»Bokkie! Maak ons een grooten pot ‘Irish stew’. Wij moeten vannacht ver
reizen.”
Hij keek mij besluiteloos aan. »Wat zal dit help? Ons wordt toch gevang!
Ons kan net zoo goed hier blij.”
Als een volgeling van den Islam stond hij daar bij de randjes, volkomen
onderworpen aan zijn lot.
»Laat ons naar Spijtfontein gaan, naar de plaats van den heer Marais.
Krijgen de Engelschen ons daar, goed; krijgen zij ons niet, nog beter.
Wij zijn toch vastgekeerd.”
Zoo sprak mijn vriend, die de reis om Kimberley niet met mij gedaan had.
Gelukkig, dat ik pas dien weg had afgelegd. Mijn besluit was terstond
genomen:
»Ik ken het pad zóó om Kimberley—naar Generaal du Toit. Wij hebben een
nacht om in te handelen. Mogelijk komen wij nog veilig bij de Vaalrivier
aan.”
Er was slechts een flauwe flikkering van hoop in mij, maar ik sprak ze
moed in, en wij aten bedaard ons potje kost, eer wij in het prachtige
maanlicht op de vlucht gingen.
Om de twee uur werd er geregeld een goed uur lang uitgespannen. Alles
hing van onze paarden af. Zij moesten van tijd tot tijd eten en rusten.
De weg was lang en vooral zwaar, zeer zwaar. Ik huiverde, als ik aan het
dikke zand dacht. 't Was een treurige rit, een van de treurigste in ons
leven. Er werd meer gezucht dan gesproken. De donkerste gedachten hadden
in ons gemoed de overhand.
Opweg vernamen wij, dat de Landdrost van Jacobsdal, President Steyn's
broeder, ons vooruit langs dienzelfden weg gevlucht was uit het eerste
republikeinsch dorpje, dat door den Brit veroverd is.
Bij eene plaats vonden wij de ouders en eenige groote dochters in den
grootsten nood omtrent de komst der soldaten. Zij hadden allerlei
akelige stories omtrent gruweldaden der troepen vernomen, en wilden met
geweld van hun huis vluchten. Ik had het geluk, ze volkomen gerust te
stellen en ze over te halen doodstil bij hunne woning te blijven en geen
kwaad te vreezen.
Eindelijk kwamen wij bij den onmisbaren »Put” aan, dicht bij het
Lichtenburg-Lager. Daar besloten wij wat te slapen. Ongelukkig
versliepen wij ons, want het was halfvier uur in den morgen, eer wij
wegreden. Het groote zoeklicht uit Kimberley speelde onafgebroken op ons
rijtuig, maar daaraan was ik al gewoon geworden. Ik wist wel, dat het
ding veel meer schijn dan wezen om 't lijf had—evenmin geraas als wol
opleverde—slechts bangmaakte, zonder meer. Het licht toonde ons, waar
Kimberley was—en dat was ons ook wat waard. Zoo rammelden en rinkelden
wij voort in de stilte des nachts.
Het Lichtenburg-Lager was totaal verdwenen! Dat was iets, waaraan ik
nooit gedacht had. Geen tent of wagen was er te zien! Hé, het begon er
slecht voor ons uit te zien. Gansch alleen hier ten westen van de stad.
Geen burger in de nabijheid.
»Kijk! Als er eens zes of acht Engelschen op ons afkomen, dan schieten
wij; maar als zij meer tellen, kiezen wij het hazenpad, hoor?”—Dat was
ons akkoord.
»Kimberley” begon flauw te worden. Hij was lang ziek bij de
Modderrivier. Zou hij de Vaal halen? Wij moesten langzaam en voorzichtig
rijden. Een flauw paard is eenvoudig een volle punt voor elke gedachte
van ontkoming. »Dat toch niet, Bokkie.” Bokkie zweeg. Hij werd onrustig,
maar zat er als een man van steen voor hem uit te staren. Het ging later
op een stapje, want het gevreesde zand was genaderd. Uren lang moesten
onze vermoeide dieren stappen, steeds stappen, en dat niet zonder te
zweeten. Otto's Kopje bleef nog maar schuin voor ons. Wanneer komen wij
die gevaarlijke punt voorbij? Met een veldkijker kan men ons gewis
vandaar zien, als de dag doorbreekt.
Oerder en ik loopen vooruit, om de paarden wat verademing te geven.
Later is Bokkie ook op den grond. Wij stappen alle drie in het zand,
anders komt »Kimberley” er nooit.
Veiligheidshalve nam ik den grooten weg links van dien, welken ik de
week tevoren van de waterwerken gevolgd was. Ik dacht, dat Generaal du
Toit ook best mogelijk zijn lager had verplaatst. Zoo bleek het ook
later. Al de commando's om de stad, _op een na_, waren Donderdagnacht
reeds teruggeweken. French had veel meer verricht dan hij wel wist.
Spraken wij niet zooeven van een tooverslag? Gelijk een huis van
kaarten, door kinderen gebouwd, viel de heele boel om Kimberley in
duigen. Slechts ééne—ons allen ten zegen. Maar deze storie volgt in een
ander hoofdstuk.
Gelukkig dus, dat wij wat meer links van de stad hielden, anders waren
wij, op de waterwerken bij Generaal Du Toit's verlatene legerplaats _in
de handen des vijands gereden_. Er was eene paniek om de stad in den
voornacht reeds ontstaan. De reden was deze: _niemand kon eigenlijk
zeggen, hoe veel Engelschen er doorgekomen waren._ Generaal Froneman
telegrafeerde van Scholtznek: »Vijand met groote macht doorgebroken”.
Met bliksemsnelheid vloog het bericht van lager tot lager. Hoeveel?—was
de groote vraag. »10,000”, riep er een; »15,000” een andere; »slechts
2,000” een derde. De onzekerheid veroorzaakte den schrik. De vrees voor
het onbekende bracht verwarring. Generaal Kolbe's lager kwam op de
Lichtenburgers haastig afgerold; beide lagers tuimelden voort in de
richting van het oude lager van De la Rey, dicht bij Riverton, waarop
ook Generaal du Toit's mannen terugvielen.
De Warrentonners redden dien nacht het groote kanon. »Eere, wien eere
toekomt”. Door die ééne daad hebben zij—uit een republikeinsch oogpunt,
natuurlijk!—hun rebelschap gerechtvaardigd. Meer heldendaden hebben zij
trouwens ook niet verricht, zooals wij later zien zullen. De storie werd
mij aldus verteld:
Generaal du Toit was dien avond bij Alexandersfontein met de
Kimberleyieten bezig, toen Generaal French zijn troefkaart, tot
verbazing van beide partijen, zoo theatrikaal speelde! Er werd terstond
geseind, dat Long Tom moest gered worden. Ossen waren er niet gauw
genoeg bij de hand. Zoo pakten de Warrentonners den oude in het
maanlicht beet, en sleepten hem den hoogen zandberg af, tot dicht bij de
Waterwerken. Vandaar werd het beroemde stuk door een span ossen verder
naar het lager bij Riverton gevoerd. In allerijl snelden de mannen van
Kolonel Kekewich naar Kamfersdam, om den gehaten vuurspuwer buit te
maken—hij was er niet. Vandaar snelden zij naar Generaal du Toit's
hoofdkwartieren—de vogel was gevlogen. Slechts het groote »platform”
van zwaren balken, met de groote stalen veer—die aan platform en
kanonbuik gehecht, het stuk in positie hield, niettegenstaande de hevige
schokken door het schieten veroorzaakt—erop vastgeschroefd, werd er
te Kamfersdam gevonden. De Warrentonners waren ze te gauw. Long Tom
ging later over de Vaal terug naar Klerksdorp en Pretoria—en wie weet
waarheen nog. Als er weer vrede en voorspoed en vrijspraak in den lande
is, zullen mijn oude gemeenteleden aan hunne kinderen en kindskinderen
»de Storie van Long Tom op Kampersdam” vertellen en hun verre nageslacht
zal, met heel wat bijvoegsels, het verhaal van de redding van Long Tom
door de Warrentonners aan den vreemdeling getrouw opdisschen.
* * * * *
Tegen halfnegen uur kwamen ook wij bij het lager bij Riverton aan. Het
was ons boven verwachting goed gegaan, alhoewel het veel langer geduurd
had, eer wij bij de onzen kwamen, dan ik berekend had. Onze paarden
waren uitgeput van al dat zand. Van halfvier tot halfnegen uur onder het
tuig te zijn, zonder uitspanning, was verregaande wreedheid; maar wat
konden wij doen? Er was geen water tusschen den »Put” en de Vaalrivier,
en het ging den heelen weg stapsgewijze vanwege het zware pad. Eindelijk
waren wij weer onder de Boeren. Tot onze blijdschap waren wij door
geen patrouille uit de stad opgepikt, hetwelk zoo uiterst gemakkelijk
kon geschied zijn, daar wij feitelijk alleen op den helderen dag er
om reden. Later vonden wij eerst uit, waaraan ook wij onze redding te
danken hadden.
Gered! Welk een heerlijk woord! Maar wat was er van Generaal Cronjé en
zijne duizenden geworden? Waar waren zij nu? Hoe ging het hun?