[Noot 48: Een Hertogdom in Westfalen, bevattende de steden Gulik, Duren
en Aken. Willem, neef van Robrecht van Bethune, was Aartsdiaken van Luik en
proost van Aken, alwaar hij zijn verblijf had.]
[Noot 49: De ambachten hadden bijzondere gebouwen, waar zij zich
verenigden en hun plechtgewaad, als standaarden enz. bewaarden. Dit noemde
men het pand.]
[Noot 50: De Bruggelingen hadden een ontzaglijk wapen dat zij met de
grootste behendigheid wisten te gebruiken. Het waren lange speren met een
puntig ijzer voorzien. Zij hadden dezelve uit scherts _Goedendags_ genoemd,
willende beduiden dat zij de vijand terdege er mede konden begroeten. De
heer _Voisin_ haalt de volgende verzen uit Guillaume Guiart aan:
A grans bastons pesanz ferrez,
A un lonc fer agu devant,
Vont (les Flamands) ceux de France recevant.
Tiex bastons qu'ils portent en guerre
Ont nom _Godendac_ en la terre
Godendac, c'est _Bonjour_ à dire,
Qui en francais le veust descrire.
Cil baston sont lonc et traitiz,
pour férir a deux mains faitiz.]
[Noot 51: Wanneer de Bruggelingen hun tolgelden kwamen betalen, werden
zij met hitsigheid door de Franse bedienden toegesproken. Zij noemden deze
toesnauwers de Snakkers. De brug waarbij het tolhuis stond, heet heden nog
de Snaggaardsbrug.]
[Noot 52: In die tijden kende men de Franse volkeren onder de naam van
_Wallen_, zijnde het Franse woord _Gaulois_. Het is waarschijnlijk dat de
Walen hiervan hun naam behouden hebben. Jacob van Maerlant, een Dichter van
het einde der dertiende eeuw, van de Franse Dichters sprekende zegt:
Die scone walsche valsche poëten,
Die meer rimen dan si weten,
Belieghen groten Carel vele
In sconen worden ende bispele.]
7
[Noot 53: Zo heette men de beenhouwers in Brugge.]
[Noot 54: "Dye Grave Guy ende die syne dus in vanghenesse blyvende, die
coninc Phelips occupeirde en hilt Vlaenderen te synen behoeve, ende hi in
persoone metter coninghinne vysenteirde Vlaenderen, te wetene Ghendt,
Brugge en Ypere met haerlieder Casselryen."
_Die excellente Cronike_]
[Noot 55: "Philippus syne intrede te Brugghe gedaen hebbende, was hy
verwonderd dat de inwooners hem met geene genoegsame teekenen van blydschap
ontvangen hadden."
_Jaerboeken van Brugge_]
[Noot 56: "Die coninginne hadts groten spyt dat die vrauwen te Ghendt,
te Brugghe en t'Ypre, die welcke ter weerdigheit van der coninginne al
hadden aen haerlieder beste cleederen ende waren ten suverliesten
ghepareirt. Doen seide die coninginne; ick waende alleene coninginne te
sine in Vranckerycke maer mi dunckt dat die van Vlaenderen die in onze
vangenessen syn in Vranckerycke, syn alle princhen want die wyfs syn al
ghecleed gelyc coninginnen en princerssen."
_Die excellente Cronike._]
[Noot 57: "Philippe le Bel was zeer zorgvuldig tot het doen handhaven
der rechtvaardigheid, hij toonde kunde in de staatszaken, was dapper,
edel- en grootmoedig, dorstig naar glorie, doch geldverspillend. Stervende
beval hij aan zijn zoon Lodewyk de schattingen te verminderen en het volk
te ontlasten."