der kleur van de haren en de
gelaatskleur in Ripley "Rassen van Europa", blz. 318. In Frankrijk
echter zijn de bewoners van Bretagne geen donker ras in vergelijking
met het overige deel der bevolking. Zij bestaan gedeeltelijk uit
de oude Gallische volken en gedeeltelijk uit kolonisten uit Wales,
die bij den Saksischen inval waren verjaagd.
[9] Zie, wat die namen betreft, Holder "Altceltischer Sprachsatz".
[10] Het is niet onmogelijk, dat Vergilius beteekent de "zeer
schitterende" of uitstekende; een natuurlijke vorm voor een
eigennaam _Ver_ is dikwijls in Gallische namen (Vercingetorix,
Vercassivellasimus, enz.) een versterkend voorvoegsel, zooals het
moderne Iersche _fior_. De naam van het dorp, waar Vergilius geboren
was, Andes (thans Pietola), is Keltisch. Zijn liefde voor de natuur,
zijn mysticisme en zijn krachtig gevoel voor zekere decoratieve
eigenschappen in taal en rhythmus, zijn sterk op den voorgrond
tredende Keltische eigenschappen. De uitdrukkingen, die Tennyson
over hem bezigt, "liefhebber van landschappen, beheerscher der taal,"
zijn in dit opzicht kenschetsend.
[11] Ptolemaeus, een vriend en waarschijnlijk zelfs een halfbroeder
van Alexander, was zonder twijfel er bij tegenwoordig, toen dit
voorval plaats had. Zijn werk is niet meer overgebleven, maar wordt
aangehaald door Arrianus en andere geschiedschrijvers.
[12] Het doet ons denken aan het volksverhaal omtrent Henny Penny,
die den koning ging vertellen, dat de hemel neerviel.
[13] Het Boek van Leinster is een manuscript uit de twaalfde eeuw. De
lezing der "Táin", daarin gegeven, dateert waarschijnlijk uit de
achtste eeuw. Zie de Jubainville, "Premiers Habitants," II 316.
[14] Dr. Douglas Hyde geeft in zijn "Letterkundige Geschiedenis van
Ierland" (blz. 7), een eenigszins afwijkende vertaling.
[15] Het is eveneens een bewijs van de groote nauwkeurigheid van het
verhaal van Ptolemaeus.
[16] De Romeinsche geschiedenis maakt melding van verscheidene
botsingen met de Kelten gedurende die periode, maar de Jubainville
heeft aangetoond, dat die verhalen bijna alle zeker mythen zijn. Zie
"Premiers Habitants," II 318-323.
[17] B.v. Moymell (_magh-meala_) de Vlakte van Honig, een Gallische
naam voor Tooverland, en een aantal plaatsnamen.
[18] Voor deze en een aantal andere voorbeelden zie de Jubainville
"Premiers Habitants" II, blz. 255 env.
[19] Aangehaald door Romilly Allen in "Keltische Kunst" blz. 136.
[20] "Premiers Habitants", II 355, 356.
[21] Het Iersch is waarschijnlijk een oudere vorm der Keltische
taal dan de volkstaal van Wales. Dit blijkt uit een aantal
taalkundige bijzonderheden der Iersche taal, waarvan wij hier één
der merkwaardigste in het kort zullen vermelden. De Goidelische of
Galische Kelten, die volgens de gewone theorie het eerst de Britsche
eilanden koloniseerden, en die door opvolgende golven van inval door
hun stamgenooten van het vasteland naar het uiterste westen werden
gedreven, hadden een bijzonderen tegenzin tegen het uitspreken der
letter _p_. Zoo wordt het Indo-Europeesche voorzetsel _pare_, dat in
het Grieksch door par'a, naast of in de onmiddellijke nabijheid, wordt
voorgesteld, in het oud Keltisch _are_, zooals in den naam _Are morici_
(de Armorikers, zij die _ar muir_, aan de zee wonen); _Are-dunum_
(Ardin in Frankrijk); _Are-cluta_, de plaats bij de Clota (Clyde),
het tegenwoordige Dumbarton; _Are-taunon_ in Duitschland (bij het
Taunus gebergte), enz. Als de _p_ niet eenvoudig werd weggelaten,
veranderde zij gewoonlijk in een _c_ (_k_, _g_). Maar omstreeks de
zesde eeuw v.C. had er in de taal der Kelten van het vaste land een
merkwaardige verandering plaats. Op een onverklaarbare wijze kregen
zij het vermogen de _p_ uit te spreken, en zelfs zetten zij die in
de plaats van de bestaande _c_ klanken; zoo werd het oorspronkelijke
_Cretanis_: _Pretanis_, Brittannië, het getal _qetuares_ (vier)
werd _petuares_, enz. Keltische plaatsnamen in Spanje toonen aan,
dat die verandering moet hebben plaats gehad vóórdat de Kelten dat
land hebben veroverd, 500 v.C. Nu toont een vergelijking van een
aantal Iersche woorden en die uit de volkstaal van Wales duidelijk
aan, dat de Ieren die _p_ vermijden terwijl de bewoners van Wales er
volstrekt geen bezwaar tegen hebben. Hier volgen enkele voorbeelden:
------
TABLE
Iersch Wales Nederlands
crann prenn boom
mac map zoon
cenn pen hoofd
clumh (cluv) pluv veer
cúig pimp vijf
------
De gevolgtrekking schijnt voor de hand te liggen, dat het Iersch
den ouderen vorm der taal moet voorstellen. Merkwaardig is het, dat
zelfs tot een betrekkelijk laat tijdstip de Ieren hun tegenzin tegen
de _p_ bewaard hebben. Zoo veranderden zij het Latijnsche _Pascha_
(Paschen) in _Casg_; _purpur_, in _curcair_, _pulsatio_ (door het
Fransche _pouls_) in _cuisle_. Wij moeten echter opmerken, dat
Nicholson in zijn "Keltische onderzoekingen" tracht aan te toonen,
dat de zoogenaamde Indo-Europeesche _p_--dat is de _p_ die alleen
staat en niet met een anderen medeklinker is verbonden--in een vroege
periode door de Goidelische Kelten werd uitgesproken. Men kan niet
zeggen, dat het onderwerp reeds volkomen is opgehelderd.
[22] "De Ieren," zoo zegt Edmund Spenser, in zijn "Overzicht van den
tegenwoordigen toestand van Ierland," "plegen gewoonlijk boodschappers
heen en weer te zenden om nieuws te hooren, en als iemand een ander
ontmoet, zegt hij bijna onmiddellijk, wat voor nieuws is er?"
[23] Zie hieromtrent Spenser: "Ik heb groote krijgslieden hooren
vertellen, dat zij in alle veldtochten die zij in vreemde landen
hadden medegemaakt, nooit bevalliger ruiters gezien hebben dan de
Ieren, noch iemand die dapperder is in den aanval. Zij zijn zeer
dapper en forsch. Zij verdragen meestal uitstekend koude, inspanning,
honger en alle ontberingen, zij zijn krachtig van hand, vlug van voet,
zeer oplettend en voorzichtig in hun ondernemingen, zij hebben groote
tegenwoordigheid van geest, en hebben een groote doodsverachting."
[24] Het verhaal van de overgave van Vercingetorix wordt door Caesar
niet gedaan, en berust uitsluitend op het gezag van Plutarchus en
den geschiedschrijver Florus, maar wordt door de geleerden (Mommsen,
Long, enz.) als authentiek beschouwd.
[25] Dit was een stam die zijn naam ontleende aan den _gaesum_, een
soort Keltische werpspies, wat hun voornaamste wapen was. De gedraaide
gouden halsketen (_torques_) komt als typisch versiersel voor bij
het bekende standbeeld van den stervenden Galliër, gewoonlijk genoemd
"De Stervende Gladiator". Een aantal modellen zijn voorhanden in het
nationale museum te Dublin.
[26] "Caesars Verovering van Gallië, blz. 10, 11. Wij voegen
hieraan toe, dat de aristocratische Kelten evenals de Teutonen
dolichocephalen waren--d.w.z. hun hoofden waren lang in vergelijking
met de breedte. Dit is bewezen uit overblijfselen gevonden in het
bekken van de Marne, dat sterk door hen bevolkt was. In één geval
werd het skelet van den langen Gallischen soldaat gevonden met zijn
strijdwagen, zijn ijzeren helm en zwaard, die thans zijn in het
Museum van St. Germain. De bewoners der Britsche eilanden zijn over
het algemeen dolichocephaal, immers het "Alpentype", met rond hoofd
komt daar slechts zelden voor. De bewoners van het tegenwoordige
Frankrijk zijn eveneens rondhoofdig. Thans weten wij echter, dat de
vorm van het hoofd volstrekt geen constant rassenkenmerk is. Deze
verandert snel in een nieuwe omgeving zooals blijkt uit metingen van
de afstammelingen van hen, die naar Amerika zijn verhuisd. Men zie
een artikel hierover van Professor Haddon in "Nature," 3 Nov. 1910.
[27] In de "Tain Bo Cuailgne", onder andere, mag de Koning van Ulster
niet met een boodschapper spreken totdat de Druïde Cathbad hem heeft
ondervraagd. Men haalt zich hier de regels voor den geest van Sir
Samuel Ferguson in zijn Iersch epos "Congal":
"Want steeds nog,
sinds de tijden
Dat Cathbad Usnachs zoons een wreeden dood deed lijden,
Door hen in vuile modderzee te smoren,
Die door een gruwlijk tooverwoord werd opbezworen,
Aan Creeveroe's bloedge poort, verbeiden
Verderf en smaad den vorst, die zich door priesterwoord
laat leiden.
[28] In het Keltisch, Diarmuid mac Cearbhaill.
[29] Het was de gewoonte, evenals in Indië, dat iemand, die door een
meerdere verongelijkt was, of zich dit verbeeldde, ging zitten voor
den drempel van hem, die geweigerd had hem recht te doen, en dat hij
vastte totdat hem recht was gedaan. In Ierland werd een tooverkracht
toegeschreven aan die plechtige handeling; de gevolgen daarvan konden
worden afgewend, als ook de andere partij vastte.
[30] "Silva Gadelica", door S. H. O'Grady, blz. 73.
[31] De bron, waaraan dit ontleend is, is een verhaal, dat gevonden
wordt op een perkamenten handschrift uit de vijftiende eeuw, dat in
het jaar 1814 in Lismore Castle is ontdekt, en dat door S. H. O'Grady
in zijn "Silva Gadelica" is vertaald. Het verhaal wordt toegeschreven
aan een beambte aan het hof van Dermot.
[32] Van het Grieksche _megas_, groot, en _lithos_, steen.
[33] Zie Borlase, "Dolmens van Ierland," blz. 605, 606, waar dit
onderwerp wordt besproken.
[34] Professor Ridgeway (zie Verslagen der Brit. Assoc. van 1908) heeft
beweerd, dat de megalithische bevolking een Arische taal sprak; anders
zouden, zoo meende hij, meer sporen van haar invloed overgebleven
zijn in het Keltisch, dat daarvoor in de plaats is gekomen. Zoowel
het gezag der grootste geleerden als de directe bewijzen, die wij
bezitten, schijnen tegen die opvatting te pleiten.
[35] Zie Holder, "Altceltischer Sprachschatz" sub voce "Hyperboreoi."
[36] Men lette op het Grieksche woord _pharmakon_ = geneesmiddel,
vergif, toovermiddel; naar men mij mededeelt, is in Centraal Afrika
het woord voor toovermiddel _mankwala_, wat ook geneesmiddel beteekent.
[37] Indien Plinius bedoeld heeft, dat het daar het eerst werd
vastgelegd en geregeld, kan hij wel gelijk hebben gehad, maar de
opvattingen, waarop de toovenarij berusten, zijn in haar wezen over
de geheele aarde verspreid en onheugelijk oud.
[38] Ingevoerd in het jaar 451 v.C. Livius noemt ze "de bron van
alle publieke en private recht." Zij stonden op het forum tot aan de
derde eeuw n.C., maar zij zijn nu verloren, behalve enkele fragmenten,
die in verschillende commentaren zijn bewaard gebleven.
[39] Zie "Revue Archéologique", Deel XII, 1865, "Fouilles de René
Galles."
[40] Jadiet wordt niet in Europa, ten minste niet in den natuurstaat,
gevonden; het dichtst bij vindt men het in China.
[41] Kleine steenen, kristallen en edelgesteenten werden echter
ook vereerd. De beroemde groote steen van Pergamos was het doel van
een gezantschap uit Rome naar die stad gezonden ten tijde van den
Tweeden Punischen oorlog, daar de Sibyllijnsche boeken de overwinning
voorspelden aan de bezitters van dien steen. Hij werd onder groot
vreugdebetoon in het jaar 205 naar Rome gebracht. Men zegt, dat hij
ongeveer de grootte had van een mansvuist, en hij was waarschijnlijk
een meteoorsteen. Men vergelijke hiermede de mythe bij Hesiodus, die
verhaalt, hoe Kronos een steen verslond in de meening, dat deze zijn
zoon Zeus was. Het was toen mogelijk, een steen voor een godheid aan
te zien.
[42] Zie "Archaïsch beeldhouwwerk", 1867 van Sir J. Simpson.
[43] Dit feit wordt vermeld in de "Annalen der Vier Meesters" onder
het jaar 861 en in de "Annalen van Ulster", onder het jaar 862.
[44] Zie "Handelingen van de Koninklijke Iersche Academie," Deel XXX,
Afdeeling I, 1892, en "New Grange," door G. Coffey, 1912.
[45] Men moet echter in het oog houden, dat de versiering, zeker in
sommige, en misschien in alle gevallen, was aangebracht voordat de
steenen in den juisten stand waren geplaatst. Dit is eveneens het
geval te Gavr'inis.
[46] Hij heeft die opvatting gewijzigd in zijn laatste werk, "New
Grange," 1912.
[47] "Verhandelingen der Koninklijke Iersche Academie," Deel VIII,
1863, blz. 400 en G. Coffey, aangehaald werk blz. 30.
[48] "Les Sculptures de Rochers de la Suède," voorlezing gehouden
op het Praehistorisch Congres, Stockholm, 1874; zie ook G. Coffey,
aangehaald werk, blz. 60.
[49] "Dolmens van Ierland", blz. 701-704.
[50] "De Godsdienst van Babylonië en Assyrië."
[51] Een goed voorbeeld uit Amaravati (naar Fergusson) vindt men bij
Bertrand, "La Religion des Gaulois", blz. 389.
[52] Sergi "Het Ras aan de Middellandsche Zee," blz. 313.
[53] Te Lökeberget, Bohuslän; zie Montelius in zijn aangehaald werk.
[54] Zie Lord Kingsborough "Oudheden van Mexico" op verschillende
plaatsen, en het Humboldt-fragment van Mexicaansch schilderwerk
(weergegeven in Churchwards "Teekenen en Symbolen van den
Oorspronkelijken Mensen").
[55] Zie Sergi, in zijn bovengenoemd werk, blz. 290, over den Ankh
op een Franschen dolmen.
[56] "Bulletin de la Société d'Anthropologie," Paris, April 1893.
[57] "De bevolking van Wales", blz. 616-664, waar het onderwerp
volledig besproken wordt in een aanhangsel door Professor J. Morris
Jones. "De prae-Arische taaleigens, die nog bestaan in de talen van
Wales en Ierland, waren afgeleid uit een taal, die nauw verwant was
met talen van Egypte en van de Berbers."
[58] Flinders Petrie, "Egypte en Israël", blz. 137, 899.
[59] Homerus, Odyssee XXIV, 1-11.
[60] Valerius Maximus (omstreeks 30 n.C.) en andere schrijvers maken
melding van dit gebruik.
[61] Boek V.
[62] De Jubainville, "Iersche Mythologische Cyclus" blz. 191 env.
[63] De etymologie van het woord Druïde is niet langer een onopgelost
raadsel. Het vermoeden is uitgesproken, dat het laatste gedeelte
van het woord in verband stond met den Arischen wortel VID, die ook
voorkomt in "wijsheid", in het Latijnsche _videre_, enz. Thurneysen
heeft aangetoond, dat die wortel in verband met het versterkende
woordje _dru_ het woord _dru-vids_ vormt, dat in het Gallisch wordt
voorgesteld door _draoi_, een Druïde, evenals een ander versterkend
woordje, _su_, met _vids_ het Gallisch _saoi_, een wijze (sage) vormt.
[64] Zie Rice Holmes "De Verovering van Caesar", blz. 15 en
blz. 532-536. Wij merken hier op, dat Rhys van meening is, dat
het Druïdisme de godsdienst was van de oorspronkelijke bewoners
van Westelijk Europa, van de Oostzee tot aan Gibraltar ("Keltisch
Brittannië" blz. 73). Maar zekerheid hebben wij eerst, waar Kelten
en dolmenbouwers vereenigd waren. Caesar merkt omtrent de Germanen
op, dat zij geen Druïden hadden en weinig gewicht hechtten aan
offerplechtigheden.
[65] "La Religion des Gaulois," leçon XX.
[66] Ontleend aan Bertrand, aangehaald werk, blz. 279.
[67] "De Iersche Mythologische Cyclus," door d'Arbois de Jubainville,
blz. 61. De genoemde "Dinnsenchus" is een oud Christelijk
document. Geen spoor van een wezen als Crom Cruach is tot nu toe
gevonden in de heidensche letterkunde van Ierland, noch in de
geschriften van St. Patrick, en wij gelooven dan ook, dat zelfs in
den tijd van St. Patrick menschenoffers nog alleen slechts in de
herinnering bestonden.
[68] Een voorstelling van een menschenoffer is echter voor eenige
jaren ontdekt in een tempel der Zon in de Ethiopische hoofdstad, Meroë.
[69] "Gij (Kelten), die door het vergieten van wreed bloed den
onmeedoogenden Teutates, den afgrijselijken Æsus met zijn barbaarsche
altaren en Taranus, wiens eeredienst niet zachtzinniger is dan die
van de Scythische Diana, (aan wie krijgsgevangenen werden geofferd),
meent te verzoenen." (Lucanus, "Pharsalia" I, 444). Een altaar,
aan Æsus gewijd, is te Parijs ontdekt.
[70] Mont Mercure, Mercoeur, Mercoirey, Montmartre (Mons Mercurii),
enz.
[71] Tot nog op dezen tijd gebruikt de landbouwende bevolking in vele
streken van Frankrijk uitdrukkingen als _annuit_, _o'né_, _anneue_
enz., die alle "van avond" beteekenen, in plaats van _aujourd'hui_
(Bertrand, La Religion des Gaules, blz. 356).
[72] De _fili_, of beroepsdichters, waren, zooals wij uitdrukkelijk
vermelden, een onderdeel van de kaste der Druïden.
[73] Bij voorbeeld, Pelagius in de vijfde eeuw, Columba, Columbanus
en St. Gallus in de zesde eeuw; Fridolijn, _Viator_ "de Reiziger"
genoemd, en Fursa in de zevende eeuw; Virgilius (Feargal) van Salzburg,
die zich te Rome moest verantwoorden, omdat hij de bolvormige gedaante
der aarde leeraarde, in de achtste eeuw; Dicuil "de Aardrijkskundige,"
en Johannes Scotus Erigena--de grootmeester van den geest in zijn
tijd--in de negende eeuw.
[74] Dealgnaid. Wij zijn hier, evenals op enkele andere plaatsen,
verplicht geweest, de Iersche namen zóó te veranderen, dat zij door
onze lezers kunnen worden uitgesproken.
[75] Zie blz. 31, noot 2.
[76] Wij volgen in dit verhaal de vertaling van R. I. Best, van den
"Ierschen Mythologischen Cyclus" en d'Arbois de Jubainville.
[77] De Jubainville "Iersche Mythologische Cyclus", blz. 75.
[78] Spreek uit zooals in het Engelsch Yeo' hee.
[79] De wetenschap der Druïden, werd, zooals wij zien in verzen
overgebracht, en de dichters van beroep waren een tak van de kaste
der Druïden.
[80] Meyer en Nutt, "Reis van Bran," II, 197.
[81] "Moytura" beteekent "De Vlakte der Torens," d.i. grafmonumenten.
[82] Shakespeare maakt hierop een toespeling in zijn "As You Like
It". "Er zijn nooit zooveel verzen op mij gemaakt," zegt Rosalind,
"sedert de dagen van Pythagoras, toen ik een Iersche rat was--wat ik
mij nauwelijks kan herinneren."
[83] Lyon, Leiden, Laon waren alle in oude tijden bekend als
_Lugdunum_, de Vesting van Lugh-Luguvallum was de naam van een stad
bij den Muur van Hadrianus, in Romeinsch Brittannië.
[84] Het verhaal wordt door hem gegeven in een noot bij de "Vier
Meesters," Deel I, blz. 18 en wordt ook weergegeven door de
Jubainville.
[85] De twee andere zijn: "Het lot van de kinderen van Lir" en "Het
lot van de zonen van Usna." De verhalen van "De tocht der zonen van
Turenn" en van "De kinderen van Lir" zijn door ons volledig vertaald
in het werk "Groote daden van Finn en andere Bardenverhalen," en dat
van "de Zonen van Usna" (de Legenden van Deirdre) in de "Cuchulain"
van Miss Eleonor Hull, beide uitgegeven door Harrap en Co.
[86] Vertaling van O'Curry uit het gedicht "De slag bij Moytura".
[87] O'Curry, "Zeden en Gewoonten", III 214.
[88] De oude verdeeling van het jaar bij de Ieren bevatte slechts drie
jaargetijden, daar de herfst bij den zomer was ingedeeld (O'Curry,
"Zeden en Gewoonten", III 217.)
[89] S. H. O'Grady, "Silva Gadelica", blz. 191.
[90] Blz. 104 env. en verder op verschillende plaatsen.
[91] O'Grady, ter aangehaalde plaatse.
[92] O'Grady, ter aangehaalde plaatse.
[93] Zie blz. 97.
[94] Miss Hull heeft dat onderwerp in den breede ontwikkeld in de
inleiding van haar onschatbaar werk, "De sage van Cuchullin."
[95] Zie het verhaal "Etain en Midir", in Hoofdstuk IV.
[96] De naam Tara is afgeleid van een verbogen vorm van het
zelfstandig naamwoord _Teamhair_ dat beteekent "de plaats van
het wijde uitzicht". Het is nu een breede, grasrijke heuvel in het
graafschap Meath, bedekt met aardewerken, die de plaats aanduiden der
oude koninklijke gebouwen, die men nog alle naar oude beschrijvingen
kan terugvinden.
[97] Zie het verhaal van Etain en Midir. Hfdst. IV.
[98] Zie blz. 99.
[99] Wij kunnen niet instemmen met O'Grady, waar hij die godin met
Dana vereenzelvigt, hoewel de naam "De Groote Koningin" schijnt
te beteekenen.
[100] Gerald, de vierde Graaf van Desmond. Men verhaalt, dat hij in
het jaar 1398 is verdwenen, en de legende zegt, dat hij nog altijd
leeft onder de wateren van Loch Gur, en dat men hem eens in de zeven
jaar op zijn wit paard om de oevers heen kan zien rijden. Hij had
den bijnaam van "Gerald de Dichter" wegens de geestige en vernuftige
gedichten, die hij in het Galisch vervaardigde. Toovenarij, poëzie en
wetenschap waren in den geest der oude Ieren in één begrip vereenigd.
[101] "Populaire vertellingen van Ierland", door D. Fitzgerald in
"Revue Celtique," Deel IV.
[102] "De Reis van Bran", Deel II, blz. 219.
[103] In het Iersch, _Sionnain_.
[104] Vertaling van R. L. Best.
[105] De zonneschepen, die men in snijwerk op dolmens vindt. Zie
Hoofdstuk II, blz. 156 env. Men houdt in het oog, dat de Keltische
geesten, hoewel onzichtbaar, stoffelijk zijn en gewicht hebben,
in tegenstelling met die bij Vergilius en Dante.
[106] De Jubainville, "Iersche Mythologische Cyclus", blz. 136. Beltené
is de moderne Iersche naam voor de maand Mei, en is afgeleid van een
oudere stam, die bewaard is gebleven in het Oud Iersche samengestelde
woord "_epelta_", "dood".
[107] "Iersche Mythologische Cyclus", blz. 138.
[108] Ook hier volgen wij de vertaling van de Jubainville; maar men
zie ook in verband met dit en de vorige gedichten de "Verhandelingen
van het Ossian-Genootschap", Deel V.
[109] Teltin, zoo genoemd naar de godin Telta. Zie blz. 88.
[110] Uitgesproken als het Engelsche "Shee". Het beteekent letterlijk
het Volk der (Feeën) Hoogten.
[111] In het Engelsch uitgesproken als "Eefa".
[112] Die naam beteekent "Meisje met den blanken schouder".
[113] De hier in het kort weergegeven vertelling wordt volledig gegeven
in het werk van den Schrijver "Groote daden van Finn" (Harrap en Co.).
[114] Het verdient vermelding, dat de lettergreep "Kill", die in
zoo veel Iersche plaatsnamen gevonden wordt (Kilkenny, Killiney,
Kilcooley, enz.), meestal het Latijnsche _cella_, een kloostercel,
tempelvertrek of kerk, voorstelt.
[115] Cleena (_Cliodhna_) was een vorstin uit het Volk van Dana,
omtrent wie een legende verhaald wordt, die in verband staat met de
baai van Glandore in het Graafschap Cork. Zie blz. 111.
[116] Zie blz. 69.
[117] "Omnia monumenta Scotorum anti Cimbaoth incerta erant." Tierna,
die in 1088 stierf, was Abt van Clonmacnois, een beroemd klooster en
een middelpunt van opvoeding in het Middeleeuwsche Ierland.
[118] Vergelijk het schoone gedicht van een modern Keltisch schrijver
(Sir Samuel Ferguson). "De Mantel der Weduwe" (het Britsche Rijk in
de dagen van Koningin Victoria).
[119] "Critische geschiedenis van Ierland", blz. 180.
[120] Spreek uit "El'yill."
[121] De uitgang _ster_ in drie van de namen der Iersche provincies, is
van Noorschen oorsprong, en is een overblijfsel van de veroveringen
der Vikings in Ierland. Alleen Connacht, tot waar de Vikings
niet binnengedrongen zijn, heeft zijn Ierschen naam ongewijzigd
behouden. Ulster (in het Iersch _ulaidh_) heeft, zooals gezegd
wordt, zijn naam ontleend aan Ollav Fola, Munster (_Mumhan_) aan
koning Eocho Mumho, den tienden koning na Eremon, en Connacht was
"het land van de kinderen van Conn"--den Conn der Honderd Veldslagen,
en die in 157 n.C. was gestorven.
[122] Wij verwijzen echter onze lezers naar het verhaal van Etain
en Midir, zooals het volledig wordt gegeven door A. H. Leahy
("Heldenverhalen van Ierland") en naar de "Groote Daden van Finn",
van den schrijver van dit werk; bovendien naar het verhaal van Conary,
zooals dit door Sir S. Ferguson wordt gegeven ("Gedichten 1886"),
in het gedicht, dat door Dr. Whitley Stokes het verhevenste gedicht
wordt genoemd, dat ooit door een Ier is geschreven.
[123] In het Engelsch uitgesproken als "Yeo'hee".
[124] Wij halen de vertaling van A. H. Leahy aan uit een handschrift
uit de vijftiende eeuw ("Heldendichten uit Ierland aan Egerton
ontleend", Deel I, blz. 12). Men vindt dit verhaal echter ook in
oudere bronnen.
[125] Ogham-letters, die bestonden uit rechte lijnen, op een bepaalde
wijze gerangschikt rondom de as van een steenenpilaar met vierkante
doorsnede, werden gewoonlijk gebruikt als grafschriften en als
geschrift in het algemeen voordat het Romeinsche alphabet in Ierland
werd ingevoerd.
[126] Dit is een toespeling op de magische zwijnen van Mananan, die
dagelijks gedood en weer versch werden gegeten, en wier vleesch de
eeuwige jeugd bij het volk van Dana in stand hield.
[127] Zie blz. 108.
[128] In het Engelsch uitgesproken als "gaysh," meervoud "gaisha."
[129] Wij citeeren uit de vertaling van Whitley Stokes (_Revue
Celtique_), Januari 1901, en volgende nummers.
[130] Bregia was de groote vlakte ten Oosten van Tara tusschen Boyne
en Liffey.
[131] "De Verwoesting van de Pleisterplaats van Da Derga."
[132] In het Engelsch uitgesproken als "Koohoo'lin".
[133] Zie blz. 134.
[134] Zie blz. 106, waar die godheid wordt besproken.
[135] Dectera had tevens een sterfelijken echtgenoot, Sualtam,
die beschouwd
werd als de vader van Cuchulain.
[136] Het is de vermelding waard, dat onder de karakters, die voorkomen
in den legendencyclus van Ulster, een aantal namen voorkomen, waarvan
het woord _Cu_ (hond) een deel uitmaakt. Zoo hebben wij Curoc, Cucorb,
Beälcu, enz. Dit staat ongetwijfeld in verband met den Ierschen
wolfshond, een prachtig type van kracht en schoonheid.
[137] Het tegenwoordige Lusk, een dorp aan de kust enkele mijlen ten
noorden van Dublin.
[138] Door de overeenkomst in naam werd het bovennatuurlijke land
van Skatha "het Schaduwland" reeds vroegtijdig vereenzelvigd met
de eilanden Skaje, waar de Cuchulain Pieken getuigenis afleggen van
die legende.
[139] Zie genealogische tabel, blz. 164.
[140] Miss Hull, De Cuchulain Sage, blz. 72, waar de zonnetheorie
van den Bruinen Stier uitgebreid wordt behandeld.
[141] Een _cumal_ was de standaardmunt in het Keltische Ierland. Als
zoodanig wordt hij door St. Patrick genoemd. Hij stond in prijs gelijk
met een slavin.
[142] De vloek door Macha op hen gelegd. Zie blz. 161.
[143] Cuchulain was, als de Zoon van den God Lugh, niet onder den
vloek van Macha, waaronder de overige bewoners van Ulster stonden.
[144] Zijn vermeende vader, de sterfelijke echtgenoot van Dectera.
[145] In de Iersche bardische litteratuur behoorde evenmin als in de
Homerische epische gedichten, kuischheid tot het mannelijke ideaal
voor goden en menschen.
[146] "De Wadde van den Vertakten Paal".
[147] Wij citeeren uit de vertaling van Standish Hayes O'Grady, in de
"Cuchulain Mythe" van Miss Hull.
[148] _Ath Ferdia_, wat in het Engelsch wordt uitgesproken en
thans gespeld als "Ardee". Het ligt in het Graafschap Louth, aan de
zuidelijke grens van de vlakte van Murthemney, wat het grondgebied
van Cuchulain was.
[149] Zie blz. 111.
[150] In het oude Ierland waren vijf provincies, waarbij Munster
voor twee werd geteld, of zooals enkele oude autoriteiten verklaren,
het grondgebied van den opperkoning in Meath en Westmeath als een
afzonderlijke provincie wordt gerekend.
[151] "Clan" beteekent in het Galisch kinderen of kroost. Clan Calatin
beteekent dus de zonen van Calatin.
[152] De lezer zal, bij veel wilds en barbaarsch in dit Iersche
epos "de Tain" getroffen worden door de idealen van ridderlijkheid
en welwillendheid, die hier zoo veelvuldig aan het licht komen. Wij
moeten er aan herinneren, dat, zooals A. H. Leahy in zijn "Heldenromans
van Ierland" in het licht stelt, de legende van den Strooptocht van
Quelgny op zijn laatst een eeuw ouder is dan alle andere ridderromans,
hetzij Galisch, hetzij van het Vasteland. Zij wordt gevonden in het
"Boek van Leinster", een handschrift uit de twaalfde eeuw, zoowel
als in andere vormen, en was ongetwijfeld veel ouder dan in den daar
gegeven vorm. "Het geheele verhaal," zegt Leahy, "dagteekent uit het
allereerste begin der litteratuur van modern Europa."
[153] Een ander voorbeeld van het blijven voortleven der eedsformule,
die door de Keltische afgezanten tegenover Alexander den Groote was
uitgesproken. Zie blz. 7.
[154] Zie blz. 115.
[155] Het zwaard van Fergus was een tooverwapen de _Caladcholg_
(knotsige stooter) genoemd, een naam, waarvan het meer beroemde
Latijnsche "Excalibur", een gelatiniseerde verbastering is.
[156] Dit slaat op de geschiedenis met Deirdre.
[157] Zie blz. 193.
[158] Vertaling van A. H. Leahy, "Heldenromans van Ierland," Deel I.
[159] De mantel van Mananan (zie blz. 110) stelt de zee voor--hier
in haar verdeelende en vervreemdende macht.
[160] Die Curoi komt voor in verschillende verhalen uit den Cyclus
van Ulster, met zóódanige attributen, dat het duidelijk blijkt,
dat hij geen sterfelijk koning, maar een plaatselijke godheid was.
[161] Die spookverschijning van het waschmeisje der wadde komt in
Iersche legenden veelvuldig voor.
[162] Zie blz. 148 in betrekking tot _geis_ "zijn naamgenoot" heeft
natuurlijk betrekking op het verhaal van den Hond van Cullan, blz. 166
en 167.
[163] Het was een eerezaak, een bard niets te weigeren; er is zelfs
een verhaal, dat een koning zijn oog gaf, toen het hem gevraagd werd.
[164] Het verhaal wordt in den breede gedaan door den schrijver dezes
in zijn "Heldendaden aan Finn."
[165] In het Engelsch uitgesproken "Bay-al-koo."
[166] Inis Clothrann, nu bekend onder den naam van Quakers eiland. De
vijver bestaat niet meer.
[167] In het Engelsch uitgesproken als "Youb'dan".
[168] Dr. P. W. Joyce, "Iersche plaatsnamen" schenkt een rijke bron
van inlichtingen op dit gebied.
[169] Blz. 193, noot.
[170] De naam is zoowel aan den heuvel _ard_, als aan de wadde
daaronder, _atha_ gegeven.
[171] In het Engelsch uitgesproken als "mac Cool".
[172] In het Engelsch uitgesproken als "Usheen".
[173] Het is natuurlijk niet onmogelijk, dat de tegenwoordige herleving
van het Galisch als een gesproken taal, tot het begin van een nieuw
hoofdstuk in die geschiedenis zal leiden.
[174] Nu Castleknock, bij Dublin.
[175] In de Graafschap van den koning.
[176] De heuvel draagt nog den naam, Knockanar.
[177] Glanismole, bij Dublin.
[178] Talkenn, of Houweel-hoofd, was een naam dien de Ieren aan
St. Patrick gaven. Vermoedelijk sloeg dat op den vorm van zijn tonsuur.
[179] Uit te spreken als "Sleeve-na-món", klemtoon op de laatste
lettergreep. Het beteekent de Berg van de (Toover) Vrouwen.
[180] Naar de (Engelsche) vertaling van S. H. O'Grady.
[181] Zie blz. 90.
[182] Voorbeelden hiervan zijn met vertalingen opgenomen in de
"Handelingen van het Ossian'sch Genootschap."
[183] Ontleend aan het verhaal van een boer in het graafschap Galway
en te Rennes uitgegeven in Dr. Hyde's "An Sgeuluidhe Goadhalach",
vol. ii (geen vertaling).
[184] Thans Athlone (_Atha Luain_).
[185] Hoe kenmerkend is deze naïeve aanwijzing dat het houden van
strooptochten bij zijn buren in Keltisch Ierland werd beschouwd als
de natuurlijke en loffelijke bezigheid van een landedelman? Vergelijk
Spenser's beschouwing over de idealen gekoesterd door de lersche
barden van zijn tijd, "View of the Present State of Ireland," blz. 641
(Globe-editie.)
[186] Dr John Todhunter alleen, geloof ik, heeft in zijn "Three Irish
Bardic Tales," zich gehouden aan het antieke slot van het verhaal
van Deirdre.
[187] Dit doet denken aan Shakespeare's "Richard III" (Noot v.d.v.)
[188] "Waifs and Strays of Celtic Tradition", Argyllshire-reeks. Het
verhaal werd in verzen opgeteekend, woord voor woord, uit den mond
van Roderick mac Fadyen in Tiree, 1868.
[189] Dit is klaarblijkelijk een herinnering aan Briccriu met de
Giftige Tong, de onheilstichter der Ultonianen.
[190] De Arans zijn drie eilanden aan den ingang van de
Galway-baai. Zij zijn bepaald een museum van geheimzinnige ruines.
[191] Spreek uit "Ghermawn"--de "G" hard.
[192] De oude Ieren hielden bijzonder veel van wedrennen; deze worden
in een gedicht van de negende eeuw ter eere van Mei als een van de
attracties van die maand genoemd. De naam Mei voorkomend in een ouden
Gallischen kalender beteekent: "De maand van paardenrennen."
[193] Van het zelfde verschijnsel was, naar gemeld wordt, Peredur
getuige in het verhaal uit Wales van dien naam in de "Mabinogion".
[194] Evenals de brug die tot Skatha's burcht voert, blz. 171.
[195] Wij hebben waarschijnlijk hieronder te verstaan, dat hij
een kluizenaar was, die een eilandje zocht om er in afzondering en
overdenking te leven. De westelijke eilanden van Ierland bevatten
talrijke puinhoopen van hutten en bidkapellen, door afzonderlijke
monniken of kleine gemeenten gebouwd.
[196] Tennyson is ongemeen gelukkig geweest in de beschrijving van
die eilanden onder de zee.
[197] Ps. CIII, 5.
[198] Dit was de laatste der drie pleegbroeders die de reis niet
hadden moeten meemaken.
[199] Het Tory-eiland voorbij de kust van Donegal. Er was daar een
klooster en een kerk gewijd aan St. Columba.
[200] "Eens zullen we ons verlustigen in de herinnering aan deze
dingen." De aanhaling is uit Virgilius, "Aen." 1,203. "Heilige dichter"
is een vertaling van Horatius' _vates sacer_.
[201] Van dezen wijze en dichter is uit eenige andere bron niets
bekend. Hem zij lof en dank, wie hij ook moge zijn geweest.
[202] Het Keltisch van de Schotsche Hooglanden. (N.v.d.v.).
[203] "The Mabinogion", blz. 45 en 54.
[204] Spreek uit "Annoon". Dit woord werd in de oudste literatuur
gebruikt voor Schimmenrijk of Tooverland.
[205] "Barddas," deel I, blz. 224 e.v.
[206] Hoe vreemd het ons ook moge voorkomen, de aard van dit voorwerp
stond volstrekt niet van den beginne af vast. In het gedicht van
Wolfram von Eschenbach was het een steen met toovermacht bedeeld. Door
de eerste vertellers wordt het woord afgeleid van _gréable_, iets
prettigs om te bezitten en te genieten en waardoor men _à son gré_
kon hebben wat men wenschte. Over de Graal-legende later, in verband
met het verhaal uit Wales: "Peredur."
[207] In tegenstelling met de andere groote vooraadschuur van poëtische
legenden, de _Matière de Bretagne_--i.e. de Arthur-sage.
[208] Zie blz. 88.
[209] "Cultur der Gegenwart" I, IX.
[210] Een lijst van hen komt voor in Lobineau's "Histoire de Bretagne."
[211] Zie e.g. blz. 223 en 199 _noot_.
[212] Zie blz. 215 en een dergelijk geval in des schrijver's "High
Deeds of Finn," blz. 82.
[213] Zie blz. 213 en het verhaal van het terug krijgen van de "Tain,"
blz. 215.
[214] "Pwyll Koning van Dyfed," "Bran en Branwen," "Math Zoon van
Mathonwy," en "Manawyddan Zoon van Lyr."
[215] Zie blz. 91.
[216] "Hibbert Lectures" blz. 237-240.
[217] Zie blz. 73, 94 enz. Natuurlijk is Lugh = Lux, licht. De
Keltische woorden _Lamh_ en _Llaw_ werden beurtelings voor hand,
of arm gebruikt.
[218] In zijn "Mythology of the British Islands," 1905, heeft de
heer Squire op heldere en boeiende wijze de jongste uitkomsten van
de onderzoekingen over dit onderwerp bijeengebracht.
[219] Finn en Gwynn zijn respectievelijk de Galische en Kimbrische
vormen van den zelfden naam, beteekenend schoon of blank.
[220] "Mythology of the British Islands" blz. 225.
[221] In den tekst staat "Fairy" en de schrijver teekent zelf daarbij
in een noot aan: "De beteekenis schijnt hier onzeker, en wordt
verschillend weergegeven." Hoe, dat zegt hij niet. Ik liet het woord
dan ook maar onvertaald. (Noot v.d.v.)
[222] Fransch _Clos_ (Noot v.d.v.)
[223] Rhys, "Hibbert Lectures"; de aanhaling is uit de oude sage van
Merlin, uitgegeven door de "English Text Society," blz. 693.
[224] Mythology of the British Islands," blz 325, 326; Rhys, "Hibbert
Lectures," blz. 115 en v.
[225] In de "Iolo MSS.," verzameld door Edward Williams.
[226] Zie blz. 95, 250.
[227] Het blijkt dat wij hier ver zijn van de primitieve Keltische
legende. De helden vechten als ridders in de middeneeuwen, te paard,
elkander met hun lansen stekend, niet op wagens of te voet, en niet
met de vreemde wapens die voorkomen in Galische krijgsverhalen.
[228] Hen, de Oude; een epitheton dat doorgaans aan iets overouds
doet denken in verband met mythologische overlevering.
[229] Blijkbaar was dit het driehoekige Normandische schild, niet het
ronde of ovale Keltische. Het is reeds opgemerkt, dat in deze verhalen
uit Wales, de ridders, wanneer zij vechten, elkander met speren steken.
[230] Men kan uitspreken: "Matholaw."
[231] Vergelijk de beschrijving van Mac Cecht in het verhaal van de
pleisterplaats van De Derga blz. 156.
[232] Waar nu de Tower van Londen staat.
[233] Deze verhalen worden altijd, in Ierland en Wales, in betrekking
gebracht met bestaande begraafplaatsen. In 1813 werd een grafurne
gevonden, bevattende asch en half verbrande beenderen, op de plek
die naar de traditie werd ondersteld het graf te zijn van Branwen.
[234] Saksisch Brittannië.
[235] Dit is een verwrongen herinnering aan een gebruik dat aan de
hoven van vorsten in Wales schijnt te hebben geheerscht, dat een
hooggeplaatst beambte in zijn schoot de voeten van den koning zou
houden, wanneer deze aan den maaltijd zat.
[236] "Hagedoorn, Koning der Reuzen."
[237] De goden van de familie van Don worden dus beschouwd als dienaren
van Arthur, die in dit verhaal klaarblijkelijk de god Artaius is.
[238] "Zij met het Witte Spoor". Vergelijk de beschrijving van Etain
blz. 141, 142.
[239] Er is geen andere vermelding van dezen Kenverchyn, of hoe
Owain aan zijn raven-leger kwam, waarvan ook sprake is in "De droom
van Rhonabwy." Klaarblijkelijk hebben wij hier te doen met een brok
antieke mythologie in een moderner gewaad gestoken.
[240] Evenals het verhaal uit Bretagne van "Peronnik de Dwaas,"
vertaald in "Le Foyer Breton" door Emile Souvestre. De lettergreep
_Per_ die in alle vormen van den naam van den held voorkomt beteekent
in de taal van Wales en Cornwallis kom of vat (Iersch _coira_--zie
blz. 19, noot). In geen geval is een afdoende afleiding gevonden van
het tweede gedeelte van den naam.
[241] "Zij worden gevoed door een steen van den edelsten aard... hij
is genaamd _lapis exillis_; de steen is ook genaamd de Graal." Lapis
exillîs schijnt een verbastering te zijn van _lapis ex celis_,
"de steen uit den hemel."
[242] De juiste afleiding is van het Middeleeuwsch Latijnsch
_cratella_, klein vat of kelk.
[243] Een dergelijke selectieve werking wordt door Wolfram aan den
Graal toegeschreven. Hij kan alleen worden opgelicht door een reine
maagd, wanneer hij in de zaal wordt gedragen, en geen heiden kan hem
zien of er goeds door ondervinden. Dezelfde gedachte komt ook sterk
uit in het verhaal, dat de eerste geschiedenis van den Graal vertelt,
door Robert de Borron, omstreeks 1210; de onreine en zondige kan
er geen goeds door ondervinden. Maar Borron roert het Perceval- of
"zoek"-gedeelte van het verhaal in het geheel niet aan.
[244] Hades.
[245] Caer Vedwyd beteekent Kasteel van de Feestvreugde. Ik volg de
lezing van dit gedicht gegeven door Squire in zijn "Mythology of the
British Islands," waar men het in zijn geheel kan vinden.
[246] De combinatie van voorwerpen in het Graal-Kasteel is zeer
beteekenisvol. Het waren een zwaard, een speer en een vat, of,
in sommige lezingen, een steen. De tooverschatten die de Danaans
in Ierland brachten waren--een zwaard, een speer, een ketel en een
steen. Zie blz. 90, 91.
[247] De Tafelronde wordt in Kimbrische legenden niet genoemd voór
de vijftiende eeuw.
[248] Vergilius, in zijn middeneeuwsch karakter als toovenaar.
[249] Taliesin.
[250] Zinspeling op de denkbeeldige Trojaansche voorouders der Britten.
[251] Ik heb dit zonderlinge gedicht een beetje bekort. Het verband
met ideeën over zielsverhuizing, zooals in de legende van Tuan mac
Carell (zie blz. 82 e.v.), is duidelijk. Men herinnert zich, dat
Tuan's laatste phase een visch was, en Taliesin werd gevonden in een
dam voor de zalmvangst.
[252] In zijn Voorlezingen "Taal en Taalstudie", bewerkt door dr
J. Beckering Vinckers (Haarlem, Erven Bohn), onderscheidt Whitney:
_a_ het Ersisch of Keltisch van Ierland; _b_ het Galisch of Keltisch
van de Schotsche Hooglanden; _c_ het weinig belangrijke dialect van
het eiland Man; _d_ het Keltisch van het Prinsdom Wales; _e_ het
sedert het begin dezer eeuw uitgestorven dialect van Cornwallis; _f_
dat van Bretagne (Armorica) in Frankrijk. De drie eerste vormen de
noordelijke, de drie laatste de zuidelijke of Kimbrische groep der
Keltische taalfamilie. (Noot van den v.)
MOOIE BOEKEN
UITGEGEVEN DOOR
W. J. THIEME & CIE, ZUTPHEN.
Guerber, Mythen en Legenden uit de Middeleeuwen.
Guerber, Mythen en Legenden van Griekenland en Rome.
Guerber, Noorsche Mythen.
Davis, Mythen en Legenden van Japan.
Rolleston, Keltische Mythen.
Cotterill, Oud Hellas.
Cotterill, Italië in de Middeleeuwen (najaar 1916).
Tappan, De Geschiedenis van het Grieksche Volk.
Tappan, De Geschiedenis van het Romeinsche Volk.