JF WILLEMS

Ofschoon een groot gedeelte der Vlaamse benden bij hopen de vijand in de

velden achtervolgde, bleven er echter nog enige regelmatige scharen op het

slagveld. Jan Borluut had zijn mannen doen blijven om volgens het gebruik

des oorlogs het slagveld tot des anderendaags te bewaren, slechts weinig

hadden door te hevige geestdrift dit bevel miskend; de bende welke hij met

zich had, bestond nog uit drieduizend Gentenaars[164]: ook waren er

menigvuldige mannen van alle wapenen die, door moeite of wonden afgemat, de

vijand niet konden najagen en diensvolgens op het slagveld waren gebleven.

Nu de strijd gewonnen was, nu de banden des Vaderlands gebroken waren,

juichten de opgetogen Vlamingen met blijde kreten: "Vlaanderen de Leeuw!

Wat wals is, vals is! Zege! Zege!"

En dan antwoordden de Ieperlingen en Kortrijkers van de stadwallen met nog

krachtigere galmen. Zij ook mochten zege roepen, want terwijl de twee

legers elkander op de Groeningekouter bevochten, was de Kastelein van Lens

met honderd zijner mannen van het kasteel in de stad gevallen, en zou

dezelve wellicht gans verbrand hebben, maar de Ieperlingen vielen zo

onversaagd op zijn bende dat de Fransen na een lang gevecht in wanorde op

het kasteel terugvloden. Mijnheer Van Lens, zijn mannen optellende, bevond

dat slechts het tiende deel aan de woede der Burgers ontsnapt was[165].

De meeste Aanleiders en Edelen waren in de legerplaats gegaan, en hadden

zich rondom de gulden ridder geschaard: zij drukten door hun woorden al hun

dankbaarheid voor hem uit; maar hij, vrezende zich te doen kennen,

antwoordde niet. Gwyde, die bij hem stond, zich naar de ridders kerende,

sprak tot hen: "Mijne heren, de ridder die ons allen en het Land van

Vlaanderen zo wonderlijk gered heeft, is een kruisvaarder, die begeert dat

men hem niet kenne.--De edelste zoon van Vlaanderen draagt zijn naam."

De ridders spraken niet, maar ieder poogde bij zich zelven te raden wie

dit ook zijn kon, die zo edel, zo dapper, en zo sterk van lichaam was. Zij

die bij de samenkomst, in het bos bij den Dale, tegenwoordig geweest waren,

wisten reeds lang wie het was; maar zij dorsten hun mening niet ontdekken,

aangezien zij het geheim plechtiglijk beloofd hadden. Onder de anderen

waren er vele die niet twijfelden of het moest de Graaf van Vlaanderen zelf

zijn; het was hun echter genoeg dat Gwyde de begeerte van de gulden ridder

had doen kennen, om hun het stilzwijgen tot een plicht te maken.

Nadat Robrecht enige tijd met stille stem tot Gwyde gesproken had, liet hij

zijn oog over al de bijzijnde scharen gaan. Wanneer hij insgelijks over het

wijde slagveld gezien had, kwam hij nader bij Gwyde, en sprak: "Ik zie

Adolf van Nieuwland niet, de benauwdheid doet mij sidderen. Gij weet het,

zo de onversaagde jongeling onder het vijandlijk zwaard gevallen is ... dan

zullen er zulke bittere tranen over hem gestort worden!"

"Gesneuveld zal hij niet zijn, Robrecht, mij dunkt dat ik zijn groene veder

daar even tussen de bomen van het Neerlanderbos nog gezien heb. Gewis jaagt

hij nu de overige vijanden na; gij hebt gezien met wat onweerhoudelijke

drift hij steeds te midden der Fransen zich begaf. Vrees niet, God zal niet

gedoogd hebben dat hij stierve."

"O Gwyde! Spraakt gij waarheid! Mijn hart breekt bij het vooruitzicht, dat

mijn ongelukkig kind, op zulke blijde dag, met dodende pijnen zal gefolterd

worden. Ik bid u, mijn broeder, doe de mannen van Mijnheer Borluut over het

slagveld gaan, dat men zoeke of het lichaam van Adolf niet te vinden

is.--Ik ga mijn kranke Machteld troosten; de tegenwoordigheid haars vaders

geve haar tenminste een heuglijk ogenblik."

Hij groette de bijzijnde ridders met de hand, en rende snellijk in de

richting der abdij van Groeninge. Gwyde beval Jan Borluut dat hij zijn

mannen over het slagveld spreiden zou, om de gewonden onder de lijken uit

te halen, en de dode ridders in de legerplaats te brengen.

De Gentenaars, op het slagveld tredende, bleven plotseling staan, alsof een

ijslijk gezicht hen verstomd hadde. Nu de vervoerdheid des gevechts in hen

vergaan was, dwaalden hun ogen met afgrijzen over dit wijduitgestrekte

bloedbad, in hetwelke de geplette lijken, de paarden, de Standaarden met de

afgehakte leden van zoveel duizenden mensen verward lagen te zwemmen[166].

In de verte zag men hier en daar een stervende de arm, als in een

hulpgebed, omhoogheffen, en dezelve smekend uitreiken. Een vervaarlijk

gerucht, honderdmaal akeliger dan de ontzaglijkste stilte, heerste boven de

opgehoopte lichamen. Het was de stem der gewonden, roepende: "Drinken,

drinken ...Om Godswil, drinken!"

De zon brandde met hevige gloed op hun ontblote spieren, en pijnigde hen

met een onverdragelijke dorst, hun lippen kleefden aan elkander, en met

moeite konden zij een ratelende doodsklacht vormen. De lucht was met zwarte

raven als met een onweersbui behangen: het krassend geschreeuw dier

vraatzuchtige roofvogels galmde, als de roep der dood, boven het slagveld,

en vervulde de harten der levenden met een sombere verslagenheid. Weldra

vielen de juichende vogels op de lijken neder, en scheurden met hun klauwen

de nog bevende spieren eraf. De gewonden worstelden met angst tegen die

afschuwelijke vijanden, en sidderden van schrik, wanneer zij dachten dat

ieder dezer dieren een deel van hun vlees eten zou;--voor hen geen ander

graf dan het lijf der raven--voor hen geen rustplaats na de dood, geen

gewijde aarde om tot de jongste dag te slapen...!

Wat schriklijk vooruitzicht! Welke hartplettende gedachte!

Ontellijke verhongerde honden waren op de reuk van het bloed uit de stad

gekomen, zij liepen van het ene lijk naar het andere, en huilden met lange

tonen zo vervaarlijk tegen elkander op, dat men zou gedacht hebben dat de

hel haar duivelen uitgezonden had om de komst van zovele zielen te

bezingen. Nochtans scheurden deze dieren niet aan de lichamen; integendeel

schenen zij dit misbaar uit droefheid over de gesneuvelden te vormen.

Alhoewel zij soms hier of daar het bloed der mensen met het bloed der

paarden opslurpten, vochten zij echter met nijdigheid tegen de raven, en

behoedden alzo menig lichaam voor derzelver schendende klauwen.--Bij al die

schrikbarende geruchten voegde zich het doffe briesen of liever het gehuil

der stervende paarden en de juichende zegeroepen der in de stad zijnde

mannen. Afschuwelijk,--afschuwelijk was het gezicht van zoveel gesneuvelde

dapperen die nu, met de blauwe doodsverf op het aangezicht tussen hun

verstrooide leden voor eeuwig sliepen[167].

De oorlogstichtende Vorst, die na de strijd over het slagveld wandelt, die

zijn Konings voeten in het bloed, dat hij deed storten, plaatst, moet in

zijn eigen ogen een boosaardig schepsel zijn, wanneer hij zichzelven

toespreekt en zegt: "Gij zijt het, op wiens hoofd zoveel edel bloed drijft;

gij zijt het, die in één dag meer moorden hebt gedaan dan al de moordenaars

uws Rijks gedaan hebben."

Indien hij dan het vloekbaar zwaard niet voor altijd vallen laat, men

verachte hem als een wanschepsel; want hij heeft geen hart, geen ziel, en

is de naam van Mens niet waardig.--En de volken, die de grote euveldaden

zowel als de grote deugden bewonderen, geven aan zulke de naam van held, en

zeggen: hij is groot.--Omdat hij het mensenbloed bij stromen vergoten

heeft!--Omdat hij niet als een struikrover onder de naam van rover, maar

als een Koning en onder de naam van Koning gemoord heeft! Wat misdadig

vermaak vinden de mensen dan in hun eigen vernieling, dat zij de werktuigen

derzelve met alles wat men op aarde begeren kan, belonen?

Naarmate de Gentenaren zich over het slagveld uitspreidden, vlogen de raven

voor hen op, en gingen verder op een prooi azen. Men zocht onder al de

neerliggenden, diegenen wier boezem nog klopte, en men droeg dezelve in de

legerplaats, om ze tot het leven terug te roepen. Een talrijke bende was in

alle slag van vaten vers water uit de Gaverse beek gaan putten om de nog

levenden te laven. Het was treffend en zielroerend te zien, hoe gulzig de

gewonden het koele water als het leven inzogen, en hoe dankbaar zij, met

een glinsterende traan van vreugde, die lafenis uit de handen hunner

broederen of hunner vijanden ontvingen[168]. Wanneer men dus met één bezig

was, hieven zich in de nabijheid menige armen smekend omhoog, en vele

zwakke stemmen zuchtten: "O laaft mij ook,--een enkele druppel water!--Bij

de passie onzes Zaligmakers, ik bezweer u, broederen, maakt mijne lippen

nat en bevrijdt mij van de dood ..."

De Gentenaars hadden het bevel ontvangen om de Vlaamse ridders, die zij

vinden konden, dood of levend, naar de legerplaats te dragen; reeds hadden

zij bijna de helft der lijken verplaatst en een goed deel van het slagveld

overzocht. De lichamen der edele heren Salomon van Zevekote, Philip van

Hofstade, Eustachius Sporkyn, Jan van Severen, Pieter van Brugge waren

reeds weggedragen, en men was bezig met het harnas van de gewonde Jan, heer

van Machelen, los te maken.--Zij waren nu tot de plaats, waar men het

hardnekkigst gevochten had, genaderd, want grote hopen lijken lagen verward

en bebloed rondom hen. Terwijl zij bezig waren met Mijnheer Van Machelen te

laven, hoorden zij eensklaps een ratelende zucht, als uit de grond opkomen;

zij luisterden, maar ontwaarden niets meer: geen enkel der om hen liggende

lichamen gaf het minste teken van leven. De lijken verplaatsende, om de

klagende op te zoeken, hoorden zij nogmaals de zucht, en bemerkten dat hij

een weinig verder tussen geslachte paarden opklom; meteen liepen er anderen

bij, om hun makkers te helpen. Na lange pogingen sleurden zij de paarden

terzijde en vonden de stervende ridder.

Hij lag uitgestrekt op de rug, het bloed stroomde murmelend onder hem, en

wendde zich kronkelend als een bron naar de Groeningebeek. Afgehakte leden

lagen om hem gezaaid; zijn harnas was onder een paard geplet geweest, zijn

rechterhand had het slagzwaard nog niet verlaten, terwijl hij met zijn

linkerhand een groene sluier vasthield; zijn wangen waren bleek, en droegen

het kenteken der aankomende dood. Dwalend en flauw blikte hij op degenen

die hem kwamen verlossen; zijn zwakke wimpers hadden geen kracht meer om

de verduisterde oogappels voor het gloeiend zonnelicht te behoeden. Jan

Borluut herkende de ongelukkige Adolf van Nieuwland.

In allerhaast deed men de riemen van zijn harnas los; men hief zijn hoofd

uit het slijk, en bevochtigde zijn lippen met verkwikkend water. Zijn

stervende stem suisde enige onverstaanbare woorden, en zijn ogen sloten

zich ditmaal gans toe, alsof zijn ziel uit het geplette lichaam ontvlogen

was. De nieuwe lucht en de lafenis hadden hem fel geschokt, hij bleef enige

ogenblikken in bezwijming; dan weder ontwakende, maar even zwak, nam hij de

hand van Mijnheer Borluut, en sprak zo langzaam, dat tussen elk woord een

lange poos was: "Ik sterf Gij ziet het, Mijnheer Jan, mijn ziel zal niet

lang meer op aarde blijven.--Maar--beween mij niet.--Ik sterf

vergenoegd--nu het Vaderland gewroken is ..."

Zijn adem was te kort om langer te kunnen spreken; hij liet zijn hoofd in

de arm van Jan Borluut neervallen, en scheen meer kracht te willen

verzamelen voor hetgeen hij hem nog wilde zeggen. Dan sprak hij: "O, Ik bid

u--hoor mij in dit stervensuur. Beloof mij dat gij mijn laatste begeerte

zult volbrengen."

"Ik zweer het bij God en mijn eer," antwoordde Borluut met een doffe toon,

die zijn droefheid te kennen gaf.

Adolf bezag hem met dankbaarheid, en hernam: "Ik zou de aarde zonder

droefheid verlaten, want er is nog een wereld na deze;--maar mijn ziel

heeft zich der liefde van een aanbiddelijk beeld gewoon gemaakt. Zij zal de

afwezendheid van hetzelve na de dood betreuren,--en wellicht zal ik in het

koude graf geen rust vinden. Zij zal mij roepen, en ik zal niet komen."

Twee tranen, welke over zijn wangen rolden, trokken het smartwater uit de

ogen van allen die hem omringden. Jan Borluut verstond hem niet; hij

begreep wel dat de liefde voor een vrouw de stervende aldus deed spreken,

maar hij kon niet raden wie die betreurde minnares zijn mocht: hij

luisterde met meer aandacht op de woorden van Adolf. Deze hernam: "Ik

aanbad Machteld zo vurig,--zij beminde mij zo teder,--en nu,--nu scheurt

het noodlot onze harten bloedend van elkaar. Ik smeek u, Mijnheer Jan, ga

en troost haar, geef haar die sluier, welke in het bloed der vreemden

gedoopt is; dat zij dezelve als een teken mijner liefde beware, dat zij nog

na mijn dood aan mij denke--en dat zij om de lafenis mijner ziel bidde.--Ik

voel de jagingen mijns harten vergaan, de dood heeft mij geraakt. Vaarwel

... mijn vriend, mijn broeder, wij zullen elkander daar ..."

Bij dit vaarwel poogde hij zijn hand op te heffen, om naar de hemel te

wijzen, doch hij kon niet meer: zijn ogen sloten zich, en het leven scheen

in hem op te houden.--Nochtans bleef zijn boezem kloppen, en de warmte

verliet zijn lichaam niet. Jan Borluut bewaarde nog enige twijfelachtige

hoop, en deed de gewonde ridder met alle mogelijke voorzichtigheid naar de

legerplaats voeren.

Machteld had zich met de zuster van Adolf, vóór het gevecht, in een cel der

abdij van Groeninge vertrokken. Er was voorzeker op dit ogenblik niemand in

Vlaanderen die met meer benauwdheid dan die ongelukkige Jonkvrouw gepijnigd

was: dwars door alle slag van rampen was zij nu zo ver gekomen dat Adolf

haar ten bruidegom beloofd was, dat Vlaanderens vrijmaking en de verlossing

haars vaders haar toelachten. Alles, wat haar gelukkig op aarde maken kon,

was in de strijd, welke ging aanvangen, tegen een ongelijke macht gewaagd.

Indien de Fransen de zege behaalden, voorzag zij de dood haars vaders, de

dood haars minnaars, en de vernietiging van alles, waarop zij haar hoop

gevestigd had.

Zodra de krijgsbazuin haar klanken over het slagveld zond, sidderden de

twee vrouwen, en verbleekten alsof een dodelijke slag haar terzelfder tijd

getroffen had; beide beefden voor de man, wiens leven ook haar leven

was.--In zulke bange ogenblikken konden zij de aandoeningen harer ziel

moeilijk uitdrukken; want ieder woord baarde haar een akeliger

vooruitzicht; ook waren zij tegelijk op de knielbank neergezonken, haar

hoofden rustten zwaar op de lessenaar en haar tranen lekten in stilte over

haar wangen.--Daar zaten zij, vurig biddende, zonder zich te bewegen, alsof

zij in een diepe slaap geweest waren; van tijd tot tijd kwam een doffe snik

uit haar borsten, wanneer het gedruis des strijds zich meer verhief, en dan

zuchtte Maria: "O God almachtig, God der heirkrachten, ontferm u onzer.

Staat ons bij in de nood, o Heer!"

En de fijne stem van Machteld antwoordde: "O Zoete Jezus Zaligmaker, behoed

hem!--En roep hem niet tot u, o goedertieren God!"

"Heilige moeder Gods, bid voor ons."

"O Moeder van Christus, troosteres der bedrukten, bid voor hem!"

Dan kwam het donderend krijgsgerucht meer akelig in haar geschokte harten

galmen, en haar handen trilden van schrik als de waggelende bladen der

populieren; haar hoofden bogen zich dieper, haar tranen barstten

overvloediger uit haar ogen, en haar gebed werd weder onvatbaar; want de

benauwdheid ontnam haar de stem.

De strijd duurde lang, het ijselijk geschreeuw der tegen elkander oplopende

scharen dreef lang boven de abdij van Groeninge, maar nog langer duurde het

stille gebed der vrouwen, want de gulden ridder klopte reeds aan de poort

van het klooster, en zij waren nog niet van de knielbank opgestaan.

Galmende mannenstappen, welke in de gang der cel klonken, deden haar het

hoofd omwenden; zij blikten stijf op de deur en trilden beiden van zoet

voorgevoel.

"Adolf komt weer!" zuchtte Maria. "Ho, ons gebed is verhoord geweest."

Machteld luisterde met meer aandacht, en antwoordde mistroostig:

"Neen, neen hij is het niet, zijn tred is niet zo zwaar. O Maria, misschien

een ongeluksbode!"

Op dit ogenblik hoorde men de deur der cel op haar hangsels krijsen; een

non opende dezelve en liet de gulden ridder binnen.

Het tengere lichaam van Machteld werd stijf, haar ogen hechtten zich

twijfelachtig op degene die voor haar stond en zijn armen opende om haar te

ontvangen; het scheen haar dat een logendroom haar bedroog, maar die

aandoening was vluchtiger dan de bliksem die schijnt en vergaat. Zij wierp

zich met onstuimigheid vooruit, en viel juichend tegen de borst des gulden

ridders.

"Mijn vader," riep zij, "o mijn dierbare vader! Ik zie u weer, vrij, zonder

keten! Laat mij u in mijn armen sluiten.--O God, hoe goed zijt

Gij!--Onttrek mij uw wang niet, lieve vader; laat mij de vreugde, die ik

gevoel, uitstorten."

Robrecht van Bethune omhelsde zijn teder kind met opgetogen blijdschap, hij

hield haar tegen zijn boezem totdat de geestdrift hunner beider harten wat

gezonken was, en legde dan zijn helm en zijn ijzeren handschoenen op de

knielbank. Door moeite afgemat, trok hij een zetel bij, en liet zich in

dezelve neergaan. De liefderijke Machteld wierp zich op de schoot haars

vaders, en omving zijn hals in beide haar armen; dan bezag zij met

bewonderende eerbied degene wiens gelaat voor haar zo heilgevend als het

aanschijn der Godheid was, de Man wiens edel bloed ook in haar aderen

vloeide en die haar zo teder en zo innig beminde. Zij luisterde met

hijgende boezem op de zoete woorden welke de geliefde stem in haar oor deed

klinken.

"Machteld," sprak hij, "mijn edel kind, de Heer heeft ons lang beproefd;

maar nu is al ons leed ten einde, Vlaanderen is vrij, het Vaderland is

gewroken, de zwarte Leeuw heeft al de Leliebloemen gescheurd, en al de

vreemden zijn verslagen; vrees nu niet meer, de boze soldeniers, welke

Johanna van Navarra gezonden had, zijn dood."

Het meisje vatte de woorden met angstige gretigheid op de mond haars

vaders, zij blikte dwalend in zijn ogen en glimlachte met zonderlinge

uitdrukking. De vreugde vervoerde haar zo zeer, dat zij beweegloos lag,

alsof zij van gevoel ware beroofd geweest. Na enige ogenblikken bemerkte

zij dat haar vader niet meer sprak, zij riep: "O God! Het Vaderland is

vrij?--De Fransen zijn verslagen? En u mijn vader, u bezit ik weder! Dan

zullen wij nog in ons schone Wijnendale terugkeren; de droefheid zal uw

oude dagen niet meer bitter maken, en ik zal mijn leven zo vrolijk en zo

zalig in uw armen doorbrengen! Dit geluk mocht ik niet hopen, ik dorst zo

veel van God in mijn gebeden niet vragen."

"Luister wel, mijn kind, en word niet mistroostig, ik bid u: heden moet ik

u weder verlaten. De edelmoedige krijgsman, die mij ditmaal nog van de

banden heeft ontslagen, ontving mijn erewoord dat ik zou terugkeren, zodra

de slag zou geleverd zijn."

Het meisje liet het hoofd met diepe treurnis op de borst zinken, en

zuchtte: "Zij zullen u vermoorden, mijn rampzalige vader!"

"Wees toch zo bevreesd niet, Machteld," hernam Robrecht. "Mijn broeder

Gwyde heeft zestig Franse ridders, van edelen bloede, gevangen genomen; men

zal Philippe le Bel doen aankondigen dat hun leven voor het mijne verpand

is; en het is hem niet veroorloofd die overblijvende dapperen aan zijn

wraakzucht op te offeren. Ik heb niets meer te duchten, Vlaanderen is

machtiger dan Frankrijk; dus bid ik u dat gij niet weent. Wees blijde, de

schoonste toekomst wacht ons; ik zal het slot Wijnendale doen herstellen,

om ons allen weer te ontvangen. Dan zullen wij nog samen ter valkenjacht

uitgaan; verstaat gij, hoe vrolijk onze eerste tocht zijn zal."

Een glimlach van onuitsprekelijk geluk en een zoen van tedere liefde waren

Machtelds antwoord. En mijn echtgenoot zal met ons wonen! was het gedacht

dat haar nog meer streelde. Zij zegde: "Maar dierbare vader, gij spreekt

mij niet van Adolf. Waarom komt hij niet met u?"

"Nog enige zorgen houden hem bezig, mijn kind; er lopen nog verstrooide

vijanden door de velden, gewis vervolgt hij dezelve. Machteld, ik mag u

zeggen dat de liefde u de edelste ridder, die ik ken, heeft doen kiezen;

nooit zag ik iemand zich zo dapper gedragen. De vijanden vielen voor zijn

zwaard bij hopen neer, hij was altijd te midden der Fransen, en stelde zich

honderdmaal in levensgevaar. Nu ook is het mijn wil dat hij uw hand, ten

toon zijner trouw en vaderlandsliefde, ontvange; heden nog, indien God het

toelaat, zal ik u de man uws harten schenken."

Machteld liet het hoofd neergaan, om het schaamrood, dat haar wangen kwam

verven, te verbergen: zij vatte de hand haars vaders en streelde dezelve

met dankbare tederheid.--Opgetogen stond Maria op de loftuitingen haar

broeder gegeven, te luisteren, zij verblijdde zich over hetgeen zij hoorde,

en zag de vreugde, die Adolf treffen moest, in een gulden droom vooruit.

Terwijl de jonge Machteld haar vader in verrukking bezag, hoorde men een

groot gerucht van verwarde stemmen aan de voorpoort van het klooster. Dit

duurde slechts enige ogenblikken, en alles werd weder stil. Weldra werd de

deur der cel geopend, en Gwyde, de broeder van Robrecht, trad langzaam en

met verslagen gelaat binnen; hij naderde bij hem, en sprak: "Een groot

ongeluk, mijn broeder, treft ons heden in een man die ons allen dierbaar

is, de Gentenaars hebben hem op het slagveld uit de doden opgehaald, en

hier in het klooster gebracht; zijn ziel zweeft op zijn lippen en wellicht

is zijn stervensuur nabij. Hij vraagt om u nog te zien eer hij de wereld

verlaat. Ik bid u dan, mijn broeder, bewijs hem die laatste gunst."

Zich naar de zuster van Adolf kerende, voegde hij er bij: "Hij roept u

insgelijks, Edelvrouw."

Eenzelfde klacht, een pijnlijke schreeuw ontvloog uit de borst van beider

vrouwen. Machteld viel zonder gevoel in de armen haars vaders, en scheen te

sterven; Maria, zonder ergens naar te willen luisteren sprong met

hartscheurend misbaar naar de deur, en verliet de kamer. Op die noodkreten

kwamen twee nonnen binnen, en ontvingen de zwakke Machteld uit de armen van

de gulden ridder; deze zoende zijn dochter met pijnend medelijden, en wilde

de stervende Adolf gaan bezoeken, maar de Jonkvrouw, die de ogen opende en

zijn inzicht verstond, rukte zich uit de handen der nonnen, en zich aan

Robrechts lichaam vasthechtende, riep zij: "Laat mij met u gaan, o vader!

Dat hij mij nog eenmaal zie. Wee mij, wat grievend zwaard gaat door mijn

boezem! Mijn vader, ik sterf met hem;--reeds voel ik de dood in mij--ik wil

hem zien; haast u, kom, o kom ras!--Hij sterft--hij, Adolf!"

Robrecht bezag zijn dochter met medelijden; geen woorden vindende om haar

te troosten, bracht hij zijn twee armen om haar en drukte ze vast tegen

zijn borst, maar Machteld ontwrong zich welhaast uit die tedere banden; zij

trok Robrecht met de hand voort, roepende: "O Vader, ontferm u mijner! Kom,

dat ik nog eenmaal zijn stem hore, dat zijn ogen nog eenmaal levend mij

aanschouwen!"

Zij knielde neer voor hem en hernam, terwijl de tranen als uit twee bronnen

over haar wangen liepen: "Ik smeek u, vader, verwerp mijn bede niet. Het is

de droefheid niet die mij vervoert; maar de min drijft mij tot

hem.--Aanhoor mij, o heer en vader!"

Robrecht had liefst zijn kind der nonnen overgelaten, want hij vreesde met

reden dat het gezicht van de stervende ridder haar al te zeer treffen zou;

echter kon hij het dringend gebed van Machteld niet langer verwerpen; hij

nam haar onder de arm, en sprak: "Welaan, mijn dochter, ga met mij, en

bezoek uw ongelukkige Adolf. Maar ik bid u, bedroef mij niet zozeer door uw

wanhoop; denk dat God ons heden vele grote gunsten heeft bewezen, en dat

Hij zich kan vergrammen om uw vertwijfeling."

Zij waren reeds in de gang en uit de cel, wanneer hij die woorden

eindigde.

Men had Adolf in de grote eetzaal van het klooster gebracht; een vederen

bed was op de grond gelegd, en Adolf voorzichtiglijk op hetzelve geplaatst.

Een Priester, in de geneeskunde zeer ervaren, had zijn lichaam met veel

nauwkeurigheid onderzocht en geen open wonden erop bevonden; lange blauwe

strepen tekenden de ontvangen slagen op zijn huid af, en zware kneuzingen

hadden het bloed onder dezelve vergaderd en gestold: zijn leden werden

onmiddellijk, na de aderlating gewassen en met krachtgevende balsem

bestreken. Door de kundige zorg des Priesters was hij een weinig versterkt

geworden; echter scheen hij nog altijd stervensgereed, alhoewel zijn ogen

zo asvervig of zo verglaasd niet meer waren. Rondom het doodsbed stond een

groot getal ridders stilzwijgend over hun vriend te treuren. Mijnheer Jan

van Renesse, Arnold van Oudenaarde en Pieter Deconinck hielpen de Priester

in zijn bezigheden. Willem van Gulik, Jan Borluut en Boudewyn van Papenrode

bevonden zich aan de linkerzijde, terwijl de jonge Gwyde met Jan Breydel en

de andere voornaamste ridders aan het voeteinde met gebukt hoofd op de

gewonde staarden.

Breydel was afschuwelijk om aan te zien: zijn wangen waren opengekrabd, een

bebloede doek bedekte de helft van zijn hoofd, zijn armen en klederen waren

gescheurd, en zijn botgehakte bijl hing aan zijn zijde. De andere ridders

hadden insgelijks het een of ander lid met doeken omwonden, en de

uitrusting van allen was schriklijk geblutst en doorhakt.--Maria, wenende,

zat geknield nevens haar broeder, zij had een zijner handen gevat, en

besproeide dezelve met tranen, terwijl Adolf haar met flauwe blikken bezag.

Zodra Robrecht met zijn dochter in de zaal trad, werden al de ridders met

ontroering en verwondering getroffen. Hij die hen, als een geheime

verlosser, in de nood was toegekomen, was de Leeuw van Vlaanderen, hun

Graaf!--Zij plaatsten allen, met de diepste eerbied de ene knie ten gronde,

en spraken: "Ere zij de Leeuw, onze heer!"

Robrecht liet zijn dochter los, hief de heren Jan Borluut en Van Renesse

van de grond, en zoende hen beiden op de wang; hij deed aan de overigen een

teken dat zij zouden opstaan, en sprak: "Mijn trouwe onderdanen, mijn

vrienden, gij hebt mij heden bewezen hoe machtig een heldenvolk is. Mijn

geringe kroon draag ik nu met meer hoogmoed dan Philippe le Bel die van het

Franse Rijk draagt, want over u mag ik mij met recht verhovaardigen."

Machteld had zich als zinneloos nevens het hoofd van Adolf neergeworpen; de

schaamte en de zedigheid harer kunne vergat zij op dit ogenblik: zij had

haar lippen meermalen zonder het te weten op de bleke wangen haars

beminden geplaatst, haar tranen vloeiden bitter en droeve snikken gingen

brandend uit haar beklemde borst.

Adolf voelde zich onder de liefdezoenen zijner aangebeden Machteld

herleven; hij bleef lang sprakeloos in die blauwe ogen, voor hem zo heilig,

staren, en gaf zijn vreugde door een zachte en bijna onvatbare glimlach te

kennen.--Eindelijk zuchtte hij met zwakke stem: "Machteld, mijn aangebeden

vriendin, ik wilde u door dapperheid en heldenmoed verdienen, uw sluier heb

ik dwars door het vijandlijk leger gedragen, vele Fransen zijn onder mijn

zwaard gevallen; maar God heeft mij tot zich geroepen. Ik moet u verlaten:

die overtuiging martelt mij. Gij, die mij zozeer bemindet, gij die eens het

bloed van uw doorluchtige stam mijn zonen moest meedelen, gij waart mij

niet bestemd. De Heer had anders over ons beiden beschikt."

De gepijnigde Jonkvrouw joeg haar handen bevend en met drift over de

verlamde leden van de ridder. Zij meende enige troostende woorden uit te

spreken, maar haar stem versmoorde in doffe snikken.

Dan hernam Adolf: "Ween niet, welbeminde Machteld, er is nog een ander

leven. Daar zullen onze zielen elkander wederzien, en dan zal de nijdige

dood ons niet meer kunnen scheiden. Blijf op aarde, o mijn zuivere bruid,

wees de steun der oude dagen van uw doorluchtige vader,--en denk soms in uw

gebeden aan de man, die gij bemindet."

De rampzalige jongeling wist niet dat ieder zijner woorden, als een

vergiftige dolk, door het hart zijner bedrukte minnares boorde. Afgemat

door zo lange woorden, drukte hij stilzwijgend de hand zijner geliefde.

Robrecht van Bethune stond met gebogen hoofd op dit toneel te staren; hij

dreef de bittere tranen terug in zijn ogen, en besloot de angst in zijn

boezem. Adolf bemerkte hem en sprak: "O mijn heer en Graaf, uw milde hand

schonk mij de rijkste gift, welke op aarde de mens kan gegeven worden; de

Hemel heeft u beloond. Het land uwer vaderen is vrijgemaakt, gij zult de

leeuwentroon in vredevolle dagen bezitten. Ik sterf met vreugde, nu de

toekomst u en uw edele dochter blijdere dagen voorspelt.--O geloof mij in

mijn stervensuur, uw ongeluk was voor mij, uw onwaardige dienaar,

pijnlijker dan voor uzelf, ik heb in het geheim der nachten mijn bedstede

zo menigmaal met tranen besproeid, wanneer ik aan uw gevangenis en aan de

verdrukking des Vaderlands dacht... Maar God!--Wat is dit? Het schijnt mij

dat een nieuwe kracht mij door de aderen vliet,--zou ik langer leven

kunnen!--O Machteld, gij hebt uw hand op mijn borst gelegd;--dit is het,

wat mij zo wonderlijk verkwikt."

De ogen van Adolf blonken met meer levendigheid; een zachte glimlach

zweefde op zijn lippen, en men zou gezegd hebben dat hij eensklaps van de

dood ging opstaan.

"O, gij zult niet sterven!" riep Machteld. "Hier, in mijn hart is een

stem, die mij zegt dat de Heer u nog niet geroepen heeft."

Zij wendde zich met een haastige beweging om, knielde neer, vouwde de

handen te saam, en zag met smekende ogen ten hemel. Alsof de Almachtige dit

stil en plechtig gebed verhoord had, zag men de krachten in Adolf

terugkomen.--De Priester had, gedurende dit toneel, de zieke met scherpe

blikken bezien en al de aandoeningen, welke hem getroffen hadden,

nagespeurd. Hij nam en tastte de hand van Adolf met een geheim inzicht,

terwijl al de aanschouwers hem met angst in zijn bewegingen volgden; zij

zagen op het gelaat des Priesters dat alle hoop voor de behoudenis van de

gewonde nog niet verloren was. De Geestelijke ging stilzwijgend voort; hij

hief de oogleden van de zieke op en bezag dezelve, opende hem de mond en

liet zijn hand over zijn blote borst glijden. Dit gedaan zijnde, keerde hij

zich naar de omstaande ridders, en sprak op de toon der innigste

overtuiging: "Ik zeg u, Mijne heren, de koorts, welke deze jonge ridder

moest doden, is voorbij.--Hij zal niet sterven!"

Al de ridders werden door een zonderlinge aandoening getroffen, en men zou

geloofd hebben dat een doodvonnis uit de mond des Priesters geklonken had;

maar die hevige ontroering van verwondering liet hun welhaast toe hun

blijdschap door woorden en gebaren uit te drukken.

Maria had de aankondiging des Priesters met een luide kreet beantwoord, en

had haar broeder in opgetogenheid omhelsd. Machteld bezweek, haar krachten

vergingen; eensklaps opspringende, viel zij hijgend in de armen haars

vaders en, daar haar hart te zeer door zalige verrukking geschokt was, kon

zij in den eerste niet spreken; nochtans sloten haar ogen zich niet, en de

kleuren vergingen ook niet op haar wangen. Eindelijk riep zij: "O mijn

vader, o mijn Adolf, nu ben ik gelukkig! Ik dank de goedertieren God dat

hij het gebed zijner ootmoedige dienares zo spoedig verhoord heeft.--Ja,

gij zult leven, mijn Adolf, mijn bruidegom!--Ik zie het, uw ogen blinken

met het vuur des levens."

"Machteld," zuchtte Adolf, "aangebeden vrouw, wat kracht heeft uw

engelenstem bij God, dat zij mij aldus van de dood terugroept?--O ja, mijn

tedergeliefde, ik zal leven,--het hart jaagt mij zo krachtig!"

Hetgeen zij allen als een wonderwerk aanzagen, was een natuurlijk gevolg

van Adolfs toestand. Hij had geen open noch diepe wonden, maar wel

menigvuldige kneuzingen; de martelpijnen, welke dezelve veroorzaakten,

hadden hem een gevaarlijke koorts, die hem moest wegrukken, gebaard: maar

de tegenwoordigheid van Machteld, de krachten zijner ziel verdubbeld

hebbende, joeg de doodkoorts van hem, en zo ontsnapte hij aan het graf,

dat reeds op hem gaapte.

Robrecht van Bethune liet zijn van geluk verdwaalde dochter nevens Adolf

geknield zitten, en voor de ridders komende, sprak hij tot hen in dezer

voege: "Gij, edelste mannen van Vlaanderen, hebt heden een zege behaald,

welke als een bewijs uwer hoge manhaftigheid tot onze zonen zal overgaan;

gij hebt de ganse wereld getoond wat het de vreemde kost op onze

Leeuwenbodem de voet te durven zetten. De liefde tot het Vaderland heeft uw

heldenzielen in ongekende onversaagdheid doen ontsteken, en uw armen, door

een rechtvaardige wraakzucht verstaald, hebben de dwingelanden verslagen.

De vrijheid is dierbaar aan een volk dat dezelve met zijn bloed heeft

bezegeld. Nu kunnen al de Vorsten van het Westen de Vlamingen geen ogenblik

meer tot slaven maken; want gij zoudt allen sterven eer men over u

zegepralen zou. Maar dit mogen wij niet meer vrezen, Vlaanderen heeft zich

heden boven alle andere volken verheven, en het is aan u, edele mannen, dat

het Vaderland die luister verschuldigd is. Nu willen wij dat de vrede en de

rust onze onderdanen om hun trouw belone; het zal mij een geluk zijn door

hen allen met de naam van vader begroet te worden, indien onze zorgende

liefde en onophoudende pogingen om hen gelukkig te maken ons die naam

kunnen verdienen. Nochtans, ware het zaak dat de Fransen dorsten

wederkomen, zouden wij nog de Leeuw van Vlaanderen worden, en onze marteel

zou u nogmaals ten strijde voeren. Wij bidden u, Mijne heren, zodra gij in

uw lenen zult teruggekeerd zijn, bedaart de gemoederen, brengt alles tot

rust, opdat de zege door geen oproerigheid bevlekt worde, en lijdt bovenal

niet dat het volk meer vervolgingen tegen de Leliaards aanvange: het

behoort ons over dezelve recht te doen. Wij moeten u verlaten. In onze

afwezendheid zult gij onze broeder Gwyde als uw heer en Graaf gehoorzamen.

"Ons verlaten!" riep Jan Borluut met ongeloof. "Gij keert naar Frankrijk

weder? Doe het niet, edele Graaf, zij zullen hun nederlaag op u wreken."

"Mijne heren," viel Robrecht in, "ik vraag het u; wie onder u is er, die

uit vreze des doods zijn erewoord en zijn riddertrouw zou willen breken?"

Zij bukten tegelijk het hoofd, en spraken geen woord; met droefheid

verstonden zij dat niets hun Graaf kon wederhouden. Deze ging voort:

"Mijnheer Deconinck, uw diepe wijsheid is ons van groot nut geweest en zal

het nog zijn; wij roepen u in onze Raad, en begeren dat gij met ons aan het

graaflijk Hof verblijft. Mijnheer Breydel, uw dapperheid en trouw verdienen

een grote beloning; wees van nu af en voor altijd, opperbevelhebber van al

uw stadsgenoten, die ons met wapens dienen kunnen; wij weten hoe eerlijk

gij dit ambt kunt bekleden.

Daarenboven zult gij ook tot ons Hof behoren en bij hetzelve kunnen wonen,

indien u dit belieft--En gij Adolf, gij die uw leven zo menigmaal voor ons

en het Vaderland gewaagd hebt, u zij het kind, dat ik bovenal bemin,

geschonken en gegeven."

Sedert enige tijd hoorde men een groot gedruis aan de voorpoort der abdij.

Het was even alsof er een oploop des volks plaats had. Dit gerucht groeide

gedurig meer en meer aan, en bij pozen verhief het zich in een hevig

gejuich. Er kwam een non aankondigen dat er een grote menigte volks voor de

poort stond, dat zij onophoudend schreeuwden dat zij de gulden ridder zien

wilden. De deur der zaal open zijnde, klonk het gejuich verstaanbaar in de

oren der ridders "Vlaanderen de Leeuw! Heil onze verlosser! Heil, heil!"

Robrecht keerde zich tot de non, en sprak "Gelief hun te doen zeggen dat de

gulden ridder, die zij roepen, binnen weinig ogenblikken onder hen komen

zal."

Machteld had haar arm onder het hoofd van Adolf gelegd en hetzelve met

tedere zorg opgelicht, zachte onverstaanbare liefdeswoorden werden nu

rustiglijk tussen hen verwisseld. Van tijd tot tijd nochtans kon men de

woorden Bruid en Bruidegom op hun lippen vatten. Geen enkele traan vloeide

nog uit de ogen der vrouwen. Maria zat bij de andere zijde der legerstede

geknield en mengde haar zoete vriendinnenstem tussen dit troostend en

brandend gesprek. De vreugde, welke de harten der meisjes vervulde, was een

zalige aandoening, alleen op haar gelaat merkbaar, vol betrouwen in de

plechtige woorden des Priesters vreesden zij niets meer, hun hart liep over

van geluk.

Robrecht van Bethune kwam bij de kranke ridder, vatte hem de nog slappe

hand, en sprak "Adolf van Nieuwland, mijn dierbare Machteld is uw

echtgenote, de zegen des Almachtigen dale over uw hoofden en geve aan uw

kinderen de dapperheid huns vaders en de tederheid hunner moeder. Het

doorluchtig bloed der Graven van Vlaanderen menge zich met uw edele stam.

Gij hebt meer verdiend, maar het is niet in mijn macht u een kostelijker

geschenk te geven dan het kind dat de troost en de steun mijner oude dagen

zijn moest."

Hij voegde de hand van Machteld in die van Adolf en hernam "Weest gelukkig,

bemint elkander zozeer als ik u beiden bemin--Gij, Priester, dienaar Gods,

gelief uw zegen bij de mijne te voegen, totdat een wettig huwelijk hen voor

het altaar verenige."

De Priester trad nader, en bad in stilte over de twee bevende gelieven. Hun

ogen waren ten gronde gevestigd, hun harten joegen met kracht, en

niettegenstaande de zwakheid van Adolf, brandde zijn hand in de hand zijner

aangebeden bruid.

Robrecht kwam vooruit bij Gwyde.

"Mijn lieve broeder," sprak hij, "ik begeer dat dit huwelijk zo spoedig

mogelijk met pracht gevierd worde en door de gewone vormen der wetten worde

bekrachtigd, dit is mijn innige wens.

Mijne heren, ik ga u verlaten, met de hoop dat ik welhaast vrij en zonder

hinder het geluk mijner trouwe onderdanen zal mogen bewerken. Ik verzoek u

allen dat gij het grootste geheim over de echte naam van de gulden ridder

bewaart, mijn broeder Gwyde zal de lieden der abdij dit insgelijks

bevelen."

Na die woorden, ging hij tot Adolf, en kuste hem op de wang.

"Vaarwel, mijn zoon," zegde hij.

En zijn Machteld tegen de borst drukkende: "Vaarwel, mijn beminde Machteld.

Ween nu met meer over mij, ik ben gelukkig, nu het Vaderland gewroken is."

Dan omhelsde hij nog zijn broeder Gwyde, Willem van Gulik en enige andere

ridders, zijn vrienden, hij drukte met ontroering de hand van allen en riep

heengaande: "Vaartwel, vaartwel, gij allen mijn trouwe wapenbroeders!"

Op de voorhof klom hij te paard, en deed zijn uitrusting aan, hij liet het

voorstuk van zijn helm vallen, en reed ter poorte uit. Een ontellijke

schaar volks had zich voor dezelve vergaderd, zodra zij de gulden ridder

zagen, scheidden zij zich in twee, om hem door te laten, en begonnen met

allerlei juichingskreten hem te begroeten. "Heil de gulden ridder, zege!

zege! Onze verlosser!" werd honderd malen met nieuwe galmen herhaald. Zij

zwaaiden hun handen, ten teken van blijdschap, in de lucht, en raapten de

aarde, als een heiligdom uit de voetstappen van zijn paard. In hun

bijgelovigheid dachten zij dat St.-Joris, die men gedurende het gevecht in

al de kerken van Kortrijk had aanroepen, onder deze gedaante hun was ter

hulp gekomen. De langzame stap des ridders en zijn stilzwijgendheid

staafden die gissing, en velen vielen, terwijl hij voorbijging, biddend op

hun knieën ter aarde. Zij volgden hem een mijl juichend in de velden na, en

schenen hun gezicht niet genoeg te kunnen verzadigen, want de gulden ridder

werd hoe langer hoe wonderbarer voor hen, hun inbeelding herschiep hem in

zulke gedaante als zij de Heiligen droomden--een teken van Robrecht ware

genoeg geweest om zich door die opgetogen mensen te doen aanroepen.

Eindelijk gaf hij zijn paard de spoor, en verdween als een schicht tussen

de bomen des wouds. Het volk poogde zijn gulden harnas tussen het loof nog

te ontdekken, maar tevergeefs de draver had zijn meester reeds ver uit het

bereik hunner ogen gevoerd, dan bezagen zij elkander, en zuchtten met

droefheid "Hij is in de Hemel teruggekeerd!"

De Leeuw van Vlaanderen Of de Slag der Gulden Sporen · 第 34 / 86 题