Het was bijna tien uur in den morgen, toen Charly in de verte, op den
breeden straatweg, waarvan echter door het dichte geboomte en het
struikgewas niets te zien viel, weder het geluid hoorde van een
autohoorn.
Hij slaakte een zucht van verlichting, want de bewaking van den Fellah,
met zijn ondoorgrondelijk gelaat en zijn onheilspellend schitterende
oogen, was hem zwaar genoeg gevallen, en had veel van zijn zenuwen
gevergd, al was de schurk ook ontwapend, en al waren Henderson en
hijzelf van vuurwapens voorzien.
De twee Engelschen namen den Fellah weder in het midden, en voerden hem
tot bij de plek waar Charly het sein van den hoorn had gehoord.
Het duurde niet lang of Raffles trad te voorschijn.
Zijn gelaat had een opgewekte uitdrukking, en Charly begreep aanstonds,
dat Eleonore Manoury althans voorloopig in veiligheid was gebracht.
„Hoe is het met haar?” vroeg hij zachtjes.
„Zoo goed als het maar kan!” antwoordde Raffles. „Zij heeft
voortreffelijk geslapen, dank zij het kalmeerend middeltje, dat de
directeur haar op mijn aanraden had toegediend, en waarin een zeer
geringe hoeveelheid morphine was gemengd, en zij heeft, op mijn arm
gesteund, zelfs eenige minuten kunnen loopen! Over een paar dagen is ze
weer geheel de oude, denk ik!”
De Fellah had met een norsch, onbewogen gelaat naar deze woorden
geluisterd maar het fonkelen van zijn oogen, diep in de kassen
verborgen, en dat hij onmogelijk kon bedwingen, toonde maar al te
duidelijk aan, hoezeer de wraakzucht hem verteerde.
Raffles had den Inlander een oogenblik zwijgend gadegeslagen, en wendde
zich nu tot Ibrahim Dhâr met de woorden:
„Hebt gij u bedacht?”
„Ik weet niet wat gij bedoelt!” antwoordde de Inlander hooghartig.
„Gij weet het zeer goed, maar gij volhardt bij uw stilzwijgen!” riep
Raffles toornig uit. „Niets zou mij nu gemakkelijker vallen, dan u
aanstonds aan de politie over te leveren—maar eerst zult gij mij van
dienst zijn!”
„Denkt gij dat werkelijk?” riep de Inlander hoonend uit. „Niets zal ik
voor u doen—behalve een gebed tot Vishnoe richten, opdat hij u moge
verdelgen!”
„Wij weten tenminste nu, wat wij aan u hebben!” hernam Raffles
kalmpjes. „Zie mij eens recht in de oogen!”
Onwillekeurig gehoorzaamde de Fellah, en keek recht in de groote
staalgrijze oogen.
Maar het volgende oogenblik barstte hij in een heesch lachen uit—en de
dunne rimpelige oogleden vielen neer over de zwarte oogen.
„Denkt gij met een kind te doen te hebben?” riep Ibrahim Dhâr op
schellen toon. „Dacht gij dat ik niet onmiddellijk mij bewust was
geweest van de hypnotiseerende kracht van uw blik? Als gij mij op deze
wijze wilt dwingen—dan kunt gij wachten tot den dag van het laatste
oordeel! Ibrahim Dhâr is geen kind!”
Raffles glimlachte flauwtjes, maar hij scheen volstrekt niet ontmoedigd
te zijn.
„Onze man is sterker dan ik dacht!” zeide hij schouderophalend. „Nu als
dit eenvoudige middel niet slaagt, dan moet ik mijn toevlucht nemen tot
het meer ingewikkelde! Knevel hem weder, vrienden!”
En voor Ibrahim Dhâr zich goed bewust was, wat er met hem geschiedde,
voelde hij weder den doek om het benedenste gedeelte van zijn gezicht
knellen.
„Grijp hem nu stevig vast!” vervolgde Raffles.
Henderson plaatste zich achter den Fellah, en greep hem met zijn
ijzeren vuisten stevig bij de bovenarmen, ter hoogte van den elleboog.
Nu pas opende Ibrahim Dhâr weder de oogen, om te zien wat men met hem
voor had.
En dadelijk begon hij zich als een waanzinnige te verweren, want in de
rechterhand van Raffles zag hij een klein voorwerp—een zeer fijn
spuitje, met een spitse punt, zooals men wel voor morphine-inspuitingen
gebruikt.
Ofschoon hij volstrekt niet kon vermoeden, wat er met hem zou
geschieden, gevoelde hij instinctmatig het gevaar, dat hem van dit
onnoozele voorwerp bedreigde.
Maar Henderson had hem stevig vast, en vruchteloos kronkelde de Fellah
zich als een wurm in zijn sterke vuisten.
Raffles trad op hem toe, greep zijn naakten rechterarm met de
linkerhand, en drukte met de rechterhand snel de vlijmscherpe punt van
het injectiespuitje een millimeter in het vleesch, terwijl de
wijsvinger snel en handig de kleine piston nederdrukte.
Zelfs door den doek heen was de kreet van dierlijke woede te hooren,
welke de Fellah slaakte, toen hij den prik voelde.
„Laat hem nu maar weer los!” beval Raffles kalm. „Nu zullen wij eens
zien of mijn beproefd middeltje spoedig zal werken!”
De reus ontspande zijn vuisten, die den Fellah als in een knelschroef
gevangen hadden gehouden, en de Fellah was vrij.
Hij keek Raffles aan met oogen, die uit hun kassen dreigden te puilen,
en schopte als razend met de beenen in zijn vruchtelooze pogingen om
zich te bevrijden van de koorden, die ze gekluisterd hielden.
Maar de touwen waren sterk, en spoedig zag Ibrahim Dhâr het nuttelooze
van zijn pogingen in.
Toen stond hij eenige oogenblikken doodstil, als uit brons gegoten.
Raffles sloeg hem aandachtig gade, met de belangstelling van een
geneesheer, die een eigenaardig geval bestudeert.
En hij zag, hoe er als het ware een rilling liep over het geheele,
slechts door den heupdoek bekleedde lichaam van den Inlander.
Het was of die man door een hevige koude bevangen was, die hem deed
huiveren.
„Maak zijn armen maar los!” beval Raffles op zachten toon. „Hij zal nu
wel niet meer in staat zijn om zich te verweren!”
Charly gehoorzaamde.
Hij kende het wonderbaarlijke middel, waarvan Raffles zich zooeven
bediend had, hij had er een paar maal de merkwaardige uitwerking van
gezien, en hij wist dat Raffles de waarheid sprak—reeds nu zou Ibrahim
Dhâr er niet aan denken zich te verzetten—hij was van dit oogenblik een
willoos werktuig geworden in de hand van den Grooten Onbekende!
Hij maakte dus de touwen los, en de dunne, maar gespierde armen van den
Fellah, vielen slap langs zijn lichaam neder.
Hij stond daar nu met eenigszins gespreide beenen, het hoofd op de
borst geneigd, terwijl de felle glans van haat en woede snel uit de
donkere oogen week.
Raffles sloeg hem nog eenigen tijd gade, en beval toen op zachten toon:
„Maak nu ook de kluisters van zijn beenen maar los.”
Charly ontknoopte het koord.
De Fellah was vrij—en als hij gewild had, had hij zich met enkele
sprongen in veiligheid kunnen brengen in het dichte bosch.
Hij verroerde zich echter niet, en bleef rustig op dezelfde plek staan.
Er lag een kalme, geheel veranderde uitdrukking op zijn gelaat.
De oogen keken droomerig, en als onbewust van hetgeen zich om hem
voordeed.
Raffles verhief zijn stem een weinig, en beval:
„Ibrahim Dhâr, loop wat heen en weder, om den bloedsomloop te
herstellen in uw beenen, die gebonden zijn geweest!”
Langzaam als een automaat, als een speelgoedpop, kwam de Fellah in
beweging.
Hij deed eenige passen, keerde zich om, liep in de andere richting,—en
zoo eenige malen achtereen.
„Sta stil!” beval Raffles.
Onmiddellijk stond de Fellah stil.
Een glimlach van voldoening gleed over het gelaat van den Grooten
Onbekende.
„Het verheugt mij, dat het middeltje, dat ik heb uitgevonden, ook op
dezen man zijn uitwerking niet mist,” zeide hij toen. „Een oogenblik
vreesde ik er voor, want het is eigenlijk samengesteld om te worden
toegepast op lieden, die, als de Westerlingen, voor het meerendeel veel
dierlijk voedsel gebruiken—en je weet dat de bewoners van Afrika zich
hoofdzakelijk voeden met rijst en brood.”
Hij keek een oogenblik onderzoekend naar de oogen van den Fellah, en
vervolgde:
„Zijn bewegingen zijn nu nog een weinig automatisch, maar dat zal wel
spoedig verbeteren, en over een half uur zal geen sterveling, die mijn
geheim niet kent—en wie zou het kennen?—aan mijn man kunnen zien, dat
hij niet meer dezelfde is, niet meer Ibrahim Dhâr, maar het willoos
werktuig, de slaaf, de gehoorzame dienaar van John Raffles.”
„Kun je er niet eens de proef van nemen?” vroeg Charly die met groote
belangstelling het geheele voorval had gadegeslagen.
„Ik moet het zelfs wel hier doen, Charly! Dit is er de beste plaats
voor—maar wij zullen ons toch eerst wat dichter bij onze auto
begeven—het zou zeer onaangenaam zijn, wanneer de wagen ons ontstolen
werd!”
Raffles wendde zich tot den Inlander, die steeds op dezelfde plek was
blijven staan, en beval:
„Ibrahim Dhâr volg ons!”
De drie Engelschen begaven zich in de richting van den straatweg, en
achter hen volgde, gehoorzaam als een hond, de Fellah.
Spoedig hadden zij de plek bereikt, waar Raffles de auto had laten
stilstaan.
Hier hielden allen halt, en de Groote Onbekende wendde zich opnieuw tot
den Inlander, en zeide:
„Gij moet mij nauwkeurig en naar waarheid antwoorden op alle vragen,
die ik u zal stellen, Ibrahim Dhâr! Hebt gij mij begrepen?”
De Inlander knikte.
„Neen, geef mij antwoord!”
„Ja, Sahib!”
„Zoo is het goed! Gaf de Meester je bevel om Eleonore Manoury van het
leven te berooven?”
„Zoo is het, Sahib!”
„Weet gij wie hij is?”
„Ja!”
„Hebt gij hem wel eens persoonlijk ontmoet?”
„Meermalen!”
„Hoe wist hij dat Eleonore Manoury zich hier bevond?”
„Een der onzen werd in het ziekenhuis verpleegd, en heeft haar in den
tuin gezien!”
„Dus zij had toch gelijk,” mompelde Raffles zachtjes voor zich heen.
Daarop hernam hij, zich opnieuw tot den Fellah wendende:
„Op welke wijze is dat aan Stanley medegedeeld?”
„Ik heb hem zelf een telegram gezonden!”
„In gewoon Engelsch?”
„In het Engelsch, maar in geheime taal!”
„Wat antwoordde hij?”
„Dat er onmiddellijk tegen de vrouw moest worden opgetreden—ik wist wat
met deze woorden bedoeld werd— — —”
„Waarom zijt gij den eersten keer gevlucht, alvorens uw verfoeilijk
plan ten uitvoer te brengen?”
„Ik werd gestoord door een verdacht geluid!”
„Hebt gij medeplichtigen?”
„Neen, ik deed het alleen!”
Raffles zweeg eenige oogenblikken en keek Charly glimlachend aan.
„Je ziet dat de Fellah geen geheim meer voor ons heeft!” zeide hij.
„Hij kon niet sneller antwoorden, al ware hij op een pijnbank
gespannen!” antwoordde Charly vol bewondering.
„O, ik heb mijn instrument nog niet ten volle bespeeld—er valt nog meer
uit te halen,” hernam Raffles levendig. „Let maar eens op!”
Hij dacht even na over zijn volgende vraag, en begon toen opnieuw:
„Wie dragen er kennis van de geheime taal, welke gij gebezigd hebt om u
in verbinding te stellen met den Meester?”
„Niet velen! Hier te Caïro zijn er ten hoogste vier, die deze taal
kennen! Ik ben een luitenant van het Genootschap!”
De Fellah had dit laatste op trotschen toon gezegd, en voor een
oogenblik scheen er een weinig leven in zijn zwarte oogen te komen.
„Gij bekleedt dus een rang van beteekenis?”
„Ja! De Meester weet zeer goed, dat ik hier in deze streek van Afrika
door duizenden gehoorzaamd werd.”
„Veronderstel eens dat gij Stanley dringend verzocht aanstonds hier te
komen, daar het een zaak van het grootste belang betrof—bijvoorbeeld
dat gij John Raffles hier hadt ontmoet—gelooft gij dan, dat de Meester
aan dat verzoek gehoor zou geven?”
„Zonder eenigen twijfel!”
„Bestaat er een sleutel van uw geheim?”
„Ja.”
„Waar is die?”
„In een geheime schuilplaats in mijn woning.”
„Waar is die woning gelegen?”
„Even buiten de stad, niet ver van den weg naar Alexandria!”
Raffles keek Charly glimlachend aan, en zeide op gedempten toon:
„Mij dunkt, dat het niet mooier kon! Wat zeg je wel van deze lokvink?
Hij zal zoo zeker als twee maal twee vier is op mijn bevel Stanley hier
brengen! Het is jammer, dat ik het middeltje, wat ik hem heb
toegediend, slechts zeer zelden en dan nog alleen met de grootste
opoffering aan tijd en inspanning kan vervaardigen, wegens de zeer
groote zeldzaamheid van de voornaamste grondstoffen waaruit het is
samengesteld!”
„Is het werkelijk je plan, Raffles, Irwin Stanley hier te laten komen?”
riep Charly uit, wien dit vooruitzicht alles behalve scheen toe te
lachen.
„Ja! Heb je er iets tegen in te brengen?”
„Alleen maar dit, dat ik niet goed inzie, hoe je den man gemakkelijker
onschadelijk kunt maken, zonder je zelf in gevaar te brengen, dan te
Londen!”
„Maar dat is toch zoo eenvoudig mogelijk, mijn waarde!” hernam Raffles.
„De politie hier in Caïro ontvangt een briefje van mijn hand, waarin ik
haar zonder meer mededeel, dat ik mij hier bevind! Ik zelf zal echter
wel zorg dragen dat ze mij niet te zien krijgt!”
„En in dat briefje....?”
„In dat briefje deel ik haar mede, dat een zekere Ibrahim Dhâr, die
haar waarschijnlijk wel bekend zal zijn, haar op een vastgesteld
tijdstip mededeelingen zal komen doen betreffende een samenkomst, welke
hij met Irwin Stanley uit Londen zal hebben. Die Ibrahim Dhâr zal
waarschijnlijk verre van gunstig staan aangeschreven bij de politie van
deze stad, en men zal het dus al, zonder dat de man nog een woord
gezegd heeft, behalve dat hij Stanley verwacht, op zijn minst verdacht
vinden, dat een Engelschman op de ontvangst van het telegram van zulk
een individu als deze Fellah, onmiddellijk naar Caïro komt, zonder zich
een oogenblik te bedenken!”
„Alles goed en wel, Raffles,—maar tegenover de politie zal deze bruine
schoelje geen woord los laten!”
„Ik vraag je verschooning—ik zal hem eenvoudig zeggen dat hij moet
antwoorden, en hij zal er niet aan denken, om te weigeren! Vergeet
niet, dat het volstrekt niet noodzakelijk is, dat juist ik hem de
vragen stel! Hij zal even goed geantwoord hebben, als jij of Henderson
dit doet! De man is eenvoudig willoos, dat is alles. Hij is in het
volle bezit van al zijn zintuigen—en ook van zijn geestelijke
vermogens—alleen niet over de macht om van zijn vermogens naar zijn
eigen wil gebruik te maken! Het is een soort hypnose, maar van een zeer
bijzondere soort!”
„Maar als de man weder uit dien toestand ontwaakt, Edward, dan zal hij
eenvoudig alles loochenen!” riep Charly uit.
Raffles echter haalde de schouders op, en hernam:
„Het middel behoudt maandenlang zijn uitwerking, die dan zeer langzaam
aan verdwijnen gaat—tenzij ik hem een zeer eenvoudig tegengif geef—een
injectie met cocaïne.”
„Maar Stanley—geloof je niet dat hij aanstonds zal inzien, dat hier
bedrog in het spel is—dat Ibrahim Dhâr niet meer zich zelf is, maar een
willoos werktuig van een ander?”
„Ik betwijfel of Stanley, die geen geneesheer is, dit inderdaad zou
opmerken, Charly—maar zelfs al was dat het geval, dan zal hij de
politie toch niet kunnen overtuigen van zijn opvatting—zijn woorden
zullen slechts in zijn nadeel spreken, de politieautoriteiten denken,
dat hij tracht, hen op een dwaalspoor te brengen, hen om den tuin te
leiden!”
„Maar hoe wil je Stanley dwingen, naar de politie te gaan?”
„Een oogenblikje! Hij zal niet naar de politie gaan—de politie komt
naar hem!” hernam Raffles glimlachend. „Ik zal Ibrahim Dhâr bevelen mij
de plek te noemen, waar hij met Stanley pleegt samen te komen—ik zal
hem zelf nauwkeurig het uur opgeven, dat hij voor de samenkomst met den
Meester in zijn telegram moet vermelden—en ik zal wel zorgen, dat de
politie daar aanwezig is, om Stanley in verzekerde bewaring te nemen.”
„Maar dat kan zij toch niet doen, Raffles, voor zij eerst heeft
afgewacht, dat het gesprek tusschen den Inlander en Stanley inderdaad
van gevaarlijken aard is?”
Raffles haalde opnieuw de schouders op, en antwoordde:
„Een paar minuten zullen wel voldoende zijn, om haar te doen inzien,
welk vleesch zij in den kuip heeft!”
„Maar de Fellah zal geen mond open doen! Hij spreekt niet, zooals je nu
immers zelf ziet, tenzij hem iets gevraagd wordt!”
„Zeer juist! En ik denk dat de eerste vraag van Stanley zal zijn:
„Welnu waar bevindt John Raffles zich, bruine broeder?”
„Waarop de Fellah zal antwoorden: „Ik weet het niet blanke broeder!”
viel Charly hem in de reden.
„Nu mijn waarde, al wisselden zij inderdaad niets anders dan die vraag
en dat antwoord—dan zou dat voor de politie reeds voldoende moeten
zijn, om in te zien dat Stanley inderdaad nog heel iets anders is dan
de zaakwaarnemer waarvoor hij zich uitgeeft.”