Het Gordijn valt

't Is Maandagmorgen vroeg van den 12den Februari. Generaal Cronjé

zit, ouder gewoonte, op den hoogsten top der Magersfontein Randjes, over

de groote, rood-bruine vlakte naar het zuiden te staren. Gedurende den

slag van Magersfontein was dit Kopje voor hem van groot nut, daar hij

met zijn veldkijker vandaar den loop des strijds kon gadeslaan en zijne

plannen desovereenkomstig kon regelen. Onze Generaals hadden geene

ballons, om ze gedurende de wisselende kansen van een hevig gevecht

van alles op de hoogte te houden. Zij moesten zich derhalve van een of

andere hoogte in de nabijheid van een gevecht bedienen, en vandaar uit

hunne adjudanten met de noodige orders zenden. Daar zat onze dappere,

grijze, vrome Generaal dan, gewis voor de honderdste maal, op het

uitgestrekte kamp van Lord Methuen te turen. Eenige leden van zijn staf

vergezelden hem.

»Wanneer komt den lang verbeiden aanval”—is de vraag, die onwillekeurig

in hunne harten opstijgt. »Hier, hier bij de spoorlijn en nergens

anders”—blijft de vaste overtuiging van hun _chef_.

»Wat een stilte heerscht er in het kamp vanmorgen?”—vraagt meer dan een

zich ten negen of tien uur af. »De paardenruiters voeren niet vandaag

hun gewone exercities uit. De roode stofwolken zweven niet vanmorgen

over het kamp”. Niemand droomt er echter van, dat al de ruiters van Lord

Methuen eenige dagen geleden reeds naar achteren, naar _Ramdam_, dicht

bij Enslin station, vertrokken zijn. Niemand weet, dat Lord Roberts, met

Kitchener en French op Zaterdag, 10 Februari, reeds in 't kamp bij de

Twee Rivieren was en al zijne schikkingen voor de groote omtrekkende

beweging voltooid had. Ja, het grootste deel van Methuen's voetvolk is

ook reeds naar Enslin per spoor vervoerd. Niemand wist met welk doel.

Het geheim werd op meesterlijke wijze bewaard—vooral van onze

verkenners.

Ginds, achter het Engelsche Lager ziet men den spoorweg achter de

hoogten van Enslin wegduiken, maar wat daar bij Enslin en Belmont, bij

Grootrivier en De Aar plaats vindt, weet onze Generaal niets van af.

Kolonel de Villebois, even als anderen, had hem verscheidene malen

voorspeld, dat Lord Roberts hem te Magersfontein zal trachten af

te snijden, maar de Generaal wist altijd beter dan anderen, wat er

gebeuren zou. Hij was er zoo zeker van, alsof het hem van Boven

geopenbaard was, dat geen groote Britsche macht den spoorweg verlaten

zou. Het was hem een _idée fixe_. Op dit punt bleef hij tot het bittere

einde toe beslist alle waarschuwingen en alle profeten bespotten.

President Steyn vreesde al lang het ergste, precies daar, waar Generaal

Cronjé geene vrees scheen te koesteren.

Te Ramdam, geen zes mijl ten oosten van Enslin station, trok Lord

Roberts zijn groot leger van alle kanten samen. Twee groote Divisies

voetvolk (10,000 man elk) kwamen per spoor van het zuidwesten; alle

beschikbare ruiters en paarden van French stroomden er heen van

Colesberg _via_ Nauwpoort en De Aar naar de Grootrivier, om vandaar

naar het _rendezvous_ op te trekken; Methuen's manschappen voegden zich

van het noorden bij de groote massa's te Ramdam vergaderd.

Gisteren (Zondag 11 Febr.) werd er den heelen dag reeds op een 4 of

5000 paardenruiters, die langs de Oranjerivier van Ramah noordwaarts

trokken, door een commando Fauresmithers onder Grenscommissaris Van

der Post en Commandant Hertzog geschoten. De dikke, zwarte massa's,

trokken, echter, steeds noordwaarts, voorbij de kleine grenswacht bij de

Oranje, eenige dooden en prisoniers in onze handen latend. Noordwaarts,

altijd noordwaarts vloeide de machtige stroom, noordwaarts naar de

Vereenigingspunt, te Ramdam.

President Steyn telegrafeerde om hulp uit Natal. Hij wil de Winburgers

onder Generaal A. Cronjé hebben; maar Veldkornet Spruijt met een klompje

Heidelbergers wordt hem toegezonden. Later snellen de Winburgers en

daarna ook de Senekallers uit Natal, om hun dierbaren Staat te komen

beschermen. Maar Buller was in _diezelfde kritieke week_ juist hard

bezig onzen linkervleugel over de Tugela aan te vallen, en geen man

kon er uit Natal gemist worden. Van alle kanten, behalve te Colesberg

en Stormberg, werd het geroep nu luider dan ooit te voren: »Zend ons

mannen, meer mannen; de overmacht des vijands is verschrikkelijk.”

Slechts Generaal De la Rey had het heerlijk in die ernstige dagen van

spanning en vrees. Zijne wapenen waren allerwege voorspoedig. Clements

was tegen hem niet opgewassen en werd van punt tot punt op Nauwpoort

Junctie teruggedreven. Later komen wij hierop terug. Thans slechts dit:

al de plannen van Generaal De la Rey werden plotseling omvergeworpen

door de tijdingen van den grooten inval van Lord Roberts in den

Vrijstaat. Te midden van het laatste tooneel, als 't ware, viel het

ongewenschte gordijn neer, en hij moest naar Bloemfontein terugsnellen.

Maandagavond werd het reeds duidelijk, dat er een groote beweging van

Ramdam naar de Rietrivier op het Jacobsdalsche gaande was. Er werd

vandaar door onze grensbeschermers geseind: »14,000 Engelschen met 140

wagens zijn nabij de Rietrivier”. Terzelfdertijd kwam er ook een alarm,

omtrent een dergelijke beweging ten noorden van den spoorweg. Nu, een

Generaal ontvangt er gedurig van die rapporten omtrent hoopen vijands

hierheen of daarheen trekkend, en hij wordt telkenmale door »blinde

alarmen” getergd. Zoo kan men het Generaal Cronjé niet kwalijknemen,

dat hij zich voor eerst niet erg onrustig maakte. Hij zond echter een

commando van 500 Transvalers—onder zijn broeder Andries, als ik 't

wel heb—in de richting van Douglas uit, terwijl Generaal De Wet naar

Blauwbanksdrift, tusschen Jacobsdal en Koffiefontein, met 400 man en een

Krupp snelde. Vóór deze, echter, bij de Rietrivier kwam, was Generaal

French er al door!

Jammer, dat commandant Lubbe niet in die dagen meer mannen bij zich

had. Met 400 man hield hij de Jacobsdalsche grenswacht: een van de

belangrijkste posten in het gansche oorlogsterrein. Bij Blauwbanksdrift

werd hij door eene afdeeling Engelschen beziggehouden, terwijl de

hoofdmacht bij De Kiel, eene drift wat hooger op, doortrok en naar de

Modderrivier galoppeerde.

Op 14 Februari kon Generaal De Wet met zekerheid seinen:

»Gisteren namiddag zijn er ruiters met kanonnen in de richting van

Rondavel's drift getrokken. Ik heb 225 man vóór gezonden.” De Wet wist

blijkbaar niet, of er een groote of kleine macht des vijands naar de

Modderrivier snelde. In elk geval rekende hij erop, dat Generaal Cronjé

wel bij de Rondavel en andere nabij gelegene driften door de Modder op

zijne hoede zou zijn. _Hij_ had intusschen (dertig mijl van Cronjé)

de handen vol. Er was immers een groot wagen-lager des vijands aan de

rivier, met 500 of 600 man voetvolk. Gedurig stroomden er versterkingen

daarheen van Belmont en Enslin. Zijne macht telde slechts 550 ruiters.

Vele burgers waren naar de lagers gegaan, om hunne vrouwen wegtebrengen.

Met die kleine macht, echter, tastte hij den vijand daar bij de

Rietrivier aan en het gansche konvooi viel hem later in de handen.

Daardoor, echter, werd ook hij voor eenige dagen bezig gehouden, terwijl

Lord Roberts met 25,000 voetvolk, 11,000 ruiters en 98 kanonnen—volgens

Engelsche schrijvers—van Ramdam naar den Vrijstaatsche grenzen optrok.

Zoo wat 10,000 man bleef bij Lord Methuen te Twee-Rivieren, om later ook

aan den grooten strijd tegen Generaal Cronjé te Paardenberg deeltenemen;

maar deze meende, dat al die alarmen en geruchten, bewegingen

en schermutselingen slechts oorlogslisten waren, om hem van den

spoorweg weg te lokken. Het was wel degelijk mogelijk, dat al dat

heen en weer rijden der Engelschen slechts eene repetitie van de

Koedoesberg-demonstratie kon zijn! Die mogelijkheid moest onze Generaal

natuurlijk voor oogen houden. Tegen een aanval uit het kamp moest hij

steeds wakende blijven. Dan, zijne paarden waren zeer zwak. Ja, de

meeste burgers te Magersfontein waren thans voetgangers. Bijna duizend

ruiters met Andries Cronjé en Christiaan de Wet weggegaan zijnde, wat

bleef er nu over bij de Magersfontein en de Modderrivier? Vijf duizend

voetvolk. Ja, zoo is het. Maar men kan bitter weinig met een Boer te

voet uitrichten, als zijn paard niet ergens in de nabijheid staat.

Zoo was het in die dagen, in elk geval,—behalve in de slooten bij de

Magersfontein posities. _Daar_ bleven zij staan, zonder paarden, in 't

vaste vertrouwen op hun Generaal, dat de Engelschen ze weer in het front

zouden komen aanvallen. Maar naar de Rondavels en andere driften, hooger

op in de Modderrivier, zou zelfs de geduchte Cronjé ze niet kunnen

voeren.

Zoo reed French met zijn duizenden dien warmen Dinsdagnamiddag van de

Riet naar de Modder, zonder eenigen tegenstand van beteekenis, door.

De paar honderd ruiters van Generaal De Wet dansten er in de verte op

zijne flanken; nu en dan viel er een Mauserkogel op de mijlen breede

golf; maar wie kon die massa den weg versperren? Gelijk vliegen om een

spoortrein, zoo hingen onze verbaasde burgers, aan de dichte groote

massa cavalerie over de opene vlakte voortdonderend.

Als de Modderrivier driften toch maar goed bezet zijn! Als er slechts

een paar honderd ferme Mausers, met eenige kanonnen onder den dapperen

Albrecht de Engelschen daar opwachten! Dan valt er gewis een tweede

Modderrivierslag, indien niet een Magersfontein overwinning voor. Neen!

ditmaal was de Engelschman den Boer vóór. Met heel weinig moeite kreeg

French dienzelfden Dinsdagnacht de Rondavels en mogelijk ook een andere

drift, niet verre daarvandaan, in bezit. De weinige Boeren, die daar

waren, moesten terug wijken. Eenige lagertjes vielen op beide kanten der

rivier in Engelsche handen. Het droge grasveld raakte aan brand en de

onheilspellende rookwolken stegen ten hemel, terwijl het dunne eind

der wigge in den zwakken linker vleugel van Generaal Cronjé gedreven

werd—en de bommen de Vrijstaatsche vrouwen zonder proces uit de lagers

op de rivierwallen verjoegen.

Toen eerst geloofde onze Generaal, dat er werkelijk wat op zijn

linkerhand gaande was. Het kanongebulder bij de rivier overtuigde hem.

Hij moest eerst hooren en zien en tasten, als 't ware, eer hij in een

aanslag door het Jacobsdalsche op zijn linkervleugel eenig geloof

hechtte. Zelfs nu nog echter, nam hij de zaak niet heel ernstig op. Hij

beschouwde nog altoos, dat alles bijzaak was, in vergelijking met den

aanval langs den spoorweg. Aan Generaal Froneman en Commandant de Beer

droeg hij dus »dat zaakje” op, terwijl hijzelf op zijn wachttoren bij

Magersfontein bleef zitten. Zoo veel moeite was er aan de grepen en

voren, slooten en schansen te Magersfontein besteed, dat hij niet kon,

en op slot van rekening niet wilde aannemen, dat alles, alles daar

tevergeefs was. De teleurstelling was hem te groot, te wreed. Hij wilde

er niet aan denken. Alzoo werkte alles tengunste van Generaal French.

Zijn geduchtste tegenstander stelde zich niet persoonlijk met zijn ouden

leeuwenmoed aan de spitse der burgers. Zijn waagstuk werd dus met

schitterend succes bekroond. Zijn stoutste verwachtingen werden verre

overtroffen. Zijn heerlijkste droomen werden door de werkelijkheid in de

schaduw gesteld.

* * * * *

Oerder en ik waren eenige dagen tevoren naar Langberg gegaan, om de

posities der Ladybranders en Stellalanders op ons rechtervleugel

van nabij te bekijken. Wij wisten niets hoegenaamd van de groote

gebeurtenissen der laatste dagen. Terwijl wij er gezellig onder de

heerlijke veranda van den heer Pieter Marais zaten te praten, op

Woensdagmorgen, 14 Februari, dreunden er kanonschoten in het verre

oosten. Hé, dat is wat nieuws. Wat beteekende dat? Daar verre in de

richting van Jacobsdal, of nader wordt er gevochten. Was onze profetie

aan 't vervullen? Werd onze oude vrees thans bewaarheid? Trokken de

Engelschen over Jacobsdal den Vrijstaat binnen?—Niemand kon ons eenige

inlichting geven, zoo besloten wij weer terug te rijden naar Brakdam, om

daar wat nieuws te vergaderen. Het was een lange en vermoeiende tocht

voor onze magere dieren, maar wij wilden zoo veel mogelijk uit eigen

oogen zien, wat er gaande was. Met groote bekommernis in 't hart legden

wij dien warmen dag ruim achttien mijl af, totdat wij op de plaats, aan

Brakdam grenzend, vernamen, dat onze vrienden vandaar in aller ijl

hadden moeten vluchten. De Engelschen waren in de rivier en aan deze

zijde der rivier—en op Brakdam! Goeie deugd! Dat was een pijnlijke

verrassing!

»En Jacobsdal?”—vroegen wij.

»Jacobsdal is reeds ingenomen”.

Wij zwegen—en bleven dien nacht bij een dam, door fraaie wilgen

omzoomd, in de nabijheid van het Bloemhof-lager. Wij hadden er volop

water; vleesch werd ons voor den volgenden morgen beloofd; de vijand

was geen zes mijl van ons verwijderd. Onze arme paarden moesten rusten

en kracht verzamelen. Morgen, ja wat kon de morgen niet opleveren? Ik

vreesde het ergste, maar hield mij sterk en sprak geen woord.

Op den gezichteinder, rechts en links van den weg naar Brakdam, zagen

wij klompjes burgers. Zij namen daar positie voor den nacht en voor den

onbekenden morgen. Rechts, daar ginds bij de Modder was er een Pom-pom

met eene wacht, om een aanval op Cronjé's lager te weerstaan. Tusschen

de Engelschen en hun weg naar Kimberley, zoo wat vier mijl van de

rivier, was er slechts één kopje van eenige waarde voor onze burgers,

om den doortocht van French te beletten. Het land was gelijk en, voor

de Boeren, die slechts één Krupp onder Majoor Albrecht daar hadden,

zeer onvoordeelig. Vaalboschjes waren er in overvloed, maar geen

randjes en heuveltjes. Ook was er geen tijd, en mogelijk ook geene

energie, noch lust om weer slooten te graven. Hoe konden zeshonderd

man met uitgeputte paarden de duizenden van French in een opene vlakte

voorkeeren? De burgers zagen de hopeloosheid hunner taak spoedig

in. Zij wisten, wat er komen zou. De slag was verloren—toen de

Modderrivierwallen in 's vijands bezit kwamen.

Tegen den avond kwamen er een 60 of 80 burgers te paard bij den dam

afzadelen. Zij waren onder Veldkornet Froneman, broeder van den

Vecht-Generaal. De vroolijke vechtlust was van hen geweken, hoewel

zij dood bedaard en stoicijnsch zoo als altoos te werk gingen.

»Van waar komt jullie?”—vroeg ik.

»Van Alexandersfontein”—was het antwoord.

»Zijn er dan nog genoeg mannen daar achtergebleven, om die plaats tegen

een aanval te behouden?”

»Neen. Er zijn zoo te zeggen geene burgers daar. Bijna allen zijn hier.”

Vreemd! Terwijl wij samen spraken was Alexandersfontein al door

eene macht uit Kimberley in bezit genomen, en ook daar—werden de

lieve vrouwen, die er picnic vierden, onaangenaam verrast. Wat was

gemakkelijker voor de Engelschgezinde eigenaars der plaatsen om

Kimberley, die in vele gevallen door de toegefelijke Boeren in hunne

huizen gelaten werden, dan een Kaffer naar de stad te zenden met het

bericht: »Kom spoedig hierheen: de Boeren zijn verdwenen?” Zulke dingen

gebeuren in oorlogstijd. Wien kan men vertrouwen? Hoe het ook zij:

de Kimberley-verdedigers maakten goed gebruik van de goede opening.

Zij glipten erin en Generaal Kolbe en Du Toit waren Donderdag tegen

den avond nog druk in de weer om ze eruit te schieten, toen er een

groote massa ruiters van het zuiden opdoemde. Beide partijen stonden

verbaasd!—Kimberley was verlost. Het waren de mannen van Generaal

French!

Het gebeurde aldus. Toen een divisie voetvolk bij de Modderrivier

aangekomen was, begon French plannen te maken voor zijn laatsten rit

naar de diamantenstad. Generaal Froneman had toen 700 of 800 man ter

zijner beschikking, maar het veld was zoo ruim, dat de ruiters van

French, na een bombardement van eenige uren, eenvoudig _door de dunne

linie galoppeerden_. Omtrent halfnegen begon het kanongebulder, vooral

op het eenzaam, maar manhaftig veldstuk van Majoor Albrecht, die zich

dien dag bijzonder onderscheidde. Meer dan eens dacht men, dat hij met

zijn artilleristen en kanon verpletterd was, maar hij kwam telkenmale

weer uit de stof- en rookwolken te voorschijn, tot het einde toe den

ongelijken strijd volhoudend. Drie uur lang werd er uit ruim twaalf

vuurmonden op onze zwakke posities gevuurd, en tegen noen begon de

groote golf van ruiters zich weer voorwaarts te bewegen. Ver van het

kopje, ver van de meeste Mausers, ver van alle gevaar stroomde de

ruiterij voort naar Kimberley. Een paar dozijn zadels werden er

geledigd. Wat meer paarden dwaalden er in het veld rond—want de

Engelschen hadden ook handpaarden in vele gevallen, en de flauwe dieren

werden eenvoudig achtergelaten,—en—de »race” was afgeloopen.

Of French zich niet verheugde! Of zijne ruiters niet jubelden, toen

het zoo gemakkelijk ging! Met ontbloote sabels, in de zon schitterend,

vlogen zij zoo snel mogelijk door onze gelederen. Nu en dan werd er

achter een burger gejaagd, en een paar burgers werden neergehouwen;

gevochten werd er echter niet. De Mausers kletterden uit de verte als

muziek in hunne ooren, te midden van het vroolijk getrappel hunner

paardenhoeven »'t Is not the Boers' fighting-day to-day boys! Forward.

To Kimberley!!”

Alzoo werd Kimberley gered, en French met eeuwigen roem gekroond.

* * * * *

Vroeg in den morgen van dien noodlottigen dag kwam er eene kar bij ons

voorbij, in de richting van Magersfontein snellend. Een burger met

vrouw en vier kinderen zaten er in het rijtuig.

»Waar gaat het heen?”—vroeg ik.

»Ik breng mijne familie in veiligheid.”

»Maar hoe dan met het gevecht?”

»Wel, ik moet toch eerst mijne vrouw en kinders wegbrengen”—antwoordde

hij doodbedaard. Zoo is het ook. 't Is gansch natuurlijk. Maar wat deden

vrouw en kinderen aan 't front?

Kort daarop kwam er eene kar met twee muilen bespannen. Een gewapende

burger had de leidsels in handen en haastte zich naar de Magersfontein

Randjes.

»'k Heb orders van mijn officier, om zijne vrouw bij Spijtfontein te

gaan halen en weg te brengen”—was zijn antwoord op een dergelijke

vraag.

Deze zijn feiten, waarvoor ik persoonlijk borg sta. Mijne oogen en

ooren zijn er getuigen van geweest. Waren er niet mogelijk honderden

zoodanige gevallen? Men was al te gerust te Magersfontein en rondom

Kimberley geworden en—de ontnuchtering kwam als een donderslag uit een

helderblauwen hemel. Ruw, pijnlijk, verwarrend was de ontwaking uit den

zoeten droom van blijvend succes en voortdurende triomfen. Geen wonder,

dat de vechtgeest voor eene wijle van de burgers geweken is, en dat

Generaal French zoo weinig tegenstand vond.

Tegen één uur kwamen wij een paar ruiters tegen. Zij reden langzaam

voort, weg van het slagveld. Wij gingen nader. Een hunner had een groot

Engelsch cavalerie-paard in de hand, terwijl het ros, dat hij bereed,

een wijde, gapende wond boven de oogen had. De sabelhouw was blijkbaar

niet diep, want het paard scheen er niet onder te lijden.

»Hoe is 't met jullie gegaan?”

»Vrot!” antwoordde de kerel met het gewonde dier, kortaf. »Al de

Engelschen kwamen op ons klompje Bloemfonteiners af. Wij waren omtrent

20 of 25 stuks. Niemand kwam ons helpen. Wij werden geheel en al in den

steek gelaten”.

»En die sabelhouw, daar?”

»Die Rooie's het net leelijk onder ons gewerkt, man, 'n paar van ons is

dood, en 'n paar gewond. Ons kon niet gauw genoeg pad gé nie”.

»En die Engelschen?”

»Och! hull is almal deur.”

Hoe onze vriend in de benauwdheid en de haast nog een vijandig paard

wist te bemachtigen, is mij een raadsel. Hij was er hoegenaamd niet

trotsch op, dus was er waarschijnlijk geen heldendaad aan verbonden.

Omtrent de groote ramp, die ons volk dien dag getroffen had, scheen hij

zich niet veel te bekommeren. Hij had een paard buit gemaakt—dat was

hem genoeg. Zoo reed hij van het vechtterrein weg.

Daar wij slechts twee zwakke dieren voor ons wagentje hadden, konden wij

op geen avontuurtje uitgaan. Wij hadden er ook weinig lust toe, om de

waarheid te zeggen, daar er geene schuiling tegen de Engelsche bommen

in die gewesten was. Zoo besloten wij ook weldra, om langzaam te

retireeren.

»Bokkie! Span in! Die zaken lijken maar leelijk. Laat ons voer bij

Cronjé's lager halen.”

Toen wij daar kwamen, was het lager bijna totaal verdwenen. De Generaal

werd eindelijk onrustig daar bij de rivierwallen. De Engelsche kanonnen

aan de overzijde van Rondavel's Drift konden hem heel licht een bezoek

brengen. Zoo trok hij een mijl of vijf van de Modder terug naar een

»pan” of vlei, waar het vooreerst veilig was. Gelukkig voor ons echter,

waren er nog eenige leden van zijn Commissariaat-departement in de oude

legerplaats achtergebleven, die juist bezig waren de laatste zakken

mielies en meel op te laden. Met plezier gaven zij ons een zak mielies,

waarvoor wij hun niet genoeg dankbaar zijn konden.

Rechts van de achterste randjes te Magersfontein spanden wij uit, de

ontknooping van het treurspel afwachtend.

Tegen halfvier kwamen de burgers in lange strepen van het zoogenaamde

slagveld aangereden. Er was geene vlucht, want er was geen vijand, om

voor te vluchten. De vijand was er vandoor. Langzaam en lusteloos kwamen

zij over den stoffigen weg, omgeven van geelachtige stofwolken. Van

tijd tot tijd draaiden er een aantal burgers uit naar de verschillende

posities, die zij maanden lang zoo trouw bewaakt hadden. Een aantal

wagens van het Bloemhof-lager kwamen ook over de vlakte aan, en spanden

bij ons wagentje uit. De vijandelijke bommen vielen op de plaats, waar

het lager maanden lang gestaan had, en de wagens moesten verzet worden.

Er waren ook bij deze wagens vrouwen en kinderen, die zich nu in den

maalstroom des oorlogs bevonden. Eindelijk kwamen de Artilleristen.

»Hoe is het?”—vroegen wij hun.

»Wij zijn allen teruggevallen. De Engelschen zijn door naar

Kimberley”—antwoordde een sergeant, in een toon van doffe

neerslachtigheid.

»En nu? Wat nu gedaan?”

»Ik weet niet. De krijgsraad is door Generaal Cronjé opgeroepen.”

»Ik vrees, dat wij van hier heel gauw zullen moeten verdwijnen, om niet

vastgekeerd te worden.”

»Zoo denk ik ook”—was zijn antwoord.

* * * * *

Kort daarna, tegen zonsondergang, steeg de groote ballon uit Methuen's

kamp hoog in de lucht, hooger dan ik hem ooit tevoren heb gezien. Het

akelig, allesdoordringend oog beloerde ons daar achter de randjes

eenigen tijd en wij wisten goed, dat er wat ergers aan 't komen

was.—Daar komt hij! Een ellendige lyddiet-bom kraakt er tegen de

achterste toppen der randjes. Vroeger werd er altoos op de voorste en

middelste kopjes gemikt; thans werd er blijkbaar eene poging aangewend,

om over de randjes een projectiel te werpen. De afstand was echter wat

groot, of mogelijk was de berekening niet juist, want al de bommen

sloegen tegen de toppen aan. Met zooveel kracht werd er echter gevuurd,

dat er een groot stuk ijzer midden in het Bloemhof-lagertje geslingerd

werd. Het snorren en gonzen van het moordtuig door de lucht, en het

sissend neerploffen ervan, vlak voor een wagen, verwekten heel wat

angst onder de vrouwen en kinderen. Dat laat zich wel begrijpen. In een

ommezien werden de ossen dan ook weer gehaald, de wagens ingespannen, en

voort gingen onze Bloemhoffers in de richting van Scholtznek.

Verstandige menschen! Zij kwamen veilig met wagens en al bij De la Rey's

lager, ten noordwesten van Kimberley, den volgenden morgen om negen uur

aan. Instinctmatig volgden de Bloemhoffers, die bij het lager gebleven

waren, denzelfden weg, waarlangs zij van Kimberley naar Magersfontein

gekomen waren. Was Generaal Cronjé ook zoo langs naar de Modderrivier

gekomen, dan zou de schaal mogelijk ook voor hem en zijne duizenden in

die richting zijn gekeerd. Als men eens over een pad naar een of andere

plek reist, gaat men als vanzelf weer langs dat pad terug. Generaal

Cronjé kwam _via_ Edenburg door den Vrijstaat naar de Modderrivier.

Hij viel min of meer in dezelfde richting terug.

Het behoeft geen betoog, dat de route door Scholtznek om het westen van

Kimberley naar de Vaalrivier voor hem volmaakt veilig was. Methuen had

te weinig mannen om hem eenig kwaad te doen. Ook kon hij het voetvolk

uit Methuen's kamp gemakkelijk zijn voorgebleven. Kelly-Kenny's divisie

lag bij Rondavel'sdrift. Die kon hij gemakkelijk met een klein commando

ruiters hebben beziggehouden, terwijl zijn lager dien nacht om Kimberley

heen trok. Het Britsche voetvolk zou zijn wagens door Scholtznek niet

achterhaald hebben. Het terrein was daar prachtig voor een »rear guard

action”—een terughouden des vijands met de achterhoede, terwijl de

hoofdmacht bedaard voortging. En de ruiterij van French?—vraagt gij.

Wij zullen weldra zien, hoe nietsbeduidend cavaleristen zijn, in het

bestormen van posities. Dat is immers niet hun werk. Daartoe zijn zij

niet opgeleid. Daarvoor hebben zij geene oefening gehad. Zij konden

het eenvoudig niet doen—in die dagen. Later eerst heeft men corpsen

rijdende infanterie—zooals de Boeren allen zijn—speciaal voor dezen

oorlog afgericht. Elkeen weet, dat de gewone Britsche cavalerie zoo

te zeggen niets groots in den oorlog uitgericht heeft, behalve de

brilliante rit naar Koedoesdrift, om Cronjé daar vóór te zijn. Tegen

Generaals du Toit en Kolbe kon Generaal French weinig doen in de

zandduinen om Kimberley. Was Cronjé _daarheen_ gegaan met zijn 5000 man

en honderden wagens, dan was alles veilig over de Vaal gekomen. Daaraan

twijfel ik geen oogenblik. Er was een groote wagenbrug over de Vaal bij

Barkly West, en daarenboven nog minstens drie ponten in goede conditie

in het Warrenton-district. Generaals du Toit en Kolbe hadden eenige

duizenden ruiters bij de Vaal. Gemakkelijk konden de wagens langzaam

zijn voortgegaan, terwijl Generaal Cronjé, met ongeveer 3000 ruiters als

achterhoede, allen meegerekend, tegen de Engelsche infanterie—_indien_

hij achtervolgd werd,—en als voorhoede tegen de cavalerie—_indien_

French hem wilde voorkeeren—kon geöpereerd hebben. Ik sprak niet eens

van de commando's onder Ferreira en De Wet en anderen, die hem ook

desnoods ter hulpe konden gesneld hebben.

Tien tegen één zou Lord Roberts Cronjé niet om het westen van Kimberley

gevolgd zijn, eenvoudig _a._ omdat deze zijn voetvolk te ver vooruit zou

zijn geweest, en dus niet te achterhalen was, en _b._ omdat Bloemfontein

zijn eigenlijk mikpunt was. Kimberley was bijzaak, Bloemfontein

hoofddoel. Indien er dus naar de Vaal dien noodlottigen Donderdagnacht

was teruggeweken, kon Generaal Cronjé vier of vijf dagen later reeds met

een groot en sterk paarden-commando de Vrijstaters aan de Modderrivier

geholpen hebben.

Zou Bloemfontein dan gered zijn? Neen, dat niet. De overmacht was te

groot. Maar 4000 man zouden stellig niet zijn gevangengenomen—het

_moraal_ onzer burgers zou niet zulk een verpletterenden slag ontvangen

hebben—Generaal Prinsloo zou zich stellig ook niet te Fouriesburg later

hebben overgegeven, enz. enz. enz.

Gedane zaken hebben geen keer. Klagen heeft geen nut. »Het moest zoo

zijn,” zal de typische Boer zeggen. »Een man kan hoegenaamd niet den

wil van Zeus ontvluchten, zelfs niet de allerdapperste,”—zou Homerus

gezongen hebben.

Ons wagentje stond alleen achter de Magersfontein-randjes. De burgers

waren op hunne verschillende posten. Generaal Cronjé zat in zijne tent,

geen vijf mijl van ons te peinzen. De krijgsofficieren maakten zich

klaar, om ter vergadering op te gaan. De gevreesde ballon daalde neder

en het kanongebulder zweeg. Statig en groot verrees de volle maan over

het geheimzinnig tooneel—meer geel dan wit, meer goud dan zilver was

hare kleur dien droevigen, onvergetelijken avond. Een groote stilte

heerschte er te Magersfontein. Wij waren verstomd. De snelle marsch der

gebeurtenissen ontnam ons bijna den adem. Elkeen wist, dat er iets

groots gebeurd was, maar niemand wist, dat deze dag _het grootste

keerpunt_ in den ganschen oorlog mag heeten. De stilte ging aan

ontzaggelijke veranderingen over het gansche oorlogsterrein zwanger.

Weldra zou het aan allen duidelijk worden. Thans had ik er echter een

vreemd voorgevoel van.

»Nu volgt Ladysmith”—zeide ik dien avond aan Oerder. »En dan Mafeking.

Alles gaat van nu af aan in duigen vallen. Alles is verloren. Arme, arme

Cronjé.”

Vanbuiten scheen de heldere maan. Vanbinnen heerschte de nacht—eene

nacht vol van groote, vallende sterren.

Te Kimberley, waar men bijna drie maanden tevoren reeds voor Lord

Methuen den feestdisch gedekt had, werd French nu als »de Held van den

dag” gevierd. Rhodes was eindelijk werkelijk zoo veilig »alsof hij in

Piccadilly was”. De belegerden waren dronken van vreugde, zoo niet van

whisky. Het gansche Britsche Rijk zou weldra in uitbundig gejuich

uitbarsten. Als groote deiningen golfden de massa's voetvolk van Lord

Roberts over de vlakke velden van den Vrijstaat. Ruim tienduizend man

was reeds op de oevers der Modderrivier bij Rondavelsdrift. Een tweede

divisie was in Jacobsdal. Anderen waren in aantocht.

Wat gaat Cronjé doen?—_Vluchten?_ Niet hij! Zijne dapperheid zou hem

ten val brengen. Zijne onverschrokkenheid zou hem verstrikken. Hij

achtte den vijand te gering—zoo als zoovele Generaals in zoovele

oorlogen vóór hem—en werd zwaar gestraft.

Hij vluchtte niet; maar _retireerde_ slechts, doodbedaard, langzaam,

vlak voor Kelly-Kenny's voetvolk bij de Modderrivier voorbij!

Hij vluchten? Neen, _hij verzette slechts zijn lager wat hooger op

langs de Modderrivier_—zoo zou hij het zelve hebben uitgedrukt—totdat

de Engelschen hem als bijen omringden en hij in »het wreede net des

Noodlots gevangen werd”. »Helaas! helaas! God helpe hem en zijne

dapperen”.

Alzoo werd deze Donderdag, 15 Februari 1900, de noodlottigste dag in de

geschiedenis van den grooten Zuid-Afrikaanschen Oorlog. Als door een

tooverslag, bijna zonder bloedstorting, werd het gansche oorlogstooneel

veranderd. De verlossing van Kimberley door French deed Cronjé

terugvallen—in de handen zijner vijanden; deed onze zegevierende

commando's van Rensburg siding en Stormberg terugkeeren; ontmoedigde

en verzwakte de burgers te Ladysmith en de Tugela en bij Mafeking;

verongelukte de Prieska-expeditie en wie weet hoe vele andere plannen

nog van onze voormannen, om van den afval der rebellen enz. niet eens te

gewagen.

De _schitterende periode_ was voor de Republieken voor goed voorbij, hoe

lang zij den strijd ook verder mochten volhouden. Op 15 Februari daalden

zij af in een »dal der schaduwen”, dat geen einde schijnt te hebben.

Plotseling, als in een schouwburg, was het Gordijn op het Eerste Bedrijf

van het Oorlogsdrama gevallen.

Zes maanden bij de commando's · 第 71 / 79 题