Plom... plom... plom... Een drietal trage, plompe klompstappen

buiten, voor de deur, op het plankier; en binnen kwamen Bruuntje de

knecht en Leonie de meid, gevolgd door Pierken, het jong

koewachtertje. Die wisten wel dat Leontientje aangekomen was, doch

hadden haar nog niet goed gezien. Bruuntje, een vriendelijk,

vijftigjarig ventje, met een fijnbesneden, regelmatig gezicht,

donkere oogen en zware gespikkelde snor, lichtte eventjes zijn pet op

en groette "elk ne goen oavend," terwijl hij zijn gewone plaats aan

de lange tafel naast een der ramen ging innemen. Leonie, de dikke

Leonie met haar grof gezicht en tandeloozen mond, schoof, nauwelijks

opkijkend zonder te groeten, langs den wand heen en ging tegenover

Bruuntje zitten, met den rug naar het tafeltje van de broers en het

nichtje; maar Pierken bleef een oogenblik roerloos in 't midden van de

keuken staan, als door een soort betoovering ter plaatste

vastgenageld. Zijn oogjes, waarvan het een ontzettend scheel was, zoo

scheel dat de appel voor meer dan de helft, als een slak in haar

huisje, onder 't hoekje van zijn neus zat weggekropen, staarden in

verbluffing naar het mooie nichtje, zijn mond hing half open en

langzaam kwam er een kleur over zijn bleeke sproete-wangen, alsof hij

voor een vuur stond.

--He Pier, stoa-je doar vaste gegroeid dan!" riep Bruuntje hem

spotlachend toe. En toen eerst kwam de kleine tot bezinning en ging

hij heel stil en verlegen naar zijn plaatsje, aan de rechterzij van

Bruuntje. Cordula bracht hun dadelijk een groote kom vol dampende

pap, zij vouwden de handen samen, en na een kort gebed en een

haastig kruisteeken, begonnen zij om de beurt, met hun groote,

houten lepels uit de gemeenschappelijke kom te scheppen en te

slurpen.

--Oh! mon Dieu!" riep Leontientje vreemd opkijkend, "ils mangent

donc a meme la terrine, sans assiettes!"

--Owie, owie, ils ne demandent pas ca. Ca est comme ca comme dans

le vieux temps," fluisterde haastig Belzemien met een verlegen

glimlach.

--Ils ne voudraient pas autrement," lichtte Standje, zonder veel

overtuiging toe.

Coben, die wel begreep, waarvan er kwestie was, doch geen Fransch

kon spreken, draaide zich even op zijn stoel, en kuchte

hoofdknikkend naar Leontientje, om te betuigen dat het werkelijk was

zooals Belzemien en Standje zeiden.

--Pauvres gens," zuchtte Leontientje meewarig.

En als van zelf, onder een geleidelijk ernstiger wordende stemming,

begonnen zij nu ook weer, met gedempte woorden, over tante Zeunia te

praten.

De laatste berichten, dien middag, na Standje's vertrek naar

't station, door Belzemien in Tante's huis van de non-verpleegster

ontvangen, luidden lang niet gunstig. Tante had een zwaar-woeligen

nacht gehad en verder een groot deel van den dag vrijwel buiten

kennis gelegen. Belzemien was dan ook maar heel even bij haar bed

mogen blijven, want de dokter vond te veel bezoek verkeerd en 't was

hem voorgekomen dat Tante van uur tot uur achteruitging. Hij

geloofde zelfs niet dat zij hem herkend had en naar Leontientje had

zij ook niet eens meer gevraagd.

--'K zal ze toch nog wel e-kier meuge zien, e-woar, pauvre

grand-tante!" vroeg Leontientje ontroerd.

--Natuurlijk, natuurlijk," zeide de ooms. En na wat heen en weer

gepraat werd besloten dat Cordula er den volgenden ochtend met

Leontientje heen zou gaan. De broers en de zuster waren veel minder

bang voor dat bezoek van 't jeugdig nichtje, nu Tante toch zoo zwak

geworden was, dat zij bij geen mogelijkheid nog iets aan haar

testament zoude kunnen veranderen.

Zij waren klaar met hun eten, en in de ouderwetsche boerenkeuken,

waar de bedienden nu uit een groote, platte teil, aardappels,

overgoten met kaantjessaus prikten, was het van lieverlede bijna

gansch donker geworden. Hunne gebogene gestalten teekenden zich

somber-wazig tegen de nog nauwelijks verlichte ramen af, in den

zwarten schoorsteen spookte de haardvlam roodend op, en Cordula's

lange, magere, donkere schaduw bewoog er zich als een gedrochtelijke

schim omheen. Maar buiten schemerde nog een vaag-zilverig licht van

heel teere en doezelige zachtheid en de ooms vroegen aan 't meisje

wat zij nu nog doen wilde: naar bed gaan of nog eventjes een

avondluchtje scheppen.

--O, buiten, nog ne kier buiten!" riep Leontientje juichend

opspringend. "'t Weer es toch zeu zacht en zeu scheune en in Parijs

zit ik hoast altijd tusschen muren opgesloten. Tante Cordula, goa-je

gij euk nie ne kier mee?"

--Moar nien nien ik, en al die schotels nog te wasschen zijn!"

antwoordde, op half bitsen toon, Cordula. En tot de dienstmeid:

--Ala toe, Leenie, jonk, as ge doar gedoan het goan we 'r al gauwe

mee beginnen."

Buiten was 't een avond als een zegen. Een zacht-dauwige frischheid

drong mild van zoet-gezonde geuren tot in 't diepste van hun wezen

en Leontientje ademde met wellust die nog ongekende weelde van het

landelijk leven in. Stil rees de volle maan in donkerblauwen,

onbevlekten sterrenhemel, achter de grauwe stroodaken der schuren op.

Haar helder licht glansde met zilvertintelingen in de

feeeriek-doorschijnende-appelboomkruinen en bleef glinsterend hangen

in het Zonneputje waar het lange, fijne, wemelende draadjes naar de

diepte peilde, tusschen de door den zachten stroom lichtkens bewogen

witte waterbloempjes met oranje hartjes. Droomerig gonsden meikevers

om hun ooren, grauwe vleermuizen fladderden geluidloos, als gejaagde

schimmen heen en weer, en uit de gansche wijdte van het wazigbleek,

zacht-sluimerend veld, steeg een vaag en dof gemurmel van

diep-en-geheimzinnig werkend leven. Alom, in de lauwe, mildvruchtbare

aarde, hoorde en voelde men als 't ware het sap in de opkomende

gewassen stijgen. Heel in de verte, achter het dorp, waar groote,

donkere tuinen waren, galmde plechtig het gezang van nachtegalen.

--O! da es hier toch amoal rustig en scheune! Ne meinsch zoo hier

wel altijd willen blijven," zuchtte Leontientje.

--Hawel, ge meug gij hier altijd blijven, schertste Standje.

--'t Es hier 'n greut verschil mee Parijs, e-woar?" meende Belzemien.

--Joa 't zille!" zei Leontientje, op stillen toon.

--Zoe... zoe... zoe-je peizen da... da... ge 't hier zoedt geweune

worden?" stotterde Coben.

Die stottervraag van Coben was als een ontnuchterende wanklank in de

zachte harmonie der geheele poetische stemming, en Leontientje, tot

de werkelijkheid teruggeroepen, antwoordde:

--Meschien wie weet, 't es toch zeu heul anders ne-woar?"

Een zware klok galmde in 't verschiet, de avondklok van het naburig

dorpje. Tien ure! Zij galmde melancholisch zwaar over het doodstille

landschap; en andere klokken in de verte antwoordden, de eene in

traag, de andere in sneller tempo, maar allen met iets

droef-aangrijpends in bun verre, wijd-verspreide eenzaamheid.

Hol blaften nu ook hier en daar, als antwoord op 't geluid der

klokken, de waakhonden op de reeds donkere hoeven. Zij blaften maar

even en zwegen. Een enkele baste nog een poosje door, met een

langgerekt, klagend gehuil. Toen word ook hij stil. Heel in de diepte

van den lichten lentenacht vol zoete geuren, ergens langs een

verlaten steenweg, ratelde nog, met overdreven groot geluid, een late

kar voorbij.

--O! en dat da nou in Parijs om deez' ure, de volle volte van

't plezier en 't leven es!" zei Leontientje op gedempten toon en met

als 't ware een zweem van spijt.--Overal lichten, en voituren en

scheune toiletten. En hier toch zeu eenzoam en zeu stille, e-woar?"

--Joa zeker,... joa zeker... 'n greut verschil, e-woar?" meenden nog

eens de broeders.

Achter de heldere ramen van het boerenhuis glom het gele schijnsel

van een aangestoken lamp. Langzaam keerde Leontientje met haar ooms

door de droomerige atmosfeer terug. Zij voelde zich vermoeid en

wenschte te gaan slapen. Bruuntje, Leenie en het koewachtertje waren

reeds ter ruste. Cordula stak een nachtkaars aan en opende de deur

van de "beste kamer".

--Bonne nuit, ma tante," zei Leontientje; en zij zoende Cordula, die

zich even verbaasd half achteruit trok.

--Bonne nuit, mon oncle, et mon oncle, et mon oncle...!" En om de

beurt werden ook de drie verrast-onthutste vrijgezellen door het

jeugdig-frisch meisje gezoend.

--Verdeeke! wa zijn da veur menieren, al da totten geven!" bromde

halfluid en verontwaardigd Cordula, toen zij in de keuken, bij de

drie geschokte oude vrijers terugkwam. "'t Es lijk of 't hier een

slecht huis woare!"

--Ha moar, da es Fransche mode, zuster, ge 'n meugt da nie kwoalijk

nemen," gichelde Standje nog gansch verrukt en geprikkeld.

Belzemien glimlachte, hoofdschuddend, vaag gegeneerd, met

fijn-knippende oogjes. Coben stond verbouwereerd te sidderen,

onduidelijke klanken stotterend.

--Slechte menieren, da zijn 't," bromde Cordula boos.--"En gulder,

ouwe dwoaze loeders, zijt doarmee gediend. O, da mannevolk, da

mannevolk! Doar 'n es niets in de weireld da zeu dwoas es of 'n

mannemeinsch! Ala toe, noar bedde nou. 't Es mij hier te keelen uit

verlied van doage!"

Met hooge schouders, als drie schuldigen, dropen de drie broeders

af, Cordula goe nacht wenschend, en trokken langs de zoldertrap naar

boven.

* * * * *

Toen Cordula den volgenden ochtend reeds vroeg met Leontientje in

het dorp voor Tante's deur aanbelde, berichtte de non met een

bezorgd gezicht, dat het heel slecht ging met Tante en dat de dokter

voorloopig alle bezoek ten strengste verboden had.

--Zelfs heur nichtsjen uit P'rijs niet, woar da ze zeu noar gevroagd

het? vroeg Cordula, zonder evenwel sterk aan te dringen.

--Niemand, niemand, het den dokteur gezeid," bekrachtigde de non met

stillen nadruk haar woorden.

Cordula keek met ernstige oogen naar Leontientje, die er een bedroefd

gezicht bij zette.

--Moeten es dwang, doar 'n es niets aan te doene," sprak ze

berustend. En langzaam trok ze met Leontientje terug, nadat ze aan de

non gezegd had, dat ze 't koewachtertje 's middags nog eens om nieuws

zou sturen.

* * * * *

--Ba zeu! ba zeu! 't es er zeu slecht mee,!" zei

gewichtig-hoofdschuddend Belzemien, toen Cordula, met Leontientje

weer thuisgekomen, hem de nare tijding meedeelde.

--Da es toch spijtig ewoar?" zuchtte Leontientje. "En ik die espress

van zeu verre kom om Tante nog ne kier te zien!"

--T'n es doar nie aan te doene," meende nu ook de oudste broer. "Ge

zilt hier ienige doagen moeten blijven, Leontientsje, en wachten hoe

dat 't verder afleupt."

--'t Es da 'k zeu weinig tijd he," vreesde Leontientje. "Papa 'n kan

mij zeu lank niet missen."

Coben en Standje kwamen binnen, hoorden de slechte mare, beaamden

ook dat er niets aan te doen was en dat Leontientje daar 't verder

verloop maar moest afwachten. "'t Es scheun weere," zei Standje

verleidend, "en 't es veur ou al nieuwe da g' hier heurt en ziet. We

zillen ons beste doen om ou hier ienige doagen t' amezeeren."

--Joa, 't zal wel moeten," dacht nu ook Leontientje; en zij vroeg

pen en papier om aan haar vader te schrijven.

Belzemien trok met Coben en Standje even buiten, terwijl het meisje

haar brief aan 't opstellen was.

--Wa zoen we nou wel keunen doen om heur t' amezeeren?" vroeg de

oudste broer knipoogend.

Standje, die daar reeds over nagedacht, maar nog niets gevonden had,

krabde dubieerend achter zijn oor, terwijl Coben, zonder eenig

verstand van zulke dingen, als verdwaasd-starend ten gronde keek. Dat

eenvoudige vraagstuk klonk als een heel moeilijk, bijna onoplosbaar

probleem.

--K'n weet 't woarachtig zelve niet," zei Standje eindelijk. Joa,

wa zoen we wel keunen doen? 'n Beetse goan wandelen? Nog ne kier mee

heur uitrijen?"--Standje wist eigenlijk wel 't een en ander, hij

had verschillende plannen in zijn hoofd, maar Belzemien en Coben

moesten 't helpen goedkeuren, en hem desnoods verdedigen, tegen

vermoede dwarsboomerij vanwege Cordula. Zwijgend ondervragend keek

hij even naar zijn broeders op, die hem ook even, vaag-wantrouwig,

ondervragend aankeken.

--'T 'n zal in alle geval veur nie lank zijn," drong Standje

voorzichtekens aan. "Wil-e 'k ik bij veurbeeld van doage mee heur

uitgoan en ien van ulder morgend?"

--Ba joa, ba joa, we zoen 't meschien azeu keune probeeren," zei

Belzemien zonder veel overtuiging. "Wat dijnkt er ou van, Coben?"

--Ba ba ba ba ba 't dijnke mij dat 't azeu nog al goed es," begon de

stotteraar eensklaps ontzettend zenuwachtig te brabbelen.

--Hawel weet-e watte," zei Standje, die d'r dadelijk vlug genoeg bij

was: "gee mij van den achternoene nog ne kier Bello, we zillen 'n

beetsen uitrijen."

--Ha joa joa joa moar, verdeeke! 'K zoe zelve wel..." herbegon Coben

te hakkelen.

Maar Standje deed of hij 't niet eens hoorde en riep van verre in

opgewonden vroolijkheid naar Leontientje, die juist met haar briefje

uit het huis kwam:

--Leontine, moakt ou moar geried, zille! We goan d'r van den

achternoene nog ne kier op uitrijen!"

--Es 't toch woar, nonkel Constant!" kwam 't meisje juichend met een

hooge kleur van blijdschap naar hem toegeloopen.

Maar eerst was er voor haar nog iets anders te zien.

Daar kwam Bruuntje over 't hof, gebogenloopend naast Baron, dien hij

bij zijn halsband vasthield. De oude hond moest in de karn-machine en

de ooms namen Leontientje mee om haar te laten zien hoe dat gebeurde.

Het groote ronde karn-wiel met plankenbodem stond tegen den

buitenmuur van 't achterhuis, door een laag houten traliehekje van den

boomgaard afgesloten. Het hekje werd geopend. Baron door Bruuntje in

bet wiel geduwd, bet deurtje weer gesloten; en, onder de machinale

pooten-beweging van den hond over den ronden planken-bodem, begon

het wiel te draaien, terwijl daarbinnen in bet achterhuis, de

boterkarn aan het klutsen ging.

--O! comme c'est curieux!" riep Leontientje, door het

grappig-eigenaardige der uitvinding verrast.

--N' is pas?" glimlachten Belzemien en Standje, gelukkig over haar

verrassing.

Langzaam aan wentelde vlugger het rad, den hond, die reeds begon te

hijgen, ook machinaal, onder het harder klutsen van de boterkarn in

't achterhuis, tot vlugger trappen dwingend. Maar eensklaps jankte hij

en wipte, als onder een zweepklap, half op.

--Ooo! woarom schriemt hij?" vroeg Leontientje meewarig.

De broeders moesten even lachen en Standje legde 't haar uit:

--'t Es dat bij 't hekel in zijn gat voelt! Zie-je wel, die planke

doar, mee ijzere peunten, achter zijne steirt. Van as hij wa

vertroagd geroakt bij achteruit en de peunten stekken in zijn vel."

--Oh! comme c'est cruel!" klaagde Leontientje haast verwijtend.

--Me non, me non, hij 'n moe moar 'n beetsen opletten, zei Belzemien.

"Ne kier dat hij de goejen trampel het, 'n roaken de peunten hem nie

meer oan."

--Moar woarom es da neudig?" vroeg Leontientje.

--Wel, omdat hij anders nie veurt 'n zoe wirken. Hij zoe van langs

om troager leupen en de kirn zou eindelijk blijve stillestoan."

--Och, en hoe lank moet hij azeu trampelen?" vroeg Leontientje, nog

steeds meelijdend.

--Da es noarvolgens dat de kirn vroeg of loat af es: vijf koartiers,

'n uur en half almets."

--Ach!... en zonder iene kier te rusten?"

--Natuurlijk; van os er hij uitschiedt, krijgt hij weere 't hekel in

zijn vel."

--Och...!"

--Joa moar 't 'n es zeu irg niet of da ge wel mient, ieffreiwe,"

glimlachte nu ook Bruuntje, die nog even bij het wiel was blijven

stoan. "Dat hij ne kier nen achternoene nevens mij in de schure

moest stoan desschen, hij zoe al anders piepen."

--Pauv' bete,". jammerde niettemin Leontientje, den blik strak op

den aldoor trappelenden hond gevestigd.

Maar het leek werkelijk of het toch wel iets minder akelig was dan

zij eerst dacht. Heel gelijkmatig wentelde nu 't groote wiel in het

gekadanseerde klotsen van de karn onder zijn trippelende pooten

door, en de punten van het hekel raakten hem langs achter niet meer

aan. Baron had blijkbaar den gewonen "goejen trampel" gevonden.

Alleen zijn roze bek vol scherpe, witte tanden hing angstig-hijgend,

met klapperende, droge tong wijd-open, en zijn uitpuilende,

bloeddoorstriemde oogen staarden met een wreede blikkering in zijn

naar de toeschouwers halfomgedraaiden kop.

--Ach, 'k vind het toch nog al wried," zuchtte Leontientje zich van

het schouwspel afwendend.

--Es 't woar?" zeiden de broeders verwonderd, en eenigszins

teleurgesteld gingen zij verder met haar in den teer-bloeienden

boomgaard wandelen.

* * * * *

Het werden abnormale, gekke dagen op de ouderwetsche, eertijds zoo

rustige, deftige hoeve. 't Gewone, dagelijksch leven was er

opgeschorst, er was geen regel noch kalmte meer, alles stond en lag

en liep er overhoop. Belzemien slenterde al van den vroegen ochtend,

gekleed als een net buitenheertje, over 't erf, Coben had zijn

blauwen kiel afgelegd, droeg schoenen in plaats van klompen en zond

halve dagen Bruuntje met de paarden 't werk verrichten dat hij

vroeger, met jaloerschen naijver, zelf uitvoerde op den akker. Er

bestond tucht noch toezicht meer: Bruuntje werd niet nagegaan;

Pierken stond soms uren lang te dralen en te gapen, zijn akelig

scheel oog gelijk een eigenaardig schuchter beestje onder 't hoekje

van zijn neus half weggekropen; de dikke, slonsige meid kreeg bijna

iets opruierigs in het geweld waarmede zij haar vaten en haar emmers

door elkander rinkelde; en Standje, heelemaal los van alle

plichtsbesef, leefde en fuifde maar met Leontientje door, in een

voortdurende roes van opgewondenheid.

Zoolang het meisje 's ochtends nog niet uit haar kamer was, waren zij

geen van drieen uit den boomgaard weg te krijgen. Zij liepen

slenterend rond of troepten samen, quasi-gewichtig doende, alsof zij

heel ernstige dingen te bedisselen hadden; maar voortdurend weken hun

oogen schuins om, naar de gesloten ramen van de "beste kamer", en

't was als een verlichting toen de grijze rolgordijnen, eindelijk

opgehaald en de vensters wijd opengeduwd werden. Zij stak haar frisch

en vroolijkblozend blonde kopje uit, zij riep! "Bonjour, mon oncle

Belzemien! Bonjour, mon oncle Coben! Bonjour, mon oncle Constant!"

en wanneer Cordula niet te dicht in de buurt was, schoten zij ijlings

toe en kregen ieder door het raam een frisschen ochtendzoen, die dan

door heel hun lichaam als het ware suisde en duizelde. Meteen wipte

zij vogellicht naar buiten, snoof, als dronken, de heerlijk

verkwikkende lentelucht op, holde stoeiend als een kind, onder de

bloeiende boomen en langs 't bloeiend beekje heen en weer, tot zij

eindelijk hijgend, met vuurroode kleur, bij Cordula in de keuken kwam

om te ontbijten.

Maar Cordula hield er nu wel helderziend en koel haar hoofd bij; en

na de onthutste overrompeling van den eersten dag, was zij van

lieverlede weer heel stug en nurksch geworden, vol leedwezen over

haar zwakke toegevendheid, verontwaardigd over de malligheid van

alle drie haar broers, inwendig razend zonder 't nog openlijk te

durven uiten, over die gansche omwenteling welke de enkele komst van

't jeugdig nichtje in den zoo kalmgelijken gang van hun gezin

veroorzaakt had.

Van om-de-beurt met Leontientje uit te gaan was niets gekomen.

Belzemien en Coben schenen instinctief te voelen dat zij daar

eigenlijk minder geschikt voor waren, en 't was alleen met Standje

dat het meisje elken dag hare plezier-uitstapjes ondernam.

--Goat da hier nog niet hoast gedoan zijn, mee da spel!" barstte

Cordula dan telkens na hun vertrek woedend tegen de twee

thuisgebleven broeders uit. "Wa moen de meinschen doarvan peizen! Ha

'k ben toch zeu beschoamd, e-woar, da 'k hoast mijnen neuzel buiten

de deuren nie mier 'n durve steken! Doet dat toch ophouen, Belzemien!

Wa moe ons wirkvolk doarvan peizen? Zie-je gij dan niet da ze gien

half wirk mier 'n verrichten? Teug verdeeke toch ne kier da g' hier

den ouwsten en den wijsten zijt? Teugt da ge nog ou verstand het en

da g' hier den boas zijt!"

Maar Belzemien toonde niets en bleef talmen en aarzelen. Hoe moest

hij dat ook te keer gaan? Wat moest hij doen? Wat moest hij zeggen?

Leontientje was dol op die uitstapjes. Zij vond het zoo heerlijk hier

buiten en er gebeurde toch niets verkeerds. Het zou van zelf wel

eindigen, zoodra 't met Tante... ja... Tante... die was eigenlijk de

geheele oorzaak van alles!--En, trouwens, Belzemien waakte, o, wat

dat betrof mocht Cordula gerust zijn: hij hield Standje in 't oog,

hij had hem reeds herhaaldelijk tersluiks op een afstand gevolgd

terwijl hij met Leontientje in het veld ging wandelen. Maar, zie-je

wel: 't meisje ging nu eenmaal zoo graag wandelen; er moest wel

iemand met haar meegaan, en hij, Belzemien, deed dat toch maar liever

niet, zoo waar iedereen het zien kon, ter wille van zijn positie als

hoofd van het gezin en als lid van den dorpsgemeenteraad. Cordula

moest nu nog maar 'n heel, heel klein beetje geduld hebben en alles

zou in orde komen.

Cordula, die haar geduld tot het uiterste op had, besloot, als het

mogelijk was, er een eind aan te maken. Op een middag schoot ze haar

zwarten kapmantel aan en, zonder iemand van de anderen met zich mee

te willen, trok zij, vastberaden naar het dorp, om zelve nog eens

te hooren, en, zoo mogelijk, te zien, hoe het nu eigenlijk met Tante

gesteld was.

Leontientje bleef dien middag ook liefst thuis. Het weer was mooi

en warm, bijna te warm voor 't jaargetijde; en, na Cordula's

vertrek, had ze zich in het bloeiende gras, onder de schaduw van een

verrukkelijk-bloeienden appelboom, dicht bij den oever van het

Zonneputje neergevleid. Standje zat naast haar, op de malsche groene

zoden, grapjes te vertellen. Belzemien draaide glimlachend, met

fijngeknepen oogjes om haar heen en Coben was bezig met zich uit een

lange, dunne wilgentwijg een nieuwe zweep te snijden.

--Oh, comme il fait lourd et chaud, aujourd'hui," zuchtte

Leontientje.

--Owie, owie, tre chaud, nous aurons peut-etre de l'orage," beaamden

Belzemien en Standje.

De tintelende zonnestralen priemden door de bloeiende kruinen in het

Zonneputje en deden er 't zacht-vliedend, helder water, in de open

ruimte tusschen de glinsterende, dicht-ineen gegroeide deken van

witte sterrebloempjes-met-oranjehartjes, levend wemelen en

sprenkelen. Kleine, ronde, gitzwart-glimmende beestjes schoten er

bliksemsnel, in allerlei grillige wendingen en kronkelingen over de

oppervlakte heen en weer; en 't was of ieder in zijn dolle

wentelingen op zijn fonkelend, bol ruggetje een

flikker-zonnestraaltje medevoerde, die nog steeds en eindeloos, als

zooveel ijle gouden draadjes door elkaar geweven, er een trillend

vuurnet over 't frissche water spanden. Het lokte

almachtig-verleidend, als een zacht en stil lavend fonteintje, en

eensklaps richtte Leontientje zich half overeind en riep uit:

--O wa he 'k toch goeste om doar in te goan: Nonkel Constant,

wilt e mij liere zwemmen!"

--Wa zegt-e doar!" riep Standje verbaasd.

--O! in 't woater goan, mee die woarmte! Keunt-e gij zwemmen, nonkel

Constant, en wilt-e 't mij lieren?"

Standje kon wel wat zwemmen en had ook dikwijls in zijn jeugd met de

jongens uit de buurt in het Zonneputje geploeterd, maar dat was al

zoo lang geleden en sinds geen vijf en twintig jaar had hij zelfs

aan baden meer gedacht. Hij had dan ook de woorden op de lippen om

Leontientje's voorstel als toch al te gek van de hand te wijzen;

doch plotseling ontstond in hem, met een besef van veiligheid door

Cordula's tijdelijk afwezig-zijn, de sterk-verleidende intuitie van

een groote, opwindende pret, en hij antwoordde, de oogen stralend:

--Joa moar, es 't serieus? Het-e oprecht goest om in 't water te

goan?"

--O joa ik, joa ik, joa ik!" juichte Leontientje eensklaps

opspringend, huppelend en dansend van blijdschap.

--Joa moar, het-e gij doar klieren veuren."

--Joa, joa ik, loat dat aan mij moar over; 'k zal da wel arrangeeren!"

Belzemien en Coben, die 't gesprek gehoord hadden, kwamen haastig

toegesneld.

--Joa moar, verdeeke, verdeeke," schuchterde Belzemien, als vond hij

't wel wat al te kras. Coben stond even, verdwaasd, onduidelijk te

stotteren, zijn gedeeltelijk gepeld, half groen, half wit

wilgentwijgje met de afhangende rafels, als een feestkaars in de

sidderende hand.

--Och, as 't ou blieft, nonkel Belzemien, as 't ou blieft, nonkel

Coben!" smeekte Leontientje.

En de twee oudere broers, door een gelijke intuitie als die van

Standje verlokt en bekoord, stemden ook eindelijk glimlachend en

hoofdschuddend toe.

Leontientje vloog naar haar kamer en Standje naar den zolder om zich

te verkleeden.

Lente(#18069) · 第 2 / 9 段