Meyerus.]

[Noot 63: "Een opleyder van desen oproer was Pieter Deconinck, Deken

van de wollewevers, eenen man van omtrent dertig jaeren, hebbende maer eene

ooge; doch seer welsprekende en vol verstand. Maar den Bailliu en de Weth

dit vernomen hebbende deden hem aenstonds ...gevangen nemen."

_Cronycke van Despars._]

[Noot 64: "Maer nauwelycks was den Graef wederom vertrocken (1282) of

zy maekten eene nieuwe bende de welke genaemd wierd den grooten Moerlemacy.

Sy liepen in de wapenen en vermoorden Dieryck Franckesone, den wekken sy

seyden de oorzaeke te syn van de gramschap van den Grave."

_Jaerboeken van Brugge._]

[Noot 65: "Deconinck en bleef daer (in den kerker) niet lange want het

gemeente nog ten selven dagen byeen gerot synde, wierd hy gewapenderhand

daer uytgehaeld en in vrydom gestelt."

_Jaerboeken van Brugge._]

10

[Noot 66: Men begon inderdaad een kasteel te houwen, bij de plaats waar

nu het waterwerktuig of watermolen staat, doch hetzelve werd niet

voltrokken.]

[Noot 67: Een gehucht buiten Brugge.]

11

[Noot 68: "15 ougst 1280 verbrandde tot Brugge de Halle, als oock de

torre dewelcke alleenlyk van hout gemaeckt was en waerin alle de

stadsprivilegien berustende door de vlammen verteert wierden."

_Jaerboeken van Brugge._]

12

[Noot 69: "Ende bi desen die cooplieden worden Vlaenderen scuwende, dye

ambochtslieden waren neiringloos, ende en costent niet ghemaken dat si den

cost ghecregen. Hi (De Chatillon) ordonneirde settinghen, poinctingen,

gabellen, daer tvolc onredelic mede verlast ende verschat was, en dit al by

den insteken van synder nichte, die coninginne, omme Vlaenderen plats

scalck te maken, en contrarie haren wetten en privilegiën."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 70: Het slot te Male bestaat nog. Toen ik die plaats ging

bezoeken, om ze met kennis te kunnen beschrijven, vond ik mij terdege in

mijn verwachting bedrogen. Niets kan aan het oog des reizigers zijner

oudheid getuigen, mits het, nu herbouwd, eer naar een groot en grof pakhuis

dan naar een heerlijk goed gelijkt; slechts enige overblijfsels der aloude

vestingsmuur kon men met veel moeite tussen de zode nog ontdekken, de

arduinen Kaak staat te midden van het dorp. Voor enige jaren waren er nog

grote bossen in de omstreken, doch derzelver grond is nu meestal door de

landbouw ingenomen.]

[Noot 71: Dit lied is door mijn kunstvriend J.A. de Laet opgesteld.]

[Noot 72: In al de tochten welke door de christenen aangenomen werden,

om Jeruzalem te winnen en het graf des Heilands van de ongelovigen te

verlossen, namen de Belgen het grootste deel. Reeds ten jare 1095 drong

Godfried van Bouillon, geboren in het slot Baisy op vier mijl van Brussel,

aan het hoofd van driehonderdduizend man in Palestina, en Jeruzalem werd

door hem in 1099 gewonnen. In het jaar 1204 vertrok Boudewyn, Graaf van

Vlaanderen, met enige Franse ridders en met Dandolo, Doge van Venetië, naar

het Oosten, en verwon de Turken in menig gevecht. Hij werd om zijn

dapperheid door al de bondgenoten tot Keizer van Constantinopel verheven.]

[Noot 73: In die tijden bestonden er zekere overeenkomstige wetten,

welke men zonder schande in een gevecht niet mocht verbreken; volgens

dezelve moest de Fransman hier zonder wapens strijden, aangezien hij met

een burger te doen had. Ook mochten de bijzijnde soldeniers in gener wijze

tussen de strijdenden komen, dan slechts voor zoveel er door de ene of de

andere verraderlijke middelen gebruikt werden.]

[Noot 74: "Op den eerste Meye daer naer is Jan Breydel gaen drincken op

het casteel van Maele, alwaer hij woorden krijgende met eenen knecht van

den Casteleyn die hem verweet dat de Bruggelingen muitmaekers waeren, den

selven ter plaetse heeft doodgeslagen."

_Jaerboeken van Brugge_]

[Noot 75: "De Casteleyn met de syne wilde dit vreken: maer Breydel

wederstond hem kloeckelyck."

_Jaerboeken van Brugge._]

[Noot 76: "Hij (De Chatillon) overlastichde den gemeenen volcke, want

hi ordonneirde dat alle dye ambochtslieden moesten gheven den vierden

penninc van haerlieder dachueren en van allet tghene dat se wonnen, alsoo

wel in coopmanscepen als andersins van ghelyke."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 77: "Breydel kwam naer Brugge, hetselve aen de beenhouwers en

andere syne vrienden vertellende. Dese ten getalle van seven hondert

kloeckelyck gewapent trocken naer Maele, alwaer sy den Casteleyn met veel

van de syne doodgeslagen hebben."

_Jaerboeken van Brugge._]

13

[Noot 78: "Anno 1296 naer St-Jansdach midsomere soo kwam Philips, den

coninc Vlaenderen waerts wel met 20,000 mannen, en leedt Duway, en voer

beleggen Ryssel... Daer was seere ghevochten en daer bleef doot die grave

van Bloys en alle die van Guyse die in die eerste bataelge stonden, van die

Franschen bleven 4,000 Walen... heel West-Vlaenderen was verloren. De

Franschen roofden Ryssel, Ypre, Cortryk en Roeselaere en verbrande kerken,

cloosters, dorpen, stedekins en hospitalen, men vercrachte die vrouwen

ghehuwet en onghehuwet, maegden, nonnen en religieusen, en diet niet

ghedooghen en wilde men slouch se doot."

_Die excellente Cronike._]

14

[Noot 79: "Jan van Namen en Guido synen broeder, beyde sonen van den

gevangen Grave, met Guiliame van Juliers hunnen neve, dewelcke zig tot nog

toe tot Namen hadden onthouden... kwamen bedecktelyk naer Vlaenderen om met

Pieter Deconinck te beraemen wat hun te doen stond."

_Jaerboeken van Brugge._]

[Noot 80: "Ende het gheviel dat in deser tyt die sarasynen hadden

inghenomen en ghewonnen met groter cracht, twee kerstene conincrycken, te

wetene tconinckrycke van Mayoorcke ende Melyden. Ende die voors: twee

coningen waren ghecomen te Parys aen den coninc, om raet ende

bystandicheyt, en die paeus screef aen den coninc van Vranckerycke, als die

principaelste kersten coninc, dat hy die kerstene princhen vergaderen wilde

om dat lant van Mayoorcke ende van Melyde weder te conquesteirene."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 81: "Hieromme waren die coninc en coninginne so fellycken gram,

dat si deden vergeven Philippa met venyne. Ende die coninc beval dat men de

XXX camerieren allen worghen soude en in de Cheyne worpen, en die XXX

rudders die met haer ghecomen waren te hanghen aen een galge."

_Die excellente Cronike._]

15

[Noot 82: "Ende die niet en conste betalen sine pointynghe, hi deidste

steken in die vanghenesse en dier yegen knoterden oft murmureirden, die

dede hi hanghen ofte onthoofden."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 83: "Men hielt te Brugge alle daghen mesdach want nement en

wilde wercken, noch temmeren, noch metsen, noch varwen, noch weven, wullen

noch lynen, ende dye dienaers van St.-Pol men en wilde hen lieden spyse

noch drank vercoopen ende se quamen int eynde van der weke in den huyzen

van den ambochtslieden omme te hebbene den vierden penninc van den wercke.

Men vant er geene mans thuys dan vrouwen en kinderen."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 84: "Ende soo wie dagelix te wercke ghinc die moeste geven eenen

witten penninc. Die van Brugge en wildet niet geven, die van Ghendt dit

hoorende si en wildet ook niet betalen ende alzoo ooc in dierghelycke alle

die smalle steden."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 85: "Dit aenhoorende Guy de St-Pol, dye doe te Cortrycke was, dat

die van Brugge deden contrarie syncler ordonnancien, als van hem den

vierden penninc te geven endat si niet wercken en wilden, hi sandt te

Bruggewaert tonnen met reepen ende coorden, meenende alle dye principaelste

van alle den ambochten te doen hanghen voor hen lieder solderveynsteren."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 86: "Selfs en waeren de soldaeten soo haest niet binnen gekomen

oft sy hadden verscheyde huyse van de vluchtelingen opengebroken, alles

roovende en doodslaende, het geene hun tegenstond."

_Cronycke van Despars._]

16

[Noot 87: "Alle dye ambochtslieden waren meestendeel ghevloden som te

Damme som ter Sluys en t' Ardenburch, die welcke alle vergaderden bi Pieter

die Coninc ende Jan Breydel."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 88: "Dit verwonderde Pieter die Coninc een wevere, een harde

vroet en subtyl man, ende werd daerna rudder om syne vromicheyt, hi vloodt

huut Brugge ende ghinc t'Ardenburch met eene menichte van Ambachtslieden

wel gewapend ende voorzien. Ende ooc diergelycke Jan Breydel een

vleeshouwere, die ghinc ten Damme en by wylent ter Sluys ende te

Ardenburch, en hi hadde bi hem alle maniere van Ambachtslieden."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 89: "En si droughen overeen dat si des anderendaegs tsmorgens,

int beginsel van den dage, voor trysen van der soone, vergaderen souden bi

Sinte Kruis kercke, bi Brugge, ende alle welgewapent en voorsien."

_Die excellente Cronike._]

17

[Noot 90: "En Jan Breydel ginc metter ander schare lancx die Speypoorte

aen die Snaggaertsbrugge, want daer omtrent waren ghelogiert Guy de

Saint-Pols lieden van wapenen, ende sine dienlinghen bet dan tot IIII^{m}

mannen, en men hietse die snackers."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 91: "En Pieter dye coninc soude comen metter eender schare ter

cruyspoorte inne, ende alsoo totter maret ende van danen totter vrydaechs

marct."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 92: "En roepen schilt en vriend, wat walsch es valsch eest, slaet

al doot, ende die dat niet en conste segghen die soude men doodslaen sonder

verdrach."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 93: "En Jan Breydel ontrent den drien hueren smorgens soo quam hi

met den sinen in de herberghen van den walen roupende Vlaender dye leeu,

alle die goede Vlamingen syn die volghen mi nae, dat walsch is dats valsch,

slaet al doot. Eeneghe van dien lagen nog op haer bedde en sliepen, andere

stonden oppe en waren nog in hunne wambaysen en men slouch se dood gelyc

kyeckenen."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 94: "Den heere van Chatillon hadde hem meenen in defensie te

stellen, maer syn peerd onder hem gedood synde, hadde hy alle moeite om in

het huys van eenen vriend te vluchten."

_Jaerboeken van Brugge._]

[Noot 95: "Ende Pieter die Coninc ghinc met sinen volcke in de

Steenstrate ende bi Sinte Salvators, in alle die herberghen daer die walen

ghelogiert waren, ende men slouchse allegader doot, men vincker nyement."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 96: "Langs de straten gaende riepen zij geduerig: Vlaenderen den

Leeuw... Het woord van degone die de poorten en andere posten bewaerden was

schild en vriend: het welcke sy buyten andere verkoren hadden om dieswille

dat de Franschen deze woorden niet wel en prononceren en konden: soo dat

alle degone die dat niet recht en seyden, dootgesmeten werden."

_Jaerboeken van Brugge._]

[Noot 97: "Op dye vrydach waren bedt van V^m walen binnen Brugge

verslegen ende des anderdaechs waren te Gendt ooc bedt dan II^m walen

doorghesleghen, dit gheschiede int jaer ons Heren XIII^C ende twee."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 98: "En ontrent half voor noene Guy de St-Pol [De Chatillon] nam

syn cappellaens cleederen en deedtse aen, ende reedt also achter Sinte

Claren naer de veste en quam also lancx der veste tot by der Smedepoorte

daer hi met sinen peerde vloodt en swam duer die veste in groter vreesen

van verdrincken, want zyn principael lyfcnape bleef daer in de veste en

verdranc."

_Die excellente Cronike._]

18

[Noot 99: "Op den eersten van junius sag men Guido van Namen, sone van

den gevangen Graef Guido, binnen Brugge onthaelt worden met eene ongemeyne

vreugt, om dat hij met een duitsch legerken hun ter hulpe kwam."

_Chronycke van Vlaenderen._]

[Noot 100: "Hy dede vooreerst het vier smijten in het huis en Casteel

van Sysseele, wiens bezitter eenen was der fransche bende ende synen

Grootvader veel nadeel gedaen hadde in den lesten oorlogh."

_Chronyke van Vlaenderen._]

[Noot 101: "Jacques de Chatillon vertrouwde de verdediging van het

kasteel van Kortrijk aan de Kastelein van Lens, dewelke hij dertig ridders

met hun schildknapen en een genoegzaam getal schutters liet, hij gaf

vervolgens het bevel der stad en van het kasteel van Rijsel aan Pierre

Flotte, en vertrok zelf naar Parijs."

De Leeuw van Vlaanderen Of de Slag der Gulden Sporen · 第 44 / 86 题