Reeds waren er maanden verlopen sedert de overgaaf der stad Brugge. De
Chatillon had Mijnheer De Mortenay tot stadsvoogd benoemd, en was naar
Kortrijk teruggekeerd want hij betrouwde de Bruggelingen niet genoeg om
binnen hun muren te wonen. De soldeniers, die hij in de veroverde stad
gelaten had, begingen allerlei misdaden en plaagden de burgers op een
boosaardige wijze. Deze dwang wars zijnde, keerden de vreemde kooplieden
meestal naar hun vaderland terug, en de handel van Brugge verging alle
dagen meer en meer[69]. De ambachtslieden zagen met smart en innige
wraaklust op de ondergang hunner welvaart; doch de maatregelen, die de
Fransen genomen hadden, waren voor alsdan streng genoeg om hun woede in te
houden. Een groot gedeelte der vestingswerken was geslecht, en men bouwde
een sterk kasteel om de stad te beheersen en te bedwingen.
Tot grote verwondering zijner stadgenoten, liet Deconinck, zonder
tegenstreving, dit alles gebeuren en wandelde rustig en als onverschillig
door de straten. In de vergaderingen der wevers voorspelde hij de
verlossing des Vaderlands, en hield alzo de harten zijner broederen warm en
vol edele hoop.
Breydel was niet meer kenlijk: een duister nadenken had zijn jonge
wezenstrekken verouderd, en zijn wenkbrauwen waren over zijn wimpers
gezakt. Het trotse hoofd van de dappere Vlaming hing gebogen alsof een
pijnlijke last het ter neder had gedrukt.--Ho! De onderwerping en het
gezicht der opgeblazen Fransen was een adder, die om zijn hart gekronkeld
lag en het wredelijk verschuurde. Voor hem was er vreugde noch genoegen
meer: zelden ging hij uit zijn woning; want nu was het verwonnen Brugge hem
een kerker, welkers lucht hem verstikte. Deze edele en grootmoedige smart
verliet hem geen ogenblik, en zijn broeders konden hem door niets troosten
of bewegen. In de ogen der Fransen stond voor hem het lasterwoord--"Slaaf!"
als een verwijt te lezen.
Op een morgen was hij zeer vroeg in zijn winkel, en de mijmeringen des
nachts voortzettende, leunde hij met de linkerhand op een kapblok; zijn
twijfelachtige blikken dwaalden tussen de stukken vlees die tegen de wand
hingen, doch hij zag dezelve niet, want zijn ziel was in andere gedachten
verzonken. Na hij aldus een ruime tijd beweegloos was gebleven, omvatte
zijn rechterhand, zonder zijn toedoen, een slachtbijl, die, veel groter dan
de andere zijnde, voor een bijzonder gebruik scheen te dienen; zodra het
blikkerend staal onder zijn gezicht viel, ging er een onvatbare glimlach
over zijn spijtige wezenstrekken, en hij bleef lang op het moordtuig
staren.
Eensklaps werd zijn gelaat somber: met een grammoedige drift wierp hij de
bijl op de vloer en plaatste zijn voet erop.
"Ga!" riep hij, "een slaaf behoeft geen wapen!" En dan zonk hij weder met
de hand op de kapblok.
Nu ging de deur van de winkel open, en Breydel verwonderde zich grotelijks
zodra hij Deconinck herkende.
"Ik wens u goedendag, meester," sprak hij. "Wat smartlijk nieuws brengt gij
mij zo vroeg?"
"Mijn vriend Jan," antwoordde Deconinck, "ik vraag u niet waarom gij zo
droef zijt: ik ken uw edelmoedige ziel.--Het gedacht van slavernij doet u
sterven; dit zie ik wel."
"Zwijg, meester, zwijg daarvan, want mij dunkt dat de wanden mijner woning
dit honend woord herhalen. O mijn vriend, indien ik op de muren onzer stad
gestorven ware, dan had ik mij zulke bittere pijn gespaard!--Hoeveel
vijandige Fransen hadden dan nevens mij hun graf gevonden! Maar die
luisterrijke dagen zijn voorbij ..."
Deconinck staarde met ontroering op de Deken der beenhouwers; hij verstond
door zijn eigen lijden hoe dodend die smart voor een ziel als die van
Breydel zijn moest,--en antwoordde:
"Troost u toch, mijn edelmoedige vriend, en denk dat het vuur, hetwelk
onder de as slaapt, zich echter niet uitdooft. Eens komen die luisterrijke
dagen terug: de nevelige lucht der slavernij klaart op, en de zon der
vrijheid heeft reeds enige harer stralen over ons gezonden. Dit verstaat
gij niet, maar gij moogt mij geloven, het uur der verlossing naakt. Heden
zijn wij nog niet genoeg verdrukt--de handen der slavernij moeten
pijnlijker nijpen, opdat de lafaards zelf de schakels der keten
losbreken.--En dan, mijn dappere broeder, dan zal onze dierbare vaderstad
de zwarte Leeuw van Vlaanderen weder boven de volken uitsteken..."
Breydel bezag de Deken der wevers gedurende deze woorden met een zeldzame
uitdrukking: een glimlach van geluk en hoop verhelderde zijn gelaat, en
alsof zijn beklemde boezem zich wilde ontlasten, kwam een lange zucht uit
zijn borst. Hij nam de hand van Deconinck, bracht dezelve tegen zijn hart,
en sprak: "Gij alleen, o vriend, kent mij; gij alleen kunt mijn ziel raken
en troosten."
"Maar meester Jan," hernam Deconinck, "mijn bezoek heeft een ander doel;
gij weet dat wij beloofd hebben de jonge Machteld te bewaren?"
"O doemnis!" riep Breydel met onstuimigheid. Een angstig voorgevoel kleurde
zijn wangen met het vuur der gramschap en hij zuchtte: "Mijn vriend wat
schriklijk,--wat schandig nieuws?"
"De Fransen hebben de dochter van onze heer opgelicht en vervoerd!" was het
antwoord.
De beenhouwer deed een stap vooruit, hief de slachtbijl van de grond en
wrong dezelve met een brandende woede in zijn vuist. Zijn lippen bewogen
zich wel, maar geen woord kwam uit zijn mond; eindelijk rolden twee
blinkende tranen op zijn wangen--tranen van razernij en wraaklust.
"O Leeuw van Vlaanderen!" barstte hij uit. "Zo handelen zij met uw
kinderen. En zal ik dit gedogen? Neen, bij mijn zaligheid, neen. Het is
gedaan, Deconinck--het is gedaan. Ik luister naar niets;--heden moet ik
bloed zien,--veel bloed of ik sterf!"
"Bedaar, mijn vriend," antwoordde Deconinck, "bedaar, en gebruik de rede;
want uw leven zijt gij aan uw Vaderland schuldig, en gij moogt het niet
nutteloos wagen."
"Ik wil niets horen," hernam Jan Breydel. "Ik dank u om uw wijze raad, maar
ik zal noch kan hem volgen; spaar uw woorden, ze zijn vruchteloos."
"Maar meester Jan, laat u zo niet vervoeren. Gij kunt immers alleen de
Fransen niet verjagen?"
"Dit geeft er met aan. Zover denk ik niet. Wraak over de dochter van de
Leeuw, en dan de dood. Ho, nu ben ik gelukkig,--mijn geest heeft zich
losgerukt, het hart klopt mij nu weder zo fel en zo krachtig! Maar ik wil
mij wel bedaren, zeg mij dan voorts wat gij meer van dit voorval weet."
"Ho, niet veel! Deze morgen heeft men mij heel vroeg gewekt om een
dienstbode van Mijnheer Van Nieuwland te ontvangen. Uit deze verstond ik
dat de edele Machteld des nachts was weggevoerd, en dat de verrader Brakels
de Fransen voor taaiman had gediend."
"Brakels?" riep Breydel. "Nog een meer voor mijn bijl. Hij zal de Fransen
niet meer dienen!"
"Waar men de Jonkvrouw naar toe gevoerd heeft, weet ik niet. Alleenlijk
zou men enig vermoeden tegen het kasteel van Male kunnen opvatten; want de
dienstbode heeft die naam tweemaal door de soldeniers horen uitspreken. Gij
ziet wel, Breydel, dat het beter ware op nadere inlichtingen te wachten dan
zo onbezonnen te werk te gaan, trouwens het is bijkans zeker dat de
Edelvrouw reeds tot in Frankrijk gevoerd is."
"Gij klopt aan een dovemans deur, mijn vriend," riep Breydel, "ik zeg u
voorwaar, dat niets mij kan bewegen--ik wil en zal uitgaan. Vergeef mij dat
ik u op staande voet verlate."
Hij verborg de bijl onder zijn kolder, en wendde zich met een haastige stap
naar de deur, maar Deconinck had zich door een nog spoediger beweging voor
hem geplaatst, en belette hem alzo de uitgang. Gelijk een tijger die in een
strik gevallen is, wierp Breydel zijn vluchtige blikken rond de winkel en
scheen een doorgang te zoeken. Zijn lichaam helde voorover en zijn leden
spanden zich, alsof hij zich bereid maakte om tegen de hinderpalen zijner
vlucht op te springen.
"Laat die nutteloze pogingen," sprak Deconinck hem toe, "ik verzeker u dat
gij niet met die bijl zult uitgaan. Gij zijt mij een al te duurbare vriend,
en ik acht het mij een plicht u voor onheil te bewaren."
"Laat mij door, o Meester Pieter," riep de Deken der beenhouwers. "Ik smeek
u, laat mij uitgaan. Gij pijnigt mij onbarmhartiglijk."
"Neen, ik ben hierin onverbiddelijk. Denkt gij dat gij uw eigen meester
zijt,--dat gij uw leven naar welgevallen moogt wagen? Ho, niet meester; God
heeft u met een grotere ziel begaafd, en het Vaderland heeft machtiger
leden in u gevoed, om u als borstweer der algemene vrijheid te doen leven.
Gedenk die hoge zending, meester, en verspil uw gaven niet in nutteloze
wraaknemingen."
Terwijl Deconinck aldus was sprekende, bedaarde de drift van de beenhouwer.
Zijn houding werd rustig en men zou gedacht hebben dat hij zich door de
wijze rede van zijn vriend had laten overtuigen. Dit was wel geen
veinzerij, doch het was ook de echte uitdrukking zijner gevoelens niet. Hij
zweemde tussen wraaklust en bedaardheid, zonder zich innerlijk te kunnen
stillen.
"Gij hebt gelijk, mijn vriend," sprak hij, "ik laat mij te lichtelijk
vervoeren; maar gij weet het, er zijn driften welkers ingevingen men niet
kan wederstaan. Ik zal mijn wapen daar weder aan de wand hangen; nu zult
gij mij toch uitlaten, want ik moet heden nog naar Torhout om vee."
"Nu wil ik u niet langer wederhouden, alhoewel ik weet dat gij heden niet
naar Torhout zult gaan."
"Gewis, Meester, ik heb geen vee meer in mijn stallen, en ik moet er mij
voor de nacht bezorgen."
"Gij kunt mij niet bedriegen, Meester Jan: ik ken u te lang.
Door uw oogappels zie ik de grond uwer ziel--gij gaat rechtstreeks naar
Male."
"Een tovenaar zijt gij, Meester Pieter, want zo helpe mij God, gij kent
mijn gedachten beter dan ik zelf. Ja, ik ga naar Male; maar ik verzeker u,
dat dit slechts is om naar de ongelukkige dochter van onze heer te
vernemen. Ik beloof u de wraak tot een gunstiger dag uit te stellen."
De twee Dekens gingen gezamenlijk ter deure uit, en verlieten elkander,
nadat zij nog enige tijd in de straat gesproken hadden. Breydel kwam na een
halfuur gaans in het dorp Male.
De heerlijkheid van Male ligt op een korte mijl van Brugge[70]. In het jaar
onzes verhaals bestond zij uit een dertigtal strooien hutten, die hier en
daar in het rechtsgebied van het leenslot gebouwd waren. Tussen de
ondoordringbare bossen, welke het dorp omsingelden, waren door arbeid de
vruchtbaarste akkers gemaakt. Dewijl de aarde in die streek haar bewoners
dankbaar scheen en met rijke oogst beloonde, zou men licht gedacht hebben
dat de boeren van Male in een weeldrige staat zich bevonden. En nochtans
droeg de kleding en het gans voorkomen der inwoners het kenteken der
behoefte. Slavernij en dwingende beheersing waren de bronnen hunner
armoede: het zweet huns aanschijns vloeide voor hun noch voor hun
huisgezin. Alles was voor de Leenheer, hun meester; en gelukkig achtten zij
zich, wanneer hun, na het leveren der tol- en leengoeden, nog genoeg
overbleef om hun leden gedurende het jaar tot de zware arbeid te voeden.
Op weinige afstand van het kasteel was een vierkante plaats om dewelke
enige stenen huizen dichter bij elkander gebouwd waren; in het midden stond
een stenen zuil als een naald opgericht, en aan dezelve een keten met de
ijzeren halsband. Dit was het merkteken der graaflijke rechtspleging, en de
gewone Kaak, waaraan men de misdadigers tentoonstelde. Aan de ene zijde was
een geringe kapel gebouwd en het kerkhof bracht zijn muren enige stappen
vooruit op de plaats.
Hiernevens stond een tamelijk hoog huis, de enigste kroeg of taveerne waar
men te Male wijn en bier verkocht. De naam dezer herberg was boven de deur
gebeeld; maar zo grof en zo onkundig gebeiteld, dat het moeilijk ware
geweest Sint-Maarten in dit stenen tafereel te herkennen. De vloer of het
onderste vertrek was zo wijd als de buitenmuren strekten. Een brede, ja
wanstaltige haardstede, die met haar tafelplaat enige voeten vooruitstak,
vervulde het diepe der kamer en liet er geen andere plaats over, dan een
hoekje aan elke zijde, waar de zaden en plantenwortels te drogen hingen. De
andere wanden waren met kalk wit gemaakt, en met allerlei houten en tinnen
keukengerief beladen; een helmbijl en een deel grote messen in lederen
scheden hingen op een plaats, die hun bijzonder was toegeschikt. De rook,
die gedurig uit de haardstede in de kamer kwam, had de balken der
verdieping met een droeve kleur besmet;--een verf zo vaal en zo bruin als
de duisternis was overal verspreid, en dit gaf een koudverwekkend voorkomen
aan deze plaats. Alhoewel de zon hevig scheen, was het licht er zeer
twijfelachtig, want de vensters, van half Romaanse half gotische stichting,
waren bij de zeven voet boven de vloer verheven, en uit kleine ruitjes
gevormd. Zware zetels en nog zwaardere tafels stonden hier en daar in de
kamer.
De waardin liep heen en weer om de talrijke personen, die zich in dit
ogenblik met drinken verlustigden, te dienen en voor te schenken. De tinnen
hanapsen of bekers stonden niet stil, en de blijde roepen der gasten
mengden zich in een suizend gebrom, waaruit men niets verstaan kon. Bij de
haardstede was het merkbaar bij de manlijke en slaande klanken dat er
Vlaams gesproken werd, terwijl in de kamer meer verwijfde en lispelende
tonen de Franse spraak te kennen gaven. Onder degenen welke zich in deze
uitheemse taal uitdrukten, en tot de bezetting van het slot behoorden, was
er een met name Leroux die zijn woorden meer klem bijzette, en als een
overste tot zijn makkers sprak; nochtans was hij enkel soldenier gelijk
zij, maar zijn buitengewoon sterke leden en de macht die hem eigen was,
hadden hem deze meerderheid verschaft.
Terwijl de Franse krijgsknechten hun hanapsen tussen vrolijke uitroepingen
ledigden, kwam een ander soldenier in de kroeg en sprak tot hen: "Ha sa!
Gezellen ik breng u goed nieuws. Wij gaan dit vervloekt land van Vlaanderen
verlaten, en misschien zien wij morgen reeds ons schone Frankrijk weder!"
De soldeniers verbaasden op dit gezegde, en brachten hun ogen vol
twijfelende ondervraging op de bode.
"Ja," hernam deze, "morgen vertrekken wij met de schone Edelvrouw, welke
ons deze nacht zo ontijdig is komen bezoeken."
"Is het waarheid die gij spreekt?" vroeg Leroux.
"Op mijn trouwe makkers! Onze heer De St.-Pol heeft mij gezonden om u te
verwittigen."
"Wel, dan wens ik de Edelvrouw en u aan de galg van Montfaucon!" riep
Leroux.
"Zie waarom verbittert u dit nieuws? Keert gij niet gaarne naar Frankrijk
terug?"
"Neen, bij de duivel! Wij smaken hier de vruchten van de zege, en het zou
mij niet lusten dezelve zo vroeg te verlaten."
"Ho, ontstelt u dan niet zozeer, wij komen binnen weinig dagen terug. Wij
moeten onze heer De St.-Pol slechts tot Rijsel vergezellen."
Op het ogenblik dat Leroux meende te antwoorden, ging de deur open en een
Vlaming trad in de kroeg. Hij bezag de Fransen met losse stoutheid,
plaatste zich alleen bij een tafel en riep: "Ho waard! Een stoop bier. Ras,
want ik ben haastig!"
"Meteen, Meester Breydel," was het antwoord.
"Dit is een schone Vlaming," suisde een soldenier in het oor van Leroux.
"Hij is wel zo lang niet als gij; maar wat machtig lichaam, en wat stem.
Dit is geen boer, bij mijn ziel!"
"Waarlijk," antwoordde Leroux, "het is een fraaie kerel; hij heeft ogen als
een leeuw. Ik gevoel mij voor hem tot vriendschap genegen."
"Wat duivel," riep Jan Breydel, opstaande, "waar blijft gij, hospes? De
keel brandt mij schriklijk."
"Zeg Vlaming," vroeg Leroux, "kunt gij Frans?"
"Meer als mij lust," antwoordde Breydel in dezelfde spraak.
"Wel dan, mits ik zie dat gij ongeduldig zijt en dorst hebt, bied ik u mijn
hanaps aan. Drink! Ik wens dat het u wel bekome."
Breydel nam de hanaps met een dankbaar teken uit de hand van de soldenier
en sprak terwijl hij dezelve aan zijn lippen bracht: "Dit zij op uw
gezondheid en geluk in de krijg!"
Nochtans zodra enige druppels van de wijn hem in de mond gerezen waren,
plaatste hij de beker met afkeer op de tafel.
"Wat duivel, gij schrikt van de edele drank? Dit zijn de Vlamingen niet
gewoon," riep Leroux lachende.
"Het is Franse wijn!" antwoordde Breydel, zo onverschillig alsof die
wansmaak een natuurlijk gevoel ware geweest.
De soldeniers bezagen elkander met verwondering, en een blijkbaar spijt
bewoog de wangen van Leroux. De koude uitdrukking van Breydels gelaat had
echter zoveel indruk op hem, dat hij de Vlaming, zonder meer te spreken,
naar zijn zetel het terugkeren. Middelerwijl had de waard het geëiste bier
gebracht, en de Deken der beenhouwers dronk meermalen zonder op de Fransen
te letten.
"Nu dan, makkers," riep Leroux zijn beker opheffende, "laat ons nog eens
terdege drinken, opdat er niet gezegd worde dat wij met een droge keel
vertrekken. Op de gezondheid der schone Edelvrouw, in afwachting dat het
vuur haar moge branden!"
Jan Breydel bedwong zich bij dit woord, want er was een schielijke beweging
in hem omgegaan, en zijn ogen hadden zich met verachting op de soldeniers
gevestigd, alhoewel zij dit niet hadden bemerkt.
"Het is een koningsbeetje," sprak een Fransman schertsend, "want bij mijn
leven heb ik zulke fraaie vrouw niet gezien. Ik gaf mijn rechtervuis voor
zulk een bruid!"
"Wacht maar wat," antwoordde Leroux, "in Brugge zijn er nog zulke. De
Klauwaards beginnen weder te morren en te muiten; dit is voor ons een goed
teken, want na het onweder vallen de vrouwen immers in onze buit?"
Breydel knarste de tanden van innige woede te samen; maar zijn belofte en
de woorden van Deconinck was hij nog niet vergeten. Hij luisterde met meer
aandacht, wanneer Leroux de volgende woorden sprak: "Het is een
koningsbeetje zegt gij! Dit geloof ik niet; zij wordt al te beleefdelijk
behandeld. Ik zou eer geloven dat zij de vrouw van een machtig muiter is,
en dat zij bij de anderen in Frankrijk zal gevoerd worden."
De Deken der beenhouwers was van zijn zetel opgestaan, en terwijl hij, om
zijn ontroering te verbergen, onachtzaam in de kamer wandelde, zong hij
morrend en met zachte stem enige woorden van een volkslied dat aldus
luidde:
Ziet gij de zwarte Leeuw niet rijzen,
Zo fier op 't trotse gouden veld?
Ziet gij zijn forse reuzenklauwen,
Waarvan één slag de vijand velt;
Ziet gij zijn bloedige ogen gloeien,
Ziet gij zijn maan zo breed verward?--
Die leeuw is onze Leeuw van Vlaandren
Die rustend nog de wereld tart[71].
Zodra de Fransen de tonen hoorden, hieven zij tegelijk het hoofd op, en
schenen ten uiterste verwonderd.
"Luister," sprak een van hen, "dit is het lied der Klauwaards. Wat duivel
durft die Vlaming dit in onze tegenwoordigheid zingen?"
Schoon Jan Breydel deze woorden gehoord had, ging hij niet min in zijn
gezang voort, zelfs verhief hij de stem alsof hij de Fransen trotsen wilde:
Hij sloeg zijn klauwen op het Oosten
En 't Oostenheir vlood siddrend heen;
Zijn blik vernielde d'halve manen
Van d'ongetemde Saraceen.
Dan toog hij weder naar het Westen
En schonk, hun dapperheid ten loon,
Aan d'onversaagdsten zijner zonen
Een konings- of een keizerstroon[72].
"Maar wat betekent dit gezang dat zij eeuwiglijk in de mond hebben?" vroeg
Leroux aan een Vlaming uit het slot, die bij hem zat.
"Wel, hij zegt dat de zwarte Leeuw van Vlaanderen zijn klauwen aan de halve
manen der Saracenen geslagen heeft, en dat hij Graaf Boudewyn tot Keizer
heeft gemaakt."
"Luister eens, Vlaming!" riep Leroux tegen Breydel. "Gij moet bekennen dat
die schriklijke zwarte Leeuw voor de lelievaan van onze machtige Vorst,
Philippe le Bel, heeft moeten vluchten--en nu is hij zeker voor altijd
dood."
Meester Jan grimlachte met schertsend misprijzen en antwoordde: "Er is nog
een refrein aan het lied, hoor maar:
Hij sluimert nu.--Der Wallen koning
Beknel' hem vrij in ijzren band,
Hij sture vrij zijn roversbenden
Tot op der leeuwen Vaderland...
Want zo de Leeuw ontwaakt,--Gij rovers!
Wordt ge allen door zijn klauw verscheurd,
Dan wordt uw trotse witte lelie
Door hem met bloed en slijk besmeurd.