GECONFRONTEERD.

Stanley bleef, nadat hij de deur gesloten had, opnieuw eenige

oogenblikken in luisterende houding staan, en zijn grijsgroene oogen

fonkelden als die van een jaguar.

Maar alles in het huis bleef doodstil.

Toen spitste Stanley de lippen en liet een zacht sissend geluid hooren,

zooals de brilslang maakt, wanneer door het een of ander haar toorn is

opgewekt.

Het was zeker bedoeld als een sein, want onmiddellijk klonk het

antwoord op dezelfde wijze gegeven.

„Hij is er dus!” mompelde de Meester voor zich heen. „Het geluid kwam

van boven.”

Voorzichtig begon hij de trap te beklimmen, steeds de revolver in de

vuist, en zich met de linkerhand steunend tegen een gepleisterden muur,

die in een oud verleden misschien wel eens wit was geweest.

Alvorens het portaal te betreden, keek hij voorzichtig rond, en toen

hij een lichtstraal onder de deur van het bovenvertrek zag dringen,

ging hij verder, trad op de deur toe, opende ze langzaam, en keek vol

verbazing naar de gedaante van den Fellah, die onbeweeglijk op de

rustbank zat.

Hij scheen te wachten, tot Ibrahim Dhâr zou opstaan om hem te

begroeten, maar toen er niets van dien aard geschiedde, zeide hij op

gedempten toon, en met ongeduld en toorn in zijn stem:

„Ibrahim Dhâr, is dit de wijze waarop een luitenant den Meester

begroet?”

Nu pas scheen de Inlander iets te merken van het binnenkomen van Irwin

Stanley.

Er was een vraag tot hem gericht, en hij moest dus antwoorden.

Langzaam wendde hij het hoofd naar den binnentredende, stond op, en

zeide afgemeten:

„Ik groet u, Meester! De sleutel zij ons geheim!”

Terwijl hij deze woorden uitsprak, had hij de armen over de borst

gekruist, en maakte nu een diepe eerbiedige buiging.

„Zoo is het beter!” hernam Stanley. „Het verbaast mij een weinig,

Ibrahim Dhâr, dat ik je daarop eerst opmerkzaam moest maken. En laat

ons nu spoedig ter zake komen. Je zult begrijpen, dat je telegram mij

zeer verschrikt heeft! Ik hoop echter dat je mij goed nieuws kunt

mededeelen!”

Daar de Fellah bleef zwijgen hernam Stanley:

„Is er iets bekend van John Raffles?”

„Ik heb hem gezien!” antwoordde de Inlander op doffen toon.

„Waar?”

„In het bosch ten Noord Oosten van de stad!”

„Hoe wist je dat hij het was?”

„Ik vermoedde het!”

„Ben je krankzinnig, man?” riep Stanley toornig uit. „Laat je mij op

een vermoeden de reis van Londen naar Caïro maken? Wat moet dat

beteekenen? Ik meende dat je zekerheid had!”

„Ik weet dat Raffles hier is!” hernam de Fellah op denzelfden doffen

toon, zonder uitdrukking.

„Kort en goed—waar is hij nu?”

„Dat weet ik niet!”

„Verdoemd! Is dat alles wat je mij te zeggen hebt? Wat helpt het mij

dat ik weet dat Raffles in Caïro is, als je mij niet eens kunt zeggen,

waar hij zich ophoudt! Ben je goed bij je zinnen, Ibrahim?”

„Ik weet zeer goed wat ik zeg, Sahib, ik weet alleen dat John Raffles

zich hier bevindt, want ik heb met hem te maken gehad!”

„Maar denk je althans zijn spoor terug te kunnen vinden?” hernam

Stanley woedend.

„Daar ben ik zeker van, Meester!”

„Het is je geraden!” bromde Stanley, terwijl hij den Fellah een

giftigen blik toewierp. „Ik ben er niet de man naar, om den spot met

mij te laten drijven en een reis van bijna een week te maken, om mij

hier te laten vertellen, dat je niet eens weet waar mijn doodsvijand

zich bevindt!”

De Inlander gaf geen antwoord en deze woorden, die ieder ander van

schrik zouden hebben doen verstijven, schenen hem volkomen onbewogen te

laten.

Stanley keek hem een oogenblik doorborend aan, en bromde voor zich

heen:

„Wat scheelt den schavuit toch? Hij schijnt in het geheel niet op mijn

woorden te letten! Het is alsof zijn gelaat geheel veranderd is, dan

toen ik hem voor het laatst ontmoette. Het lijkt wel alsof hij versuft

is!”

„Hoe was het mogelijk dat de vrouw ontsnapte?”

„Raffles hielp haar, Meester!”

„Ja, dan spreekt het van zelf!” riep Stanley op sarcastischen toon.

„Waar Raffles de behulpzame hand biedt, daar kunnen wij gerust bakzeil

halen, ha ha ha! Vertel het mij!”

En nu deed de Fellah het verhaal van zijn pogingen om de ongelukkige

vrouw in het ziekenhuis te dooden, en daarop deelde hij mede, op welke

wijze Raffles zich van hem meester had gemaakt.

Maar toen hij het oogenblik genaderd was, waarop Raffles hem de

injectie toebracht, begon zijn stem te haperen, hij stotterde, streek

zich over het voorhoofd, en scheen zijn geheugen totaal kwijt te

zijn,—en het was alsof er eensklaps een nevel oprees, die althans aan

zijn oogen onttrok, wat er met hem geschied was in de laatste

oogenblikken, die onmiddellijk vooraf gingen aan de inspuiting.

Stanley had met gloeiende verbazing en onrust toegeluisterd.

De eentonige stem, de manier waarop de Inlander verhaalde, juist als

een schoolknaap die een van buiten geleerd lesje opzegt, maakte zijn

verbazing en achterdocht gaande.

Toen Ibrahim Dhâr eensklaps bleef steken, bleef Stanley een oogenblik

wachten, stampvoette toen ongeduldig, en stelde toen de vraag:

„Welnu? Waarom beëindigt gij uw verhaal niet? Wat is er met je gebeurd,

nadat Raffles er in slaagde je te boeien en machteloos te maken?”

„Dat weet ik niet, Meester!” antwoordde de Fellah met gebogen hoofd.

„Weet je dat niet?” herhaalde Stanley met gefronst voorhoofd. „Houd je

mij voor den gek? Je was toch niet beschonken?”

„Ik was volkomen nuchter, Meester! Het is alleen maar, alsof er zich

een schaduw over mijn geest legt—ik kan niets meer onderscheiden van

het oogenblik af, tot waar mijn verhaal ging.”

„Maar je zult mij toch wel kunnen mededeelen, hoe je je dan weder van

Raffles bevrijd hebt?” riep Stanley uit, wiens gelaat sedert eenige

oogenblikken een loerende, boosaardige uitdrukking had verkregen.

„Dat kan ik niet verhalen, Meester—ik weet niet hoe ik mij bevrijd

heb!”

In plaats van te antwoorden wierp Stanley een langzamen blik om zich

heen.

Er was iets in de stilte van het huis, dat geleek op de dreiging van

een groot gevaar, waaraan hij echter geen naam wist te geven.

Er viel niets te hooren dan het tjirpen van de groote krekels, die zich

verborgen hadden in de spleten van den houten wand.

Stanley was zeker een schrander man, en hij zag in, dat er met den

Inlander in ieder geval iets ongewoons gebeurd was.

Hij ging zelf in een hoek van het vertrek staan, steeds om zich heen

ziende de revolver tot vuren gereed, en beval op gedempten toon:

„Loop eens heen en weer!”

Onder normale omstandigheden zou dit bevel zeker eigenaardig genoeg

hebben moeten klinken in de ooren van een man als Ibrahim Dhâr, die

onder zijn landgenooten groote macht bekleedde, en zeer gezien was.

De Fellah bedacht zich geen oogenblik, maar begon aanstonds op en neer

te loopen, met afgemeten schreden, en strak voor zich uitziende,

ongeveer als een koorddanser doet, die ook steeds den blik recht voor

zich uit gericht houdt.

„De duivel hale mij—de kerel loopt net als een pop, die is opgewonden,

een stuk speelgoed—of als een slaapwandelaar—iemand onder hypnose!

Stanley ik vrees dat je ditmaal een groote domheid hebt begaan—een

flater die je wel eens den hals kon breken!”

De Inlander liep nog maar altijd heen en weer, totdat Stanley op

gedempten toon en ongeduldig beval:

„Sta stil, kerel—je maakt mij dol met je heen en weer loopen!”

Aanstonds staakte de Fellah zijn wandeling door het kleine vertrek, en

bleef roerloos op dezelfde plek staan.

Stanley luisterde, sloop toen naar de deur, rukte ze open—en stond

tegenover twee agenten van politie, die hun revolver op zijn borst

gericht hielden.

„Geef u over!” beval er een, terwijl hij een stap vooruit deed. „Alle

tegenstand is nutteloos—gij zijt in onze macht!”

„Dat zullen wij zien!” brulde Stanley.

Hij sprong haastig weder achteruit, wierp de deur dicht, en ijlde op

het raam toe, zonder zich te bekommeren om den Inlander, die van het

voorval niets scheen te hebben gemerkt, en als uit brons gehouwen op

dezelfde plek was blijven staan.

Stanley rukte de lap terzijde, die dienst deed als gordijn, en wilde

het raam openduwen, om naar beneden te springen—maar juist toen hij het

raam had geopend, verschenen de hoofden van twee andere agenten boven

den rand, en ook zij waren goed gewapend, en hielden hunnen revolvers

op hem gericht.

Stanley uitte een vreeselijken vloek, en wilde op een der agenten

vuren, teneinde zich tot iederen prijs een doortocht te banen, maar de

deur achter hem vloog weder open, en Huntley stormde binnen, greep zijn

rechterarm vast, terwijl de beide agenten van politie zich op hem

wierpen.

Er ontstond een hevige worsteling, want Stanley was een sterk gespierd

man, maar hij begreep wel, dat hij het spoedig zou moeten opgeven.

„Kom mij te hulp, Ibrahim!” schreeuwde hij. „Wat sta je daar als een

zoutpilaar, man!”

De Inlander scheen op dit bevel gewacht te hebben want nu pas wierp hij

zich als een tijger op Huntley, die er juist in geslaagd was, Stanley

zijn revolver te ontrukken.

De Inlander kon geen gebruik maken van zijn vreeselijk wapen, dat

Raffles hem had ontnomen, en waarschijnlijk had de commissaris van

politie slechts aan deze omstandigheid het behoud van zijn leven te

danken.

Hij slaagde er nu in, den Inlander van zich af te werpen, en toen deze

weder kwam toestormen, bracht hij hem met de kolf van de revolver een

slag terzijde van het hoofd toe, die hem neervelde.

Stanley begreep, dat iedere tegenstand verder nutteloos zou zijn, nu

reeds had hij er bitter berouw van, dat hij, toen Ibrahim zijn argwaan

had gaande gemaakt, niet op een andere wijze was opgetreden, want nu

zou het onmogelijk zijn, al hetgeen de Inlander zooeven had gezegd, en

ook zijn eigen woorden als een onschuldig gesprek te doen voorkomen—hij

kon er namelijk wel zeker van zijn, dat daarvan geen enkel woord

ontgaan was aan den commissaris van politie en zijn manschappen.

Toch besloot hij, tot het einde te blijven strijden en daarbij gebruik

te maken van de omstandigheid, dat de Inlander klaarblijkelijk onder

hypnose was.

Hij wist zich zoo goed mogelijk te bedwingen, toen hij het geglinster

van de stalen boeien om zijn polsen zag, richtte zich trotsch op, en

vroeg terwijl hij zich tot Huntley wendde:

„Wilt gij mij eens zeggen wat dit alles te beteekenen heeft, mijnheer?”

„Kom, mijn waarde heer, laat dien toon en die houding varen!” zeide

Huntley spottend. „Het dient tot niets om te loochenen! Drie mannen

achter de deur verborgen, hebben woord voor woord gehoord wat hier

gesproken is,—en ik acht mij ten volle verantwoordelijk als ik u in

arrest houd, en u naar Londen laat transporteeren, waar Scotland-Yard

wel beter op de hoogte zal zijn van uw levensloop dan wij hier!”

„Maar gij hebt niet het recht mij in arrest te houden!” riep Stanley op

heftigen toon. „Ik ben een Engelsch burger, en gij kunt mij volstrekt

niets ten laste leggen!”

„In ieder geval kunnen wij u ten laste leggen, dat gij u tegen de

politie verzet hebt, en zelfs een mijner mannen had willen

neerschieten! Dat is al ruimschoots voldoende! Maar al had gij dat niet

gedaan—die Inlander daarginds, die mijn mannen bezig zijn te binden,

daar hij weder uit zijn bewusteloosheid ontwaakt, heeft u aangesproken

met een naam, die ook hier te Caïro ook maar al te bekend is!”

„Die Inlander verkeerde onder hypnose!” riep Stanley uit. „Laat maar

aanstonds een geneesheer ontbieden, die direct mijn verklaring zal

bevestigen!”

„Hypnose of niet—gij waart in ieder geval volkomen bij uw positieven,

nietwaar?” hernam Huntley. „Gij hebt pas op de laatste oogenblikken

vermoed, wat er met dezen man geschied was, en of gij daarin gelijk

hebt of niet, gij hebt zelf dingen gezegd en gevraagd, die maar al te

zeer bewijzen bijbrengen voor uw identiteit! Kortom mijnheer

Stanley—gij zijt mijn gevangene en ik zou u aanraden u vooral niet te

verzetten, want het zou u kunnen berouwen!”

Juist nu op dit oogenblik ontwaakte de Inlander uit zijn

bewusteloosheid, veroorzaakt door den slag met de revolver tegen zijn

slaap.

Hij trachtte zich op te richten, en merkte toen pas, dat hij aan enkels

en polsen geboeid was.

De ontdekking daarvan scheen hem echter tamelijk onverschillig te

laten, en hij keek met doffe oogen, en blijkbaar zonder eenige

belangstelling de aanwezigen aan.

„Gij ziet wel, dat deze man onder den invloed van derden moet zijn!”

riep Stanley uit. „Kijk maar eens naar zijn oogen, naar zijn

zonderlinge bewegingen en let op zijn onverschilligheid, nu hij zich

gevangen weet.”

Maar de commissaris van politie haalde koeltjes de schouders op, en

sprak:

„Wij zullen wel zien! Maar het doet er voor mij niets toe, of deze man

inderdaad gehypnotiseerd is, of door een ander gedwongen te doen wat

hij deed—het pleit sterk tegen u, dat gij in zijn gezelschap zijt

geweest!”

De commissaris wendde zich nu tot den Fellah, en begon:

„Hoe is je naam?”

„Ibrahim Dhâr, Sahib!” antwoordde de Inlander zonder aarzelen.

„Je hebt immers nog gevangenschap te goed?”

„Ja Sahib!”

„Hoeveel?”

„Twaalf jaren dwangarbeid!”

„Waarom?”

„Wegens een moordaanslag op een Europeaan, vier jaren geleden!”

„Je weet natuurlijk dat er ook nog andere beschuldigingen tegen je

waren ingebracht!”

„Ik weet het, Sahib!”

Huntley wees thans naar Stanley, die met bleek gelaat had

toegeluisterd, en vervolgde:

„Ken je dien man daarginds?”

De Inlander wendde nu zijn blikken in de richting van den Meester, en

antwoordde toen:

„Ik ken hem zeer goed, Sahib!”

„Sedert hoe lang?”

„Sedert drie jaren, Sahib!”

„Wie en wat is hij?”

„Zijn naam is Irwin Stanley, hij woont te Londen, en hij werd eenige

maanden geleden gekozen tot aanvoerder van het Genootschap van den

Gouden Sleutel.”

„Hij liegt!” schreeuwde Stanley terwijl hij een paar stappen naar voren

deed.

Zijn gelaat was grasgroen geworden, en zijn oogen dreigden hem uit het

hoofd te puilen.

Het was hem duidelijk geworden, dat er op dit oogenblik om zijn leven

gestreden moest worden.

Elke seconde kon het noodlottig antwoord komen op een vraag van den

commissaris van politie, het antwoord, dat zijn doodvonnis zou

beteekenen, want de Inlander wist omstreeks alles van zijn verleden.

Huntley legde zijn gevangene met een streng gebaar het stilzwijgen op

en hernam nu, terwijl hij zich opnieuw tot den Fellah wendde:

„Hebt gij inderdaad een telegram in geheime taal aan dezen man

gezonden?”

„Ja, Sahib.”

„Hoe luidde de inhoud van het telegram?”

„„Meester, Uw overkomst dringend noodzakelijk. John Raffles hier gezien

met de vrouw. Aanslag op haar mislukt. Ik volg Raffles voet voor voet.

Verblijfplaats van de vrouw onbekend.” En daarop volgde mijn naam,

eveneens in geheimschrift.”

Terwijl de Inlander antwoordde, had de commissaris van politie den

brief van Raffles te voorschijn gehaald, en hij bemerkte nu dat het

antwoord van den Inlander woordelijk overeen kwam met hetgeen daarin

vermeld stond.

Hij kon er dus geen seconde aan twijfelen, of die andere vijand van de

politie, de Gentleman-Inbreker, was wel degelijk hier en uitstekend op

de hoogte geweest van alles wat de Inlander gedaan had en wilde doen.

Hij borg den brief weder zorgvuldig op, na hem nog even te hebben

geraadpleegd en wendde zich weder tot den Inlander met de vraag:

„Kent gij John Raffles?”

„Ja, Sahib.”

„Wanneer hebt gij hem voor het eerst ontmoet?”

„Ongeveer een week geleden, Sahib.”

„Deel mij de omstandigheden mede, waarop dit plaats vond.”

„Maar gij zult toch geen geloof hechten aan de wartaal van dien

Inlander?” zeide Stanley, terwijl zijn oogen bliksems schoten.

„Tot op dit oogenblik, mijnheer Stanley, kan ik niet zeggen dat deze

man wartaal praat,” herhaalde de commissaris koel. „Integendeel, ik

vind dat alles wat hij zegt volkomen begrijpelijk en heel duidelijk is,

en nu zou ik u wel willen verzoeken, mij niet meer in de rede te

vallen. Gij zult ten volle gelegenheid krijgen, u te verdedigen. Uw

verhaal, Ibrahim Dhâr.”

De Fellah leunde met het naakte bovenlijf tegen den wand van het

vertrek, sloot half de oogen en begon opnieuw en met letterlijk

dezelfde woorden als zooeven aan den meester, het verhaal te doen van

dezelfde wederwaardigheden, die aan de lezers reeds bekend zijn.

De commissaris luisterde aandachtig toe en maakte nu en dan snel eenige

aanteekeningen.

En weer begon Ibrahim Dhâr te stamelen, toen hij aan het oogenblik

genaderd was, waarop Raffles hem de injectie toediende en er was verder

geen woord meer uit hem te krijgen. Zijn geheugen was hem volkomen

omsluierd.

De commissaris van politie klapte zijn boekje dicht, beet op zijn

potlood en zeide toen half voor zich heen:

„Het lijkt inderdaad wel, of deze man onder hypnose gehandeld heeft, en

dan natuurlijk onder die van Raffles. Het laat zich ook anders bijna

niet verklaren hoe de Groote Onbekende alles zoo nauwkeurig wist en hoe

deze Inlander zich weder in vrijheid heeft weten te stellen, nadat hij

zich reeds eenmaal in de handen van Raffles had bevonden. Er begint mij

reeds veel duidelijk te worden in deze zaak. Raffles heeft zich op deze

wijze van een uiterst gevaarlijken vijand willen ontdoen en ik geloof,

dat hij er goed in geslaagd is ook.”

Hij wendde zich nu opnieuw tot Stanley, keek hem een oogenblik

aandachtig aan en zeide toen:

„Nu moogt gij uw opmerkingen maken. Wat hebt gij aangaande de

verklaringen van dezen misdadiger, die tot uw vrienden schijnt te

behooren, te zeggen?”

„Alleen, dat hij alles van A tot Z gelogen heeft,” antwoordde de

Meester op woesten toon.

De commissaris haalde de schouders op en hij hernam op schamperen toon:

„Als ik u was, mijnheer Stanley, zou ik deze methode om u vrij te

pleiten maar spoedig laten varen. Zij dient tot niets. Er is namelijk

nog iemand anders wiens verklaringen die van den Inlander volkomen

dekken en welke ik, hoe zonderling het ook moge klinken, als de volle

waarheid aanvaard. De naam van dien man is John Raffles. Hebt gij dien

ooit gehoord?”

„Te Londen kent men dien naam zeer goed, mijnheer. Het is de naam van

een dief, van een inbreker.”

„Toegegeven, doch van een gentleman. Ik heb in mijn bezit een schrijven

van hem, waarin hij mij uitvoerig aankondigde juist al hetgene, wat

zich hier thans in het huis heeft afgespeeld. En daar hij over u

volstrekt geen macht kon uitoefenen, daar gij als het ware regelrecht

uit Londen hier zijt gekomen, heb ik geen reden om aan de

waarachtigheid van zijn woorden te twijfelen.”

„Ik blijf ontkennen,” riep Stanley uit. „Ik ken den naam van Raffles

slechts van hooren zeggen. Ik weet niet wat hij van mij wil.”

„Dat zullen wij dan voorloopig laten varen, mijnheer Stanley. Maar gij

zult toch zeker niet willen ontkennen, dat gij uit Londen zijt

vertrokken, onmiddellijk na ontvangst van het telegram van Ibrahim

Dhâr?”

En daar Stanley bleef zwijgen, hernam de commissaris spottend:

„Het zou u ook weinig baten, om het te ontkennen. Gij zijt den geheelen

weg langs, van het oogenblik af, waarop gij uw huis verliet in de

Kappel-Street, gevolgd en in het oog gehouden. Men is op de hoogte van

uw minste stappen. Kortom, alles wat gij deed, alles wat gij hier

gezegd hebt, pleit ten sterkste tegen u. En gij zult u te Londen hebben

te verantwoorden, dat is alles, wat ik u voor het oogenblik te zeggen

heb. Voer de beide mannen weg, agenten.”

Lord Lister No. 0390: Eleonore Manoury · 第 8 / 9 题