Het was omstreeks negen uur in den morgen van een schoonen winterdag,
in het begin van Februari, toen de reizigers, die zich op het dek
bevonden van een der fraaie stoombooten eener Fransche Maatschappij, de
„Société Maritime”, die onder meer den dienst van Marseille op Tunis
onderhoudt, elkander wezen op een klein punt aan den hemel, dat zich
zeer snel scheen te verplaatsen.
Er viel bijna niet aan te twijfelen, of men had hier te doen met een
vliegmachine, maar eene, die zich op zeer groote hoogte, en met
duizelingwekkende snelheid voortbewoog.
Zelfs met den besten kijker was het onmogelijk de onderdeelen van de
machine zoo dichtbij te halen, dat men ze kon onderscheiden, en omtrent
den landaard van de vliegmachine verkeerde men dus in het onzekere.
En slechts enkele minuten, nadat men voor het eerst het vliegtoestel
had opgemerkt, viel er reeds niets meer van te bespeuren, en had het
zich in Zuidelijke richting verwijderd.
De vliegmachine, die zich daar op een hoogte van omstreeks vijf duizend
meter voortbewoog met een snelheid, die iets meer dan vijf honderd
kilometers per uur bedroeg, dat wil zeggen ruim twee honderd kilometer
meer dan volgens de algemeene bekendheid de snelste Fransche machine
ooit had behaald, was van Engelschen oorsprong, en zij droeg op het
oogenblik drie mannen.
Het vliegtuig was sierlijk gebouwd, niet groot, had slechts een
vleugeldek, en was naar het scheen geheel van aluminium vervaardigd, te
oordeelen naar den zwakken glans, als van dof zilver, die van het
vreemde toestel afstraalde.
Het geleek nog het meest op een reusachtige libel, waarvan het
langgerekte lichaam gevormd werd door een buis van aluminium, waaraan
alle overige deelen waren bevestigd,—de draagvlakken, het roer, de
stabiliseeringsvlakken en ook een soort kajuit, die tevens den motor
bevatte, welke een vierbladige schroef met razende snelheid deed
rondwentelen.
De drie mannen, die zich in deze kajuit bevonden, voor de helft
overdekt door een dak van micaplaten, dat naar behoefte voor- en
achteruit kon worden geschoven, juist als dit het geval is met de
koekoek aan boord van een schip, waren John Raffles, zijn
onafscheidelijke vriend Charly Brand en zijn trouwe chauffeur en
deelgenoot aan menig gevaarlijk avontuur, James Henderson.
„De duivel der lucht,” zooals Raffles zijn vliegmachine gedoopt had,
die aan zijn eigen uitvindersgenie het ontstaan te danken had, was
dienzelfden morgen om kwart voor negen op het vliegveld van Hendon
opgestegen, en in vijf kwartier was hij dwars over Frankrijk en over
een gedeelte van de Middellandsche zee gevlogen.
John Raffles zelf zat aan het stuurwiel, nu en dan een blik werpend op
het bord voor zich, waarop een snelheidsmeter, een hoogtemeter, een
horloge, een barometer, en nog verschillende andere voorwerpen
bevestigd waren, die hem moesten helpen, ten alle tijde te kunnen
bepalen, op welke hoogte hij zich bevond, en met welke snelheid hij
voortging.
Naast hem, een weinig meer naar voren, was Charly Brand gezeten, van
wien op dit oogenblik weinig meer te zien viel dan het puntje van zijn
neus, zoo goed had hij zich ingestopt.
Want ofschoon men zich snel zuidwaarts begaf, en beneden op aarde de
temperatuur zeer veel hooger zou zijn dan in Westelijk Europa, merkte
men daar op deze hoogte ver boven de sneeuwgrens al heel weinig van.
Het was hier fel koud, en op zijn minst achttien graden onder nul.
Charly Brand was bezig, voor iets warms te zorgen, zooals men dat
noemt.
Dit lijkt op het eerste gehoor wellicht een weinig vreemd, en toch was
het volstrekt niets bijzonders—de „Duivel der lucht” werd namelijk
langs electrischen weg voortbewogen, en deze electriciteit moest tevens
de warmte verleenen aan een kleinen oven, waarop men binnen enkele
minuten water kon koken, waarin brood kon worden geroosterd—kortom, met
behulp waarvan men een zeer smakelijken maaltijd kon bereiden.
De keuze van den jongen man was op een kop heete chocolade gevallen,
met een paar sneden geroosterd brood, en hij verrichtte de bezigheden,
die tot verkrijging van een en ander noodig waren, even rustig en
handig alsof hij zich op den beganen grond bevond.
Deze chocolade werd gebruikt op ongeveer twintig mijlen ten Oosten van
Sicilië, en toen men de koppen geledigd had, was men al weer heel wat
verder, en kreeg Henderson door den kijker reeds het eiland Kreta in
het oog.
Van dat oogenblik af liet Raffles de machine zuidelijker aanhouden, en
tevens verminderde hij de hoogte aanzienlijk, terwijl ook de vaart
eenigszins vertraagd werd—de Gentleman-Inbreker stond er volstrekt niet
op, dat men, wanneer het niet noodzakelijk was, de verbazende snelheid
ontdekte, welke zijn vliegmachine bereiken kon, al wist hij heel goed,
dat juist eenige zeer te vreezen vijanden daarvan maar al te goed op de
hoogte waren.
Het was omstreeks elf uur, toen de kust van Afrika in het gezicht kwam,
ter hoogte van Alexandria, en een oogenblik later kwamen de schoone
Nijldelta’s in het gezichtsveld van den kijker.
Een oogenblik kon men meenen, dat de vliegmachine bij Alexandria zou
dalen maar Raffles had slechts de hoogte een weinig verminderd, en
bleef nu koers zetten in zuidelijke richting.
Hij volgde gedurende eenigen tijd een der voornaamste zeearmen van den
Nijl, vloog over Tanta, op een hoogte van ongeveer twee duizend meter,
en nog geen zeven minuten later, nadat hij de snelheid weer had
opgevoerd, kwam Caïro in het gezicht—aanvankelijk slechts te zien als
een schitterende witte vlek, te midden van het groen—want op deze
gezegende plek van den aardbodem was het op dit oogenblik reeds volop
zomer.
De „Duivel der lucht” begon nu in groote, sierlijke spiralen te dalen
en bij elke zwenking omlaag werd de witte vlek grooter, maar tevens
moeilijker te overzien, de reizigers begonnen spoedig de verschillende
huizen van elkander te onderscheiden, om ze daarna geheel uit het oog
te verliezen, want Raffles had de vliegmachine doen dalen op het
daarvoor aangewezen landingsterrein, dat slechts weinige weken te voren
was ingericht en in gebruik genomen.
Onmiddellijk kwamen uit het bureau de douane-beambten toeschieten,
teneinde hun taak te gaan vervullen.
Maar Raffles was een man, die letterlijk alles scheen te hebben
voorzien.
Hij reisde op dit oogenblik als Lord William Aberdeen, en onder dien
naam stond de vliegmachine ook ingeschreven, die naam stond ook op de
pas welke hij moest toonen.
De douane-beambten klommen aan boord van het vliegtuig, teneinde te
speuren naar verboden invoerartikelen, of waarvan een hoog recht
geheven werd, maar dit was een bloote formaliteit—de naam van den
bekenden Londenschen philantroop scheen zelfs tot hier te zijn
doorgedrongen.
Dat een van de beambten het geheim van den electrischen motor zou
ontdekken, behoefde Raffles niet te vreezen, want zelfs voor een
deskundige zou dit zoo goed als onmogelijk zijn geweest—het
machinegedeelte, waar het op aan kwam, was geheel omsloten door een
stevige aluminiumkast, teneinde het tegen onbescheiden blikken te
beveiligen.
Nadat aan alle formaliteiten voldaan was, werd de vliegmachine naar een
van de loodsen gerold, en daar gestald, als men het zoo mag uitdrukken.
De deuren werden gesloten, en aan Raffles werd de sleutel ter hand
gesteld.
Toen pas verlieten de drie mannen, nadat zij hun zware pelsen hadden
afgedaan, die hun thans als lood wogen, het landingsterrein, hetwelk
was gelegen aan het einde van het tramlijntje, waarover electrische
wagens reden, ongeveer ieder kwartier een.
De streek was hier weinig bebouwd, en slechts hier en daar verhieven
zich villa’s en „bungalows” van rijke Engelsche fabrikanten en Indiërs.
Dicht bij den uitgang van het landingsterrein bevond zich een eenvoudig
wijnhuis, en Raffles stelde voor, daar rustig te wachten op de komst
van een tram, welke hen naar de stad zou voeren, die zij in de verte
zagen liggen.
Het duurde niet lang of de drie mannen hadden ieder een glas landwijn
voor zich, en nu begon Charly na een blik om zich heen te hebben
geworpen op gedempten toon:
„Geloof je nu, Raffles, dat je beschermelinge Eleonore Manoury
eindelijk veilig zou zijn?”
„Ik kan met den besten wil niet inzien, Charly, waarvoor zij hier in
Caïro nog te vreezen zou kunnen hebben. Haar voormalige minnaar, Irwin
Stanley, de aanvoerder van het Genootschap van den Gouden Sleutel, kan
haar spoor onmogelijk gevolgd hebben.”
Raffles zweeg even om een sigaret aan te steken, en vervolgde toen:
„De jonge vrouw, die ik gelukkig uit zijn klauwen heb kunnen redden,
zal nu wel inzooverre genezen zijn, dat ik haar zonder eenig gevaar kan
vervoeren, naar welke stad zij ook verkiest. Maar stil—ik geloof dat
daar reeds onze tram aan komt—het wordt tijd, vrienden!”
Hij betaalde, en de drie vrienden begaven zich naar het popperig kleine
tramwagentje, dat niet meer dan twintig passagiers kon bevatten, en dat
bestuurd werd door een inlander, in een witte uniform met vergulde
knoopen, een tulband op, en bloote voeten.
Het voertuig bracht hen binnen twintig minuten tot op het voornaamste
plein van de stad, niet ver verwijderd van het beroemde Hotel des
Anglais, waar bijna alle toeristen pleegden samen te komen, en dat als
het ware het brandpunt is van het Westersch verkeer in deze schoone
stad.
Het groote terras was tot het laatste toe bezet met toeristen,
voornamelijk Engelschen en Amerikanen, die genoten van het bonte
schouwspel dat zich aan hun blikken bood.
Inlandsche kooplieden van verschillende stammen, Soedaneezen,
Arabieren, Kabijlen, Nubiërs, maar ook bewoners uit Perzië,
Beloedsjistan, den beneden Nijl en nog verder, die met een karavaan
naar de belangrijkste stad van dit gedeelte van Afrika waren gekomen,
verdrongen zich op het breede plein, zoo dicht mogelijk in de buurt der
balustrade, welke het terras afsloot, en zelfs op de treden van de
marmeren trap, die daarheen voert, teneinde hun waren aan den man te
brengen. Prachtig gedreven koperwerk, shawls, met gouddraad doorstikt,
zijden stoffen, ivoren beeldjes, prachtige wapens, eigenaardige
staaltjes van pottenbakkerskunst en voorts bananen, druiven, zeer zoete
peren, dadels en vijgen.
Raffles en zijn beide tochtgenooten, die hier reeds meermalen geweest
waren, keken eenige oogenblikken naar het steeds aantrekkelijk
schouwspel, en richtten vervolgens hun schreden naar een breede laan,
aan weerszijden met een dubbele rij platanen begroeid, waaraan, telkens
gescheiden door een open ruimte, verscheidene groote, voor het
meerendeels schitterend wit gepleisterde, of uit witte steen
opgetrokken gebouwen lagen.
Daar vond men onder andere de officiëele woning van den Khedive of
Onderkoning, het parlementsgebouw, het Paleis van Justitie, het
Sanatorium, een aantal groote koffiehuizen en ook een pasgebouwd, fraai
ziekenhuis.
Dit is de boulevard Mehemet-Ali, die in het jaar 1889 werd aangelegd,
twee kilometer lang is, en verderop ook voert door den doolhof van
nauwe slopjes en stegen der Arabiersche buurt.
Raffles bleef hier een oogenblik staan, en zeide toen tot Charly Brand:
„Het is geloof ik het beste, als ik maar alleen naar binnen ga, het is
niet noodig, dat men ons zooveel samen ziet. Over een half uur denk ik
weer terug te zijn. Daarginds schijnt mij een goed koffiehuis te
zijn—daar kun je op mij wachten!”
En met deze woorden verwijderde Raffles zich, en ging het hek door,
hetwelk het ziekenhuis omsloot.
De breede deuren stonden open en hij kon binnen gaan, zonder eerst te
moeten aanbellen.
Aanstonds trad hem een verpleegster tegemoet, die hem dadelijk scheen
te herkennen, want zij vroeg glimlachend:
„Gij komt zeker eens omzien naar de dame, die gij een week geleden hier
hebt gebracht, mijnheer Brown?”
„Zoo is het, zuster! Ik hoop dat zij het goed maakt?”
„Zij gaat met reuzeschreden vooruit, mijnheer! Zij praat vaak over
u—zij schijnt u zeer dankbaar te zijn!”
Raffles mompelde iets dat onverstaanbaar was, en hernam toen luid:
„Zou ik haar op het oogenblik kunnen zien?”
„Het officiëele bezoekuur is eigenlijk nog niet aangebroken, mijnheer
Brown, maar ik weet dat de directeur voor u een uitzondering zal maken,
omdat gij heelemaal uit Londen zijt gekomen! Wees zoo goed mij even te
volgen.”
De verpleegster ging Raffles voor over de prachtige marmeren trap naar
een breede gang op de eerste verdieping, waaraan de kamers voor de
afzonderlijk verpleegde patiënten gelegen waren.
Zij opende voorzichtig een deur, keek om het hoekje, wendde zich naar
Raffles om, en zeide glimlachend:
„Uw beschermelinge is wakker, mijnheer Brown—gij kunt binnentreden!”
Raffles trad de ziekenkamer binnen, helder verlicht door de
zonnestralen, die door het breede raam naar binnen drongen, en zachtjes
deed de verpleegster de deur weder dicht.
In het breede witte bed, dat juist tegenover het raam stond, lag een
jonge vrouw, die zich bij het binnentreden van den bezoeker op een
elleboog had opgericht, en met een gebaar van groote vreugde de hand
naar hem uitstak, terwijl er een blos opsteeg in haar wangen.
„Hoe heerlijk, dat gij gekomen zijt, Raffles!” fluisterde zij zachtjes.
„Gij zult mij nu spoedig weder meenemen, nietwaar? Ik gevoel mij hier
zoo eenzaam en ik ben bevreesd!”
Raffles had een stoel genomen, en voor het bed geschoven, maar nu keek
hij de jonge vrouw verwonderd aan, en herhaalde:
„Bevreesd? Waarom zoudt gij bevreesd zijn? Gij hebt hier immers niets
te duchten? Ik heb u onder een anderen naam laten opnemen—niemand kan
weten dat gij hier zijt, en die schurk van een Stanley kan uw spoor
onmogelijk hebben teruggevonden!”
„Toch ben ik bang!” hernam Eleonore Manoury met een schuwen blik naar
het raam. „Gisterennacht is er iets gebeurd—iets wat mij groote vrees
heeft aangejaagd! Ik kon den slaap niet vatten—ik dacht ergens over
na—iets wat mij niet uit den zin wilde—en eensklaps zag ik schaduwen
bewegen aan de buitenzijde van het raam—de maan scheen op het lancaster
rolgordijn, en ik kon ze duidelijk zien!”
„Gij zult het u verbeeld hebben! Of het kunnen de toppen geweest zijn
van de palmboomen, die in den tuin staan!”
„Neen—neen—het waren de boomen niet!” hernam de jonge vrouw opgewonden.
„Het was de gestalte van een man!”
Raffles schudde het hoofd, en kwam:
„Ik kan mij volstrekt niet voorstellen, hoe zooiets mogelijk zou zijn!
Wat hebt gij gedaan toen gij het zaagt?”
„Ik wilde om hulp roepen, maar ik vreesde wel wat, mij belachelijk te
maken, en ik durfde toch ook niet te gaan zien wat het was. Ik
verbeeldde mij dat ik een krassend geluid hoorde aan het raam, en toen
wilde ik juist een gil slaken—maar op hetzelfde oogenblik verdween de
schaduw snel, ik hoorde beneden in den tuin het grint kraken onder
voetstappen, die zich snel verwijderden—en toen was alles voorbij!”
Zonder te antwoordden stond Raffles op, trad op het venster toe, trok
het rolgordijn hoog op en sloeg de beide helften van het raam open.
Hij bukte zich voorover, en onderzocht zeer nauwkeurig de vensterbank.
Daarna bekeek hij de deurramen aan den buitenkant—en toen hij het
venster langzaam sloot en naar het bed terugkeerde, had zijn gelaat een
ernstige uitdrukking.
„Ik zal zoo spoedig mogelijk u hier komen weghalen!” zeide hij. „Ik
geloof inderdaad dat het beter zal zijn!”
„Gij geeft dus toe dat ik het mij niet verbeeld heb?” riep Eleonore
Manoury uit.
„Ik geloof inderdaad, dat vannacht iemand aan den buitenkant van het
raam gemorreld heeft, en waarschijnlijk de vlucht heeft genomen op het
een of ander verdacht geluid!”
„Ik wist het wel!” hernam Eleonore Manoury, terwijl zij zich achterover
in de kussens liet vallen. „Nooit zal ik voor dien ellendeling meer
veilig zijn—nooit en nergens!”